<Desc/Clms Page number 1>
DRAADSPANNINGS- EN TERUGTREKINRICHTING
VOOR WEEFREK
De huidige uitvinding betreft een draadspannings-en terugtrekinrichting, bestaande uit een reeks lamellen die vooraan en los van een weefrek opgesteld zijn.
Ze vindt vooral toepassing in jacquard-weefmachines met verschillend garenverbruik voor iedere individuele kettingdraad.
Door US-A-2, 885, 158 is een kettingsdraadspannings-en terugtrekinrichting voor weefrek bekend, die uit een of meerdere krammen of schakels bestaat, die een bepaald gewicht hebben en die telkens eens voor eens achter de bobijn op de afgetrokken draadlus gehangen worden. Het afgetrokken kettinggaren wordt eerst naar achter- over de achterste omkeergeleidspil geslagen en wordt dan naar voren gebracht over de voorste geleidspil. Een eerste kram of schakel wordt over de kettingdraadlus tussen bobijn en de achterste geleidspil gehangen en een tweede kram of schakel wordt tussen bobijn en de voorste geleidspil gehangen. De twee krammen vormen met de draad een soort bandrem op het cylindrisch oppervlak van de bobijn.
Wanneer nu een kettinggaren door het weefproces getrokken wordt, om in de weefzone verbruikt te worden dat gaat het kettinggaren zieh opspannen tot wanneer beide krammen opgetild worden, zodat de draadlus ook het bobijnlichaam verlaat en de rem vrijkomt. De bobijn wikkelt af tot de draadlus terug door de gewichten op de bobijn trekt en de remming opnieuw effectief wordt. Door de afwikkeling van de draad vallen de krammen inderdaad opnieuw op de bobijn en gaan deze opnieuw afremmen. Bij de valbeweging van
<Desc/Clms Page number 2>
de voorste kram of schakel wordt bovendien ook het kettinggaren uit de weefzone teruggetrokken, zodat hier voldoende compensatie gebeurt voor de verschillende standen van het kettinggaren in de gaap.
De spanning op het kettinggaren wordt bepaald door het gewicht van de krammen en het aantal wrijvingspunten van voorliggende geleide spillen en roosters.
Deze spanningsinrichting is eenvoudig te maken en is vrij goedkoop.
Een nadeel van de gekende inrichting is de moeilijkheid, om een bobijn te vervangen. Eerst moet men de schakels of krammen ophangen aan de geleidspillen, wat uiteraard tijdrovend is. Omdat de ligging van deze schakels in hoogte-en breedterichting niet juist te bepalen is, is een vervanging van een bobijn met een automaat niet mogelijk. Om de spanning in de kettingdraad aan te passen dient men schakels met een ander gewicht te plaatsen. Men kan ook meerdere schakels plaatsen. Dit neemt uiteraard veel tijd in beslag, om het groot aantal bobijnen in het weefrek allemaal van zo'n aantal gewichten te voorzien.
Zoals reeds in BE-9500426 omschreven, laat zieh een lege bobijn gemakkelijk vervangen als de ketting- draadspannings-en terugtrekinrichting onafhankelijk van de bobijn gemaakt wordt en vooraan los van het weefrek opgesteld wordt. Ze bestaat uit lamellen met doorvoeroog, die schuifbaar in een houder zijn opgesteld.
De werking van zo'n draadspannings-en terugtrekinrichting voor weefmachine is gelijkmatiger omdat elke kettinggarenbobijn door een doorlopende bandrem per rij of gedeelte van een rij afgeremd wordt, en de bobij-
<Desc/Clms Page number 3>
nen, die op het voorste gedeelte van het rek geplaatst zijn, naar wens meer of minder afgeremd worden dan de achterste bobijn.
Deze inrichting heeft echter nadelen. De draadgeleidlamellen schuiven door gleuven die een zekere weerstand door wrijving veroorzaken. Om een hoge dichtheid aan kettingdraden te kunnen opvangen moet de inrichting met een gedeelte naar boven en een gedeelte naar onder gebouwd worden. Deze opstelling neemt niet alleen vrij veel plaats in de hoogte, waardoor de lengte van de terugtrekveren moet kort gehouden worden, maar de instelling onder en boven moet ook verschillend zijn daar het gewicht in onderste gedeelte meewerkt en in bovenste gedeelte tegenwerkt.
Onderhavige uitvinding heeft tot doel deze nadelen te verhelpen. Hiervoor stelt ze een kettingdraadspanning-en een terugtrekinrichting voor weefrek voor, zoals in het inleidend gedeelte van de hierbij gevoegde conclusie 1 omschreven. Volgens de uitvinding bestaat ten minste een der lamellen uit een bladveer,
EMI3.1
die éénzijdig ingeklemd is.
Volgens een bijzonderheid van de uitvinding, is een bladveer aan een vrij uiteinde omgebogen en van een doorvoeroog voorzien. Hierbij spant elke bladveer de draad door buigspanning op.
In een bijzondere uitvoering krijgt elke bladveer een instelbare voorspanning. Daartoe is de bladveer in een regelbare houder ingeklemd. De houder van de inklemming kan in verschillende hoekverdraaiing vastgezet worden, om voor een zekere instelbare kettingspanning te zorgen.
<Desc/Clms Page number 4>
In een.-tvoering volgens voorkeur is een kettinggeleidstaaf tussen de kettingdraadrem en de bladveren voorzien.
De aanwezigheid van een extreme afwijking in de buiging van de bladveer wegens overdreven spanning van het kettinggaren, in geval van storing in de afwikkeling van de bobijn, waarbij de doorvoeroog van de bladveer op een lijn met het garen komt te liggen, wordt met een sensor of elektrode vastgesteld en in een signaal omgezet.
Anderzijds wordt een uitwijking van de bladveer in zijn meest ontspannen stand in geval van garenbreuk ook gedetecteerd en in een signaal omgezet.
De weefmachine wordt eventueel stilgelegd.
Het is voordelig de bladveer en de sensor op een de dezelfde instelbare houder te monteren.
De uitvinding betreft ook een onafhankelijke module, waarin draadgeleidkammen bladveren en kettingdraadremmen samengebouwd zijn en die bestemd is om vooraan en bos van een weefrek te worden ingebouwd.
Deze en andere kenmerken en bijzonderheden van de draadspanningsinrichting vloeien, volgens de uitvinding, voort uit de volgende beschrijving waarin verwezen wordt naar de hierbij gevoegde tekeningen.
Deze tekeningen zijn : - fiquur 1 : een zijaanzicht van een bobijnrek met een vooraan geplaatste spanningsinrichting volgens de uitvinding ;
<Desc/Clms Page number 5>
- fiquur 2 : een vooraanzicht overeenkomstig met dit van figuur 1 van de spanningsinrichting volgens de uitvinding ; ficruur 3 : een zijaanzicht van de bevestiging van de veerspanning van een draadspannings-en terugtrekinrichting volgens de uitvinding op een grotere schaal, en figuur 4 : een vooraanzicht van de draadspannings-en terugtrekinrichting volgens de uitvinding afgebeeld in figuur 3.
In deze figuren verwijzen dezelfde referentietekens naar gelijke of gelijkaardige elementen.
Bij jacquard-weefmachines met een verschillend garengebruik voor iedere individuele kettingdraad 10 worden de figuur-of poolkettingdraden vanaf de individuele bobijnen 1 naar de weefzone 2 toegevoerd. Deze bobijnen 1 worden in een weefrek 3 achter de weefmachine geplaatst.
Bij het vormen van de weefgaap wordz elke individuele kettingdraad bij opeenvolgende inslaginbrengingen op verschillende standen gebracht door de jacquard-hevel, die via een harnaskoord bewogen wordt door de jacquard-inrichting. Om de kettingdraad 10 tijdens de beweging en de stilstand in een bepaalde stand onder spanning te houden, wordt op elke bobijn 1 in het rek 3 een spanningsinrichting voorzien. Bij dubbel stuk weefmachines, in het bijzonder voor poolweefsels, zijn ofwel twee ofwel drie standen nodig naargelang de enkelspoelige of dubbelspoelige weefmethode gebruikt wordt.
In elk van deze standen
<Desc/Clms Page number 6>
dient de poolkettingdraad onder spanning gehouden te worden alsook tijdens de beweging voor gaapwissel teneinde, enerzijds. te verhinderen dat de pooldraden zouden slap vallen en met elkaar zouden verstrengelen, maar, anderzijds, ook om een zuivere poollus te trekken met gelijkmatige poolhoogte en om slappe lussen op de rug van het tapijt en slappe lussen tussen poolrijen van inbindende poolkettingdraden 10 te vermijden. M. a. w. bestaat de probleemstelling erin het poolmateriaal zo gestrekt mogelijk te verweven teneinde overmatig poolmateriaalverbruik te beperken en om een gelijkmatig pooloppervlak te verzekeren. Hiertoe moet zelfs poolgaren uit de weefzone 2 naar het weefrek 3 teruggetrokken worden en dit bij een zo gelijkmatig mogelijke spanning voor alle bobijnen 1 (figuur 1).
Dedraadspannings-enterugtrekinrichtingwordt vooraan in de deuren van het weefrek 3 en tussen twee kettingdraadkammen 9 en 12 geplaatst, die als geleidroosters dienen. Zoals afgebeeld in figuur 3, bestaat deze draadspanningsinrichting uit een bladveer 5.
De bladveer 5 wordt aan een zijde ingeklemd.
Het andere vrije uiteinde wordt omgebogen en voorzien van een doorvoeroog 6. De houder 7 van de inklemming is a=.- een asje 8 bevestigd. Dit asje is draaibaar opgesteld in het frame 11 en kan in verschillende standen vastgezet worden om een zekere instelbare voorspanning te Kunnen opleggen. Deze bladveren 5 kunnen naast elkaar geplaatst worden en laten een hoge dichtheid van de kettingdraden toe. Deze bladveren 5 kunnen alle in dezelfde richting, bij voorbeeld naar beneden werken, de instelling zal dus voor alle bladveren 5 dezelfde zijn bij een gelijke hoekverdraaiing van het asje 8.
<Desc/Clms Page number 7>
Een eerste rij naar omlaag werkende cladveren 5 werkt op de onderlaag en een tweede rij naar omhoog werkende bladveren 5 werkt op de bovenlaag. Hierdoor wordt de kettinggarenlaag in twee lagen verdeeld, waardoor de garens minder op elkaar gaan wrijven en waardoor de kans voor onderlinge verstrengeling geringer wordt.
De kettingdraadspanning waarmee zal geweven worden, wordt-ngesteld met kettingdraadrem 14. De kettingdraadrem 14 is van bekende constructie. Elke kettinggarenbobijn 1 wordt afgeremd door een doorlopende bandrem per rij of gedeelte van een rij.
Het kettinggaren wordt uit de weefzone teruggetrokken met de bladveer 5. De terugtrekkracht wordt ingesteld door regeling van de hoekverdraaiing van de bladveer 5.
De kettinggarens worden netjes van elkaar gescheiden door de kettingdraadkammen 9,12. De kettingdraadspanning zal dus veel minder bepaald worden door de plaats van de bobijn in het weefrek 3. Een bobijn 1 in het weefrek 3 kan dus vervangen worden zonder dat er een storing op de kettingdraadspanning zieh voordoet.
Wanneer de kettingdraadspanning om een of andere reden verhinderd wordt om van de bobijn 1 af te wikkelen, dan zal de kettingdraad zieh gaan opspannen en het doorvoeroog 6 van de bladveer 5 zal op een lijn met het garen komen te liggen. Deze extreme stand van de bladveer 5 kan met een sensor of elektrode gedetecteerd worden, waardoor een signaal tot stilstand van de weefmachine kan gegeven worden. Breekt de kettingdraad 10 in het bereik van de weefzone 2 tot aan de kettingdraadrem 14, dan zal de bladveer 5 uitwijken in zijn
<Desc/Clms Page number 8>
meest ontspannen stand. Ook deze stand kan met een sensor of een elektrode gedetecteerd worden en kan een stopsignaal voor de weefmachine genereren. Deze inrichting kan mogelijk de kettinggarenwachter vervangen.
Deze draadspanningsinrichting werkt voor alle kettingdraden 10 op nagenoeg dezelfde afstand van de weefzone 2 en de terugtrekkracht is dus niet meer zo afhankelijk van de diepte van de bobijn 1 in het weefrek 3. De poolhoogte van dubbelstuk weefsels zal gelijkmatiger worden. Deze inrichting blijft ook werken bij de verwisseling van een bobijn 1 op het weefrek 3. De verwisseling van een bobijn 1 geeft minder storing op het weefproces.