<Desc/Clms Page number 1>
Inrichting voor het presenteren van inslagdraden bij
EMI1.1
weefmachines. weefmachines.
Deze uitvinding heeft betrekking op een inrichting voor het presenteren van inslagdraden bij weefmachines. In de eerste plaats is de inrichting bedoeld om de inslagdraden aan de grijpers van grijperweefmachines te presenteren.
Zoals bekend zijn meerdere aspekten aan het presenteren van een inslagdraad aan een grijper verbonden. Ten eerste is het belangrijk, ten einde een vlotte werking te verkrijgen, dat bij een twee maal of meermaals na elkaar te presenteren draad de presentatiearm geen heen en weergaande beweging uitoefent, doch in zijn gepresenteerde stand blijft staan. Een weefmachine die dit principe toepast, is bekend uit het Amerikaans oktrooi nr 3.092. 150.
Bij grijperweefmachines is het ook belangrijk dat de beweging van een draadpresentatiearm vanuit de gepresenteerde toestand
<Desc/Clms Page number 2>
naar de rusttoestand zo laat mogelijk gebeurt, opdat de inslagdraad niet in aanraking met de bovenketting zou komen.
Tevens moet de presentatie van een inslagdraad vroeg genoeg beginnen om de inslagdraad tijdig in de baan van de grijper te brengen. Anderzijds, wanneer een inslagdraad te vroeg wordt gepresenteerd, kan deze met de voorheen ingebrachte inslagdraad in aanraking komen waardoor een beschadiging of een verstrengeling van inslagdraden kan ontstaan.
Doorgaans worden de meest optimale kondities bereikt wanneer een in te schakelen presentatiearm en een uit te schakelen presentatiearm elkaar kruisen ongeveer op het ogenblik dat de aanslag van de laatst ingebrachte inslagdraad plaats vindt. De inslagdraden die met de respektievelijke presentatiearmen verbonden zijn, hebben immers vanaf dat moment een nagenoeg gemeenschappelijk beginpunt, namelijk het voorste uiteinde van de aanslaglijn. De draden kunnen elkaar dan ook niet kruisen en verstrengeling is uitgesloten.
Bij bekende inrichtingen worden de presentatiearm van de te presenteren draad, enerzijds, en de presentatiearm van een zojuist gepresenteerde en in de gaap gebrachte draad, anderzijds, gelijktijdig over éénzelfde periode bewogen. Daar de tijd waarover deze periode zich kan uitstrekken zeer beperkt is omwille van de voornoemde vereisten, moeten de
<Desc/Clms Page number 3>
presentatiearmen vlugge en bruuske bewegingen maken wat nadelen geeft qua krachten, sleet, lawaai, enz.
De huidige uitvinding heeft een inrichting voor het presenteren van inslagdraden tot doel die de voornoemde nadelen niet vertoont, doch wel aan alle voornoemde vereisten tegemoet komt. Volgens de uitvinding wordt hiertoe gebruik gemaakt van een inrichting waarbij een faseverschuiving bekomen wordt tussen, enerzijds, de periode gedurende dewelke een draadpresentatiearm naar beneden wordt geplaatst en, anderzijds, de periode gedurende dewelke de presentatiearm die in de voorbije weefcyclus in het presenteren van een inslagdraad voorzag nu terug omhoog wordt geplaatst. Dit biedt o. a. het voordeel dat de presentatiearm die de volgende inslagdraad in de baan van de gaap moet presenteren reeds naar beneden kan bewogen worden alvorens de presentatiearm van de laatst ingebrachte inslagdraad omhoog wordt gebracht.
De inrichting volgens de uitvinding bestaat hierbij hoofdzakelijk uit een aantal tussen twee posities heen en weer wentelbare draadpresentatiearmen ; een nokkenmekaniame ; een aandrijving die het nokkenmekanisme met halve machinesnelheid aandrijft ; twee onafhankelijk van elkaar bewegende en met het voornoemde nokkenmekanisme samenwerkende nokvolginrichtingen ; per draadpresentatiearm twee ankers die respektievelijk aan de nokvolginrichtingen zijn bevestigd en die met de
<Desc/Clms Page number 4>
draadpresentatiearmen kunnen samenwerken ; middelen om per weefcyclus een aantal van de voornoemde ankers op welbepaalde ogenblikken en gedurende een welbepaalde periode in de erbij horende draadpresentatiearmen te laten ingrijpen ; middelen die de voornoemde ankers respektievelijk naar een ontgrendelde toestand dwingen ;
en middelen om de draadpresentatiearmen in hun laatst door de ankers opgelegde positie te houden, waarbij het voornoemde nokkenmekanisme en de nokvolginrichtingen oscillerende bewegingen aan de ankers toekennen, zodanig dat afwisselend per opeenvolgende weef cyclussen de ankers die met een van de nokvolginrichtingen zijn gekoppeld in het presenteren van één van de draadpresentatiearmen kunnen voorzien, terwijl de ankers die met de andere nokvolginrichting zijn gekoppeld een gepresenteerde presentatiearm kunnen terugplaatsen.
Met het inzicht de kenmerken volgens de uitvinding beter aan te tonen wordt hierna als voorbeeld zonder enig beperkend karakter een voorkeurdragende uitvoeringsvorm beschreven, met verwijzing naar de bijgaande tekeningen, waarin : figuur l schematisch het presenteren van inslagdraden aan de grijper van een grijperweefmachine weergeeft ; figuur 2 het verloop van de bewegingen van twee draadpre- sentatie-elementen voor bekende inrichtingen weergeeft ; figuur 3 het verloop van de bewegingen van twee draadpre-
<Desc/Clms Page number 5>
sentatie-elementen weergeeft voor de inrichting volgens de huidige uitvinding ; figuur 4 een weefmachine weergeeft die de inrichting vol- gens de uitvinding toepast ; figuur 5 de inrichting volgens de uitvinding in doorsnede weergeeft ; figuur 6 een doorsnede weergeeft volgens lijn VI-VI in fi- guur 5 ;
figuur 7 een doorsnede weergeeft volgens lijn VII-VII in figuur 5 ; figuur 8 de in figuur 5 weergegeven presentatiearm in een andere stand afbeeldt ; figuren 9 en 10 voor twee verschillende standen een ge- deelte uit de inrichting weergeeft, hoofdzakelijk overeen- komstig aan de doorsnede volgens lijn IX-IX in figuur 6 ; figuur 11 op een grotere schaal de in figuur 5 voorkomende nokken weergeeft ; figuren 12 t. e. m. 15 ter verduidelijking van de werking schematisch de inrichting voor verschillende standen weer- geven.
Zoals is weergegeven in figuur 1 is het algemeen bekend om bij grijperweefmachines de verschillende inslagdraden 1 door middel van op en neer beweegbare draadpresentatie-elementen 2A tot 2D, respektievelijk volgens het gewenste weefpatroon in de baan van de gevergrijper 3 te brengen. Zoals bekend brengt de
<Desc/Clms Page number 6>
gevergrijper 3 de gepresenteerde draad 1 dan in de gaap 4, waar deze wordt overgenomen door de nemergrijper 5. De ingebrachte inslagdraad wordt vervolgens door middel van het riet 6 tegen de aanslaglijn 7 aangeslagen. Ten einde bij de volgende weef cyclus in een andere inslagdraad te voorzien, wordt het draad presentatie-element 2A terug omhoog gebracht, terwijl het draadpresentatie-element, bijvoorbeeld 2B, van de eerst volgend in te brengen inslagdraad naar beneden wordt verplaatst.
Indien de draadpresentatie-elementen 2A tot 2D bestaan uit draadogen, zoals weergegeven in figuur 1, blijven de zich in rusttoestand bevindende inslagdraden l vasthangen aan de weefselrand 8.
Het is duidelijk dat, om een vlotte werking te bekomen, de bewegingen van de draadpresentatie-elementen 2A tot 2D aan de in de inleiding genoemde vereisten moeten voldoen.
Bij de bekende inrichtingen is het gebruikelijk om de neergaande beweging van het draadpresentatie-element 2B van de eerstvolgend te presenteren inslagdraad 1 precies gelijktijdig en over dezelfde periode T uit te voeren als de omhooggaande beweging van het draadpresentatie-element 2A dat de laatst ingebrachte inslagdraad heeft gepresenteerd. Het verloop van de verplaatsingen van de draadpresentatie-elementen 2A en 2B
<Desc/Clms Page number 7>
gebeurt dan respektievelijk zoals voorgesteld door middel van de kurven 9 en 10 in figuur 2, waarin de verplaatsing van de draadpresentatie-elementen ie uitgetekend in funktie van de krukgraden van de hoofdas van de weef machine, waarbij nul graden overeenkomt met het ogenblik dat een inslagdraad aangeslagen wordt.
In de figuur 2 stelt H het gebied voor waarin een gepresenteerde inslagdraad 1 door de gevergrijper 3 kan worden meegenomen. Op nul graden vindt de aanslag plaats. terwijl op het moment X een gepresenteerde draad door de grijper 3 wordt vastgenomen.
Belangrijk hierbij is dat het terugplaatsen van het presentatie-element 2A zo laat mogelijk gebeurt opdat de betreffende inslagdraad 1 niet in aanraking met de bovenketting 11 zou komen. Anderzijds moet de presentatie van de volgende inslagdraad 1 door middel van het draadpresentatie-element 2B zo vroeg mogelijk beginnen opdat de betreffende inslagdraad, op het ogenblik dat de gevergrijper 3 passeert, zou meegenomen worden. M. a. w. betekent dit dat het punt Xl zich in het gebied H moet bevinden. Belangrijk hierbij is ook dat de eerstvolgend in de gaap in te brengen draad niet te vroeg mag gepresenteerd worden, zo niet kan deze, zoals weergegeven in figuur l, kontakt maken met de nog niet aangeslagen ingebrachte
<Desc/Clms Page number 8>
inslagdraad, waardoor een verstrengeling van beide draden kan ontstaan.
Hiertoe is het gebruikelijk dat er op gelet wordt dat de kurven 9 en 10 elkaar kruisen op een moment dat samenvalt of nagenoeg samenvalt met het ogenblik waarop het riet 6 tegen de aanslaglijn 7 komt.
Omwille van het feit dat aan de voornoemde vereisten moet worden voldaan, en omwille van het feit dat de voornoemde bewegingen van de draadpresentatie-elementen 2A en 2B in precies dezelfde periode T worden uitgevoerd, ontstaat bij de bekende inrichtingen het nadeel dat de draadpresentatie-elementen 2A tot 2B vlugge en bruuske bewegingen moeten uitvoeren, hetgeen door de relatief steile flanken van de kurven 9 en 10 in figuur 2, althans gedurende de periode T, is uitgebeeld.
De huidige uitvinding betreft een inrichting voor het presenteren van inslagdraden l, waarbij het mogelijk is om zonder afbreuk aan de voornoemde vereisten te doen de presentatie-elementen met minder bruuske bewegingen kunnen verplaatst worden. Hiertoe worden, zoals weergegeven in figuur 3, de perioden Tl en T2 gedurende dewelke de betreffende draadpresentatie-elementen 2A en 2B verplaatst worden in duurtijd verlengd, waarbij tevens in een faseverschuiving van de beide perioden wordt voorzien.
<Desc/Clms Page number 9>
In figuur 4 wordt een weefmachine weergegeven die de inrichting 12 volgens de uitvinding toepast. De inslagdraden l worden op bekende wijze vanaf verschillende draadvoorraden 13 naar de draadpresentatie-elementen 2 geleid.
Zoals weergegeven in figuren 5 tot 7 bestaat de inrichting 12 volgens de uitvinding hoofdzakelijk uit een aantal tussen twee posities heen en weer wentelbare presentatiearmen 14 ; een nokkenmekanisme 15 ; een aandrijving 16 die het nokkenmekanisme 15 met halve machineenelheid aandrijft ; twee onafhankelijk van elkaar bewegende en met het voornoemde nokkenmekanisme 15 samenwerkende nokvolginrichtingen 17 en 18 ; per draadpresentatiearm 14 twee ankers 19 en 20 die respektievelijk aan de nokvolginrichtingen 17 en 18 zijn bevestigd en die met de draadpresentatiearmen 14 kunnen samenwerken ;
middelen om per weefcyclus een aantal van de ankers 19 en 20 op welbepaalde ogenblikken en gedurende een welbepaalde periode met de respektievelijke draadpresentatiearmen 14 te laten samenwerken, waarbij deze middelen bestaan uit door middel van een schakeleenheid 21 gestuurde elektromagneten 22 om de ankers 19 en 20 al dan niet in vergrendelde toestand te brengen, en eventueel aandrukmiddelen 23 om de ankers 19 en 20 op respektievelijke wijze in de presentatiearmen 14 te doen aangrijpen ; middelenbij voorkeur elastische middelen, zoals veren 24 en 25-om de ankers 19 en 20 naar een ontgrendelde positie te dwingen. en
<Desc/Clms Page number 10>
middelen 26 om de draadpresentatiearmen 14 in hun laatst door de ankers 19 en 20 opgelegde positie te houden.
De ankers 19 en 20 kunnen dus ofwel rechtstreeks door de respektievelijke elektromagneten 22 aangetrokken worden, ofwel eerst door middel van de aandrukmiddelen 23 tegen alle elektromagneten 22 aangedrukt worden, waarna de ankers 19 of 20 waarvan de bijhorende elektromagneten 22 zijn ingeschakeld in hun vergrendelde toestand aangetrokken blijven. Het gebruik van zulk aandrukmekanisme 23 vergemakkelijkt het aantrekken van de ankers 19 en/of 20.
De draadpresentatiearmen 14 bestaan uit hefbomen die aan hun voorste uiteinden voorzien zijn van de draadpresentatie-e1ementen 2, en die rond een gemeenschappelijke as 27 wentelbaar zijn, dewelke, zoals weergegeven in figuur 6, bij zijn beide uiteinden bevestigd is in de behuizing 28.
Het voornoemde nokkenmekanisme 15 bestaat volgens de voorkeurdragende uitvoeringsvorm, zoals weergegeven in figuren 5 en 7. uit twee identieke nokken 29, die aan weerszijden in de behuizing 28 op een doorlopende aandrijfas 30 zijn gemonteerd, die met de voornoemde aandrijving 16 is gekoppeld.
De voornoemde nokvolginrichtingen 17 en 18 bestaan hoofdzakelijk uit d. m. v. assen 31 en 32 wentelbare hefbomen 33
<Desc/Clms Page number 11>
en 34 die voorzien zijn van nokvolgers, zoals rollen 35 en 36, waarbij deze hefbomen in kontakt gehouden worden met de voornoemde nokken 29 door middel van drukveren 37 en 38. De nokvolginrichtingen 17 en 18 bestaan verder uit rond de voornoemde as 27 ventelbare armen 39 en 40 die aan hun uiteinden 41 en 42 die tegenoverliggend gesitueerd zijn aan de as 27 door middel van acharnierbare koppelstukken 43 en 44, in de vorm van schakels, met de vrije uiteinden van de hefbomen 33 en 34 zijn verbonden. Het is duidelijk dat, zoals weergegeven in figuren 6 en 7, de assen 31 en 32 zich bij voorkeur doorheen de behuizing 28 uitstrekken.
Het is eveneens duidelijk dat aan weerszijden van de inrichting, aldus aan beide voornoemde nokken 29, een konstruktie is voorzien zoals hiervoor beschreven, met andere woorden elk van deze konstrukties bestaande uit de hefbomen 33-34, de veren 37-38, de armen 39-40 en de koppelstukken 43-44.
Opgemerkt wordt dat, zoals weergegeven in figuur 5, de hefboom 17 in zijn midden wentelbaar is, terwijl de rol 35 zich aan het uiteinde bevindt dat tegenoverliggend gesitueerd is aan het uiteinde waaraan het koppelstuk 41 is verbonden. De opstelling van de hefboom 34 is verschillend uitgevoerd. Deze hefboom is immers wentelbaar rond zijn uiteinde, terwijl de voornoemde rol 36 zich in dit geval in het midden van de hefboom 34 bevindt.
<Desc/Clms Page number 12>
Bij voorkeur liggen de draaiingsassen van de assen 30,31 en 32 in n vlak, waarbij dit vlak loodrecht staat op het vlak waarin de draaiingsassen van de assen 27 en 30 zijn gelegen.
De afstand tussen de assen 30 en 31 en de afstand tussen de assen 30 en 32 zijn eventueel gelijk aan mekaar.
De voornoemde ankers 19 en 20, waarvan per draadpresentatiearm 14 n paar is voorzien, zijn hoofdzakelijk gevormd uit naar elkaar toe gerichte vingers die wentelbaar aan twee gemeenschappelijke draagassen, respektievelijk 45 en 46 zijn opgehangen. Zoals weergegeven in figuren 5 en 6 is de draagas 45 van de bovenste ankers 19 bevestigd tussen de uiteinden 41 van de armen 39 die zich tegenoverliggend aan de as 27 bevinden. Analoog is de draagas 46 bevestigd tussen de uiteinden 42 van de zich aan weerszijden van de inrichting bevindende armen 40.
Zoals zichtbaar in figuur 5 vertonen de ankers 19 en 20 aan hun vrije uiteinden elk een tand 47, n en ander zodanig dat deze tanden 47 door de verdraaiing van de ankers 19 en 20 kunnen ingrijpen in uitsparingen 48 die in de zich tegenoverliggend aan de draadpresentatie-elementen 2 gelegen uiteinden van de draadpresentatiearmen 14 bevinden.
De voornoemde veren 24 en 25 zijn, enerzijds, op geschikte wijze vastgemaakt aan de betreffende ankers 19 en 20 en.
<Desc/Clms Page number 13>
anderzijds. bevestigd aan twee gemeenschappelijke bevestigingselementen, respektievelijk 49 en 50. De veren 24 en 25, die in de weergegeven uitvoeringsvorm bestaan uit trekveren, werken zodanig op de ankers 19 en 20 in dat deze laatste naar hun ontgrendelde toestand gedwongen worden.
De voornoemde aandrukmiddelen 23 om de ankers 19 en 20 tegen de draadpresentatiearmen 14 te drukken, bestaan uit een op de aandrijfas 30 geplaatste nok 51 en een hiermee samenwerkend nokvolgmekanisme in de vorm van een rond een as 52 wentelbare hefboom 53 die voorzien is van een aandrukelement 54 dat met alle ankers 19 en 20 kontakt kan maken. Het aandrukelement 54 is bij voorkeur elastisch opgesteld, en is hiertoe bijvoorbeeld op het vrije uiteinde van een verend gedeelte 53A gemonteerd. Een drukveer 55 zorgt ervoor dat de hefboom 53 in kontakt blijft met de nok 51. Zoals weergegeven in figuur 7 bevindt de nok 51 zich tussen de twee nokken 29. Er is dan ook maar n hefboom 53 voorzien. Het aandrukelement 54 bestaat uit een stang die zich langs de verschillende ankers 19 en 20 uitstrekt.
De voornoemde elektromagneten 22 zijn in de draadpresentatiearmen 14 ingebouwd, bij voorkeur nabij de uitsparingen 48, n en ander zodanig dat nadat een anker 19 of 20 in vergrendelde toestand is gebracht, dit anker tegen de terugroepkracht van de veer 24 of 25 in, in zijn vergrendelde
<Desc/Clms Page number 14>
toestand kan gehouden worden door de inschakeling van de betreffende elektromagneet 22.
Om de verdraaiing van de ankers 19 en 20 in hun ontgrendelde toestand te beperken kunnen hierlangs aanslagen, respektievelijk 56 en 57, worden geplaatst. De aanslag 56 voor de ankers 19 kan hierbij bestaan uit een lat die tussen de uiteinden 41 van de zich aan weerszijden van de inrichting bevindende armen 39 is gemonteerd. Analoog kan de aanslag 57 bestaan uit een lat die zich tussen de uiteinden 42 van de armen 40 uitstrekt.
De voornoemde middelen 26 om de draadpresentatiearmen 14 in hun laatste door de ankers opgelegde positie te houden, kunnen van verschillende aard zijn. Zoals in figuur 5. en voor een andere stand in figuur 8, is weergegeven kunnen deze middelen 26 bijvoorbeeld bestaan uit een vast in de behuizing 28 gemonteerde steun 58 en per draadpresentatiearm 14 een spanelement 59 dat zich tussen de steun 58 en de hefboom 14 uitstrekt, schuin t. o. v. het vlak 60 dat bepaald is door de steun 58 en de as 27, n en ander zodanig dat door het verplaatsen van een draadpresentatiearm 14 het betreffende spanelement 59 van de ene zijde naar de andere zijde van dit vlak 60 bewogen wordt en over een dood punt heen wordt gehaald waarin de spankracht van het spanelement 59 het grootste is.
De tweede stand is in figuur 8 weergegeven. Verder zijn
<Desc/Clms Page number 15>
aanslagen 61 en 62 langs de draadpresentatiearmen 14 geplaatst, die de laagste en hoogste positie van de draadpresentatiearmen 14 bepalen. Het is duidelijk dat de middelen 26 ook kunnen bestaan uit andere mekanismen die over een dood punt heen kunnen getrokken worden.
Volgens een variante zouden de aanslagen 61 en 62 als permanente magneten kunnen worden uitgevoerd, zodat zij de funktie van de voornoemde middelen 26 kunnen vervullen.
Ten slofte kan de inrichting 12 eventueel, zoals weergegeven in de figuren, worden uitgerust met middelen 63 waardoor van kort voor het aandrukken van de ankers 19 en 20 tot kort na het terug verwijderen van het aandrukelement 54 de spanning in de veren 24 en 25 vergroot wordt, zulks ten einde te vermijden dat de ankers 19 enlof 20 waarvan de elektromagneten 22 zijn uitgeschakeld door het remanent magnetisme en de wrijving niet uit de uitsparingen 48 zouden loskomen. Het is duidelijk dat deze middelen 63, die men ook als"mechanische versterker"zou kunnen betitelen, zowel aan de bovenste ankers 19 als aan de onderste ankers 20 worden voorzien.
Ten einde de uitvoering en werking hiervan beter te begrijpen, worden de middelen 63 die samenwerken met de bovenste ankers 19 afzonderlijk in figuren 9 en 10 weergegeven, respektievelijk voor twee verschillende standen ervan.
<Desc/Clms Page number 16>
De middelen 63 worden hierbij hoofdzakelijk gevormd door aan de binnenzijde tegen de armen 39 bevestigde schommelelementen 64 die aan hun vrije uiteinden het voornoemde bevestigingsele- ment 49, waaraan de verschillende veren 24 zijn vastgemaakt, dragen en, anderzijds, vingers 65 die aan weerszijden naast de reeks ankers 19 op analoge wijze als deze ankers aan de draagas 45 zijn opgehangen. Op de vingers 65 zijn stoters 66 geplaatst die tegen de schommelelementen 64 kunnen drukken zulks op een korte afstand van het draaipunt 67 van deze laatste. De vingers 65 kunnen analoog als de ankers 19 door middel van het aandrukelement 54 bewogen worden. Ten slotte kan eventueel tussen elke vinger 65 en het bevestigingselement 49, analoog als voor de ankers 19, in een veer 24 worden voorzien.
Uit figuur 10 is het duidelijk dat wanneer de vingers 65 door middel van het aandrukelement 54 ingedrukt worden t. o. v. de armen 39, de schommelelementen 64 worden opzij gewenteld, n en ander zodanig dat het bevestigingselement 49 zich verplaatst en alle veren 24 verder worden uitgerekt, waardoor hun trekkracht vergroot.
De konstruktie van de middelen 63 die met de ankers 20 samenwerken, is volledig analoog.
<Desc/Clms Page number 17>
De nokken 29 en 51, die vast op dezelfde as 30 zijn bevestigd, vertonen bij voorkeur de vorm zoals weergegeven in figuur 11.
De nokken 29 bestaan hierbij uit twee cirkelbogen Cl en C2, respektievelijk met een kleine en een grotere straal, en twee overgangsgedeelten UI en 02 die de cirkelbogen met elkaar verbinden. Belangrijk is dat de overgangsgedeelten UI en U2 asymmetrisch gesitueerd zijn t. o. v. het middelpunt, waarbij deze asymmetrie gekenmerkt is door een faseverschuiving F. Het is duidelijk dat wanneer de rollen 35 en 36 kontakt maken met de cirkelbogen Cl en C2, de ankers 19 en 20 niet worden bewogen. Wanneer de overgangsgedeelten UI en U2 langs de rollen bewegen, is het duidelijk dat de ankers 19 en 20 wel zullen verplaatst worden.
Bij voorkeur bedragen de in figuur 3 weergegeven perioden Tl en T2 150 krukgraden van de hoofdas, terwijl de faseverschuiving F 40 krukgraden van de hoofdas bedraagt. Daar de nokken 29 aan halve machinesnelheid draaien, betekent dit dat de hoek F in figuur 11 twintig graden moet bedragen, terwijl de overgangsgedeelten UI en U2 elk een hoek van 75 graden beschrijven.
De nok 51 is uiteraard zodanig geplaatst dat de ankers 19 en 20 uitsluitend aangedrukt worden wanneer zij niet naar elkaar toe of uit elkaar verplaatst worden, m. a. w. wanneer de rollen 35 en 36 zich op de cirkelbogen Cl en C2 bevinden.
<Desc/Clms Page number 18>
De werking van de inrichting wordt voor verschillende standen schematisch in figuren 12 t. e. m. 15 weergegeven.
Duidelijkheidshalve zijn slechts twee draadpresentatiearmen afgebeeld, die ter onderscheid met de referenties 14A en 14B zijn aangeduid.
Volgens figuur 12 wordt er van een toestand uitgegaan waarbij de draadpresentatiearm 14A zich in zijn gepresenteerde toestand bevindt, terwijl de draadpresentatiearm 14B omhoog geplaatst is, of m. a. w. zich in zijn rusttoestand bevindt. De rol 35 maakt kontakt met de cirkelboog Cl met de kleinste straal, en de rol 36 maakt kontakt met de cirkelboog C2 met de grootste straal. De ankers 19 en 20 bevinden zich dan ook in hun verst uit elkaar geplaatste posities. Doordat de ankers 19 en 20 d. m. v. de nok 51 en de aandrukmiddelen 23 naar de draadpresentatiearmen 14 worden gedrukt, komen de tanden 47 respektievelijk in het uiteinde van de draadpresentatiearm 14A en het uiteinde van de draadpresentatiearm 14B terecht.
In het geval dat het gewenst is om bij de volgende weef cyclus de draadpresentatiearm 14A in zijn rusttoestand te brengen en de draadpresentatiearm 14B te presenteren, worden d. m. v. de schakeleenheid 21 de elektromagneten 22 van de te bewegen draadpresentatiearmen 14A en 14B ingeschakeld.
<Desc/Clms Page number 19>
Bij het verder draaien van de as 30 komt het aandrukelement 54, zoals weergegeven in figuur 13, los van de ankers 19 en 20. De ankers 19 en 20 van de draadpresentatiearmen 14A en 14B blijven echter in hun vergrendelde toestand omwille van de ingeschakelde elektromagneten 22. Doordat de rollen 35 en 36 nu kontakt maken met de overgangsgedeelten UI en U2 worden de ankers 19 en 20 naar elkaar toe bewogen en maken als het ware een kruisende beweging. Door de voornoemde faseverschuiving F komt de rol 36 eerder in kontakt met het gebied U2 dan dat de rol 35 kontakt maakt met het overgangsgebied UI. Dit heeft tot gevolg dat de te presenteren arm 14B eerder aan zijn beweging begint dan de omhoog te brengen draadpresentatiearm 14A.
Nadat de armen 14A en 14B verplaatst zijn, kunnen de elektromagneten 22 uitgeschakeld worden. Hierna bewegen de rollen 35 en 36 respektievelijk over de cirkelbogen C2 en Cl, zoals weergegeven in figuur 14. Ook hier vindt weer het aandrukken van de ankers 19 en 20 plaats. In het geval dat nu weer de armen 14A en 14B van positie dienen verwisseld te worden, worden weer de elektromagneten 22 van deze armen ingeschakeld, zodanig dat bij het bewegen van het aandrukelement 54 de ankers 19 en 20 weer in vergrendelde toestand komen. Het is duidelijk dat indien andere armen dan 14A en 14B moeten bewogen worden de hiermee overeenstemmende elektromagneten worden ingeschakeld.
<Desc/Clms Page number 20>
In figuur 15 wordt weergegeven hoe bij een volgende stap de alsdan uit elkaar bewegende ankers 19 en 20 in de verplaatsing van de draadpresentatiearmen 14A en 14B voorzien. Ook in dit geval vangt de beweging van de te presenteren draadpresentatiearm 14A eerder aan dan de beweging van de terug in rusttoestand te brengen draadpresentatiearm 14B.
Opgemerkt wordt dat in de ene toestand, volgens figuur 13, de ankers 19 en 20 tegen de uiteinden van de draadpresentatiearmen 14A en 14B duwen, terwijl in de andere toestand, volgens figuur 15, deze draadpresentatiearmen 14A en 14B verplaatst worden doordat de ankers 19 en 20 aan hun uiteinden trekken.
Zoals voorgesteld in figuur 5 kunnen ter hoogte van de aanslagen 61 en 62 nabijheids8chakelaars 68 en 69 worden voorzien, die nagaan of de gewenste positie van de draadpresentatiearmen 14 werd bereikt. Zo niet wordt de machine gestopt.
De huidige uitvinding is geenszins beperkt tot de als voorbeelden beschreven en in de figuren weergegeven uitvoeringsvorm, doch dergelijke inrichting voor het presenteren van inslagdraden bij weefmachines kan in allerlei vormen en afmetingen worden verwezenlijkt zonder buiten het kader der uitvinding te treden.