<Desc/Clms Page number 1>
Aansluitinrichting voor verwarmingsapparaten.
De uitvinding heeft betrekking op een aansluitinrichting voor tenminste twee in boven elkaar liggende etages aangebrachte verwarmingsapparaten, in het bijzonder door een ventilator ondersteunde verwarming- apparaten, waarbij bij ieder verwarmingsapparaat een toevoer voor verse lucht is aangebracht en waarop een leiding voor verbrandingsgas is aangesloten, waarvan de laatste buiten de opstelruimte van ieder verwarmingsapparaat in een collector uitmondt.
Voor de aansluiting van verscheidene verwarmingsapparaten werden meestal in het inwendige van het gebouw lopende, door muren omgeven schoorstenen aangebracht, waarin de leidingen voor verbrandingsgas uitmonden.
De toevoer van verse lucht vindt daarbij meestal direct uit de opstellingsruimte via een passende opening plaats.
<Desc/Clms Page number 2>
Het nadeel van dergelijke aansluitinrichtingen is, dat het in de loop van de tot een schoorsteen leidende leiding voor verbrandingsgas tot een oncontroleerbare uitlaat van verbrandingsgassen in de opstellingsruimte van het betreffende verwarmingsapparaat kan komen.
Bovendien kunnen volgens de bekende oplossingen verwarmingsapparaten slechts worden opgesteld, wanneer schoorstenen aanwezig zijn.
De uitvinding beoogt deze nadelen te vermijden en een aansluitinrichting voor verwarmingsapparaten voor te stellen, die de aansluiting van dergelijke apparaten ook dan mogelijk maakt, wanneer geen schoorsteen aanwezig is en waarbij een gevaar voor de uitlaat van verbrandingsgassen veilig is vermeden.
Volgens de uitvinding wordt dit bereikt, doordat iedere verbrandingsgasleiding door een leiding voor verse lucht concentrisch is omgeven, waarvan de leidingen voor verbrandingsgas van verscheidene in boven elkaar liggende etages aangebrachte verwarmingsapparaten in een buiten de wand van het gebouw aangebrachte, in hoofdzaak vertikaal naar boven leidende buis voor verbrandingsgas uitmonden en de leidingen voor verse lucht van de afzonderlijke verwarmingsapparaten via muuropeningen met de omgeving zijn verbonden.
Daarbij is door het leiden van de verbrandingsgaslei-
<Desc/Clms Page number 3>
ding in de leiding voor verse lucht gewaarborgd, dat eventueel naar buiten tredend verbrandingsgas via de leiding voor verse lucht weer naar het verwarmingsapparaat wordt geleid en daarna weer kan worden afgevoerd.
Door het voeren van de leidingen voor verbrandingsgas in een buis voor verbrandingsgas ontstaat het voordeel, dat een dergelijke buis betrekkelijk snel en eenvoudig kan worden gemonteerd en het uiterlijk van een gebouw nauwelijks verstoort, omdat een dergelijke buis in hoofdzaak gelijkt op een regenbuis.
Daarbij kan de buis voor verbrandingsgas aan beide einden open zijn, zodat verse lucht voortdurend daardoor stroomt en het apparaat aan de luchtzijde niet wordt belast door een van de wind afhankelijke stuwdruk.
Volgens een verder kenmerk van de uitvinding kan er in zijn voorzien, dat de met de leidingen voor verse lucht verbonden openingen rechtstreeks in de omgeving uitmonden en buiten zijn voorzien van een stootplaat.
Op deze wijze ontstaat een zeer eenvoudige uitvoering van de toevoer voor verse lucht, waarbij een verandering van de stromingsverhoudingen in de opstelruimte van het verwarmingsapparaat wordt vermeden. Daarbij wordt door de stootplaat een beinvloeding van de luchttoevoer
<Desc/Clms Page number 4>
naar het verwarmingsapparaat door van de wind afhankelijke stuwdruk zoveel mogelijk vermeden.
In deze samenhang kan verder erin zijn voorzien, dat de muuropeningen via een aan de binnenzijde van de wand van het gebouw aangebracht kanaal met de bijbehorende leiding voor verse lucht zijn verbonden.
Ook bij deze uitvoering van de aansluitinrichting wordt een beinvloeding van de luchttoevoer naar de afzonderlijke verwarmingsapparaten-door winddruk vermeden, in het bijzonder wanneer het kanaal aan zijn beide einden open is.
Om een eenvoudige verbuizing mogelijk te maken, kan volgens een verder kenmerk van de uitvinding erin zijn voorzien, dat de leidingen voor verse lucht rechtstreeks met de muuropeningen zijn verbonden resp. door deze openingen lopen en eventueel met een kanaal zijn verbonden, dat aan de buitenzijde van de wand van het gebouw is aangebracht : Daarbij kan de leiding voor verbrandingsgas concentrisch door de muuropening heen worden geleid, zodat geen afzonderlijke openingen voor de leidingen voor verse lucht en voor verbrandingsgas behoeven te worden aangebracht.
<Desc/Clms Page number 5>
Om het wegstromen van de verbrandingsgassen te vergemakkelijken, kan erin zijn voorzien, dat de buis voor verbrandingsgas is voorzien van een isolatie-ommanteling.
Daarmede blijft de temperatuur van de verbrandingsgassen tijdens het opstijgen in de buis voor verbrandingsgas zoveel mogelijk behouden, waardoor een corresponderende stijgkracht van het verbrandingsgas behouden blijft. Bovendien is het door deze maatregelen mogelijk de buis voor verbrandingsgas te voorzien van een betrekkelijk kleine diameter, daar op grond van de betrekkelijk sterke stijgkracht een corresponderend grote hoeveelheid verbrandingsgas door een vooraf bepaalde dwarsdoorsnede kan worden afgevoerd.
Verder kan ook erin zijn voorzien, dat de buis voor verbrandingsgas in een kanaal is geleid, dat de met de leidingen voor verse lucht verbonden muuropeningen verbindt.
Verder is volgens de uitvinding een concentrische leiding voor luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer in de vorm van een aansluithuis, in het bijzonder voor een door een ventilator ondersteunde, met brandstof gestookte warmtebron aangebracht, die zieh onderscheidt, doordat het aansluithuis dubbel cilindervormig is uitgevoerd, dat aan zijn mantel een naar de warmtebron
<Desc/Clms Page number 6>
gekeerde concentrische luchttoevoer-/verbrandingsgasafvoeropening en een daaronder liggende, ten opzichte van de juist genoemde opening zwenkbaar aangebrachte inlaatopening voor verse lucht heeft, terwijl een kanaal voor verbrandingsgas axiaal van kopzijde tot kopzijde door het buitenhuis van de dubbelcilinder loopt en met de leiding voor verbrandingsgas is verbonden.
Door deze maatregelen is het mogelijk een luchttoevoeren verbrandingsgasafvoerleiding te verschaffen, waarbij door een ventilator ondersteunende apparaten kunnen worden aangesloten aaneen verbrandingsgaskanaal en waarbij het ook mogelijk is de luchttoevoer zeer universeel-te vormen.
Daarbij kan verder erin zijn voorzien, dat een scheidingsplaats tussen de luchtte-en verbrandingsgasafvoeropening enerzijds en de toevoerluchtopening anderzijds is aangebracht, zodat het aansluithuis tweedelig is uitgevoerd en de beide delen in elkaar gestoken ten opzichte van elkaar zwenkbaar zijn, waarbij de scheidingsplaats bij voorkeur is bedekt door een klem.
Op deze wijze ontstaat een zeer eenvoudige constructie van het aansluithuis.
De uitvinding wordt nu aan de hand van de tekening nader toegelicht. Daarbij tonen :
<Desc/Clms Page number 7>
Fig. 1 schematisch de aansluitinrichting volgens de uitvinding voor verwarmingsinrichtingen, Fig. 4 tot 6 verschillende aansluitvarianten voor verwarmingsapparaten, en Fig. 7 en 8 stootplaten voor openingen voor verse lucht, Fig. 9 een woonhuis in doorsnede, Fig. 10 de universele aansluitmogelijkheden van het aansluithuis en Fig. 11 het aansluithuis in een doorsnede.
Zoals uit fig. 1 blijkt, zijn de verwarmingsapparaten 1, die in twee verschillende etages van het gebouw 2 zijn aangebracht, via concentrisch lopende leidingen 3,4 met de omgeving resp. een verbrandingsgasbuis 5 verbonden, waarin de als verbrandingsgasleidingen 4 dienende binnenleidingen uitmonden. Deze verbrandingsgasbuis 5 is aan zijn boveneind voorzien van een uitlaat 6, via welke de verbrandingsgassen naar buiten wegstromen.
Fig. 2 toont een uitvoeringsvorm van de aansluitinrichting volgens de uitvinding, waarbij de binnenste verbrandingsgasleiding 4 loopt door een muuropening 7
<Desc/Clms Page number 8>
en uitmondt in de verbrandingsgasbuis 5.
De leiding 3 voor verse lucht, die de verbrandingsgasleiding 4 concentrisch omgeeft, mondt uit in een aan de binnenzijde van een wand 8 aangebracht kanaal 9, dat is gevormd van twee telescopisch in elkaar schuifbare delen en via een muuropening 10 is verbonden met een aan de buitenzijde van de wand 8 aangebracht kanaal 11, dat tenminste aan een van zijn beide, zieh aan de kopzijde bevindende einden met de omgeving is verbonden of naar deze toe open is.
EMI8.1
De uitvoeringsvorm volgens fig. van die volgens fig. doordat het kanaal 9 via de muuropening 10, die met een stootplaat 12 is bedekt, rechtstreeks in de omgeving uitmondt. Daarbij is de verbrandingsgasbuis 5 voorzien van een isolatie 13.
EMI8.2
Bij de uitvoeringsvorm volgens fig. die in hoofdzaak gelijkt op die van fig. loopt de verbrandingsgasbuis 5 in het aan de buitenzijde van de wand 8 aangebrachte kanaal 11', dat de met de leidingen 3 voor verse lucht verbonden muuropeningen 10 met elkaar verbindt, die zieh in verschillende etages bevinden.
EMI8.3
Bij de uitvoeringsvorm volgens fig. die in hoofdzaak gelijkt op die volgens fig. mondt de leiding 3 voor verse lucht rechtstreeks uit in een muuropening 7',
<Desc/Clms Page number 9>
waardoor ook de verbrandingsgasleiding 4 heen loopt.
Bij de uitvoeringsvorm volgens fig. 6 is de verbrandingsgasleiding 4 via een hoekig lopende verbinding met de verbrandingsgasbuis 5 verbonden, waarbij de leiding 3 voor verse lucht rechtstreeks uitmondt in de muuropening 7', die eventueel bedekt kan zijn met een stootplaat.
Een dergelijke stootplaat 14 is in fig. 7 weergegeven en heeft een centrale opening 15 voor het opnemen van de verbrandingsgasleiding 4. Verder zijn op de stootplaat lamellen 16 aangebracht, die spleten gedeeltelijk bedekken.
Voor de bedekking van muuropeningen, waardoor slechts leidingen 3 voor verse lucht lopen, of naar een kanaal 9 leidende muuropeningen 10 kunnen stootplaten 18 zijn aangebracht, die zijn voorzien van lamellen 19, die spleten gedeeltelijk bedekken.
Het woonhuis volgens fig. 9 heeft twee etages 102 resp.
103, die door een verdiepingsplafond 104 van elkaar zijn gescheiden. Aan iedere etage is een waterverwarmingstoestel met kringloop 105 resp. een ketel 106 toegevoegd, die met gas of olie zijn gestookt, in ieder geval echter een blaasbrander of een door een blaastoestel ondersteunde atmosferische gasbrander hebben.
<Desc/Clms Page number 10>
Waterverwarmingstoestellen met kringloop en ketels - ook zouden boilers, ruimtekachels of zuivere geisers voor gebruikswater in aanmerking komen - dienen voor de opwekking van warmte en verwarming van de etage resp. alternatief of extra voor het bereiden van warm gebruikswater. De apparaten 105 resp. 106 vormen stootplaatsen die onafhankelijk zijn van de lucht in het vertrek, zodat de daarin aanwezige, met brandstof gestookte warmtebron via een concentrische luchttoevoeren verbrandingsgasafvoer 107 met de atmosfeer resp. met een verbrandingsgasschoorsteen 107 met de atmosfeer resp. met een verbrandingsgasschoorsteen 108 moeten worden verbonden.
De afvoergasschoorsteen 108 begint op zijn laagste plaats met een van een deur voorziene revisiekast 109, waarvan de verbrandingsgasleiding 110 naar boven wordt voortgezet en tot een eerste, aan de ketel 105 toegevoegde dubbelcilindervormig of polygoon aansluithuis 111 voert. Van dit aansluithuis wordt de leiding 110 voortgezet en komt tot een tweede daarboven liggend aansluithuis 112, dat identiek is met het aansluithuis 111. Vandaar wordt de leiding 110 voortgezet tot aan de verbrandingsgasuitlaat 113, die zich ongeveer op dakhoogte bevindt. Het aansluithuis 112 is toegevoegd aan het waterverwarmingstoestel met kringloop 105.
Uit de tekening van fig. 9 blijkt, dat al naar het aantal woningen in het woonhuis 101 een of meer met brandstof gestookte warmtebronnen 105 resp. 106 zijn aangebracht, die boven elkaar liggen
<Desc/Clms Page number 11>
en die op een gemeenschappelijk verbrandingsgaskanaal 108 kunnen worden aangesloten. De verse lucht betrekken de met brandstof verstookte warmtebronnen door de inlaatopening voor verse lucht 114, die in de buitenmantel van de aansluithuizen 111 resp. 112 zijn aangebracht. Men ziet, dat de ligging van de inlaatopeningen voor verse lucht 114 zwenkbaar zijn. Voor betere warmteisolatie is de leiding 110 omgeven door isolatiemate- riaal 115. Overigens is de verbrandingsgasschoorsteen 108 ingemetseld of tenminste voorzien van een bedekking 116.
Uit de verschillende afbeeldingen van fig. 10 blijkt, dat een driehoekige bedekking 117 wordt gebruikt en het waterverwarmingstoestel met kringloop 105 direct voor de bedekking wordt aangebracht, waarbij de leiding 107 loopt door de huiswand 118. Zoals uit fig. 10 blijkt, is de leiding 107 concentrisch uitgevoerd, binnen ligt de verbrandingsgasbuis, die onder het handhaven van een ringvormige ruimte door een buitenbuis is omgeven, zodat de ringvormige ruimte het inlaatkanaal voor verse lucht voor de met brandstof verstookte warmtebron 105 vormt. Verder blijkt, dat men door verdraaiing van de inlaatopening 114 voor verse lucht deze zowel op de ene rechthoekzijde van de bedekking 117 alsook op de andere rechthoekzijde kan leggen, zoals met 114' aangeduid.
Bij de rechter bovenafbeelding van fig. 10 is een prismatische bedekking 117 uitgevoerd, nu zijn
<Desc/Clms Page number 12>
voor de inlaatopening voor verse lucht drie verschillende standen mogelijk. Bij de onderste afbeelding van fig. 10 is getoond, dat ook schuine standen van de concentrische luchttoevoer-en verbrandingsgasafvoerleiding 107 mogelijk zijn.
Het aansluithuis 112 in bijzonderheden blijkt nu uit fig. 11. Het aansluithuis 112 is als dubbele cilinder uitgevoerd, die een buitenhuis 120 en twee kopdeksels 121 en 122 heeft. Een binnenbuis 123 loopt door de kopdeksels, welke buis van de ene kopzijde tot aan de andere reikt en boven deze in de aansluitstomp 124 uitsteekt. Derhalve ontstaat een binnenruimte 125 in het inwendige van de buis 123 en een ringruimte 126 tussen de beide buizen. De binnenruimte 125 vormt het verbrandingsgaskanaal, de aansluitstompen 124 zijn verbonden met de verder leidende leidingstukken 110 (zie fig. 9). De onderste aansluitstomp 124 is hetzij met een deksel 127 gesloten hetzij via een leidingstuk 110 met de revisiekast 109 verbonden.
In het gebied van het bovenste kopdeksel 122 is met de buis 123 loodrecht aftakkend verbonden een verbrandingsgasbuis 128 aangebracht. Hij loopt door de ringvormige ruimte 126 en leidt door een opening 129 in de buitenbuis 120. De opening 129 heeft een zeer veel grotere diameter dan voor het doorlaten van de verbrandingsgasbuis 128 nodig zou zijn, er ontstaat een
<Desc/Clms Page number 13>
ringruimte 130 die dient als luchttoevoer. Hij wordt omgeven door een stomp 131, die aan de opening 129 van de buitenbuis 120 is gelast. Op de beide buizen 128 en 131 wordt de concentrische dubbele buisleiding 107 naar de met brandstof gestookte warmtebron 105 resp. 106 op of in hen gestoken.
Aan het onderste kopdeksel 121 toegevoegd is een met betrekking tot hun diameter met de opening 129 corresponderende verdere opening aanwezig, waarop een stomp 131 is gezet, die met de bovenste stomp 131 in de uitvoering correspondeert. Deze stomp 131 dient als luchtinlaatopening 114. Tussen de beide openingen 129 zijn de buitenbuis 126 en de binnenbuis 123 gescheiden, de scheidingsplaats is aangeduid met 132. In het gebied van de scheidingsplaats, die als overlapping is uitgevoerd, kan het bovenste deel 133 van het aansluithuis 112 ten opzichte van het onderste deel 134 worden gedraaid.
Derhalve is het mogelijk de ligging van de stompen 131 en 128 in het bovenste deel ten opzichte van de inlaatopening voor verse lucht 114 te draaien. Over de scheidingsplaats kan een klem 135 worden gezet, die de ingestelde stand van de beide huisdelen 133 en 134 borgt met betrekking tot de stand. De binnenbuisdelen van het aansluithuis zijn insteekbaar zonder borging van de stand.
Veiligheidshalve kan aan het onderste deel 134 van het aansluithuis in het gebied van het kopdeksel 121
<Desc/Clms Page number 14>
een uitlaatopening voor condensaat 136 zijn toegevoegd.
De essentie van het aansluithuis ligt daarmee overeenkomend in het feit, dat onder samenvatting van al de verbrandingsgasuitlaten 128 van al de met brandstof gestookte warmtebronnen van een gebouw de inlaatopening voor verse lucht 114 afzonderlijk kan worden gelegd.
Aan ieder apparaat is derhalve een afzonderlijke inlaatopening voor verse lucht 114 toegevoegd, die in zijn betreffende stand nog variabel is. Onafhankelijk daarvan zijn weliswaar al de apparaten aan de zijde van het verbrandingsgas toegevoegd aan hetzelfde verbrandingsgaskanaal, maar de stand van de afzonderlijke verbrandingsgasopening is evenzeer variabel en wel zowel met betrekking tot de ligging van het verbrandingsgaskanaal 108 alsook met betrekking tot de ligging van de afzonderlijke toevoerluchtopeningen 114. Derhalve ontstaat een universele aansluitbaarheid.
- conclusies-