<Desc/Clms Page number 1>
"Inrichting voor het waterdicht maken van een caisson"
De uitvinding heeft betrekking op een inrichting voor het waterdicht maken van een caisson met een bodem, twee opstaande zijwanden en een achterste wand, bedoeld om beneden de waterlijn uitvoeren van werken aan een damplankenwand met een overlangs profiel gevormd door opeenvolging van sponningen en uitsprongen, waarbij ter afdichting van de bodem van de caisson gebruik wordt gemaakt van verschuifbare afdichtingselementen met een profiel dat in grote trekken aangepast is aan dat van de sponningen van de damplankenwand.
Inrichtingen van het bedoelde type werden reeds eerder door aanvraagster ontwikkeld en zijn beschreven in haar Belgische octrooien 902. 531 ingediend 29 mei 1985 en 903. 213 ingediend 11 september 1985.
Hoewel de inrichtingen volgens deze octrooien voldoening verschaffen, is thans een inrichting ontwikkeld die zieh ten overstaan van de eerste kenmerkt door een sterk verbeterd aanpassingsvermogen aan de damplankenwanden met een plaatselijk onregelmatig profiel. Het doel van de uitvinding is dus een inrichting voor te schrijven die een vrijwel automatische aanpassing van de onderdelen aan een damplankenwand verzekert en dus een verhoogde waterdichtheid waarborgt.
Om dit volgens de uitvinding mogelijk
<Desc/Clms Page number 2>
te maken, wordt de inrichting volgens de uitvinding gevormd door de combinatie van : a) een doorlopende opblaasbare luchtkamer die zieh over de ganse breedte van de caisson en langsheen de verticale wanden hiervan uitstrekt ; b) een reeks vervormbare afdichtingselementen met een profiel dat het profiel van een sponning benadert en die tussen twee horizontale boven elkaar bevestigde geleidplaten in de richting van de damplankenwand, ter hoogte van de sponningen hiervan kunnen verschoven worden en door hogerbedoelde opblaasbare luchtkamer hiertegen aangedrukt worden gehouden en ;
c) een harde kern uit niet vervormbaar materiaal die tussen elk van hogerbedoelde afdichtingselementen en de luchtkamer en tussen hogerbedoelde geleidplaten kan worden verplaatst en vast verbonden is met het betreffende afdichtingselement ; d) middelen om de zijdelingse verplaatsing van bedoelde afdichtingselementen samen met boven en onder deze afdichtingselementen voorkonende geleidplaten ten opzichte van het caisson mogelijk te maken.
Steeds volgens de uitvinding is hogerbedoeld vervormbaar afdichtingselement uit schuimrubber of een technisch equivalente stof met een ommanteling uit gevulcaniseerd rubber vervaardigd.
In een bij voorkeur toegepaste verwezenlijkingsvorm van de uitvinding is hogerbedoelde harde kern van minstens twee, doch bij voorkeur tweemaal twee asjes voorzien die doorheen sleuven steken behorende tot de hogergenoemde horizontale geleidplaten waartussen eveneens hogerbedoelde luchtkamer en harde kern zijn gevat.
Andere details en voordelen van de uitvinding zullen blijken uit de hiernavolgende beschrijving van een inrichting voor het waterdicht
<Desc/Clms Page number 3>
maken van een caisson, volgens de uitvinding. Deze beschrijving wordt uitsluitend bij wijze van voorbeeld gegeven en beperkt de uitvinding niet. De verwijzingscijfers hebben betrekking op de hieraan toegevoegde figuren.
Figuur 1 is een bovenaanzicht op de inrichting volgens de uitvinding bij ideale opstelling van de damplankenwand.
Figuur 2 is op een veel grotere schaal een perspectivische voorstelling van een afdichtingselement tussen twee geleidplaten gevat.
Figuur 3 is een bovenaanzicht op een afdichtingselement met bijhorende onderdelen.
Figuur 4 is op een andere schaal een doorsnede volgens de Y-as uit figuur 3.
Figuur 5 vertoont in bovenaanzicht een mogelijke positie van een afdichtingselement tegenover een sponning van een damplankenwand.
Figuur 6 vertoont in bovenaanzicht de positie van hetzelfde afdichtingselement dat zijn eindpositie nadert.
Figuur 7 vertoont in bovenaanzicht een afdichtingselement in de eindpositie.
Figuur 8 illustreert volgens een bovenaanzicht de wijze waarop een afdichtingselement zieh aan een vervormd damplankenprofiel kan aanpassen.
De inrichting door deze verschillende figuren duidelijk gemaakt, bestaat uit een caisson 1 met op gebruikelijke wijze twee opstaande zijwanden 2 en een opstaande achterste wand 3. Een vloer 4 sluit onderaan bij deze drie wanden aan. In de figuren wordt een damplankenwand met de verwijzing 5 verduidelijkt.
De damplankenwanden waarvoor de inrichting is ontworpen, ontstaat door de aaneenverbinding van damplanken met een dergelijk dwarsprofiel dat, na
<Desc/Clms Page number 4>
verbinding van de damplanken ondereen, een wand met een opeenvolging van sponningen 6 en naar de caisson 1 gerichte uitsprongen 7 ontstaat. Een damplankenwand kan dus een regelmatig overlangs profiel vertonen (figuur 1) of vervormingen vertonen zoals voorgesteld door figuur 8.
In dit laatste geval heeft de vervorming van een of twee bij elkaar aansluitende damplanken een dergelijke vervorming voor gevolg dat het waterdicht doen sluiten van de vloer van een caisson in het geheel onmogelijk wordt.
Het concept van de inrichting volgens de uitvinding lost dit probleem niet alleen integraal op maar de gewenste waterdichtheid kan zo goed als automatisch worden bekomen waardoor bedoeld wordt dat geen manuele instelling van de onderdelen van de inrichting ten opzichte van de vervormde damplankenwand moet worden overwogen.
Conform de uitvinding wordt over de ganse lengte van de caisson 4 en over de hoogte van de zijwanden 2 een doorlopende opblaasbare luchtkamer 8 bevestigd, terwijl tegenover, of nagenoeg tegenover, elke sponning 6 vervormbare afdichtingselementen 9 zijn voorzien waarvan het profiel nagenoeg overeenstemt met dat van de sponningen 6 uit de damplankenwand 5. Met elk afdichtingselement 9 is een harde kern 10 verbonden. De harde kern 10 kan bijvoorbeeld uit hout bestaan. Voordelig is langs de voorzijde een stalen plaat 10' (figuren 3 en 4) op deze harde kern bevestigd om het drukoppervlak van deze kern op de vervormbare afdichtingselementen te verhogen. Zowel de vervormbare afdichtingselementen 9 als de harde kern 10 zitten gevat tussen geleidplaten 11. In deze geleidplaten zijn sleuven 12 voorzien.
Asjes 13 die vastzitten lu de harde kern 10 steken boven-en onderaan docrheen de
<Desc/Clms Page number 5>
respectievelijke sleuven 12 ter geleiding van het geheel gevormd door de afdichtingselementen 9 en de daarmede verbonden harde kern 10. Tussen de zelfde geleidplaten 11 is ook telkens de opblaasbare luchtkamer 8 opgevangen.
Over de ganse lengte van de caisson en ook langsheen de opstaande zijwanden wordt de opblaasbare luchtkamer 8 ingesloten in een doorlopende uitrekbare kous 14 die, in een voordelige uitvoeringsvorm, opgevangen wordt door een goot 15 met breed opengeplooide armen en die met gebruikelijke middelen, bij voorbeeld door middel van schroeven, plaatselijk is verbonden met de wanden van de caisson.
Om een goede geleiding te bekomen van de vervormbare afdichtingselementen 9 en hun kern 10 zijn deze onderdelen bovenaan en onderaan verbonden met glijplaten 16 uit een materiaal dat het heen en weer schuiven van de afdichtingselementen 9 met de harde kern 10 tussen de geleidplaten vergemakkelijkt. Voor een dergelijk materiaal kan bijvoorbeeld beroep worden gedaan op het produkt dat in de handel wordt gebracht onder de merkenbenaming"teflon".
Vooraleer de werking van de inrichting in detail te beschrijven en de voordelen van de nieuwe structuren te onderlijnen, kan nog gewezen worden op middelen die de overlangse verschuiving van de afdichtingselementen met de geleidplaten ten opzichte van de caisson en dus van de sponningen van de damplankenwand mogelijk maakt.
Om deze overlangse instelling op vlotte wijze te laten verlopen en praktisch automatisch te laten plaatsvinden, wordt beroep gedaan op een metalen geleiding 17 met een overlangse sleuf 18 waarin het Lvormig gedeelte 19 van de winkelhaak 20 past. De winkelhaak 20 die behoort tot de bovenste geleidplaat
<Desc/Clms Page number 6>
11 wordt afgedekt door de lat 21 welke vast verbonden is met 17. Deze verschillende onderdelen zijn zeer duidelijk weergegeven in figuur 4.
Nu de structuren van de caisson met de verschillende afdichtingselementen zijn beschreven, kan de werking van de verschillende onderdelen aan de hand van de verschillende figuren duidelijk worden gemaakt.
De caisson wordt met gebruikelijke middelen afhankelijk van plaatselijke omstandigheden tegen de damplankenwand aangedrukt tot de opblaasbare luchtkamer 8 in contact komt met de uitsprongen 7 van de damplanken, terwijl de vervormbare afdichtingselementen 9 uit schuimrubber of een technisch equivalente stof in de verschillende sponningen 6 van de damplankenwand dringen. Doordat de geleidplaten 11 in de overlangse zin van de caisson kunnen verplaatst worden, passen de afdichtingselementen 9 zieh perfekt aan aan de vorm van de sponningen 6 van de damplankenwand.
Door de opblaasbare luchtkamer 8 onder druk te zetten, ontstaat enerzijds een goede afdichting tussen de caisson en de uitsprongen 7, zowel in horizontale en als in verticale zin, in dit laatste geval, langsheen de zijwanden 2, als anderzijds tussen de vervormbare afdichtingselementen 9 en de damplankenwand ter hoogte van de verschillende sponningen 6.
Inderdaad gaat de opblaasbare luchtkamer 8 tegen de harde kern 10 drukken zodat de afdichtingselementen 9, uit schuimrubber of een technisch equivalente stof, zieh precies in de sponningen onder druk gaan vastzetten. De afdichting geschiedt dus zowel in de langszin als in de dwarszin van de caisson en dit biedt dus niet de minste mceilijkheid wanneer men te doen heeft met een damplankenwand zonder afwijkingen zoals afgebeeld
<Desc/Clms Page number 7>
ondermeer in de figuren l, 3,5, 6 en 7. Ook wanneer een belangrijke vervorming van de damplankenwand is ontstaan zoals, bij wijze van voorbeeld, voorgesteld door figuur 8, zullen ter plaatse van sponningen die een vervorming vertonen de vervormbare afdichtingselementen 9 uitstekend aan de vorm van deze onregelmatige sponningen aanpassen.
Dit is enerzijds het gevolg van de aanwezigheid van de doorlopende opblaasbare luchtkamer 8 die zieh goed aanpast aan de afwijkingen die de uitsprongen 7' (figuur 8) vertonen en, anderzijds, een regelmatige druk uitoefenen op de vervormbare afdichtingselementen 9.
Uit dezelfde figuur 8 blijkt daarenboven hoe twee geleidplaten 11 zieh met een daartussen gevat afdichtingselement 9 lateraal hebben verplaatst ten opzichte van een geleiding 17. Deze verplaatsing vindt automatisch plaats zonder tussenkomst van een bedienaar van de inrichting.
Om in alle mogelijke omstandigheden een goede afdichting te verwezenlijken van de vervormbare afdichtingselementen 9 in de sponningen 6 is de oppervlakte van de trapeziumvormige afdichtingselementen steeds iets groter dan de oppervlakte van de sponning waarin zij moeten passen.
Ook dit blijkt bijzonder goed uit figuur 3.
Na deze beschrijving van de elementen die de structuur van de inrichting volgens de uitvinding kenmerken, vallen de voordelen van de inrichting volgens de uitvinding bijzonder op.
Doordat de afdichtingselementen 9 zieh lateraal vrij kunnen bewegen, komen ze bij het aandrukken van de caisson tegen de damplankenwand automatisch op hun korrekte plaats.
Buiten deze laterale verschuiving volgens de as X-X (figuur 2) is ook een verplaatsing
<Desc/Clms Page number 8>
mogelijk loodrecht op deze as. De verplaatsing wordt bepaald door de lengte van de sleuven 12 in de geleidplaten 11. Daarenboven is nog een zekere rotatiebeweging in het horizontaal vlak. Dit is evenwijdig met de bodem van de caisson, rondom het snijpunt van de assen X en Y. Nadat de caisson 1 in de juiste stand voor de damwand werd geplaatst, positioneren zieh de vervormbare afdichtingselementen 9, zoals reeds hoger gezegd, zonder tussenkomst van een bedienaar automatisch in de sponningen 6.
Door het opblazen van de opblaasbare luchtkamer 8 ontstaat dan ook de gewenste afdichting over de ganse lengte en langsheen de twee zijwanden van de caisson terwijl de druk die uitgeoefend wordt op de harde kern 10, de afdichtingselementen 9 in hun respectievelijke sponningen drukt welk ook de vervormingen van deze laatste moge zijn.
Dank zij de soepelheid van de opblaasbare luchtkamer 8 volgt deze, wanneer zij is opgeblazen, alle oneffenheden van de damplanken en het profiel van de in de sponningen 6 gedrukte afdichtingselementen 9.
Een goed voorbeeld van de flexibiliteit van de inrichting is weergegeven door figuur 8. Hier ziet men zeer duidelijk hoe de opblaasbare luchtkamer zieh slechts door zijn elasticiteit aan alle profielwijzigingen van een damplankenwand kan aanpassen en de vereiste waterdichtheid van de bodem van da caisson ten opzichte van de damplankenwand verzekeren.
Uit de zopas gegeven beschrijving van de inrichting volgens de uitvinding blijkt nu zeer duidelijk het originele van het nieuwe concept ten overstaan van afdichtingsmiddelen voor caissons zoals deze uit de stand van de techniek bekend zijn.
De uitvinding is natuurlijk niet
<Desc/Clms Page number 9>
beperkt tot de hierboven bij wijze van voorbeeld gegeven beschrijving en vele wijzigingen zouden hieraan kunnen worden aangebracht, zonder buiten het raam van de octrooiaanvrage te treden.