<Desc/Clms Page number 1>
"Inrichting voor het afscheiden van in een vloeistof aanwezige verontreinigingen"
De uitvinding heeft betrekking op een inrichting voor het afscheiden van in een vloeistof, in hoofdzaak water, aanwezige verontreinigingen bevattende een aan-en een afvoer alsook een in hoofdzaak containervormige van wanden voorziene behuizing.
Een dergelijke inrichting, ook wel afscheider genoemd is algemeen uit de handel bekend. De bekende afscheider wordt gebruikt om allerhande verontreinigingen zoals bijvoorbeeld olieproducten, zetmeel, vet, slib alsook kwik welke in afvalwater aanwezig zijn af te scheiden ten einde het water te zuiveren of geschikt te maken voor verdere behandelingen. Het vervuilde water of de vervuilde vloeistof stroomt via de aanvoer naar binnen en blijft vervolgens enige tijd in de afscheider ten einde door gravitatiewerking een afscheidingsproces te laten plaatsvinden. Het gesaneerde water wordt dan vervolgens via de afvoer verder geleid.
De bekende inrichtingen worden allen in standaarddimensies geleverd. Dit heeft echter tot gevolg dat soms stukken van de behuizing moeten worden weggehaald om het geheel passend te maken. Er is nu echter vastgesteld dat dit weghalen van wandgedeeltes zeer nadelige gevolgen heeft voor de inrichting. Men heeft immers vastgesteld dat bij het verwijderen van een wandgedeelte, wat gebruikelijk wordt gerealiseerd door er een stuk af te zagen of af te slijpen, de op het metaal, waaruit de wand meestal vervaardigd is, aangebrachte coatinglaag zwaar wordt aangetast en in een gebied waar materiaal is weggehaald een groot deel van haar beschermende eigenschappen teniet worden gedaan. Dit heeft dan weer tot gevolg dat roestvorming op de wanden zal optreden waardoor de levensduur van de afscheider behoorlijk zal worden verkort.
Aangezien dergelijke
<Desc/Clms Page number 2>
inrichtingen meestal in de bodem zijn aangebracht kan dit dan weer leiden tot bodemverontreiniging met alle voor het milieu schadelijke gevolgen van dien. Verder is het zo dat dit weghalen van delen van de wand meestal ter plaatse waar de afscheider wordt aangebracht wordt uitgevoerd. Dit leidt vaak tot onafgewerkte zaagranden of ongelijk afgezaagde delen, zeker wanneer men ter plaatse niet over adequaat gereedschap beschikt. Dit onzorgvuldig afwerken tast dan weer de homogeniteit van de inrichting aan. Ook wanneer de inrichting uit kunststof vervaardigd is treden er problemen op wanneer wandgedeeltes worden weggehaald. De uit kunststof vervaardigde behuizing is immers meestal versterkt met glasvezels of andere vezels.
Het weghalen van een wandgedeelte tast dan deze versterking aan of gaat de vezels aan het daglicht blootstellen waardoor de in de afscheider aanwezige vloeistof in de wanden kan gaan penetreren en zo de wandstructuur kan gaan aantasten. In de plaats van de afscheider aan de omgeving waar deze moet worden aangebracht aan te passen door een wandgedeelte weg te halen, wordt soms ook de omgeving aan de standaarddimensies van de afscheider aangepast. Dit laatste geschiedt dan bijvoorbeeld door de aanvoerpijp omhoog te halen en ze op het niveau van de aanvoerstomp te brengen. Hierdoor ontstaat dan echter tegenschot in de aanvoerpijp en zullen de af te scheiden stoffen zieh reeds in de aanvoerpijp gaan afzetten wat dan vooral bij vet, slib of gips tot verstopping van de aanvoerpijp zal leiden.
De uitvinding heeft tot doel een inrichting voor het afscheiden van in een vloeistof aanwezige verontreinigingen te realiseren waarbij de hiervoor geciteerde problemen worden verholpen.
De inrichting volgens de uitvinding heeft daartoe het kenmerk dat genoemde behuizing een bodemdeel en een kopdeel bevat, welk kopdeel middels verplaatsingsmiddelen, voorzien om bodemdeel en kopdeel met elkaar te verbinden, in hoogte verplaatsbaar ten opzichte van het bodemdeel is aangebracht en waarbij over het gehele verplaatsingstraject de wanden van bodemdeel en kopdeel elkaar overlappen. Doordat het kopdeel ten opzichte van het bodemdeel in hoogte verplaatsbaar is, is het niet langer meer noodzakelijk wandgedeeltes te verwijderen en zodoende de coatinglaag aan te tasten.
<Desc/Clms Page number 3>
Daar de coatinglaag nu onbeschadigd blijft is het probleem van roestvorming en de daarmee gekoppelde bodemvervuiling opgelost.
Daar de wanden van kop-en bodemdeel elkaar overlappen over het gehele verplaatsingstraject is het mogelijk, eenmaal dat kopgedeelte op de juiste hoogte is ingesteld om een waterdichte afscheider te verkrijgen. De combinatie van overlappende wanden en verplaatsbaar kopgedeelte biedt dus de mogelijkheid om een waterdichte afscheider te verkrijgen die tevens instelbaar is aan de door de omgeving, waar de afscheider dient te worden opgesteld, opgelegde context. De uitvinding baseert zieh in hoofdzaak op het inzicht dat er een verband bestaat tussen enerzijds de gebruikelijke standaardafmeting met betrekking tot de hoogte die de installateur ertoe dwingt hoogte en/of aansluitdiepte van de inrichting te wijzigen en anderzijds de bodemvervuiling, het aftakelen van de inrichting en tegenschot.
Het inzicht dat al deze verschijnselen het gevolg zijn van het "aanpassen" van de inrichting of de aansluitdiepte vormt het wezen van de uitvinding.
Een voorkeursuitvoeringsvorm van een inrichting volgens de uitvinding heeft het kenmerk dat een buitenwand van het kopdeel van verstevigingselementen is voorzien welke op de met het bodemdeel niet-overlappende wanden zijn aangebracht. Daar de inrichting meestal verzonken in de bodem wordt aangebracht is de druk die de bodem op de wanden uitoefent niet gering. Deze verstevigingselementen beschermen de wanden van het kopdeel tegen deze bodemdruk en compenseren het verlies aan stijfheid van de inrichting ontstaan door het beweegbaar maken van het kopdeel.
Een tweede uitvoeringsvorm van een inrichting volgens de uitvinding heeft het kenmerk dat genoemde verplaatsingsmiddelen op de buitenwand van genoemde behuizing zijn aangebracht en een stang bevatten die bodemdeel en kopdeel met elkaar verbinden. Door de verplaatsingsmiddelen op de buitenwand aan te brengen wordt de interne werking van de inrichting niet gestoord of aangetast. Het gebruik van een stang biedt een eenvoudige en betrouwbare oplossing.
Het is gunstig dat een eindgedeelte van de stang bestemd om ter hoogte van het bodemdeel te worden aangebracht een draadloos gedeelte bevat. Dit maakt het positioneren van het kopdeel in
<Desc/Clms Page number 4>
het bodemdeel eenvoudiger.
Een derde voorkeursuitvoeringsvorm van een inrichting volgens de uitvinding heeft het kenmerk dat een binnenwand van genoemd kopdeel segmentsgewijs is opgebouwd en waarbij elk segment een naar het interieur toe gebogen uiteinde bevat. Deze uiteinden verstevigen de wand van het kopdeel en bieden verder het voordeel dat verontreinigingen zoals bijvoorbeeld op de wanden neergeslagen vetten langs de wand zullen naar beneden glijden en dankzij dat gebogen uiteinde in de vloeistof zullen terechtkomen om aldus te worden afgescheiden.
De uitvinding zal nu nader worden beschreven aan een in de tekening weergegeven uitvoeringsvoorbeeld.
In deze tekening laat :
Figuur 1 een dwarsdoorsnede zien van een inrichting volgens de uitvinding ; en
Figuur 2 een detail, in dwarsdoorsnede van een wand van de inrichting volgens de uitvinding.
In de tekening is aan eenzelfde of analoog element eenzelfde referentiecijfer toegekend.
Figuur 1 laat een dwarsdoorsnede zien van een inrichting voor het afscheiden van in een vloeistof, in hoofdzaak water, aanwezige verontreinigingen. Een dergelijke inrichting wordt ook wel afscheider genoemd en dient ertoe om in afvalwater of andere vloeistoffen aanwezige verontreinigingen zoals bijvoorbeeld olie, benzine, zetmeel, vet, slib of gips af te scheiden en aldus een zuivering van de vloeistof te bewerkstelligen.
Het afvalwater wordt via een aanvoerpijp 4 die verbonden is met een aanvoerstomp 2 van de afscheider 1 naar binnen gevoerd. In de afscheider vindt de zuivering dan plaats doordat, afhankelijk van hun soortelijk gewicht, de verontreinigingen bezinken of op de oppervlakte gaan drijven. Het gezuiverde water wordt dan via afvoerstomp 3, die lager gelegen is dan aanvoerstomp 2 afgevoerd.
De inrichting volgens de uitvinding heeft een in hoofdzaak containervormige behuizing en bevat een bodemdeel 6 en een kopdeel 7. Het kopdeel 7 is, mldde ! s verplaatsingsmiddelen 8, in hoogte
<Desc/Clms Page number 5>
verplaatsbaar ten opzichte van het bodemdeel 6 aangebracht. Een meer gedetailleerd uitvoeringsvoorbeeld van deze verplaatsingsmiddelen is weergegeven in figuur 2. Deze verplaatsingsmiddelen bevatten een vast met het bodemdeel 6 verbonden eerste uitsteeksel 9 alsook een vast met het kopdeel verbonden tweede uitsteeksel 10. Beide uitsteeksels zijn aan de buitenwand van de inrichting aangebracht en zijn voorzien van een doorboring waar doorheen een stang 11 is aangebracht. Deze stang verbindt kop-en bodemdeel met elkaar.
Doordat de verplaatsingsmiddelen aan de buitenwand van de inrichting zijn aangebracht storen zij de werking van afscheider niet.
In het weergegeven uitvoeringsvoorbeeld is de stang 11 voorzien van draad 14 aangebracht op het gedeelte bestemd om rond het eerste uitsteeksel 9 te worden aangebracht. Deze draad is bijvoorbeeld gevormd door schroefdraad of trapeziumdraad. De stang bevat verder een kop 16 die bijvoorbeeld zeskantig is uitgevoerd ten einde met een steek-of dopsleutel de stang te laten draaien. Een draadblokje 5 aangebracht op het eerste uitsteeksel 9 is verder van draad voorzien ten einde samen te werken met de draad 14 aangebracht op de stang. Het onderste gedeelte 15 van de stang bevat een draadloos gedeelte ten einde bij het monteren van het kopdeel op het bodemdeel het geleiden van de stang in het draadblokje 5 en de uitsteeksels te vergemakkelijken.
Het gebruik van een van draad voorziene stang biedt het voordeel eenvoudig en betrouwbaar te zijn. Het zal echter duidelijk zijn dat de weergegeven verplaatsingsmiddelen slechts een mogelijke uitvoeringsvorm zijn en dat alternatieve uitvoeringsvormen eveneens mogelijk zijn. Zo is het mogelijk om met hydraulische zuigers te werken of om de stang van inkepingen te voorzien waarin op de uitsteeksels aangebrachte slagpennen passen.
De zijwanden van het kopdeel 7 hebben een zodanige lengte dat bij montage van het kopdeel op het bodemdeel deze zieh een behoorlijk deel in het bodemdeel uitstrekken zonder daarbij de aan- of afvoerstomp te versperren. Hierdoor wordt verkregen dat bij verplaatsing van het kopdeel ten opzichte van het bodemdeel de zijwanden van het kopdeel over het gehele verplaatsingstraject altijd de
<Desc/Clms Page number 6>
zijwanden van het bodemdeel overlappen ten einde de containervormige behuizing van de afscheider te behouden.
Bij het aanbrengen van de inrichting volgens de uitvinding, bijvoorbeeld in een kuil in de bodem, wordt eerst het bodemdeel aangebracht en wel zodanig dat de aanvoerstomp 2 precies ter hoogte van de aanvoerpijp 4 komt te liggen. Hierdoor blijft de aanvoerpijp op de geschikte diepte liggen en hoeft deze niet te worden verplaatst waardoor het risico van tegenschot aanzienlijk wordt verminderd. Nadat het bodemdeel is aangebracht wordt hierop het kopdeel gemonteerd. Bij de uitvoeringsvorm volgens figuur 2 wordt bij de montage van het kopgedeelte het uiteinde 15 in het draadblokje 5 geplaatst zodanig dat de draad 14 aansluit bij de in het draadblokje 5 aangebrachte schroefdraad.
Daarna wordt middels draaien aan de kop 16 van de stang 11 het kopdeel ten opzichte van het bodemdeel verplaatst en wel zodanig dat de zijwand van het kopdeel zieh langs de binnenwand van het bodemdeel verplaatst terwijl de stang 11 door het draadblokje 5 wordt geleid. Door het verplaatsen van het kopdeel ten opzichte van het bodemdeel kan de inrichting op de gewenste hoogte worden ingesteld om zodoende het geheel passend te maken aan de plaats waar het moet worden opgesteld. Eenmaal het kopdeel op de passende hoogte is ingesteld wordt dit op deze hoogte verankerd, bijvoorbeeld middels de moeren 12 en 13. Het gebruik van twee moeren biedt het voordeel dat zodoende de ingestelde positie precies verankerd blijft en niet gevoelig is voor eventuele trillingen.
Ten einde de inrichting lekkagevrij te maken wordt, na instelling van het kopdeel, ter hoogte van de bovenrand van het bodemdeel een dichtig aangebracht, bijvoorbeeld door aldaar een pakking 21 aan te brengen.
Door gebruik te maken van een verplaatsbaar kopdeel is het niet meer nodig gedeeltes van de wand weg te halen en zodoende de coatinglaag te beschadigen. Een verder voordeel van het verschuifbaar maken van het kopdeel is dat de afwerking van de inrichting onaangetast blijft, wat niet het geval is wanneer gedeeltes worden weggehaald. Hierdoor wordt het functioneren van de inrichting eveneens niet aangetast en kan de fabrikant erop vertrouwen dat zij korrekt zal geplaatst worden om zodoende de goede werking ervan ook
<Desc/Clms Page number 7>
op lange termijn te kunnen verzekeren.
Zoals reeds beschreven worden dergelijke inrichtingen dikwijls in de bodem aangebracht. Hierdoor ontstaat er een druk van de grond tegen de wanden van de afscheider. Doordat nu het kopdeel beweegbaar is ten opzichte van het bodemdeel heeft de inrichting iets van haar stijfheid verloren ten opzichte van een integrale constructie. Om nu toch voldoende stijfheid aan de wanden te geven en zodoende weerstand te bieden aan de door de grond uitgeoefende druk zijn bij
EMI7.1
voorkeur verstevigingselementen 17, 18 op de zijwanden aangebracht. Deze verstevigingselementen zijn op de buitenwand aangebracht ten einde de werking van de inrichting niet te storen. De verstevigingselementen zijn op dat gedeelte van de zijwand aangebracht welk het bodemdeel niet overlapt, ten einde de beweging van het kopdeel niet te storen.
De verstevigingselementen vertonen een in hoofdzaak T-vormig profiel waarvan het vertikaal deel zich telkens nagenoeg loodrecht op de wand van het kopdeel uitstrekt. Het T-vormig profiel zorgt ervoor dat de door de grond uitgeoefende kracht afgebogen wordt en egaal over de wand wordt verdeeld zodat nagenoeg geen vervorming van de wand optreedt. De verstevigingselementen zijn voorzien van doorboringen waardoorheen de stang 11 is aangebracht.
De zijwand van het kopdeel is segmentsgewijs opgebouwd. Zo bevat de in figuur 2 weergegeven uitvoeringsvorm twee segmenten 22 en 23. Elk segment 22 respectievelijk 23 bevat een uiteinde 19, respectievelijk 20 dat naar het interieur toe is gebogen. De op deze segmenten neergeslagen vetten of andere verontreinigingen kunnen zodoende langs deze segmenten naar beneden glijden. De gebogen uiteinden zorgen er nu voor dat de langs deze wanden afgeschoven verontreinigingen naar binnen toe worden afgebogen zodat zij in de aanwezige vloeistof terecht komen. Hierdoor kan dan ook voor deze verontreinigingen het afscheidingsproces worden uitgevoerd. De verontreinigingen blijven dus niet op de wand zitten en zullen deze dan ook aanzienlijk minder aantasten. Verder bieden deze gebogen uiteinden het voordeel dat zij de zijwanden verstevigen.
De verbinding tussen de verschillende segmenten is bijvoorkeur telkens ter hoogte van het verstevigingselement 18 aangebracht, waardoor dit verstevigingselement
<Desc/Clms Page number 8>
tevens als verbindingsstuk fungeert.
De inrichting is meestal vervaardigd uit gecoat staal maar ook roestvrij staal is mogelijk. Verder is het eveneens mogelijk om de inrichting uit kunststof te vervaardigen zoals bijvoorbeeld epoxy versterkt met glasvezels. Ook voor uit kunststof vervaardigde inrichtingen kan het weghalen van wandgedeelten tot problemen leiden, zoals bijvoorbeeld het blootleggen van glasvezels waardoor vochtpenetratie in de wand kan ontstaan. Een ander materiaal voor het vervaardigen van de inrichting is bijvoorbeeld beton, wat eveneens gecoat wordt.