<Desc/Clms Page number 1>
Inrichting voor het verkleinen van materialen.
De inrichting betreft een aan een giek van een graafmachine of dergelijke te koppelen inrichting voor het verkleinen van materiaal voorzien van een tweetal met behulp van een zwenkas verzwenkbaar met elkaar gekoppelde bekken, welke met behulp van een verstelcylinder om de zwenkas relatief ten opzichte van elkaar verzwenkbaar zijn om tussen de bekken opgenomen materiaal te breken.
Een dergelijke inrichting is bekend uit WO 91/08874 (figuren 8 en 9).
Bij deze bekende constructie is de ene bek opgebouwd uit een enkele althans in hoofdzaak U-vormige plaat waarbij in de door de benen van de U begrensde ruimte een mes is opgesteld, dat dunner is uitgevoerd dan de de bek vormende plaat.
De andere bek is voorzien van een tweetal op afstand van elkaar gelegen platen waarbij de naar de ene bek toegekeerde ruimte tussen de platen is afgesloten met behulp van een afdekplaat waarin een smalle sleuf is aangebracht, waarvan de breedte nagenoeg overeenkomt met de dikte van het mes. Deze inrichting zal wellicht bruikbaar zijn voor het doorknippen van dunne takken of dunne balken of dergelijke, maar een grotere diameter bezittende balken, stammen of dergelijke zullen bij het sluiten van de bekken tussen de bekken uitschuiven, terwijl ook een doorknippen van dergelijke een verhoudingsgewijs grote doorsnede bezittende voorwerpen in het algemeen niet uit te voeren zal zijn.
Met de uitvinding wordt beoogd een inrichting van bovengenoemde soort te. verkrijgen, die in het bijzonder geschikt is voor het verkleinen van hout, zoals houten balken, bomen en dergelijke. Daarbij wordt beoogd, dat de inrichting zowel geschikt is voor a) breken van hout b) knippen van hout c) kloven van hout.
Volgens de uitvinding kan dit worden bereikt, doordat ieder van de bekken is voorzien van een tweetal op afstand van elkaar gelegen zijplaten, die een tussen de zijplaten gelegen open ruimte begrenzen en die ieder een naar de andere bek gekeerde begrenzingsrand met een kromlijnig verloop hebben alsmede aan hun vrije uiteinden uitlopen in een punt,
<Desc/Clms Page number 2>
zodanig, dat in een stand van de beide klauwen, waarin de punten van de verschillende zijplaten, gezien in de lengterichting van de zwenkas, ongeveer op liJn ziJn gelegen, genoemde begrenzingsranden een doortocht begrenzen, terwijl de ene bek is voorzien van een middelste plaat, die ongeveer midden tussen de beide zijplaten van de desbetreffende ene bek is opgesteld en in een naar de andere bek toegekeerde richting voorbij de beide zijplaten van de desbetreffende ene bek uitsteekt,
en de afstand tussen de zijplaten van een bek aanzienlijk groter is dan de dikte van de in de ene bek aangebrachte middelste plaat.
Door de vormgeving van de bekken, in het bijzonder van de naar elkaar toegekeerde begrenzingsranden van de bekken kan een te breken of door te knippen stam of balk worden opgenomen in de door deze begrenzingsranden van de bekken gevormde doortocht, zonder dat daarbij het gevaar bestaat, dat het desbetreffende voorwerp tussen de bekken uitschiet. Bij het sluiten van de bekken zal daarbij een tussen de bekken genomen voorwerp in op afstand van elkaar gelegen punten worden afgesteund op de zijplaten van de ene bek, terwijl midden tussen deze punten met de middelste plaat van de andere bek een kracht op het voorwerp wordt uitgeoefend, zodat dit voorwerp gemakkelijk zal worden gebroken en/of bij verdere verzwenking van de bekken naar elkaar toe zal worden doorgesneden.
Een kloven van houten balken of stammen of dergelijke kan worden bewerkstelligd, door met de punten van de zijplaten op het desbetreffende voorwerp aan te grijpen.
Door toepassing van de constructie volgens de uitvinding is dan ook een inrichting met een eenvoudige opbouw verkregen, waarbij op effectieve wijze hout kan worden verkleind, door knippen, breken en kloven.
Opgemerkt wordt, dat uit de Duitse octrooiaanvrage 3. 618. 191 een inrichting bekend is voor het breken van beton, welke inrichting is voorzien van een tweetal klauwen, die zijn voorzien van zijplaten, waarvan de in hoofdzaak rechte begrenzingsranden een gekarteld verloop hebben. Verder is een van de klauwen voorzien van een middenplaat, die een wei ni 9 uit- steekt buiten de zijplaten van de desbetreffende klauw en waarvan de rechte begrenzingsrand eveneens een gekarteld verloop heeft. De opbouw van deze bekende inrichting is dan ook afwijkend van de opbouw van de inrichting volgens de uitvinding en deze bekende inrichting zal niet geschikt zijn om hout zowel te kunnen kloven, breken en knippen.
<Desc/Clms Page number 3>
Verder is uit het Franse octrooischrift 2. 153. 402 nog een inrichting bekend voor het knippen van hout of dergelijke voorzien van een tweetal klauwen, waarbij de ene klauw in hoofdzaak is opgebouwd uit een mes met een afgeronde punt aan het einde en de andere klauw is voorzien van een tweetal op enige afstand van elkaar gelegen platen aan de naar elkaar toegekeerde zijden waarvan geleidingsorganen voor het mes zijn bevestigd.
Deze bekende inrichting zal slechts geschikt zijn voor het doorknippen van verhoudingsgewijs dunne takken en balken, maar niet voor het breken en/of kloven van hout, zoals mogelijk is met de inrichting volgens de uitvinding.
De uitvinding zal hieronder nader worden uiteengezet aan de hand van een in bijgaande figuur schematisch in perspectief afgebeeld uitvoeringsvoorbeeld van een inrichting volgens de uitvinding.
De in de figuur weergegeven inrichting omvat een tweetal bekken 1 en 2, die om een zwenkas 3 ten opzichte van elkaar verzwenkbaar zijn.
De bek 1 is met behulp van een koppelinrichting 4 van het type, zoals bijvoorbeeld is beschreven in de Nederlandse octrooiaanvrage 7904335 gekoppeld aan de giek of arm 5 van een graafmachine of dergelijke,. zodanig, dat de koppelinrichting 4 ten opzichte van deze arm 5 om zich evenwijdig aan de zwenkas 3 uitstrekkende as verzwenkbaar is. Tussen de koppelinrichting 4 en de arm 5 zijn verder nog schakels 6 aangebracht, die met de koppelinrichting 4 respectievelijk de arm 5 zwenkbaar zijn gekoppeld met behulp van zich evenwijdig aan zwenkas 3 uitstrekkende assen 7 respectievelijk 8.
Verder is met behulp van de as 7 het uiteinde van een zuigerstang. 9 van een met de giek 5 gekoppelde verstelcylinder 10 aan de koppelinrichting 4 gekoppeld, zodat met behulp van de verstelcylinder 10 okoppelinriehting 4 en de aan de koppel-inrichting 4 bevestigde bek 1 ten opzichte van de arm 5, dus ook ten opzichte van de bek 2 verzwenkbaar is.
De bek 2 is aan zijn van de bek 1 afgekeerde zijde voorzien van een uitstekende steun 11. Tussen de steun 11 en een aan de giek 5 bevestigde steun 12 is een verbindingsstang 13 aangebracht.
Zoa1s verder uit de figuur blijkt, is de bek 1 opgebouwd uit een tweetal op afstand van elkaar gelegen, zieh loodrecht op de zwenkas 3 uitstrekkende zijp1aten 14 en 15, die nabij hun van de zwenkas 3 afgekeerde uiteinden onderling zijn verbonden door een steunplaat 16. Tussen
<Desc/Clms Page number 4>
de steunplaat 16 en de zwenkas 3 zijn de zijplaten 14 en 15 onderling verbonden door een zich evenwijdig aan de zwenkas 3 uitstrekkend asstuk 17.
De naar de tegenover liggende bek 2 gekeerde begrenzingsranden van de zijplaten 14 en 15 hebben, zoals uit de figuur blijkt, een enigszins gekromd verloop, terwijl de zijplaten 14 en 15 nabij hun van de zwenkas afgekeerde einden eindigen in uitstekende punten 18 resp. 19.
Tussen de beide zijplaten 14 en 15 is een verdere p1aat 20 aangebracht, welke in de richting naar de tegenover elkaar liggende bek 2 voor de platen 14 en 15 uitsteekt. Het het dichtst bij de zwenkas 3 gelegen deel van de middelste p1aat 20 heeft een rechte aangescherpte begrenzingsrand 21 op het boveneinde waarvan een gekromde begrenzingsrand 22 aansluit, van zodanige vorm, dat het van de zwenkas 3 afgekeerde uiteinde van de middelste plaat 20 uitloopt in een uitstekende punt 23.
De onderste bek 2 omvat nabij iedere zijkant van. de bek een tweetal zijplaten 24, 25 respectievelijk 26 en 27. Nabij hun vrije einden zijn de zijplaten verbonden door een dwarsrug 28 waarop een uiteinde van een tussen de binnenste zijplaten 25 en 27 aangebrachte steunplaat 29 aansluit.
Zoals in de figuur is weergegeven, zijn de naar de bek 1 toegekeerde begrenzingsranden van de zijplaten 24-27 gevormd door een tweetal op elkaar aansluitende gebogen delen zodanig, dat ongeveer in het midden van iedere begrenzingsrand een in de richting van de bek 1 uitstekende punt 30 is gevormd en nabij de van de zwenkas 3 afgekeerde uiteinden van de zijplaten een uitstekende punt 31 is gevormd.
Midden tussen de binnenste zijplaten 25 en 27 is nog een korte middelste p1aat 32 aangebracht, waarvan de naar de bek 1 toegekeerde begrenzingsrand althans in hoofdzaak in een vlak is gelegen met de nabij de zwenkas 3 gelegen gedeelten van de begrenzingsranden'van de zijplaten 24-27.
Klein te maken houten balken, boomstammen of dergelijke kunnen door geschikt manipuleren met de hierboven beschreven, aan de giek 5 van een graafmachine of dergelijke bevestigde inrichting worden vastgeklemd en opgetild. Door vervolgens met behulp van de verstelcylinder 10 de bek 1 verder in de richting van de bek 2 te verzwenken zal de houten balk, de boomstam of dergelijke, welke is geklemd tussen de op afstand van elkaar gelegen zijplaten. van de onderste bek 2 en de uitstekende als een
<Desc/Clms Page number 5>
mes werkende middelste plaat 20 van de bek 1 worden gebroken, waarbij de uitstekende punt 23 van de als een mes werkende middelste plaat als een kloofbeitel werkt.
Een kloven van hout kan worden bewerkstelligd door het hout tussen de punten 23,18, 19 en 31 beet te pakken en deze vervolgens door het naar elkaar toe bewegen van de bekken in het hout te drukken.
Een kleinere doorsnede bezittende stukken hout of dergelijke, kunnen worden doorgeknipt tussen de middenplaat 20 van de bek 1 en de middenplaat 32 van de bek 2.