<Desc/Clms Page number 1>
EMI1.1
Inrichting voor het aandrijven van een element bij weefmachines. weefmachines.
Deze uitvinding heeft betrekking op een inrichting voor het aandrijven van een element bij weefmachines.
De inrichting is hoofdzakelijk bedoeld voor het aandrijven van een boom, zoals een kettingboom of een doekboom, bij weefmachines.
Het is bekend bij weefmachines dat voor het aandrijven van een kettingboom gebruik wordt gemaakt van een aandrijfeenheid die kan gekoppeld worden met de kettingboom. De koppeling tussen de kettingboom en de aandrijfeenheid gebeurt hierbij klassiek door een tandwielkoppeling, waarbij het ene tandwiel bevestigd is op de kettingboom en het andere tandwiel bevestigd is aan de aandrijfeenheid voor de kettingboom.
Dergelijke koppeling vertoont als nadeel dat ze aan speling onderhevig is, hetgeen nadelig is voor de positiesturing van de kettingboom. Bovendien is het op de kettingboom bevestigde tandwiel hinderend bij transport en het opbomen van de kettingboom, vereist dit tandwiel dat de kettingboom een grotere axiale lengte vertoont, kan een kettingboomschijf niet verwijderd worden zonder dat het tandwiel ook verwijderd wordt en kan de tandwielkoppeling ook moeilijk gesmeerd worden.
Het is tevens bekend bij weefmachines voor de koppeling tussen een boom en een aandrijfeenheid voor de boom gebruik
<Desc/Clms Page number 2>
te maken van een schroefdraadkoppeling, waarbij een schroefdraad voorzien is aan de boom en aan de aandrijfeenheid voor de boom. Dergelijke koppeling heeft als nadeel dat het koppelen door het met behulp van de aandrijfeenheid in elkaar schroeven van beide schroefdraden traag gebeurt. Bovendien wordt hierbij het nabij de aandrijfeenheid gelegen uiteinde van de boom gelagerd door de aandrijfeenheid, waardoor de kracht op de lagers van de aandrijfeenheid zeer groot is en waardoor hiertoe dure lagers dienen voorzien te worden. Een voorbeeld van dergelijke inrichting is weergegeven in EP-A-0 451 895.
De huidige uitvinding heeft een inrichting. tot doel die de voornoemde nadelen niet vertoont.
Tot dit doel betreft de uitvinding een inrichting voor het aandrijven van een element bij weefmachines waarbij een aandrijfeenheid voor het aandrijven van het element en koppelmiddelen om de aandrijfeenheid met het element te koppelen zijn voorzien, daardoor gekenmerkt dat de koppelmiddelen bestaan uit een eerste deel dat bevestigd is aan de aandrijfeenheid, een tweede deel dat bevestigd is aan het element, een derde deel dat met het eerste deel en het tweede deel samenwerkt, geleidingsmiddelen voorzien aan het eerste deel die kunnen samenwerken met geleidingsmiddelen voorzien aan het derde deel teneinde een eerste translatie tussen het eerste deel en het derde deel toe te laten,
geleidingsmiddelen voorzien aan het tweede deel die kunnen samenwerken met geleidingsmiddelen voorzien aan het derde deel teneinde een tweede translatie tussen het tweede deel en
<Desc/Clms Page number 3>
het derde deel toe te laten, waarbij de eerste translatie en de tweede translatie niet evenwijdig aan elkaar zijn. Bij voorkeur gebeurt de eerste translatie nagenoeg loodrecht op de tweede translatie. De geleidingsmiddelen die langs beide kanten voorzien zijn aan het derde deel en die respektievelijk met het eerste deel en het tweede deel kunnen samenwerken zijn hiertoe nagenoeg loodrecht ten opzichte van elkaar opgesteld.
De inrichting volgens de uitvinding biedt als voordeel dat het element afzonderlijk van de aandrijfeenheid gelagerd wordt en dat het element zieh niet noodzakelijk in het verlengde van de aandrijfeenheid dient te bevinden. Bovendien vormt de koppeling geen hinder voor het transport van het element of voor het verwijderen van een kettingboomschijf en kan het koppelen snel gebeuren.
Teneinde de kenmerken volgens de uitvinding duidelijker naar voor te brengen wordt de uitvinding hieronder nader toegelicht aan de hand van tekeningen met uitvoeringsvoorbeelden, waarin : figuur 1 een inrichting volgens de uitvinding weergeeft ; figuur 2 het gedeelte aangeduid in figuur 1 met F2 weergeeft ; figuur 3 het gedeelte weergegeven in figuur 2 in een andere stand weergeeft ; figuren 4 tot 6 een zieht weergeven volgens pijl F4-6 in figuur 1 van praktische uitvoeringvormen ; figuur 7 een variante weergeeft van de uitvoeringvorm van figuur 5.
<Desc/Clms Page number 4>
In figuur 1 is een inrichting 1 voor het aandrijven van een element 2 bij een weefmachine weergegeven. In het weergegeven voorbeeld bestaat het element 2 uit een kettingboom die voorzien is van een as 3 en kettingboomschijven 4 en wordt het element 2 op gekende wijze door bijvoorbeeld een lagering 5 aan een freem 6 van de weefmachine voorzien. De inrichting 1 bevat tevens een aandrijfeenheid 7 voor het aandrijven van het element 2. De aandrijfeenheid 7 bevat een aandrijfmotor 8, een motoras 9, een op het freem 6 bevestigd lager 10 voor de motoras 9, een op de motoras 9 bevestigd tandwiel 11 en een met het tandwiel 11 samenwerkend tandwiel 12 dat bevestigd is op een as 13 die door middel van lagers 14 axiaal verplaatsbaar in het freem 6 gelagerd is.
De as 13 kan verplaatst worden volgens richting S door'middel van een hefboominrichting 15 die bestaat uit een hefboom 16 die draaibaar is om een aan het freem 6 bevestigde as 17 en die samenwerkt met een veer 18 zodanig dat de as 13 in de richting van het element 2 gedwongen wordt. De hefboom 16 kan ten opzichte van het freem 6 vergrendeld worden door middel van een grendel 19. De inrichting 1 bevat tevens koppelmiddelen 20 om de aandrijfeenheid 7 met het element 2 te koppelen.
De inrichting 1 volgens de uitvinding bevat, zoals weergegeven in figuren 1 tot 3, koppelmiddelen 20 die bestaan uit een eerste deel 21 dat bevestigd is aan de as 13, een tweede deel 22 dat bevestigd is aan de as 3 en een derde deel 23 dat met het eerste deel 21 en het tweede deel 22 samenwerkt. Het eerste deel 21 is vast bevestigd aan de as 13 door middel van bouten 24 en is tevens aan de kant die nabij
<Desc/Clms Page number 5>
de as 13 gelegen is voorzien van een astap 25 die kan ingrijpen in een boring 26 in de as 13 en die toelaat het eerte deel 21 te centeren ten opzichte van de as 13. Het tweede deel 22 is vast bevestigd aan de as 3 door middel van bouten 27 en is tevens aan de kant die nabij de as 3 gelegen is voorzien van een boring 28 die kan samenwerken met de as 3 en die toelaat het tweede deel 22 te centeren ten opzichte van de as 3.
Aan het eerste deel 21 kan ook nog een ring 29 bevestigd worden die moet verhinderen dat weefstof de koppelmiddelen 20 kan binnendringen. Deze ring 29 bestaat bijvoorbeeld uit elastisch materiaal en dwingt het derde deel 23 in het verlengde van het eerste deel 21 te staan. Het derde deel 23 is door middel van bouten 30 verbonden met het eerste deel 21 zodanig dat dit derde deel 23 kan bewegen ten opzichte van het eerste deel 21. Hiertoe zijn openingen 31 voorzien in het derde deel 23 waarin de bouten 30 met grote speling kunnen bewegen en is er schroefdraad 32 voorzien in het eerste deel 21.
Zoals weergegeven in figuur 4 bestaat het eerste deel 21 uit een schijf 33 die voorzien van geleidingsmiddelen 34 in de vorm van een gleuf 35 met zijwanden 36 en 37. Het tweede deel 22 is weergegeven in figuur 5 en bestaat uit een schijf 38 die voorzien is van geleidingsmiddelen 39 in de vorm van een gleuf 40 die voorzien is van zijwanden 41 en 42. Zoals weergegeven in figuur 6 bestaat het derde deel 23 uit een schijf 43 die een boring 44 bevat. Deze schrijf 43 is langs de ene kant voorzien van geleidingsmiddelen 45 en 45A respektievelijk in de vorm van een ribbe 46 en 46A met zijwanden 47,48 en 47A, 48A.
De afstand tussen de zijwanden
<Desc/Clms Page number 6>
47 en 48 en tussen de zijwanden 47A en 48A is nagenoeg gelijk aan de afstand tussen de zijwanden 36 en 37 zodanig dat de ribben 46 en 46A nagenoeg zonder speling in de gleuf 35 kunnen ingrijpen teneinde een eerste translatie volgens richting Tl tussen het eerste deel 21 en het derde deel 23 toe te laten. Langs de andere kant van de schijf 43 zijn geleidingsmiddelen 49 en 49A voorzien respektievelijk in de vorm van een ribbe 50 en 50A met zijwanden 51,52 en 51A, 52A. De afstand tussen de zijwanden 51 en 52 en tussen de zijwanden 51A en 52A is nagenoeg gelijk aan de afstand tussen de zijwanden 41 en 42 zodanig dat de ribben 50 en 50A nagenoeg zonder speling in de gleuf 40 kunnen ingrijpen teneinde een tweede translatie volgens richting T2 tussen het tweede deel 22 en het derde deel 23 toe'te laten.
Het is duidelijk dat de zijwanden 47-47A, 48-48A, 51-51A en 52-52A respektievelijk in elkaars verlengde liggen. De zijwanden 47-47A en 48-48A staan hierbij nagenoeg loodrecht op de zijwanden 51-51A, 52-52A waardoor de eerste translatie Tl nagenoeg loodrecht op de tweede translatie T2 kan gebeuren.
De werking van de inrichting volgens de uitvinding wordt hieronder nader toegelicht aan de hand van figuren 1 tot 3.
Vooreerst wordt de hefboominrichting 15 in een toestand zoals weergegeven in figuur 1 gebracht en wordt het te koppelen element 2 die voorzien is van het tweede deel 22 in het lager 5 geplaatst. Deze toestand is weergegeven in figuur 1 en 2.
De grendel 19 wordt geopend waardoor de as 13 waaraan het eerste deel 21 en het daarmee verbonden derde deel 23 zijn voorzien volgens richting S naar het tweede deel 22 gedwongen worden. Men stuurt de aandrijfmotor 8 zodat de as 13 draait
<Desc/Clms Page number 7>
of men draait het element 2 tot de ribben 50 en 50A ingrijpen in de gleuf 40 en een gekoppelde toestand bekomen wordt zoals weergegeven in figuur 3. Daar de aslijn van de as 13 niet noodzakelijk in het verlengde van de aslijn van het element 2 staat zal het derde deel 23 van de koppelmiddelen 20 een eerste translatie Tl en een tweede translatie T2 uitvoeren ten opzichte van het eerste deel 21 en het tweede deel 22 van de koppelmiddelen 20 wanneer het element 2 aangedreven wordt door de aandrijfeenheid 7 zodanig dat de niet perfekte uitlijning gecompenseerd wordt.
De afstand van deze translaties zal minimaal zijn wanneer beide translaties loodrecht op elkaar gebeuren. Dit is vooral voordelig bij toepassing van zware kettingbomen waarbij de as 3 moelijk in het verlengde van de as 13 kan geplaatst worden en soms in de orde van grootte van een halve centimeter excentrisch staat opgesteld. Bovendien laat toe de uitvinding toe een zware kettingboom nagenoeg zonder speling met een aandrijfeenheid 7 aan te drijven zodat steeds een gewenste hoekverdraaiing van de kettingboom bekomen wordt en de kettingboom niet kan trillen ten opzichte van de aandrijfeenheid 7.
Teneinde de hoek te kunnen beperken waarover de as 13 en het element 2 onderling moeten verdraaid worden om een koppeling te bekomen kan zoals weergegeven in figuur 7 het tweede deel 22 van meerdere geleidingsmiddelen zoals geleidingsmiddelen 53,53A en geleidingsmiddelen 54,54A voorzien worden die loodrecht op elkaar staan en respectievelijk bestaan uit gleuven 55,55A en 56,56A die voorzien zijn van zijwanden 57,58, 57A, 58A en 59,60, 59A, 60A. Het is duidelijk dat de afstand tussen zijwanden 57 en 58,57A en 58A, 59 en 60 en
<Desc/Clms Page number 8>
59A en 60A nagenoeg gelijk is aan de afstand tussen de zijwanden 51 en 52, en 51A en 52A.
Het is duidelijk dat volgens een variante de gleuven 35,40, 55,55A, 56,56A kunnen bestaan uit ribben terwijl de ribben 46,46A, 50,50A dan bestaan uit gleuven. Het geniet echter de voorkeur dat de geleidingsmiddelen 39 bestaan uit gleuven teneinde beschadiging van de geleidingsmiddelen bij transport te vermijden.
De inrichting voor het aandrijven van een element bij weefmachines volgens de uitvinding beperkt zicht uiteraard niet tot de als voorbeeld beschreven en in de figuren weergegeven uitvoeringsvormen en kan binnen het kader van de uitvinding in verschillende andere vormen en afmetingen worden verwezenlijkt.