<Desc/Clms Page number 1>
DE ELEKTRISCHE CENTRALE De uitvinding heeft betrekking op een elektrische centrale die zijn aandrijving verkrijgt door gebruik te maken van de getijden van de zee, met name eb en vloed, gekenmerkt doordat deze uitvinding de op-en neergaande beweging die eb en vloed teweegbrengen omgezet wordt in een roterende beweging.
Deze roterende beweging zal op zijn beurt aangewend worden om een alternator (groep) aan te drijven.
De elektrische centrales die momenteel in werking zijn en gebruik maken van de natuurkrachten, meer bepaald van krachten die-worden veroorzaakt door water, hebben als grote nadeel dat ze nooit betrouwbaar en krachtig genoeg zijn om als volwaardige centrale te gebruiken. De grillen van de natuur zorgt er dan ook voor dat alle centrales bij elkaar in België, die werken op krachten veroorzaakt door wind of water, voor nog geen 15 % van de totale elektische energievoorziening in
EMI1.1
België zorgen.
De getoonde uitvinding heeft als doel om een volwaardige elektriciteitscentrale te laten werken met de kracht van water zodat bij deze centrale zo goed als geen afvalstoffen vrijkomen bij het produceren van elektrische energie.
De enige voorwaarde voor de werking van deze centrale is dat deze gelegen is aan een water waarbij de getijden eb en vloed optreden.
Door gebruik te maken van de op-en neergaande beweging die ontstaat door de wisselwerking tussen eb en vloed creëert men een potentiële energie die zeer hoog kan zijn. Deze op-en neergaande beweging wordt omgezet in een roterende beweging.
Deze roterende beweging wordt dan gebruikt om de alternator (groep) aan te drijven. Tussen de roterende beweging veroorzaakt door de getijden en de alternator (groep) bevinden zich nog een aantal elementen die de taak van regeleenheid vervullen.
<Desc/Clms Page number 2>
De voordelen van deze uitvinding zijn de volgende : kan jaar in, jaar uit, dag en nacht werken zonder rekening te moeten houden met de natuurelementen ; is zeer milieuvriendelijk, want er komen geen afvalstoffen vrij ; kan gebruikt worden als volwaardige elektriciteitscentrale ; is zeer eenvoudig van structuur en kan bijgevolg zeer gemakkelijk onderhouden worden ; kan ontwikkeld worden met behulp van bestaande technieken ; de capaciteit van de centrale hangt af van de grootte van de centrale.
<Desc/Clms Page number 3>
BESCHRIJVING De getoonde uitvinding is een van de vele mogelijke uitvoeringen en is vooral gekozen omwille van zijn grote eenvoud en betrouwbaarheid.
Fig 1 : geeft een blokschema weer van de uitvinding Fig 2 : geeft deel A van het blokschema weer volgens doorsnede I - I
EMI3.1
Fig 3 geeft deel A van het blokschema weer in bovenaanzicht .
Fig 4 geeft deel B van het blokschema weer volgens doorsnede :11 - 11 Fig 5 : geeft deel B van het blokschema weer in bovenaanzicht Fig 6 : zicht op tandwielen volgens doorsnede III-III Fig 7 : geeft deel C van het blokschema weer in bovenaanzicht Fig 8 : inwendige principeschakeling van de tandwielkast In het blokschema (fig 1) wordt het principe van de uitvinding voorgesteld.
* In blok A wordt de convertor voorgesteld. De voeding is in dit geval de zee met zijn getijden eb en vloed. De conver- tor zet deze op-en neergaande beweging om in een roteren- de ; * In blok B wordt de aandrijving van de alternator (groep) verzorgd. Dit kan gebeuren door gebruik te maken van bv : een vliegwiel, een drukcabine met pompen en turbine, een spaarbekken met pompen en turbine, enz. In dit geval be- spreken we de aandrijving met spaarbekken.
* In blok C wordt de alternator (groep) voorgesteld die in- staat voor het produceren van de nodige elektrische ener- gie.
<Desc/Clms Page number 4>
Een vlot (1) rust op het water (2). Het vlot (1) dat zowel zeer zwaar is en over een zeer groot draagvermogen beschikt, veel goter dan het gewicht dat het moet dragen, staat in verbinding met een draagarm (3) d. m. v. een scharnier (4).
De draagarm (3) staat in verbinding met een tandwiel (5) en hebben een gezamenlijke as (6). Deze as (6) is bevestigd op een vast gedeelte (13). Dit vast gedeelte (13) staat op het vaste land (14). Het grote tandwiel (5) staat in verbinding met de kleinere tandwielen (7 en 9). Het linker tandwiel (7) heeft een as (8) die uitkomt in het vaste blok (13).
EMI4.1
Het rechter tandwiel (11) heeft een as (12) die ook uitkomt in . het vaste blok (13). De verbinding tussen het groot tandwiel (5) en een klein tandwiel (11) wordt verzorgd door een tandwiel (9) dat ervoor zorgt dat het eerste tandwiel (11) in dezelfde richting draait als het grote tandwiel (5). De assen (8 en 12) staan beide in verbinding met ratelmechanismen (15 en 16).
Deze ratelmechanismen zorgen ervoor dat de assen (8 en 12) enkel in één richting aandrijven. De assen (17 en 18) drijvende tandwielen (19 en 20) aan. Deze tandwielen (19 en 20) staan beide in verbinding met een tandwiel (21). Dit tandwiel (21) drijft een as (22) aan. Deze as (22) gaat naar een wielkast (45). Vanuit deze wielkast (45) vertrekt een as (23) die in verbinding staat met een vliegwiel (24). Dit vliegwiel (24) drijft een as (25) aan. Deze as (25) verzorgt op zijn beurt de aandrijving van de pomp (26).
De pomp (26) zuigt het water op via een buis (27) die in het water (2) steekt. Het water wordt via de pomp (26) en een buis (28) in het reservespaarbekken (29) gestuwd. Het water kan dan via een verbinding (30) overvloeien naar het spaarbekken (33).
In het reservespaarbekken (29) is ook nog een doorgang (32) met regelklep (31) voorzien.
Het reservespaarbekken (29) rust op palen (40) die rusten op de bodem van het spaarbekken (33).
<Desc/Clms Page number 5>
In het spaarbekken is er ook een opening (35) met afvoerbuis (34) voor overtollig water terug af te voeren. Het water in het bekken (33) loopt via een opening (37) met regelklep (36) naar de turbine (38). Deze turbine (38) drijft via een as (41) de alternator (groep) (46) aan.
Het water dat uit de turbine (38) komt wordt terug afgevoerd via een buis (39).
In de wielkast (45) bevinden zich een aantal grote tandwielen (42) en een aantal kleine tandwielen (43 en 44).
De kleine tandwielen (43) staan vast verbonden op de as van de grote tandwielen (42). Een klein tandwiel (44) heeft als as de aandrijfas (23).
Bij vloed wordt het vlot (1) omhoog getild. Hierdoor zal het tandwiel (5) met de klok meedraaien (x). De twee kleinere tandwielen (7 en 9) draaien op dat moment in tegenwijzerzin.
Het rechtse tandwiel (11) dat de as (12) aandrijft zal op dit moment dus ook in wijzerzin draaien. Het tandwiel (9) dat zich dus tussen het grote tandwiel (5) en het kleine tandwiel (11) bevindt heeft dus als doel om de twee tandwielen (5 en 11) in dezelfde richting te doen draaien. Bij vloed zal de linkeras (8) in tegenwijzerzin draaien en de rechteras (12) in wijzerzin.
Bij eb zakt het vlot (1). Hierdoor zal het tandwiel (5) tegen klok wijzerzin draaien (y). De twee kleinere tandwielen (7 en 9) draaien op dat moment in wijzerzin. Het tandwiel (11) dat de as (12) aandrijft zal op dit moment dus ook in tegenwijzerzin draaien. Bij eb zal de linkeras (8) in wijzerzin draaien en de rechteras (12) in tegenwijzerzin.
<Desc/Clms Page number 6>
Deze assen (8 en 12) drijven enkel de tandwielen (19 en 20) aan indien ze in klokwijzerzin draaien, daar zorgen de ratelmechanismen (15 en 16) voor.
Bij eb draait de linkeras (8) in klokwijzerzin, hierdoor zal ook de as (17) na het ratelmechanisme (15) aangedreven worden. Hierdoor zal het tandwiel (19) aangedreven worden dat op zijn beurt langs een tussentandwiel (21) het rechtertandwiel (20) en zijn as (18) in klokwijzerzin laat draaien. Het ratelmechanisme (16) dat een verbinding is tussen twee assen (12 en 18) draait in vrijloop want de ene as (12) draait in tegenwijzerzin en de andere as (18) in wijzerzin.
Bij vloed draait de rechteras (12) in klokwijzerzin, hierdoor zal ook de as (18) na het ratelmechanisme (16) aangedreven worden. Hierdoor zal het tandwiel (20) aangedreven worden dat op zijn beurt langs een tussentandwiel (21) het linkertandwiel (19) en zijn as (17) in klokwijzerzin laat draaien. Het ratelmechanisme (15) dat een verbinding is tussen twee assen (8 en 17) draait in vrijloop want de ene as (8) draait in tegenwijzerzin en de andere as (17) in wijzerzin.
Bij vloed zal het rechter tandwiel (20) voor de aandrijving van het tussentandwiel (21) zorgen.
Bij eb zal het linker tandwiel (19) voor de aandrijving van het tussentandwiel (21) zorgen.
Dit tussentandwiel (21) zal dus steeds in dezelfde richting draaien en via een as (22) een tandwielkast (45) aandrijven.
De hoeksnelheid van de gedreven as (23) is vele malen groter dan de hoeksnelheid van de aandrijvende as (22), hiervoor zorgt de wielkast (45).
<Desc/Clms Page number 7>
De gedreven as (23) drijft op zijn beurt een vliegwiel (24) aan, dat ervoor moet zorgen dat eventuele dode punten overbrugd worden. Via dit vliegwiel (24) en een as (25) wordt een pomp (26) aangedreven. Deze pomp (26) zuigt het water op uit het water (2) en stuwt deze naar het reservespaarbekken (29). De onderste klep (31) is gesloten. Het bekken (29) wordt volledig gevuld met water. Het water dat dan begint over te lopen wordt via een buis (30) naar het lager gelegen spaarbekken afgevoerd (33).
Indien dit bekken (33) volledig gevuld is wordt het overtollige water afgevoerd via een buis (34). In dit bekken (33) is onderaan een opening (37) voorzien met een regelklep (36), langs deze weg stroomt het water door een turbine (38). Daardoor begint deze turbine (38) rond te draaien. Het bekken (33) moet constant gevuld blijven tot aan de overloopopening (35), hierdoor ontstaat een druk die ervoor zorgt dat het water met grote druk door de turbine (38) vloeit. Het debiet van het water dat door de pomp (26) wordt verzet moet op elk moment groter zijn dan het debiet dat door de turbine (38) stroomt.
Indien de aanbreng van water door de pomp (26) gedurende een periode wegvalt of het debiet van het toegevoerde water minder is dan het debiet dat door de turbine stroomt, kan het reservespaarbekken (29) het spaarbekken (33) van water voorzien, zodat het niveau in dit bekken (33) toch constant blijft. De periode waarin de toevoer van water wordt overgenomen door het reservespaarbekken (29) wordt bepaald door de inhoud van dit bekken (29). Om het water over te laten vloeien wordt de klep (31) in de opening (32) van het bovenste bekken (29) geopend.
Om het debiet te regelen dat door de opening (37) van het laagste bekken (33) vloeit moet er gebruik worden gemaakt van de regelklep (36) die zich in die opening (37) bevindt.
<Desc/Clms Page number 8>
De turbine (38) drijft via een as (41) de alternator (groep) (46) aan. Deze alternator (groep) (46) zorgt voor de nodige elektrische energie.
De pomp (26), de spaarbekkens (29 en 33) en de turbine (38) vervullen hier de functie van regeleenheid.