<Desc/Clms Page number 1>
"Werkwijze en inrichting voor het vervaardigen van een lussenpoolweefsel".
Deze uitvinding betreft een werkwijze voor het vervaardigen van een lussenpoolweefsel, waarbij op een weefmachine grondinslagdraden en lusinslagdraden op verschillende hoogtes ingebracht worden, terwijl de posities van grondkettingdraden en poolkettingdraden door een gaapvormingsinrichting bepaald worden, zodat de grondinslagdraden en de grondkettingdraden een grondweefsel vormen onder de lusinslagdraden, en zodat de poolkettingdraden afwisselend in het grondweefsel ingebonden worden en een lus vormen over een lusinslagdraad, en waarbij de lusinslagdraden vervolgens verwijderd worden.
In het Amerikaans octrooi nr. 1. 691. 194 werd een dergelijke werkwijze beschreven waarbij, op een dubbelspoelige dubbelstukweefmachine, gelijktijdig twee lussenpoolweefsels boven elkaar geweven worden.
Volgens deze gekende werkwijze wordt, in opeenvolgende werkingscycli van de weefmachine, telkens een bovenste en een onderste inslagdraad ingebracht, respectievelijk boven en onder een aantal lancetten die zieh volgens de richting van de kettingdraden uitstrekken.
Men bekomt een bovenste en een onderste grondweefsel door bovenste en onderste inslagdraden in te binden tussen respectievelijke grondkettingdraden. Daarvoor wordt de gaapvormingsinrichting gestuurd om grondkettingdraden afwisselend boven en onder de inbrenghoogte van de bovenste inslagdraden te brengen, en om andere grondkettingdraden afwisselend boven en onder de inbrenghoogte van de onderste inslagdraden te brengen.
Elk grondweefsel bestaat uit grondkettingdraden die elkaar herhaaldelijk kruisen, zodat opeenvolgende openingen gevormd worden tussen deze grondkettingdraden,
<Desc/Clms Page number 2>
en uit inslagdraden die zich, dwars op de kettingdraden, in deze openingen uitstrekken. De verschillende inslagdraden worden daardoor in elk grondweefsel naast elkaar op eenzelfde niveau in het grondweefsel ingebonden.
De gaapvormingsinrichting is voorzien om de grondkettingdraden zo te sturen dat een aantal bovenste en onderste inslagdraden niet ingebonden worden in het bovenste of het onderste grondweefsel.
Op de weefmachine worden poolkettingdraden voorzien. Er zijn enerzijds poolkettingdraden voor het vormen van lussen langs de onderzijde van het bovenste grondweefsel. De posities van deze poolkettingdraden worden door de gaapvormingsinrichting zo bepaald dat ze afwisselend in het bovenste grondweefsel ingebonden worden door boven een ingebonden bovenste inslagdraad te lopen en een lus vormen door onder een niet-ingebonden onderste inslagdraad te lopen. De niet-ingebonden onderste inslagdraden worden door de lancetten op een vertikale afstand onder het bovenste grondweefsel gehouden.
Anderzijds zijn er ook poolkettingdraden voor het vormen van poollussen langs de bovenzijde van het onderste grondweefsel. De posities van deze poolkettingdraden worden door de gaapvormingsinrichting zo bepaald dat ze afwisselend in het onderste grondweefsel ingebonden worden door onder een ingebonden onderste inslagdraad te lopen en een lus vormen door boven een niet-ingebonden bovenste inslagdraad te lopen. De niet-ingebonden bovenste inslagdraden worden door de lancetten op een vertikale afstand boven het onderste grondweefsel gehouden.
De niet-ingebonden bovenste en onderste inslagdraden worden vervolgens uit de lussen getrokken.
Volgens deze werkwijze bekomt men twee lussenpoolweefsels bestaande uit kettingdraden, inslagdraden die naast elkaar op eenzelfde niveau door de kettingdraden ingebonden zijn zodat een grondweefsel
<Desc/Clms Page number 3>
gevormd is, en poolkettingdraden die afwisselend in het grondweefsel ingebonden zijn onder een inslagdraad en een naar boven toe uitstekende lus vormen.
Deze uitvinding betreft ook een inrichting voor het vervaardigen van een lussenpoolweefsel omvattende een inbrenginrichting voor het op twee verschillende hoogtes inbrengen van inslagdraden, voorzien om lusinslagdraden op de bovenste hoogte in te brengen en grondinslagdraden op de onderste hoogte in te brengen ; minstens een lusvormingselement hetwelk zieh tussen de lusinslagdraden en de grondinslagdraden, hoofdzakelijk in de kettingrichting, kan uitstrekken om deze respectievelijke inslagdraden op een vertikale afstand van elkaar verwijderd te houden ;
en een gaapvormingsinrichting die kan gestuurd worden om de posities van grondkettingdraden en poolkettingdraden zo te bepalen dat de grondinslagdraden en de grondkettingdraden een grondweefsel vormen onder de lusinslagdraden, en zodat de poolkettingdraden afwisselend in het grondweefsel ingebonden worden en een lus vormen over een lusinslagdraad.
Verder heeft deze uitvinding ook betrekking tot een lussenpoolweefsel, omvattende een uit inslagdraden en kettingdraden samengesteld grondweefsel, en poolkettingdraden die afwisselend in het grondweefsel ingebonden zijn en een naar boven toe uitstekende lus vormen.
Zoals blijkt uit hetgeen voorafgaat zijn een dergelijke inrichting en een dergelijk lussenpoolweefsel gekend uit het Amerikaans octrooi nr. 1. 691. 194.
Bij dit gekende lussenpoolweefsel is de lus slechts afgebonden over een grondinslagdraad. Hierdoor is de poolvastheid van het lussenweefsel niet zo groot. wanneer een lus door een hapering wordt uitgetrokken, dan worden een reeks lussen van dezelfde poolkettingdraad plat getrokken en het weefsel wordt over een grotere lengte
<Desc/Clms Page number 4>
beschadigd aan het lussenoppervlak.
Om lussenpoolweefsels te vervaardigen waarop langs de poolzijde een kleurvariatie of een gekleurde figuur zichtbaar is, is het gekend om verschillend gekleurde poolkettingdraden te voorzien en de posities van deze poolkettingdraden zo te bepalen dat lussen van verschillende kleuren gevormd worden in overeenstemming met deze kleurvariatie of figuur.
Verder is het ook gekend om in het uitzicht van de poolzijde van lussenpoolweefsels een zekere variatie te brengen door het vormen van lussen met een verschillende hoogte. Dit kan bijvoorbeeld door twee lancetten op verschillende hoogtes te voorzien. Men kan dan hoge lussen vormen over inslagdraden die zich boven de bovenste lancetten bevinden, terwijl men lage lussen kan vormen over inslagdraden die zich boven de onderste lancetten bevinden.
In Melliand Textilberichte 4/1994, blz. 265, figuur 14 wordt een dergelijke binding voorgesteld.
De mogelijkheden om, bij het weven van lussenpoolweefsel, variaties in het uitzicht van de poolzijde te brengen zijn dus eerder beperkt.
Een doel van deze uitvinding is te voorzien in een werkwijze en een inrichting voor het vervaardigen van lussenpoolweefsels, waardoor het aantal mogelijke variaties in het uitzicht van de poolzijde aanzienlijk verhoogd wordt.
Dit doel wordt bereikt door een werkwijze, zoals in de eerste paragraaf van deze beschrijving omschreven werd, maar waarbij de posities van de grondkettingdraden en de poolkettingdraden zo bepaald worden dat minstens een poolkettingdraad minstens een lus vormt tussen twee grondinslagdraden die, respectievelijk links en rechts van de lus, boven de poolkettingdraad lopen en op een verschillend niveau in het grondweefsel ingebonden zijn, waardoor de lus op het afgewerkte weefsel naar links of
<Desc/Clms Page number 5>
naar rechts gericht wordt.
Om het genoemde doel te bereiken wordt tevens een inrichting voorzien met de kenmerken van conclusie 14.
Indien men een doorsnede van het weefsel maakt in kettingrichting en men volgens de inslagrichting op deze doorsnede kijkt kunnen de lussen rechtopstaand, naar rechts gericht, of naar links gericht zijn.
Als de zich links van de lus bevindende grondinslagdraad op een hoger niveau ingebonden wordt dan de zich rechts van de lus bevindende grondinslagdraad bekomt men een lus die naar rechts gericht is. Als het niveau van de linker grondinslagdraad lager is dan het niveau van de rechter grondinslagdraad wordt een naar links gerichte lus bekomen.
Deze werkwijze en inrichting laten toe om lussenpoolweefsels te weven met lussen die naar links gericht zijn en/of met lussen die naar rechts gericht zijn, zodat het aantal mogelijkheden om variatie in het uitzicht van de poolzijde te brengen wordt uitgebreid, en zodat lussenpoolweefsels met een, tot op heden ongekend, uitzonderlijk gevarieerd uitzicht kunnen geweven worden.
Men kan gerichte lussen vormen, in elk kleurenstelsel of koor, volgens een welbepaald patroon, om bijvoorbeeld figuren en/of schaduweffecten en/of afboordingen in het lussenoppervlak te genereren.
Bij voorkeur omvat de weefmachine inbrengmiddelen voor het inbrengen van inslagdraden in opeenvolgende werkingscycli van de weefmachine, en wordt gedurende minstens een werkingscyclus, ofwel een inbrengmiddel uitgeschakeld, ofwel een met een inbrengmiddel samenwerkende inslagselectie-inrichting gestuurd om geen inslagdraad te selecteren, zodat in het lussenpoolweefsel minstens een inslagdraad geannuleerd wordt, overeenkomstig een vooropstelde binding.
Volgens een voorkeurdragende werkwijze, die
<Desc/Clms Page number 6>
bijkomende mogelijkheden tot het inbrengen van variatie in het uitzicht van de poolzijde verschaft, worden linksgerichte en rechtsgerichte lussen gevormd, terwijl de naast de respectievelijke lussen op het hoogste niveau ingebonden delen van grondinslagdraden zo ingebonden worden dat ze zichtbaar zijn langs de bovenzijde van het grondweefsel, en terwijl grondinslagdraden van verschillende kleuren ingebracht worden zodat elk van de genoemde gerichte lussen gevormd wordt tussen twee verschillend gekleurde grondinslagdraden.
Bij linksgerichte lussen is de rechter grondinslagdraad naast de lus op het hoogste niveau ingebonden. Doordat deze inslagdraad daar zichtbaar is langs de bovenzijde van het grondweefsel en doordat de lus naar links gericht is, is het zich naast de lus bevindende deel van deze rechter grondinslagdraad goed zichtbaar vanaf de bovenkant van het afgewerkte lussenpoolweefsel. De linker grondinslagdraad is nagenoeg niet zichtbaar langs de bovenzijde van het grondweefsel en ligt bovendien ook onder de lus, zodat hij daar nagenoeg niet zichtbaar is vanaf de bovenkant van het afgewerkte lussenpoolweefsel.
Bij rechtsgerichte lussen is het de linker grondinslagdraad die naast de lus op het hoogste niveau ingebonden wordt. Doordat deze inslagdraad daar zichtbaar is langs de bovenzijde van het grondweefsel en doordat de lus naar rechts gericht is, is het zich naast de lus bevindende deel van deze linker grondinslagdraad goed zichtbaar vanaf de bovenkant van het afgewerkte lussenpoolweefsel. De rechter grondinslagdraad is nagenoeg niet zichtbaar langs de bovenzijde van het grondweefsel en ligt bovendien ook onder de lus, zodat hij daar niet zichtbaar is vanaf de bovenkant van het lussenpoolweefsel.
Doordat de lussen tussen verschillend gekleurde grondinslagdraden gevormd worden, wordt naast de linksgerichte lussen een andere kleur zichtbaar gemaakt (de
<Desc/Clms Page number 7>
kleur van de rechter grondinslagdraad) dan naast de rechtsgerichte lussen (de kleur van de linker grondinslagdraad).
Door het vormen van linksgerichte lussen en rechtgerichte lussen kan men dus een bijkomende kleurvariatie bekomen in het weefsel.
Men kan de linksgerichte lussen en de rechtsgerichte lussen bijvoorbeeld ook vormen overeenkomstig een vooropgesteld patroon, zodanig dat met de verschillende kleuren van de linker en rechter grondinslagdraden een gekleurde figuur of een gekleurd patroon zichtbaar gemaakt wordt.
Bij voorkeur wordt in hetzelfde poolweefsel ook minstens een rechtopstaande lus gevormd doordat een poolkettingdraad een lus vormt tussen twee grondinslagdraden die, respectievelijk links en rechts van de lus, boven de poolkettingdraad lopen en op nagenoeg hetzelfde niveau in het grondweefsel ingebonden zijn.
Zo bekomt men nog meer variatie in het uitzicht van de poolzijde van het lussenpoolweefsel.
Bij deze rechtopstaande lussen bekomt men een betere poolvastheid als de lusvormende poolkettingdraad telkens in het grondweefsel afgebonden wordt onder een grondinslagdraad, die in het grondweefsel ingebonden wordt tussen twee hoger ingebonden grondinslagdraden, dewelke respectievelijk tussen twee spankettingdraden en boven deze spankettingdraden ingebonden zijn in het grondweefsel.
Bij het vormen van rechtopstaande lussen kan men de genoemde poolkettingdraad bijvoorbeeld afwisselend onder de eerste grondinslagdraad van een groep van minstens drie opeenvolgende grondinslagdraden in het grondweefsel afbinden, en een rechtopstaande lus laten vormen boven de andere grondinslagdraden van de groep.
Een bijkomend doel van deze uitvinding is te voorzien in een werkwijze voor het vervaardigen van lussen-
<Desc/Clms Page number 8>
poolweefsels, waardoor een sterkere lussenpoolbinding bekomen wordt dan bij de gekende weefsels.
Volgens een voorkeurdragende werkwijze worden de poolkettingdraden, voor het bereiken van dit doel, telkens door een groep van minstens drie opeenvolgende grondinslagdraden ingebonden in het grondweefsel, terwijl elke lus gevormd wordt tussen da laatste grondinslagdraad van een groep en de eerste grondinslagdraad van een volgende groep.
Hierdoor kunnen de tussen de opeenvolgende lussen ingebonden gedeelten van de poolkettingdraden zo ingebonden worden dat een goede poolvastheid bekomen wordt.
Men bekomt een uitstekende poolvastheid als de poolkettingdraden telkens door een groep van drie opeenvolgende grondinslagdraden ingebonden worden in het grondweefsel, en daarbij achtereenvolgens onder de eerste grondinslagdraad, boven de tweede grondinslagdraad en onder de derde grondinslagdraad van elke groep lopen.
Volgens een ander voorkeurdragende werkwijze wordt de tweede grondinslagdraad van elke groep op een middenste niveau ingebonden, terwijl de eerste en de derde grondinslagdraad van elke groep respectievelijk op een bovenste en een onderste niveau ingebonden wordt om naar links gerichte lussen te bekomen tussen opeenvolgende groepen, of respectievelijk op het onderste en het bovenste niveau ingebonden worden om naar rechts gerichte lussen te bekomen tussen opeenvolgende groepen, of beide op het onderste niveau ingebonden worden om rechtopstaande lussen te bekomen tussen opeenvolgende groepen.
Volgens een meest voorkeurdragende werkwijze worden linksgerichte en rechtsgerichte lussen gevormd, waarbij de naast de respectievelijke lussen op het bovenste niveau ingebonden delen van eerste of derde grondinslagdraden zo ingebonden worden dat ze zichtbaar zijn langs de bovenzijde van het grondweefsel, en worden
<Desc/Clms Page number 9>
rechtopstaande lussen gevormd worden tussen groepen grondinslagdraden waarin de tweede grondinslagdraad zo ingebonden wordt dat hij zichtbaar is langs de bovenzijde van het grondweefsel, en worden grondinslagdraden van verschillende kleuren ingebracht zodat da drie grondinslagdraden in elke groep een onderling verschillende kleur hebben.
Hierdoor worden naast linksgerichte lussen, rechtsgerichte lussen en rechtopstaande lussen respectievelijk een eerste kleur, een tweede kleur en een derde kleur zichtbaar gemaakt langs de poolzijde van het lussenpoolweefsel, zodat de kleurvariatie in het weefsel nog groter wordt.
Men kan tussen de laatste inslagdraad van een groep en de eerste inslagdraad van een volgende groep telkens minstens een bijkomende grondinslagdraad inbinden in het grondweefsel.
Bij voorkeur wordt tussen opeenvolgende groepen telkens minstens een bijkomende grondinslagdraad zo ingebonden dat hij zichtbaar is langs de bovenzijde van het grondweefsel, terwijl grondinslagdraden van verschillende kleuren ingebracht worden, zodat met de bijkomende grondinslagdraden een kleurvariatie zichtbaar gemaakt wordt langs de poolzijde van het lussenpoolweefsel.
Volgens nog een andere voorkeurdragende werkwijze worden de grondinslagdraden, waartussen gerichte lussen gevormd worden, op verschillende niveaus ingebonden in het grondweefsel, door ze respectievelijk boven en onder een spankettingdraad in het grondweefsel in te binden.
Deze spankettingdraad is bij voorkeur een van da grondkettingdraden die de grondinslagdraden inbindt.
Bij voorkeur worden de drie grondinslagdraden van elke groep respectievelijk op een bovenste, een middenste, en een onderste niveau ingebonden door de grondinslagdraden voor het bovenste en het middenste niveau respectievelijk
<Desc/Clms Page number 10>
boven en onder een eerste spankettingdraad in het grondweefsel in te binden, en door de grondinslagdraden voor het middenste en het onderste niveau respectievelijk boven en onder een tweede spankettingdraad in het grondweefsel in te binden.
De uitvinding wordt nu verder verduidelijkt in de hiernavolgende beschrijving van een aantal werkwijzen volgens deze uitvinding. In deze beschrijving wordt verwezen naar de hierbij gevoegde tekeningen.
Elke tekening toont het verloop van een stelsel kettingdraden van een lussenpoolweefsel, gedurende het weven ervan, ten opzichte van de inslagdraden en ten opzichte van een lancet van een weefmachine.
Figuur 1 toont hoe in een lussenpoolweefsel linksgerichte lussen geweven worden.
Figuur 2 toont de binding van figuur 1, met bijkomende grondinslagdraden onder de lusinslagdraden, en met een bijkomende spankettingdraad in het grondweefsel.
Figuur 3 toont hoe in een lussenpoolweefsel rechtsgerichte lussen geweven worden.
Figuur 4 toont hoe in een lussenpoolweefsel rechtopstaande lussen geweven worden, volgens een eerste voorkeurdragende werkwijze.
Figuur 5 toont hoe in een lussenpoolweefsel rechtopstaande lussen geweven worden, volgens een tweede voorkeurdragende werkwijze.
Volgens een voorkeurdragende werkwijze volgens deze uitvinding worden, op een dubbelgrijperweefmachine, grondinslagdraden (1), (2), (3) ingebracht door de onderste grijper en lusinslagdraden (5) ingebracht door de bovenste grijper. De grondinslagdraden (1), (2), (3) worden onder een aantal naast elkaar opgestelde lancetten (14) ingebracht. De lusinslagdraden (4) worden boven deze lancetten (14) ingebracht.
Om de in de figuren voorgestelde weefsels te
<Desc/Clms Page number 11>
bekomen moet in een aantal werkingscycli van de weefmachine geen grondinslagdraad (1 - 4) of geen lussenslagdraad (5) ingebracht worden. Voor het annuleren van deze niet in te brengen inslagdraden (1 - 4), (5) wordt de grijper die geen inslagdraad moet inbrengen gedurende die werkingscycli uitgeschakeld, ofwel wordt een met die grijper samenwerkend inslagselectie-apparaat gestuurd om gedurende die werkingscycli geen inslagdraad te selecteren en aan te reiken aan die grijper. Op de figuren 1 en 5 zijn de
EMI11.1
plaatsen waar geen inslagdraad (1 ingebracht werd door inslagannulatie aangeduid met het teken"X".
Voor het vervaardigen van de weefsels op figuren 1 t/m 4 wordt in een veelvoud van opeenvolgende reeksen van telkens vier opeenvolgende werkingscycli van de weefmachine telkens, in de eerste, de tweede en de derde werkingscyclus een respectievelijke grondinslagdraad (1), (2), (3) ingebracht door de onderste grijper, en wordt telkens in de vierde werkingscyclus een lusinslagdraad (5) ingebracht door de bovenste grijper.
Voor het vervaardigen van de weefsels op figuren 2,3, en 4 wordt in elke vierde werkingscyclus terzelfdertijd een lusinslagdraad (5) ingebracht door de bovenste grijper en een bijkomende grondinslagdraad (4) ingebracht door de onderste grijper.
De posities van de grondkettingdraden (6), (7) kunnen, bij voorkeur door middel van een tweestandengedeelte van een jacquardmachine, in de opeenvolgende werkingscycli op twee verschillende hoogtes gebracht worden, respectievelijk onder de bewegingsbanen van de bovenste en de onderste grijper en tussen deze bewegingsbanen.
Voor het weven van het weefsel van figuur 1 worden in een veelvoud van naast elkaar gelegen stelsels kettingdraden (op figuur 1 is een stelsel voorgesteld, bestaande uit twee grondkettingdraden (6), (7) en drie
<Desc/Clms Page number 12>
poolkettingdraden (9), (10), (11)) de posities-ten opzichte van de genoemde bewegingsbanen-van een eerste (6) en een tweede grondkettingdraad (7) als volgt bepaald in de vier opeenvolgende werkingscyli van elke reeks :
De eerste grondkettingdraad (6) wordt in de eerste werkingscyclus tussen de bewegingsbanen gebracht, en in de tweede, derde, en vierde werkingscyclus onder de bewegingsbanen gebracht.
De tweede grondkettingdraad (7) wordt gebruikt als spankettingdraad en wordt in de eerste, tweede en vierde werkingscyclus onder de bewegingsbanen gebracht, en in de derde werkingscyclus tussen de bewegingsbanen gebracht.
Ten opzichte van de drie opeenvolgende grondinslagdraden (1), (2), (3), die in elke reeks werkingscycli ingebracht worden (in hetgeen volgt worden deze een groep grondinslagdraden genoemd) bevindt de eerste grondkettingdraad (6) zich boven de eerste (1) en onder de tweede (2) en derde inslagdraad (3) van elke groep, en bevindt de tweede grondkettingdraad (7) zich onder de eerste (1) en de tweede (2) en boven de derde inslagdraad (3) van elke groep.
De eerste (1) en de derde grondinslagdraad (3) van elke groep bevinden zich dus respectievelijk boven en onder de als spankettingdraad gebruikte tweede grondkettingdraad (7) en worden hierdoor op een verschillend niveau ingebonden in het door de grondkettingdraden en de grondinslagdraden gevormde grondweefsel.
De posities van de poolkettingdraden (9,10, 11) kunnen, bij voorkeur door middel van een driestandengedeelte van een jacquardmachine, in de opeenvolgende werkingscycli op drie verschillende hoogtes gebracht worden, respectievelijk onder de bewegingsbanen, tussen de bewegingsbanen en boven de bewegingsbaan van de bovenste en de onderste grijper van de weefmachine.
<Desc/Clms Page number 13>
De posities van een eerste werkende poolkettingdraad (9) worden zo bepaald dat de grondkettingdraad (9) ten opzichte van de grondinslagdraden
EMI13.1
(1), (2), (3) van drie opeenvolgende groepen, telkens onder de eerste (1), boven de tweede (2), en onder de derde (3) grondinslagdraad loopt, boven de lusinslagdraad (5) loopt die na de derde grondinslagdraad (3) van de eerste groep werd ingebracht, en boven de lusinslagdraad (5) loopt die na de derde grondinslagdraad (3) van de tweede groep werd ingebracht. Er worden dus twee lussen gevormd.
Elke lus wordt gevormd tussen een derde (3) en een eerste grondinslagdraad (1), die zieh, respectievelijk links en rechts van de lus, boven de grondkettingdraad (9) uitstrekken en op een verschillend niveau in het grondweefsel ingebonden worden.
Doordat de derde grondinslagdraad (3) links van elke lus op een lager niveau ingebonden wordt dan de rechts van elke lus ingebonden eerste grondinslagdraad (1) worden de lussen op het afgewerkte weefsel naar links gericht.
EMI13.2
Ten opzichte van de grondinslagdraden (1), (2), (3) van de vierde groep en elke volgende groep, loopt de eerste poolkettingdraad (9) telkens onder de eerste (1) en de tweede (2) en boven de derde grondinslagdraad (3), zodat hij, samenlopend met de tweede grondkettingdraad (7), doorlopend ingebonden wordt in het grondweefsel.
Een tweede poolkettingdraad (10) van een andere kleur dan de eerste poolkettingdraad (9) loopt samen met de tweede grondkettingdraad (7) in het grondweefsel tot onder de tweede grondinslagdraad (2) van de derde groep, loopt vervolgens onder de derde grondinslagdraad (3) van de derde groep en verder achtereenvolgens boven de daarna ingebrachte lusinslagdraad (5), onder de eerste (1), boven de tweede (2) en onder de derde grondinslagdraad (3) van de vierde groep, en loopt verder terug samen met de tweede grondkettingdraad (7) in het grondweefsel.
<Desc/Clms Page number 14>
De tweede poolkettingdraad (10) vormt bijgevolg een linksgerichte lus tussen de derde grondinslagdraad (3) van de derde groep en de eerste grondinslagdraad van de vierde groep.
Een derde poolkettingdraad (11), van een andere kleur dan de eerste (9) en de tweede poolkettingdraad (10), wordt op dezelfde wijze eerst ingebonden in het grondweefsel, en vormt opeenvolgende lussen die volgen op de door de tweede poolkettingdraad (10) gevormde lus.
Zo worden elkaar in de kettingrichting opvolgende lussen van verschillende kleuren gevormd, overeenkomstig een vooropgestelde gekleurde tekening of figuur. De nietwerkende delen van de poolkettingdraden (9), (10), (11) worden in het grondweefsel ingebonden.
De verschillend gekleurde lussen die door de poolkettingdraden van een aantal naast elkaar gelegen stelsels kettingdraden gevormd worden, vormen daarbij de totale figuur of tekening.
Door middel van een inslagselectie-apparaat worden in elke reeks werkingscycli eerste grondinslagdraden (1) van een eerste kleur, tweede grondinslagdraden (2) van een tweede kleur, en derde grondinslagdraden (3) van een derde kleur ingebracht.
De eerste grondinslagdraden (1) zijn boven de poolkettingdraden (9, 10, 11) en boven de spankettingdraad (7) in het grondweefsel ingebonden, zodat ze goed zichtbaar zijn langs de bovenzijde van het grondweefsel. Doordat deze eerste grondinslagdraden (1) zich bovendien rechts van de linksgerichte lussen bevinden zijn ze ook goed zichtbaar langs de poolzijde van het afgewerkte lussenpoolweefsel.
Naast de linksgerichte lussen wordt dus de eerste kleur zichtbaar gemaakt.
De binding volgens figuur 2 onderscheidt zich van de binding van figuur 1 doordat in elke vierde werkingscyclus een bijkomende grondinslagdraad (4) van een
<Desc/Clms Page number 15>
vierde kleur ingebracht wordt door de onderste grijper, en doordat in elk stelsel kettingdraden een bijkomende spankettingdraad (8) voorzien wordt.
De bijkomende spankettingdraad (8) loopt in elke groep onder de eerste (1) en boven de tweede (2) en de derde grondinslagdraad (3), zodat de eerste grondinslagdraad (1) steeds op een hoger niveau ingebonden wordt dan de tweede grondinslagdraad (2). De andere spankettingdraad (7) loopt telkens onder de eerste (1) en de tweede grondinslagdraad (2) en boven de derde grondinslagdraad (3), zodat de tweede grondinslagdraad (2) steeds op een hoger niveau ingebonden wordt dan de derde grondinslagdraad (3). Door een bijkomende spankettingdraad (8) te voorzien bekomt men ook een grotere poolvastheid.
De bijkomende grondinslagdraden (4) worden telkens tussen beide spankettingdraden (7), (8) ingebonden, en bevinden zieh dus boven de met de onderste spankettingdraad (7) samenlopende niet-werkende delen van de poolkettingdraden (9), (10), (11). Deze grondinslagdraden (4) zijn dus min of meer zichtbaar langs de bovenzijde van het grondweefsel, en kunnen ook tussen de naast elkaar gelegen lussen gezien worden langs de poolzijde van het afgewerkte weefsel, zodat hun (vierde) kleur een bijkomende kleurvariatie in het lussenpoolweefsel brengt.
Op figuur 3 zijn de eerste (1), tweede (2), en derde grondinslagdraden (3) van opeenvolgende groepen respectievelijk op het onderste niveau, het middenste niveau, en het bovenste niveau ingebonden, zodat tussen de derde grondinslagdraad (3) van een groep en de eerste grondinslagdraad (1) van de volgende groep telkens een naar rechts gerichte lus gevormd wordt door een poolkettingdraad (12).
De eerste grondkettingdraad (6) loopt telkens onder de eerste (1) en de tweede grondinslagdraad (2), boven de derde grondinslagdraad (3) en onder de bijkomende
<Desc/Clms Page number 16>
grondinslagdraad (4).
De als spankettingdraad gebruikte tweede grondkettingdraad (7) loopt, samen met de niet-werkende delen van andere poolkettingdraden (15,16), telkens boven de eerste grondinslagdraad (1) en onder de tweede (2), derde (3) en bijkomende grondinslagdraad (4).
Een bijkomende spankettingdraad (8) loopt telkens boven de eerste (1), tweede (2) en bijkomende grondinslagdraad (4), en onder de derde grondinslagdraad (3).
Deze twee spankettingdraden (7), (8) zorgen ervoor dat de eerste (1), tweede (2), en derde grondinslagdraden (3), in elke groep respectievelijk op het onderste, middenste en bovenste niveau blijven in het grondweefsel, en verhoogt bovendien de poolvastheid.
De derde grondinslagdraden (3) zijn goed zichtbaar langs de bovenzijde van het grondweefsel, en bevinden zieh links van de rechtsgerichte lussen, zodat ze ook goed zichtbaar zijn langs de poolzijde van het afgewerkte lussenpoolweefsel. Naast de rechtsgerichte lussen wordt dus de derde kleur zichtbaar gemaakt, terwijl de vierde kleur van de bijkomende grondinslagdraad voor een bijkomende kleurvariatie zorgt.
Op figuur 4 zijn de eerste (1), tweede (2), en derde grondinslagdraden (3) van opeenvolgende groepen respectievelijk op het middenste, het bovenste, en het middenste niveau ingebonden, zodat tussen de derde grondinslagdraad (3) van een groep en de eerste grondinslagdraad (1) van de volgende groep telkens een rechtopstaande lus gevormd wordt door een poolkettingdraad (13). De derde (3) en eerste grondinslagdraden (1) worden nu immers op eenzelfde niveau ingebonden in het grondweefsel.
De eerste grondkettingdraad (6) loopt telkens onder de eerste (1), boven de tweede (2), onder de derde
<Desc/Clms Page number 17>
(3) en boven de bijkomende grondinslagdraad (4).
De als spankettingdraad gebruikte tweede grondkettingdraad (7) loopt nu onder alle grondinslagdraden
EMI17.1
(1, 2, 3, 4). De bijkomende spankettingdraad (8) loopt telkens boven de eerste (1) en de derde grondinslagdraad (3), en onder de tweede (2) en de bijkomende grondinslagdraad (4), en zorgt ervoor dat de tweede en de bijkomende grondinslagdraad (4) op een hoger niveau ingebonden blijven dan de eerste (1) en de derde grondinslagdraad (3).
De doorlopend ingebonden niet-werkende delen van andere poolkettingdraden (15, 16) lopen samen met de bijkomende spankettingdraad (8).
Naast rechtopstaande lussen wordt dus de (tweede) kleur van de tweede grondinslagdraden (2) zichtbaar gemaakt, terwijl de (vierde) kleur van de bijkomende grondinslagdraad (4) voor een bijkomende kleurvariatie zorgt.
Figuur 5 toont hoe in een lussenpoolweefsel rechtopstaande lussen gevormd worden, volgens een andere voorkeurdragende werkwijze, volgens deze uitvinding.
In een veelvoud van opeenvolgende reeksen van telkens drie opeenvolgende werkingscycli van de weefmachine wordt in elke werkingscyclus een respectievelijke grondinslagdraad (1), (2), (3) ingebracht door de onderste grijper, en wordt telkens in de derde werkingscyclus een lusinslagdraad (5) ingebracht door de bovenste grijper.
In naast elkaar gelegen stelsels van telkens twee grondkettingdraden (6), (7), twee spankettingdraden (20), (21), en drie poolkettingdraden (17), (18), (19) worden de posities van deze kettingdraden-ten opzichte van de bewegingsbanen van de grijpers-zo bepaald dat de hierna omschreven binding bekomen wordt.
Volgens deze binding (zie figuur 5) lopen een eerste (6) en een tweede grondkettingdraad (7) afwisselend
<Desc/Clms Page number 18>
boven en onder de grondinslagdraden (1), (2), (3) van opeenvolgende groepen, waarbij, als de ene
EMI18.1
grondkettingdraad (6) (7) boven de grondinslagdraden (1), (2), (3) loopt, de andere grondkettingdraad (7), (6) onder deze grondinslagdraden (1), (2), (3) loopt.
De grondkettingdraden (6), (7) kruisen elkaar telkens tussen de derde grondinslagdraad (3) van een groep en de eerste grondinslagdraad (1) van de volgende groep.
Een eerste spankettingdraad (20) loopt telkens
EMI18.2
boven de eerste (1) en de tweede grondinslagdraad (2) en onder de derde inslagdraad (3) van elke groep. Een tweede spankettingdraad (21) loopt telkens boven de eerste (1) en onder de tweede (2) en de derde grondinslagdraad (3) van elke groep. De eerste grondinslagdraden (1) worden dus telkens onder beide spankettingdraden (20), (21) ingebonden in het grondweefsel, de tweede grondinslagdraden (2) worden tussen beide spankettingdraden (20), (21) ingebonden, en de derde grondinslagdraden (3) worden boven beide spankettingdraden (20), (21) ingebonden. Hierdoor worden de eerste (1), tweede (2), en derde grondinslagdraden (3) respectievelijk op een onderste, een middenste, en een bovenste niveau ingebonden in het grondweefsel.
De poolkettingdraden (17), (18), (19) hebben lusvormende delen die afwisselend onder een eerste grondinslagdraad (1) van een groep in het grondweefsel afgebonden worden, en een lus vormen over de boven de derde grondinslagdraad (3) ingebrachte lusinslagdraad (5). De niet-lusvormende delen van de poolkettingdraden (17), (18), (19) lopen langs de rugzijde van het weefsel en zijn met relatief grote tussenafstanden, voor inbinding in het grondweefsel, boven een tweede grondinslagdraad (2) gebracht. Hierdoor wordt de soepelheid van het weefsel bewaard.
De lussen worden gevormd tussen de eerste grondinslagdraden (1) van opeenvolgende groepen. Doordat
<Desc/Clms Page number 19>
deze eerste grondinslagdraden (1) telkens op hetzelfde niveau ingebonden worden, worden rechtopstaande lussen bekomen op het afgewerkte weefsel.
De lusvormende delen van de poolkettingdraden (17), (18), (19) worden telkens in het grondweefsel afgebonden onder een eerste grondinslagdraad (1). Deze eerste grondinslagdraad (1) wordt telkens op het onderste niveau in het grondweefsel ingebonden, tussen een derde grondinslagdraad (3) van de vorige groep en een tweede inslagdraad (2) van dezelfde groep als de genoemde eerste grondinslagdraad (1).
Deze derde (3) en tweede grondinslagdraad (2) worden respectievelijk boven beide spankettingdraden (20), (21) op het bovenste niveau en tussen beide spankettingdraden (20), (21) op het middenste niveau ingebonden.
Hierdoor wordt een hoge poolvastheid bekomen.
Volgens de uitvinding kan men dus in eenzelfde lussenpoolweefsel, linksgerichte, rechtsgerichte en rechtopstaande lussen vormen, terwijl naast deze lussen, afhankelijk van hun richting, een verschillend gekleurde grondinslagdraad (1), (2), (3) zichtbaar wordt. Bovendien kan men nog andere kleuren zichtbaar maken langs de poolzijde door bijkomende grondinslagdraden (4) zichtbaar in te binden in het grondweefsel. Men kan ook, volgens een vooropgestelde tekening of figuur, op bepaalde plaatsen in het weefsel geen poollussen vormen. Men bekomt het cisel effect, waarbij men door verschillend gekleurde grondinslagdraden inslagkleureffecten in het grondweefsel kan bekomen. Verder kan men ook nog verschillend gekleurde lussen en/of lussen met een verschillende hoogte vormen.
Hierdoor wordt het mogelijk om zeer kleurrijke lussenpoolweefsels te vervaardigen met een ongekende variatie in het uitzicht van de poolzijde.