<Desc/Clms Page number 1>
ROOSTER
Huidige uitvinding heeft betrekking op een rooster bestaande uit een kader met twee tegenoverliggende U-profielen waartussen zieh lamellen uitstrekken.
Men kent een rooster dat bestaat uit een kader met twee verticale tegenoverliggende U-profielen waartussen lamellen ingeschoven worden. Aparte blokjes liggen tussen twee boven elkaar gelegen lamellen om een doorgang tussen die lamellen te definiëren.
Aan de binnenkant van het rooster moet een insektengaas gemonteerd worden om het doorgaan van insekten of ongedierte te voorkomen.
Het nadeel van dit rooster is dat het insektengaas niet tegen de lamellen of tegen een deel van het kader geduwd wordt, waarbij insekten tussen het kader of de lamellen en het insektengaas kunnen blijven hangen en dat het gaas op zieh geen sterkte heeft.
De assemblage van dit rooster neemt veel tijd in beslag.
Huidige uitvinding heeft betrekking op een rooster waarvan de montage zeer eenvoudig is, waarin insekten niet tussen het kader of de lamellen en het middel om het doorgaan van insekten te beletten blijven hangen, en die eenvoudig gereinigd kan worden. Het rooster vormt daarop nog een enorm stevig geheel. er zijn in het nieuw concept een minimum aan onderdelen. De afstandshouders zijn in de lamel van de muurrooster geïntegreerd.
<Desc/Clms Page number 2>
Andere voordelen van uitvoeringsvormen van het rooster volgens de uitvinding zullen verder beschreven worden.
Het rooster volgens de uitvinding bestaat uit een kader met twee tegenoverliggende U-profielen waartussen elementen zieh uitstrekken. De elementen zijn boven elkaar geplaatst en dragen een of meerdere lamellen en zijn tenminste van een plaat voorzien waardoor twee lamellen van de op elkaar geplaatste elementen verwijderd worden. Doordat de plaat van openingen voorzien is, kunnen er luchtdoorgangen gevormd worden. Deze openingen hebben een vorm om het doorgaan van insekten en ongedierte te vermijden.
De besproken plaat wordt bij voorkeur als een extrussieprofiel in de lamel geïntegreerd.
Bij voorkeur toont de plaat, die zieh tussen twee op elkaar gelegen elementen uitstrekt, een bovenen een onderdeel aan, waarbij het bovendeel van openingen voorzien s terwijl het onderdeel van geen openingen voorzien is, of omgekeerd. Een longitudinale lip strekt zieh tues--. het boven-en het onderdeel uit om het doorbloeien water door de openingen te voorkomen.
Het rc-s--er bevat, bijvoorbeeld, meerdere ele-
EMI2.1
menten die éénot'eerdere lamellen dragen, waarbij voor twee op elkaar ge:egen elementen een rand van het eerste element een gleu tweede element aanraakt. Bij voorkeur bevatten je elementen of extrusieprofiel tenminste een lamel en één plaat (bij voorkeur in de vorm van een extrusieprofiel waardoor de plaat en de lamel een geheel vormen), waarbij een rand van de plaat van
<Desc/Clms Page number 3>
het eerste element een gleuf van de lamel van het tweede element aanraakt.
Volgens een uitvoeringsvorm zijn de openingen van de plaat langwerpige openingen. De centrale as van de openingen strekt zieh uit in een richting die ten opzichte van de rand vrijwel loodrecht is.
Volgens een specifieke uitvoeringsvorm bevinden de platen van de elementen zieh in een zelfde vlak of in evenwijdige vlakken.
Bij voorkeur strekken de platen zieh in een vlak uit dat ten opzichte van een deel van de lamellen vrijwel loodrecht is. Bijvoorbeeld strekt elke plaat zieh uit in een vlak dat ten opzichte van het deel van de lamel, dat boven de plaat gelegen is en dat in verbinding staat met de plaat, vrijwel loodrecht is.
Volgens een voordelige uitvoeringsvorm strekken de twee tegenoverliggende U-profielen van het kader zieh vertikaal uit, terwijl de platen zieh in vlakken bevinden die met een vertikaal vlak een hoek van 0 ä 600 (bij voorkeur 20 tot 400) vormen.
Volgens een detail van een uitvoeringsvorm van een rooster waarvan de twee tegenoverliggende U-profielen zieh vertikaal uitstrekken, bevat de rand twee hellende oppervlakken waartussen een hoek gevormd wordt, waarbij die twee hellende oppervlakken met een vertikaal vlak een hoek vormen. De gleuf toont ook twee hellende oppervlakken aan, waartussen een hoek gevormd wordt die gelijk is aan de hoek die gevormd wordt tussen de twee hellende oppervlakken van de rand. Bij voorkeur is de
<Desc/Clms Page number 4>
hoek, die gevormd is tussen de twee oppervlakken van de rand, kleiner dan 900.
Volgens een kenmerk van een uitvoeringsvorm bevatten de elementen van het rooster twee of meer dan twee lamellen. In deze uitvoeringsvorm zijn de lamellen van zulk een element door een plaat verbonden. De onderste of bovenste lamel van zulk een element draagt dan een plaat waarvan een rand bestemd is om in de gleuf van een bovenste of onderste lamel van een ander element ingestoken te worden, terwijl de bovenste of onderste lamel een gleuf aantoont, waarin een rand van een plaat van een onderste of bovenste lamel van een ander element ingestoken wordt.
De uitvinding heeft ook betrekking op een element voor het vervaardigen van een rooster volgens de uitvinding.
Dit element bevat tenminste een lamel en een plaat met openingen, waarbij de plaat een rand aantoont die bestemd is om in een gleuf van een ander element ingestoken te worden, terwijl een lamel van het element een gleuf aantoont waarin de rand van de plaat van een ander element ingestoken kan worden.
Kenmerken en details van de uitvinding zullen uit de volgende beschrijving voortvloeien, waarin verwezen wordt naar de bijgevoegde tekeningen.
In die tekeningen tonen - figuur 1 een vooraanzicht van een rooster volgens de uitvinding aan ;
<Desc/Clms Page number 5>
figuur 2 een achteraanzicht van het rooster van figuur 1 aan ; figuur 3 een aanzicht in doorsnede langs de lijn 111-111 van het rooster van figuur 1 aan ; figuren 4 tot en met 7 aanzichten in doorsnede van andere uitvoeringsvormen van het rooster volgens de uitvinding aan.
Het rooster 1 dat in figuur 1 afgebeeld is bestaat uit : * een kader 2 met twee vertikale tegenoverliggende
U-profielen 3,4 die boven-en onderaan door dwarsprofielen 5,6 verbonden zijn, en * lamellen 7,8, 9,10 en 11 die boven elkaar gele- gen zijn.
Elke lamel bezit een hellend centraal deel A dat aan het ene uiteinde een vertikale flap B draagt en aan het andere uiteinde een plaat C met openingen D draagt. Het deel A strekt zieh uit in een vlak dat met een vertikaal vlak een hoek a van s 600 vormt, terwijl de plaat C zieh in een vlak uitstrekt dat ten opzichte van het deel A vrijwel loodrecht is. De platen C strekken zieh in evenwijdige vlakken uit.
De openingen D van de plaat C zijn langwerpige openingen en tonen een centrale as D1 aan die ten opzichte van een horizontale lijn L (of van de rand 12) vrijwel loodrecht is.
<Desc/Clms Page number 6>
De plaat C bezit, onderaan het deel dat van openingen D voorzien is, een vertikaal deel E dat een longitudinale lip F draagt. Die lip F is bestemd om het doorvloeien van water (dat door de wind op het centrale deel A zou vloeien) door de openingen D te voorkomen.
De delen B van de lamellen raken het binnenoppervlak van de buitenvleugel 41 van de vertikale U-profielen 4,3 aan, terwijl de vertikale delen E de binnenvleugel 42 van de vertikale U-profielen 4,3 aanraken.
Voor de montage van het rooster is het bovenof onderdwarsprofiel 6 of 5 nog niet met de laterale U-profielen 3,4 verbonden, waardoor de lamellen tussen de U-profielen geschoven kunnen worden. Die lamellen strekken zieh dus tussen die U-profielen uit.
De lamellen maken deel uit van aparte elementen X, Y, Z. Bijvoorbeeld bevat zulk een element Y twee lamellen 9,10 die boven elkaar liggen en waartussen zieh een plaat C uitstrekt om de lamellen 9,10 met elkaar te verbinden. De onderlamel 9 is ook onderaan van een plaat C voorzien, terwijl de bovenlamel 10 een gleuf G aantoont. De elementen zijn bijvoorbeeld extrusieprofielen waardoor de lamellen van een element en de platen van dit element samen geïntegreerd worden.
Het vrije uiteinde of de rand 12 van de plaat C, die onder de lamel 9 gelegen is, is bestemd om in de gleuf van een element X, dat onderaan het element Y gelegen is, ingestoken te worden, terwijl in de gleuf G van de bovenlamel 10 de rand 12 van een element Z, dat boven het element Y gelegen is, ingestoken wordt.
<Desc/Clms Page number 7>
De rand 12 toont ten opzichte van een vertikaal vlak twee hellende oppervlakken aan die bestemd zijn om de hellende oppervlakken van de gleuf G aan te raken, waardoor tussen de naast elkaar liggende elementen relatieve bewegingen voorkomen kunnen worden.
De delen E, die de vleugel 42 aanraken, kunnen eventueel op die vleugel vastgehecht worden (bv. geriveteerd worden).
Het vrije uiteinde van de plaat C en het vrije uiteinde van de flap B van het onderelement X zijn bij voorkeur in gleuven 13,14 van het onderdwarsprofiel 5 gestoken.
Tussen twee boven elkaar gelegen lamellen wordt er een luchtdoorgang L gevormd. Insekten die langs die doorgang L zouden binnenkomen, kunnen niet door de openingen D doorgaan zodat ze bijgevolg terug naar buiten vallen.
Daar er geen insektengaas is, is het reinigen van de buiten-en binnenkant van het rooster eenvoudig.
Het rooster vormt een sterk geheel dat bijvoorbeeld uit een enkel soort materiaal, bv. aluminium, vervaardigd kan worden en dat, na de complete montage, behandeld kan worden, bijvoorbeeld gemoffeld kan worden (bij temperatuur van 2000C).
De montage is eenvoudig en neemt niet veel tijd in beslag. Het rooster kan dus als set of kit verkocht worden. De elementen die tussen deU-profielen geschoven worden, dragen één of meerdere lamellen. Bij voorkeur vormen die elementen een bloklamel.
<Desc/Clms Page number 8>
Diverse types van lamellen kunnen in een rooster gebruikt worden.
Figuur 4 is een aanzicht dat gelijkaardig is aan het aanzicht van figuur 3, tenzij het onderste element X een geheel vormt dat vijf lamellen 9 en vijf platen C bevat. Het bovenste element Z is van een voorplaat voorzien, waarvan het uiteinde in een gleuf 15 van het bovendwarsprofiel gestoken is.
Figuur 5 is een aanzicht van een andere uitvoeringsvorm. In die uitvoeringsvorm draagt elk element X, Y, Z een onderplaat C. De onderplaat van het element ligt onder een lamel 9 van het element. De bovenlamel 10 van een element X toont een gleuf G aan, waarin het vrije uiteinde van een plaat van het element, dat op het element X geplaatst is, gestoken wordt. Hier liggen alle platen C in het vertikaal vlak V.
Figuur 6 is een uitvoeringsvorm die gelijkaardig is aan de uitvoeringsvorm van figuur 3, tenzij dat andere profielen (dwarsprofielen 5,6 en vertikale profielen 3,4) gebruikt worden.
Figuur 7 is een uitvoeringsvorm die gelijkaardig is aan de uitvoeringsvorm van figuur 5, tenzij dat de lamellen een V vormen.
Ten opzichte van het vlak V waarin de platen C zieh uitstrekken, zijn een eerste en een tweede deel van de lamel respectievelijk op de linker-en rechterkant gelegen.