<Desc/Clms Page number 1>
Inrlchtlng en werkwijze voor het inbrengen van inslagdraden bij een weefmachine, alsmede draadklem daarbij aangewend.
Deze uitvinding heeft betrekking op een inrichting en werkwijze voor het inbrengen van inslagdraden bij een weefmachine, meer speciaal een luchtweefmachine, alsmede op een draadklem die daarbij wordt aangewend.
Het is algemeen bekend dat bij luch weefmachines de inslagdraad wordt gevormd ui inslaggaren dac wordt : toegevoerd vanaf een draadvoorraad, doorgaans een bobijn, en dat : zulke inslagdraad door middel van lucht en met behulp van een of meer hoofdblazers in de zogenaamde gaap wordt ingebracht. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van hoofdblazers die ofwel naast de lade van de weefmachine staan opgesteld, ofwel op deze lade zijn aangebracht. Ook kan een combinatie worden toegepast van meerdere achter elkaar opgestelde hoofdblazers, waarbij in dat geval dan doorgaans, doch niet noodzakelijk, een van beide naast de lade is opgesteld, terwijl de andere op de lade is aangebracht. De eerste hoofdblazer heeft dan doorgaans de functie van zogenaamde hulphoofdblazer.
Het is eveneens bekend dat aan zulke hoofdblazer, hetzij in de onmiddellijke nabijheid ervan, hetzij erin geïntegreerd, een draadklem kan worden voorzien, welke hoofdzakelijk bedoeld is om het betreffende inslaggaren, voorafgaand aan iedere insertie, met zijn voorste uiteinde in de hoofdblazer vast te houden.
Bekende uitvoeringen hiervan zijn onder meer beschreven in de octrooidocumenten CS 273. 523, FR 2. 535. 745, JP 51-43663, JP 51-43664, JP 11-107122, JP 11-107123 en WO 97/12084.
<Desc/Clms Page number 2>
De bekende uitvoeringen vertonen hec nadeel dac. zij weinig flexibel zijn in hun gebruik, vooral wanneer verschillende eenheder van hoofdblazers, ieder voorzien van een bijhorend draadklem, bij elkaar moeten worden gemcnteerd.
De uitvinding beoogt een inrichting voor het inbrengen van inslagdraden bij een weefmachine, die het voornoemde nadeel niet vertoont.
Hiertoe betreft de uitvinding een inrichting voor het inbrengen van inslagdraden bij een weefmachine, meer speciaal een luchtweefmachine, welke inrichting minstens een hoofdblazer bevat met een bijhorende draadklem, met als kenmerk dat de draadklem deel uitmaakt van een modulair geconfigureerd element, waarbij dit modulair geconfigureerd element op zich een of meer draadklemmen kan bevatten. Door gebruik te maken van dergelijke modulair geconfigureerde elementen ontstaat het voordeel dat meerdere draadklemmen of groepen van draadklemmen op compacte wijze kunnen worden samengebouwd tot een modulaire groep. Bovendien kan men gemakkelijk het aantal draadklemmen per groep uitbreiden, eenvoudig door het aantal modulaire elementen te vergroten.
Nog een voordeel bestaat erin dat in het geval van een defect aan een draadklem, slechts een beperkt aantal onderdelen, meer speciaal het modulair geconfigureerd element dat de draadklem bevat, moet worden vervangen.
Bij voorkeur bevat het modulair geconfigureerd element middelen die toelaten dat meerdere van dergelijke elementen modulair op elkaar kunnen worden aangebracht. Zodoende kan het aantal modulaire elementen, en dus ook het aantal draadklemmen, gemakkelijk worden vergroot, bijvoorbeeld wanneer meerdere hoofdblazers worden geïnstalleerd, eenvoudig door bijkomend modulaire elementen onder of boven
<Desc/Clms Page number 3>
de reeds voorhanden zijnde modulaire elementen aan te brengen.
In een praktische uitvoeringsvorm bevac het modulair geconfigureerd element twee zijdelings naast elkaar gesitueerde draadklemmen. Met zijdelings wordc bedoeld dat deze zieh in een hoofdzakelijk horizontaal vlak en/of in een vlak da zieh hoofdzakelijk tangentieel uitstrekt aan de beweging van de lade, bevinden. Hierdoor wordt een configuratie verkregen die bijzonder efficient is in haar gebrulk.
Volgens een voorkeurdragende uitvoeringsvorm bevat ledere betreffende draadklem van zulk modulair geconfigureerd element een draaddoorgang, alsmede acciveringsmiddelen voor het aansturen van de draadklem en is het geheel zodanig opgevat dat deze activeringsmiddelen zieh hoofdzakelijk lateraal naast de betreffende draaddoorgang bevinden, meer speciaal in een vlak zijn gelegen dat zich hoofdzakelijk tangentiaal aan de beweging van de lade van de weefmachine uitstrekt.
Op deze wijze wordt de plaats ingenomen door de activeringsmiddelen in hoogte tot een minimum beperkt, hetgeen toelaat om meerdere modulair geconfigureerde elementen, ieder met één of meer draadklemmen, op elkaar aan. te brengen, zonder dat de draaddoorgangen van de zich boven elkaar bevindende draadklemmen ver uit elkaar komen te liggen.
In de meest voorkeurdragende uitvoeringsvorm zullen zoals voornoemd twee zijdelings naast elkaar gesitueerde draadklemmen per module worden voorzien, en zijn deze twee draadklemmen met activeringsmiddelen voorzien die tegenovereenliggend gesitueerd zijn ten opzichte van de twee er dan tussenin gelegen bijhorende draaddoorgangen.
<Desc/Clms Page number 4>
Dit biedt het voordeel dat de draaddoorgangen dicht : bij elkaar gesitueerd blijven, waardoor ook de hiermee samenwerkende hoofdblazers dicht bi] elkaar kunnen worden gemonteerd, hetgeen zoals bekend wenselijk is, omdat al deze hoofdblazers met hun uitgang in het verlengde van het relatief kleine luchtgeleidingskanaal van het riet moeten uitgeven.
Volgens een belangrijk voorkeurdragend kenmerk van de mtvinding is de inrichting daardoor gekenmerkt dat ledere betreffende draadklem s voorzien van klemgedeelcen voor een draad en van activeringsmiddelen gevormd door een verplaatsbaar en met minstens een van de klemgedeelten samenwerkend lichaam ; dat het voornoemde lichaam verplaats- baar is tussen minstens twee standen, respectievelijk een stand waarin de klemgedeelten naar elkaar toe worden gedwongen, en een stand waarin zij van elkaar weg worden verplaatst ; en dat het lichaam is uitgevoerd als een zuigertje dat door middel van overdruk in een richting kan worden verplaatst, terwijl het door middel van een onderdruk in de andere richting kan worden verplaatst.
Door gebruik te maken van activeringsmiddelen waarmee de draadklem door middel van druk, enerzijds, en onderdruk, anderzijds, respectievelijk in twee standen kan worden gebracht, kan zulke draadklem, inclusief haar activeringsmiddelen, constructief gezien zeer eenvoudig worden uitgevoerd met een minimum aan onderdelen, hetgeen bijdraagt tot de compactheid van het geheel. Bovendien biedt dit op zijn beurt het voordeel dat relatief eenvoudig tot een modulaire opbouw kan worden gekomen.
In het geval dat gebruik wordt gemaakt van dergelijke activeringsmiddelen, aldus activeringsmiddelen die toelaten dat de draadklem kan worden verplaatst door middel van,
<Desc/Clms Page number 5>
enerzijds, een overdruk, en, anderzijds, een onderdruk, bevatten deze activeringsmi-ddelen bij voorkeur verder geen andere accieve of passieve onderdelen om de verplaatsing van het voornoemde lichaam ce bewerkstelligen, hetgeen verder tot de compactheid van het geheel bijdraagt.
In een praktische uitvoeringsvorm is het voornoemde zuigertje uitgevoerd als een plunjer, waarbij een uiteinde van deze plunjer rechtstreeks als klemgedeelte fungeert.
Zodoende worden eventuele tussenliggende delen uitgesloten, hecgeen ook de compactheid van het geheel een goede komt.
Tevens geniet het de voorkeur dat iedere betreffende draadklem voor her aanleggen van de overdruk en onderdruk eenzelfde gemeenschappelijke aansluiting bezit. Het aantal aansluitingen wordt zodoende beperkt.
Volgens nog een voorkeurdragend kenmerk is de voornoemde inrichting volgens de uitvinding daardoor gekenmerkt dat iedere betreffende draadklem voorzien is van klemgedeelten voor een draad en van activeringsmiddelen gevormd door een met minstens een van de klemgedeelten samenwerkend lichaam dat verplaatsbaar is tussen minstens twee standen, waarin de klemgedeelten respectievelijk naar elkaar toe werden gedwongen en van elkaar weg worden verplaatst, waarbij dit lichaam verplaatsbaar is volgens een richting dwars of hoofdzakelijk dwars op de inbrengrichting van de draad.
Deze dwarse of hoofdzakelijk dwarse opstelling biedt het voordeel dat iedere draadklem en dus ook het modulair geconfigureerd element waartoe zij behoort in de lengterichting van de gaap beperkt blijft in afmeting.
Volgens nog een voorkeurdragend kenmerk van de uitvinding zijn de modulair geconfigureerde elementen uitgevoerd als
<Desc/Clms Page number 6>
aanbouw-en/of voorzetstukken die kunnen samenwerken met respectievelijke hoofdblazers, één en ander zodat iedere betreffende draadklem een draaddoorgang bezit in de vorm van een draaddcorvoerkanaal dat zieh in het verlengde bevindt van het draaddoorvoerkanaal van de overeenstemmende hoofdblazer. Zodoende is een vlotte samenbouw met de respectievelijke hoofdblazers mogelijk. Ook de hoofdblazers kunnen als modules zijn uitgevoerd, of deel uitmaken van modulair samenbouwbare elementen, bijvoorbeeld zcals beschreven in het Belgisch octrooi nr. 1. O : 1. l83.
Alhoewel de modulaire geconfigureerde elementen zoals voornoemd bij voorkeur als aanbouw-en/of voorzetstukken zijn uitgevoerd, is het niet uitgesloten om ieder modulair geconfigureerd element te realiseren in één stuk met de bijhorende hoofdblazers.
De ultvinding komt vooral tot haar recht in inrichtingen waarbij de betreffende draadklemmen gecombineerd zijn met een of meer op de lade van de weefmachine gemonteerde hoofdblazers. Op dergelijke lade is zoals bekend relatief weinig plaats en de aanwending van een modulaire structuur biedt het voordeel dat deze plaats optimaal wordt benut. De compactheid van zulke modulaire structuur laat ook toe om het gewicht van het geheel en de optredende inertiekrachten bij de beweging van de lade te minimaliseren.
In het geval dat, zoals voornoemd, gebruik wordt gemaakt van een op de lade gemonteerde hoofdblazer, met bijhorende draadklem, is, volgens een voorkeurdragende uitvoeringsvorm, langsheen het doorgaans vanaf een draadvoorraad, zoals een bobijn, toegevoerd inslaggaren een draadspanner opgesteld tussen de draadvoorraad en de voornoemde draadklem. In de praktijk zal dit bij voorkeur een vast
<Desc/Clms Page number 7>
opgestelde draadspanner zijn die zieh na de gebruikel ij ke voorafwlkkelaar, doch voor de hoofdblazer, en desgevallend
EMI7.1
ook voor de hulphoofdblazer bevindt. Het gebruik vandergelijke draadspanner biedt het voordeel dac het ontstaan van slap hangende gedeelten van inslaggaren wordt uitgesloten.
Volgens nog een bijzondere uitvoeringsvorm is de inrichting daardoor gekenmerkt dat zij luchttoevoermiddelen bevat : die toelaten dat aan de hoofdblazer in een luehtcoevoer op minstens twee drukken kan worden voorzien, respectleveljk een insertiedruk en een lagere druk, waarbij deze luchttoevoermiddelen stuurmiddelen bevatten die ervoor zorgen dat bij het openen van de draadklem en voorafgaand aan het inbrengen van een inslagdraad mec behulp van de insertiedruk, minstens kortstondig in een luchttoevoer aan de betreffende hoofdblazer wordt voorzien op voornoerr. de lagere druk, terwijl gedurende de gesloten toestand van de draadklem er bij voorkeur een periode is waarin de luchttoevoer aan de betreffende hoofdblazer volledig of nagenoeg volledig wordt onderbroken.
Enerzijds wordt hierdoor vermeden dat het uiteinde van het inslaggaren uit de hoofdblazer kan vallen wanneer de draadklem zou worden geopend voorafgaand aan het aanleggen van de insertiedruk.
Het, draadeinde wordt dan immers vastgehouden door de luchtstroom op lagere druk. Anderzijds wordt hierdoor ook vermeden dat het in de hoofdblazer aanwezige uiteinde van het inslaggaren wordt stukgeblazen, hetgeen bljvoorbeeld wel zou kunnen voorkomen wanneer de insertiedruk reeds aangelegd wordt terwijl de betreffende draadklem nog gesloten is. Door bovendien de luchttoevoer tijdens hec inklemmen van de draad volledig af te sluiten, wordt bereikt dat zelfs de luchttoevoer bij lagere druk geen beschadigingen aan de draad kan veroorzaken.
<Desc/Clms Page number 8>
Het voornoemde is vooral nuttig bij zecr elastische garens. Vooral bij dergelijke elastische garens is het immers belangrijk maatregelen tc treffen dat deze met uit de hoofdblazer vallen wanneer de draadklem opent. Draden uit elastisch garen kunnen immers sterk terugspringen tijdens het knippen, en daar er op dat ogenblik geen luchtstroming is in de hoofdblazer kan het uiteinde van het toegevoerde inslaggaren zlch aan de hoofdblazerlngang of nabij de draadklem ophopen, met als gevolg dat wanneer men daarna de draadklem opent, de kans groot is dat het uiteinde uit de hoofdblazer valt.
Door de hiervoor beschreven techniek kan dit aldus worden vermeden omdat, door het inschakelen van de luchttoevoer op lage druk tijdens het openen van de draadklem, dan verkregen wordt dat er een voldoende grote kracht ontstaat om het uiteinde in de hoofdblazer te houden en/of hec opgehoopte gedeelte cerug te strekken.
Vanzelfsprekend heeft de uitvinding ook betrekking op draadklemmen die geëigend zijn om als modulair element te worden toegepast in een inrichting zoals hiervoor beschreven.
Opgemerkt wordt dat de voornoemde uitvindingsgedachte om, enerzijds, de aanwending van een op de lade bevestigde hoofdblazer met bijhorende draadklem te combineren met, anderzijds, een draadspanner, bij voorkeur een vast naast de lade opgestelde draadspanner, zieh niet beperkt tot het gebruik van draadklemmen die deel uitmaken van modulair geconfigureerde elementen, doch deze uitvindingsgedachte kan worden gerealiseerd met eender welk soort van draadklem. Ook is de combinatie van dergelijke draadspanner met andere draadklemmen op de lade, bijvoorbeeld aan het einde van de gaap, zeer nuttig, omwille van dezelfde hiervoor uiteengezette redenen.
Hiermee rekening houdende,
<Desc/Clms Page number 9>
heeft de uitvinding volgens een bijzonder aspect dan ook nog betrekking op een werkwijze voor heu inbrengen van inslagdraden bij een weefmachine, waarbij leder betreffende inslagdraad wordt gevormd uit inslaggaren dat wordt toegevoerd vanaf een draadvoorraad, waarbij deze inslagdraad door middel van lucht en met behulp van een of meer hoofdblazers in de gaap wordt gebracht en waarbij zulke inslagdraad minstens tijdelijk in een draadklerr. die meebeweegt met de lade van de weefmachine wordt vastgenomen, met als kenmerk dat het inslaggaren buiten de gaap van de weefmachine en op een plaats tussen de draadvoorraad en de voornoemde draadklem wordt aangespannen door middel van een draadspanner.
Het kan hierbij aldus om eender welke draadklem op de lade handelen, dus bijvoorbeeld zowel een draadklem die met een hoofdblazer samenwerkt, als een draadklem die aan het einde van de gaap is opgesteld, evenals draadklemmen die op andere plaatsen op de lade zijn gemonteerd.
De voornoemde draadspanner kan zowel een element zijn dat een bepaalde spankracht op het inslaggaren uitoefent, als een aangestuurd element dat een gecontroleerde spanning uitoefent, al dan niet volgens een bepaald verloop. Bij voorkeur is de draadspanner vast naast de lade opgesteld.
Eveneens wordt opgemerkt dat de voornoemde uitvindingsgedachte om, bij het openen van de draadklem en voorafgaand aan het aanleggen van de insertiedruk, eerst in een luchttoevoer met lagere druk in de hoofdblazer te voorzien, zieh evenmin beperkt tot uitvoeringen die gebruik maken van draadklemmen die deel uitmaken van een modulair geconfigureerd element. Ook deze uitvindingsgedachte kan immers worden toegepast in allerhande inrichtingen voor het inbrengen van inslagdraden in de gaap van een weefmachine,
<Desc/Clms Page number 10>
ongeacht welk soort draadklemmen hierbij worden aangewend.
Volgens een tweede bijzcnder aspect betreft de huidige uitvinding dan ook nog een werkwijze voor het inbrengen van inslagdraden bij een weefmachine, waarbij de inslagdraden door middel van lucht en met behulp van een cf meer hoofdblazers in de gaap worden gebracht, waarbij zulke inslagdraad telkens voorafgaand aan het inbrengen ervan door middel van een draadklem aan de betreffende hoofdblazer wordt vastgehouden en waarbij luchttoevoermiddelen worden aangewend die toelaten dat aan de hoofdblazer in een luchttoevoer op minstens twee drukken kan worden voorzien, respectievelijk een insertiedruk en een lagere druk, met als kenmerk dac bij het openen van de draadklem en voorafgaand aan het inbrengen van een inslagdraad met behulp van de insertiedruk,
minsiens kortstondig in een luchttoevoer aan de betreffende hoofdblazer wordt voorzien op voornoemde lagere druk.
Voor deze lagere druk kan de klassieke houdtoevoerluchtstroom worden aangewend, welke normalerwijze voorhanden is in weefmachines waarbij geen draadklem wordt toegepast, en welke dan permanent wcrdt ingeschakeld om het inslaggaren in de hoofdblazer vast te houden op de ogenblikken dat geen inslaggaren vanaf deze hoofdblazer moet worden ingebracht.
Met het inzicht de kenmerken van de uitvinding beter aan e tonen, zijn hierna als voorbeelden zonder enig beperkend karakter enkele voorkeurdragende uitvoeringsvormen beschreven, met verwijzing naar de bijgaande tekeningen, waarin : figuur 1 in bovenaanzicht schematisch een inrichting volgens de uitvinding weergeeft ;
<Desc/Clms Page number 11>
EMI11.1
figuur 2 in perspectief praktische uitvoeringsvorm, volgens pl F2 in figuur 1 figuur 3 een zieht weergeeft volgens pijl in figuur 2 ; een zicht weergeeft var eenfiguren 4 en 5 doorsneden weergeven, respectievelijk volgens lijnen IV-IV en V-V in figuur 3 ; figuur 6 schematisch nog een inrichting volgens de uitvinding weergeeft.
Figuur 1 toont schematisch en in bovenaanzicht een gedeelte van een weefmachine 1, met als weergegeven onderdelen de ketting 2 met de kettingdraden 3, het gevormde weefsel 4, gevormd door de kettingdraden 3 en daarin verweven inslagdraden 5, de weefkaders 6, de daardoor gevormde gaap 7, de heen en weer verplaatsbare lade 8 met het riet 9 en tenslotte de inrichting 10 voor het inbrengen van de inslagdraden 5 in de gaap 7.
De inrichting 10 bestaat uit een bobijnstand 11 met bobijnen 12, voorafwikkelaars 13, alsmede hoofdblazers, in dit geval, enerzijds, klassieke hoofdblazers 14 die op de lade 8 gemonteerd zijn, en, anderzijds, daarvoor, vast naast de lade 8, opgestelde zogenaamde hulphoofdblazers 15.
Deze hoofdblazers 14 en hulphoofdblazers 15 worden door middel van een aansluiting op een persluchtbron 16, met tussenkomst van een door middel van een stuureenheid 17 bevolen kleppensysteem 18 bekrachtigd.
Het bijzondere van de uitvinding bestaat erin dat bepaalde van de hoofdblazers, in dit geval de bewegende hoofdblazers 14, van draadklemmen zijn voorzien, in het algemeen aangeduid met referentie 19 en meer specifiek met referenties 19A-19B-19C-19D, die, zoals meer in detail is
<Desc/Clms Page number 12>
weergegeven in het voorbeeld van de figuren 2 tot 5, deel uitmaken van één of meer, in dit geval twee, modulair geconfigureerde elementen 20.
In het weergegeven voorbeeld zijn twee van dergelijke modulair geconfigureerde elementen 20 op elkaar aangebracht, dit met behulp van daartoe voorziene middelen die een dergelijke montage toelaten. Deze middelen bestaan in hoofdzaak uit een sueur 21 waarop de modulair geconfigureerde elementen 20 systematisch op elkaar kunnen zijn aangebracht, alsmede uit zich doorheen alle elementen 20 uitstrekkende bouten 22 om de voornoemde elementen 20 op de steun 21 aan te spannen en vast te houden. De lengte van deze bouten 22 kan worden gekozen in functie van het aantal modulair geconfigureerde elementen 20 dat men op elkaar wenst te monteren. leder element 20 bevat twee zijdelings naast elkaar gesitueerde draadklemmen, in dit geval respectievelijk 19A-19B en 19C-19D.
Volgens niet weergegeven varianten kan ook een draadklem of kunnen twee of meer draadklemmen op eenzelfde hoogteniveau naast elkaar worden gemonteerd. ledere draadklem 19A-19B-19C-19D bevat een draaddoorgang 23,, alsmede activeringsmiddelen 24 om de betreffende draadklem 19A-193-19C-19D te openen en te sluiten. Deze activeringsmiddelen 24 bevinden zich zoals weergegeven bij voorkeur hoofdzakelijk lateraal naast de bijhorende draaddoorgang 23, met andere woorden zijn per draadklem 19A-19B-19C-19D in een vlak gelegen dat zieh hoofdzakelijk tangentieel aan de beweging van de lade 8 van de weefmachine 1 uitstrekt, waardoor zoals voornoemd de inbouwhoogte per modulair geconfigureerd element 20 beperkt wordt.
<Desc/Clms Page number 13>
Zoals duidelijk zichtbaar in de figuren-en 5 bevat ledere groep van twee op eenzelfde niveau gelegen draadklemmen, respectievelijk 19A-19B en 19C-19D, accivenngsmiddelen 24 die tegenovereenliggend gesitueerd zijn ten opzichte van de twee er dan tussenin gelegen bijhorende draaddoorgangen 23.
De aangewende draadklemmen 19A-19B-19C-19D en de daarin aangewende activeringsmiddelen kunnen op zieh van verschillende aard zijn. Om evenwel het modulaire karakter van het geheel te optimaliseren, genlet het de voorkeur dat deze van de hierna beschreven en in de figuren weergegeven constructie zijn. ledere draadklem 19A-19B-19C-19D bevat twee klemgedeelter.
25-26 voor een betreffende inslagdraad 5, afkomstig van één van de toegevoerde inslaggarens 27, en de activerings- middelen 24 zijn gevormd door een verplaatsbaar en met minstens een van de klemgedeelten, in dit geval het klemgedeelte 25, samenwerkend lichaam 28. Dit lichaam 28, dat verplaatsbaar is tussen minstens twee standen, respectievelijk een stand waarin de klemgedeelten 25-26 naar elkaar toe worden gedwongen, en een stand waarin zij van elkaar weg worden verplaatst, is uitgevoerd als een zuigertje dat door middel van overdruk in een richting kan worden verplaatsc, cerwijl het door middel van een onderdruk in de andere richting kan worden verplaatst.
Het zuigertje is uitgevoerd als een plunjer, waarbij een uiteinde 29 van deze plunjer rechtstreeks als klemgedeelte 25 fungeert, terwijl het andere uiteinde 30 een cilinderoppervlak 31 vormt dat uitgeeft in een cilinderruimte 32 waarin door middel van een gemeenschappelijke aansluiting 33 een overdruk of onderdruk kan worden aangelegd. Zoals schematisch in figuur 1 is
<Desc/Clms Page number 14>
afgcbceld staat iedere aansluiting 33 via een leiding zin verbinding met een dcor middel van een stuureenheid, in dit geval de voornoemde stuureenheid 17, bevolen ventiel 35, bijvoorbeeld een 3/2-ventiel, waarmee in functie van de aansturlng een verbinding kan worden gemaakt met een toevoer 36 vocr een medium onder druk of met een aansluiting 37 die in een onderdruk voorziet.
De toevoer 36 kan bestaan uit een klassieke aansluiting op een persluchcbron, die dezelfde kan zijn als de perslucht : bron 16, of op een persluchtleidingsnet met een toevoerdruk van bijvoorbeeld twee ä drie bar, terwijl de aansluiting 37 kan voorzien in een verbinding met ; bijvoorbeeld een vacuümpomp, die een absolute druk creëert van bijvoorbeeld 0, 2 bar.
Zoals weergegeven, zijn de lichamen 28 bij voorkeur verplaatsbaar volgens een richting dwars of hoofdzakelijk dwars op de inbrengrichting van de inslagdraad 5. Dit geldt ook voor andere niet in de figuren weergegeven uitvoeringsvormen, bijvoorbeeld met elektromagnetisch verplaatsbare lichamen.
Figuren 2,3 en 5 geven ook nog weer dat de modulair geconfigureerde elementen 20 bij voorkeur uitgevoerd zijn als aanbouw-en/of voorzetstukken die in het verlengde van een hoofdblazer 14 zijn opgesteld, waarbi] iedere betreffende draadklem 19A-19B-19C-19D een draaddoorgang 23 bezit in de vorm van een draaddoorvoerkanaal dat zieh in he verlengde bevindt van het draaddoorvoerkanaal 38 van de overeenstemmende hoofdblazer 14.
Meer speciaal nog sluiten de draaddoorvoerkanalen van de betreffende draadklemmen 19A-19B-19C-19D en de overeenstemmende hoofdblazer 14 op elkaar aan, waarmee bedoeld wordt dat zij als het ware als één kanaal fungeren.
<Desc/Clms Page number 15>
Zoals afgebeeld in figuur 5, kunnen ertussen de nodige dichtingsmiddelen, zoals dichtingsr-ngen 39, worden aangebracht: .
Alle pneumatische aansluitingen 33 zin, zoals duidelijk zichtbaar in figuren 2 en 4, bij voorkeur aan eenzelfde zijde van het modulair geconfigureerd element 20 gelegen, meer speciaal aan de zijde van de wever zodat zij gemakkelijk toegankelijk zijn en bovendien aan de achterzijde geen hinderlijke aansluitingen en leidingen aanwezig zijn.
Het feit dat de leidingen 34 aan de zijde van de wever worden bevestigd, heeft niet alleen als voordeel dac zij gemakkelijk toegankelijk zijn voor manipulatie en onderhoud, doch is ook voordelig uit het oogpunt van delaiseerbaarheid, dit betekent verschuifbaarheid volgens de langsrichting van de lade 8. Als de leidingen 34 aan de onderzijde zouden toekomen, zouden zij bij delaisage gehinderd worden door de lade 8 die eronder zit. Khmer zij aan de achterzijde toe, dan zouden zij bij delaisage op een bepaalde positie in contact komen met de weefkaders 6.
Leidingen aan de bovenzijde zijn wel mogelijk, doch aan de zijde van de wever geniet de voorkeur, daar dit optimaal is om alle aansluitingen, ook deze van de hoofdblazers, dan langs eenzelfde zijde te brengen. Aansluitingen aan de zijde van de wever laten toe om het geheel eenvoudig modulair te maken.
In figuur 1 zijn de ventielen 35 schematisch los van de lade 8 weergegeven. In een praktische niet weergegeven uitvoeringsvorm worden deze boven de lade 8 naast elkaar op een blok gemonteerd, zodanig dat uitsluitend twee pneumatische leidingen naar het blok met ventielen moeten
<Desc/Clms Page number 16>
worden voorzien, respectievelijk voor de overdruk en voor de onderdruk. In dat geval geniet het de voorkeur dat de ventielen 35 precies boven de modulair geconfigureerd elementen 20 gemonteerd zijn, waarbij de aansluiting van de draadklemmen 19A-19B-19C-19D op de ventielen 35 dan kan gebeuren door middel van soepele omhoog gebogen leidingen tussen de voornoemde aansluitingen 33 en de ventielen 35.
Het grote belang van leidingen die in een verticaal vlak krullen, zit in het feit dat de lade 8 zelf in het verticaal vlak wentelt. Door deze schikking van de leidingen slingeren deze leidingen als gevolg van de ladebeweging nagenoeg niet uic heG verticale vlak waars n zj liggen. Men kan deze leidingen aldus zeer dicht bljeen schikken zonder dat zij onderling raken en daardoor zouden doorslijten.
Tussen de draadvoorraad, meer speciaal de bobijnen 12, en de voornoemde op de lade 8 bevestigde hoofdblazer 14 is, zoals schematisch weergegeven in figuur 1 bij voorkeur een draadspanner 40 per inslaggaren 27 aanwezig, meer speciaal een vast opgestelde draadspanner 40 die zich langsheen het betreffende inslaggaren 27 bevindt tussen de magnetisch bedienbare pen 41 van de betreffende voorafwikkelaar 13 en de hoofdblazer 14. In het geval dat zoals weergegeven cok hulphoofdblazers 15 worden toegepast, bevinden de respectievelijke draadspanners 40 zich bij voorkeur stroomopwaarcs van deze hulphoofdblazers 15.
De opbouw en het gebruik van de modulair geconfigureerde elementen 20 kan eenvoudig uit de figuren worden afgeleid.
De opbouw bestaat erin dat zoals voornoemd de verschillende modulair geconfigureerde elementen 20, die op zich al dan niet uit meerdere delen kunnen bestaan, systematisch op
<Desc/Clms Page number 17>
elkaar worden aangebracht en door middel van de voornoemde bouten 22 worden bevestigd. Het is duidelijk dat naar willekeur meerdere modulaire elementen 20 op elkaar kunnen worden aangebracht.
De modulaire opbouw laat toe om draadklemmen 19A-19B- 19C-19D bij de hoofdblazer 14, of eventueel ook de hulphoofdblazer 15, bij te bouwen als de inslaggarens 27 dat vereisen en weg te nemen als dat niet meer vereist is.
Als een inslaggaren dit niet meer vereist, betekent de aanwezigheid van een niet gebruikte draadklem 19A-19B- 19C-19D immers een bijkomende complexiteitsverhoging met betrekking tot de bedrading van de hoofdblazer en het rein houden van de onderdelen. Door het modulair uitbouwen of afbouwen van het geheel kan dus steeds in een geoptimaliseerd aantal draadklemmen worden voorzien. Een bijkomend voordeel bestaat erin dat de onderdelen voor een 2-kleur-, een 4-kleur-of een 6-kleur-hoofdblazer steeds dezelfde zijn en er slechts in een veelvoud van de gebruikte componenten moet worden voorzien.
De werking van de inrichting 10 bestaat erin dat inslaggaren 27 afkomstig van de bobijnen 12 op bekende wijze via de voorafwikkelaars 13 naar de hulphoofdblazers is'en hoofdblazers 14 wordt geleid, waarbij door systematisch welbepaalde draadlengtes vrij te laten inslagdraden 5 worden gevormd die door middel van de voornoemde blazers 14-15 in de gaap 7 worden gebracht. Op de ogenblikken dat van een bepaald inslaggaren 27 geen inslagdraden 5 in de gaap 7 moeten worden gebracht, wordt de betreffende draadklem 19A-19B-19C-19D bij voorkeur gesloten, wat het geval is voor de draadklemmen 19B-19C-19D in figuur 4. Zodoende wordt belet dat deze inslaggarens 27
<Desc/Clms Page number 18>
met hun uiteinde uit de respectievelijke hoordblazers 14 vallen.
Op het ogenblik dat wel een inslagdraad 5 van een bepaald inslaggaren 27 moet worden ingebracht, wordt de betreffende draadklem 19A-19B-19C-19D uiteraard geopend, wat het geval is voor de draadklem 19A in figuur 4.
Het sluiten van de draadklemmen 19A-19B-19C-19D gebeurt door aan de betreffende aansluitingen 33 een overdruk aan te leggen, terwijl het openen geschiedt door een onderdruk aan te leggen, zulks door middel van de gepaste aansturing van de voornoemde vencielen 35.
Doordat de inslaggarens 27 in de gesloten draadklemmen ingeklemd zijn, er. de lade 8 heen en weer beweegt, waardcor de afstand tussen de hulphoofdblazers 15 en de hoofdblazers 14 wijzigc, worden de betreffende inslaggarens 27 iecwat teruggetrokken van tussen de draadklemmen 19B-19C-19D, waardoor de hoeveelheid garen, aanwezig tussen ieder betreffende voorafwikkelaar 13 en draadklem 19B-19C-19D langer wordt. De voornoemde draadspanners 40 zorgen er dan voor dat de betreffende inslaggarens 27 niet komen slap te hangen, waardoor nadelige invloeden van zulke slap hangende draadgedeelt-en worden uitgesloten. Deze draadspanners 40 kunnen al dan niet stuurbaar zijn.
Opgemerkt wordt dat het gebruik van zulke draadspanner 40 volgens de uitvinding ook in combinatie met andere op de lade gemonteerde draadklemmen nuttig is, ongeacht of het nu draadklemmen zijn van het voornoemde modulaire type, of andere, en ongeacht of het draadklemmen betreft die met een hoofdblazer 14 of hulphoofdblazer 15 samenwerken of niet. Zulke draadspanner is bijvoorbeeld ook nuttig in combinatie
<Desc/Clms Page number 19>
met een niet weergegeven draadklem die hetzij aan het begin van de gaap 7, hetzij het einde van de gaap 7, of op eender welke andere plaats op de lade gemonteerd is.
In een bijzondere uitvoeringsvorm, welke hierna meer in detail wordt beschreven aan de hand van de schematische voorstelling in figuur 6, is de inrichting 10 daardoor gekenmerkt dat zij luchttoevoermiddelen 42 bevat die toelaten dat aan de hoofdblazer 14 in een luchttoevoer op minstens twee drukken kan worden voorzien, respectievelijk een inserciedruk en een lagere druk, waarbij deze luchttoevoermiddelen 42 stuurmiddelen 43 bevaten, die deel kunnen uitmaken van de vcornoemde stuureenheid 17, en die ervoor zorgen dat bij het openen van de draadklem 19A-19B-19C-19D en voorafgaand aan het inbrengen van een inslagdraad 5 met behulp van de insertiedruk, minstens kortstondig in een luchttoevoer aan de betreffende hoofdblazer 14 wordt voorzien op voornoemde lagere druk.
Zoals weergegeven in figuur 6, bestaan deze luchttoevoermiddelen 42 per inslaggaren 27 uit een ventiel 44 waarmee de hoge lnserciedruk aan de betreffende hoofdblazer 14 kan worden aangelegd, bijvoorbeeld met tussenkomst van een buffervat 45, en een ventiel 46 waarmee de voornoemde lagere druk aan de betreffende hoofdblazer 14 kan worden aangelegd, welke lagere druk bijvoorbeeld wordt verkregen door tussenkomst van een smoorklep 47.
Het is duidelijk dat door een gepaste aansturing in de tijd van zowel de betreffende draadklem 19, die in figuur 6 slechts schematisch is afgebeeld, doch in werkelijkheid bestaat uit één van de draadklemmen 19A-19B-19C-19D, als van de ventielen 44-46 in een aansturing zoals voornoemd kan worden voorzien, met andere woorden zodat bij het
<Desc/Clms Page number 20>
openen van de draadklem 19 en voorafgaand aan het inbrengen van een inslagdraad 23 met behulp van de insertiedruk, minstens kortstondig in een luchttoevoer aan de betreffende hoofdblazer 14 wordt voorzien op voornoemde lagere druk.
Dit levert de in de inleiding genoemde voordelen op.
In de meest voorkeurdragende uitvoeringsvorm zal in een aansturingscyclus worden voorzien die volgende stappen opeenvolgend bevat : - het sluiten van de draadklem 19 aan het einde van de insertie ; - het via ventiel 44 onderbreken van de verdere luchttoevoer op inseruiedruk, terwijl via ventiel 46 ook geen luchc meer op lage druk wordt toegevoerd ; bij het uitvoeren van een insertie, het toevoeren van lucht op lage druk via ventiel 45, waarbij de inschakeling hiervan reeds gebeurt voor het openen van de draadklem 19 ; - het openen van de draadklem 19, zodat de inslagdraad zieh kan verplaatsen ;
- het aanleggen van de insertiedruk, samen of vrijwel samen met het openen van de draadklem 19 ; en het bij het openen van de draadklem 19 of kort daarna terug sluiten van het ventiel 46 voor de lage druk.
Het is duidelijk dat deze techniek zieh niet beperkt tot inrichtingen 10 die met draadklemmen 19A-19B-19C-19D zljn uitgerust die deel uitmaken van een modulair geconfigureerd element 20, doch volgens de uitvinding kan worden toegepast in alle inrichtingen 10 voor het inbrengen van inslaggaren 5 die een hoofdblazer 14 of hulphoofdblazer 15 bevatten welke is voorzien van een draadklem van welke aard ook.
<Desc/Clms Page number 21>
Vanzelfsprekend kan bijvcorbeeld de modulaire opbouw van draadklemmen 19 ook worden toegepast bij draadklemmer. die samenwerken mez een naast de lade 8 opgestelde hoofdblazer, of in combinatie met een hulphoofdblazer 15 welke al dan niet naast de lade 8 is opgesteld.
De huidige uitvinding is geenszins beperkc tot de als voorbeeld beschreven en in de figuren weergegeven uitvoeringsvormen, doch dergelijke inrichting en werkwijze voor het inbrengen van inslagdraden bij een weefmachine, alsmede de daarbij aangewende draadklem 19A-19B-19C-19D kunnen volgens verschillende varianten worden verwezenlijkt zonder buiten het kader van de uitvinding te creden.