Inrichting voor het behandelen van patiënten met spasticiteit.
De huidige uitvinding heeft betrekking op een inrichting voor het behandelen van patiënten met spasticiteit, meer bepaald voor het immobiliseren van de ongecontroleerde bewegingen van zulk een patiënt.
Een welbekend voorbeeld van zulke inrichting bestaat in hoofdzaak uit een opstaand raamwerk dat verrijdbaar is en waaraan steun- en/of verbindingselementen zijn voorzien ter plaatse van welke de patiënt rechtstaand kan worden verbonden.
Ter plaatse van de steun- en/of verbindingselementen zijn riemen voorzien voor de goede bevestiging van de patiënt met het raamwerk.
Het probleem dat zich stelt is dat de patiënt zich kan bezeren en zelfs letsels kan oplopen door het wrijvend en schokkend contact van de ledematen met de bevestigingsriemen en met de steun- en/of verbindingselementen waarmee de patiënt contact maakt.
Het is duidelijk dat hetzelfde probleem zich voordoet wanneer de patiënt op een bed is gelegen dat voor de immobilisatie van de patiënt ook voorzien is van gelijkaardige steun- en/of verbindingselementen.
In het verleden werden vele pogingen ondernomen om dit probleem op te lossen, waarbij de aandacht werd gericht op het voorzien van een zachte laag op de steun- en verbindingselementen ter plaatse van het contact met de patiënt.
Verdere verbetering werd beoogd door de plaatsing van de steun- en verbindingselementen verder te optimaliseren en door de mogelijkheid te bieden de positionering aan te passen aan de patiënt.
Men stelt echter vast dat de pijnen en de letsels tot op heden niet kunnen worden voorkomen.
Het doel van de uitvinding is een afdoend antwoord te bieden aan voornoemd en andere problemen en daartoe bestaat de inrichting voor het behandelen van patiënten met spasticiteit in hoofdzaak uit een raamwerk of dergelijke waarop één of meer steun- en/of bevestigingselementen zijn voorzien voor het immobiliseren van de patiënten, waarbij tussen één of meer steun- en/of bevestigingselementen en het voornoemde raamwerk of dergelijke, schokbrekende en/of schokdempende middelen zijn voorzien, die een zekere bewegingsvrijheid toelaten van de één of meer betreffende steun- en/of bevestigingselementen.
Een belangrijk voordeel bestaat erin dat een patiënt die ongecontroleerde bewegingen maakt, en die door middel van één of meer van zulke schokgedempte steun- en/of bevestigingselementen met een raamwerk is verbonden, zich niet of in sterk verminderde mate bezeert en geen letsels oploopt.
Inderdaad, de schokbrekende en/of schokdempende middelen bevinden zich tussen het lichaamsdeel en de structuur waarmee de patiënt verbonden wordt.
Hierdoor wordt bekomen dat de ongecontroleerde bewegingen van de patiënt enigszins worden toegelaten en dus niet enkel dienen te worden opgevangen door de bevestigingsriemen.
Volgens een voorkeurdragende uitvoeringsvorm bevatten de schokbrekende en/of schokdempende middelen een veer.
Het voordeel is dat veren in het algemeen een vrij lineaire karakteristiek vertonen, of dat meer bepaald de tegenkracht die de patiënt ondervindt bij een verplaatsing van een .steun- en/of verbindingselement evenredig is met de verplaatsing.
Hierdoor wordt een ongecontroleerde krachtimpuls omgezet in een toegelaten verplaatsing die in toenemende mate wordt afgeremd naarmate de verplaatsing vordert.
Wanneer de kracht afneemt of wegvalt wordt het lichaamsdeel teruggedwongen en uiteindelijk terug in de neutrale positie gebracht.
Bij voorkeur wordt dit terugbrengen van de ledematen enigszins gedempt uitgevoerd. De karakteristieken van een reële veer bieden het voordeel dat zij wel degelijk een enigszins dempende of energie absorberende functie vertonen.
Volgens een bijzondere uitvoeringsvorm bestaan de schokbrekende en/of schokdempende middelen in hoofdzaak uit een staafelement dat verbonden is met het steun- en/of verbindingselement, een ring, een kraag of een uitsteeksel of dergelijke dat verbonden is met het staafelement, minstens één draadveer die rond het staafelement is aangebracht, en een cilinder die de veer of veren omvat en waarvan minstens één kops uiteinde voorzien is van een opening waar doorheen het staafelement kan bewogen worden, welke cilinder rechtstreeks of onrechtstreeks met het raamwerk of dergelijke verbonden is.
Bij voorkeur echter bevatten de schokbrekende en/of schokdempende middelen minstens een demper. Welgekend zijn de dempers die zijn opgebouwd als een cilinder met een zuiger, waarbij de ruimtes in de cilinder eventueel gevuld zijn met een gas of een vloeistof, en waarbij de zuiger voorzien is van één of meer smoringen.
Eventueel worden beide functies gecombineerd, meer bepaald de schokbrekende functie van de veer met de energieabsorberende of schokdempende functie van een demper, bijvoorbeeld door een veer in een cilinder te voorzien zoals hierboven beschreven, en door de ring te vervangen door een zuiger die aansluit met de binnenwand van de cilinder.
Met het inzicht de kenmerken van de uitvinding beter aan te tonen, zijn hierna, als voorbeeld zonder enig beperkend karakter, enkele voorkeurdragende uitvoeringsvormen beschreven van een inrichting voor het behandelen van patiënten met spasticiteit, met verwijzing naar de bijgaande tekeningen, waarin:
figuur 1 in perspectief een inrichting volgens de uitvinding weergeeft; figuur 2 in detail in bovenaanzicht en op grotere schaal het gedeelte zoals aangeduid met F2 in figuur 1 weergeeft; figuren 3 en 4 voor twee alternatieve posities een doorsnede van het gedeelte in figuur 2 weergeven volgens lijn III-III; figuur 5 in doorsnede een variante uitvoeringsvorm weergeeft voor het gedeelte zoals weergegeven in de figuren 2 tot 4.
In figuur 1 wordt een inrichting voor het behandelen van patiënten met spasticiteit weergegeven, die in hoofdzaak bestaat uit een raamwerk 1 waaraan, van onder naar boven, twee voetsteunen 2, twee dijbeensteunen 3, een rugsteun 4 en een borststeun 5 zijn voorzien.
Het raamwerk 1 is meer bepaald opgebouwd uit een basis 6 waaraan vier wieltjes 7 zijn voorzien en waarop vier opstaande profielen 8 zijn aangebracht waarvan de vrije uiteinden ter hoogte van de borststeun 5 onderling verbonden zijn.
Daarboven is het raamwerk 1 voorzien van een in de hoogte instelbaar plaatelement 9.
Elk van de voornoemde voetsteunen 2 is in dit geval opgebouwd uit een ovaalvormig plaatelement 10 met opstaande rand 11 ter plaatse van de ronde gedeelten.
De voetsteunen 2 zijn in de hoogte en in de breedte verstelbaar aangebracht op voornoemd raamwerk 1.
Daartoe is aan de onderzijde van elk voornoemd ovaalvormig plaatelement 10 een staafelement 12 voorzien, en reikend tot een afstand van het plaatelement 10.
Het vrije uiteinde 13 van elk staafelementen 12 is op instelbare wijze in een eerste doorgang 14 in een verbindingselement 15 geklemd.
Het verbindingselement 15 is voorzien van een tweede doorgang 16 die in dit geval dwars is georiënteerd op de voornoemde eerste doorgang 14.
Op gelijkaardige wijze is in de tweede doorgang 16 een tweede staafelement 17 geklemd, dat tot op een afstand van het verbindingselement 15 reikt en aldaar voorzien is van een klemverbinding 18 die kan samenwerken met een opstaand profiel 8.
De voetsteunen 2 kunnen voorzien worden van in dit geval niet weergegeven riemen.
De dijbeensteunen 3 bestaan in hoofdzaak uit halfronde schelpen 19 die in de hoogte en in de breedte verstelbaar zijn aangebracht op het raamwerk 1.
De instelbare verbinding met het raamwerk 1 is in hoofdzaak gelijkaardig aan de verbinding zoals beschreven voor de voetsteunen 2.
Inderdaad, de verbinding is in hoofdzaak opgebouwd uit een staafelement 20 dat met zijn vrije uiteinde 21 door een eerste doorgang 22 in een verbindingselement 23 is gevoerd.
Het verbindingselement 23 is voorzien van een tweede doorgang 24 die ook hier dwars is georiënteerd op de voornoemde eerste doorgang 22.
In de tweede doorgang 24 is een tweede staafelement 25 geklemd dat op een afstand daarvan voorzien is van een klemverbinding 26 die kan samenwerken met een opstaand profiel 8.
De instelbare verbinding van de schelp 19 met het raamwerk 1 verschilt echter daarin van de instelbare verbinding van de voetsteunen 2 met het raamwerk 1 dat, aldus de uitvinding, tussen elke schelp 19 en het bijhorende verbindingselement 23, een schokdempend element 27 is voorzien.
Het schokdempend element 27 en de aanliggende elementen zijn in detail en vergroot weergegeven in de figuren 2 tot
4.
We merken op dat het staafelement 20 in dit geval verbonden is met de verstevigde rugplaat 28 van de schelp 19, meer bepaald door middel van een moer 29 die is voorzien op de voornoemde rugplaat 28 en door middel van een schroefdraadeinde 30 op het staafelement 20.
Het staafelement 20 is in dit geval niet rechtstreeks in de doorgang 22 van het verbindingselement 23 geklemd.
Inderdaad, het staafelement 20 is door een cilinder 31 gevoerd die klemmend is aangebracht in de doorgang 22 van het verbindingselement 23.
De kopse uiteinden 32 van de cilinder 31 zijn voorzien van openingen 33 waar doorheen het staafelement 20 heen en weer kan bewogen worden.
In de inwendige ruimte van de cilinder 31 is een draadveer
34 voorzien die tevens rond het staafelement 20 is aangebracht, en in aansluiting met het uiteinde 35 van de draadveer 34 dat het dichtst bij de schelp 19 is gelegen is het staafelement 20 voorzien van een ring 35.
De dijbeensteunen 3 kunnen voorzien worden van in dit geval niet weergegeven riemen.
De rugsteun 4 bestaat in hoofdzaak uit een gebogen plaatdeel 36 dat op instelbare wijze met het raamwerk 1 is verbonden.
In deze uitvoeringsvorm is de instelbare verbinding gerealiseerd door middel van een profiel 37 dat, enerzijds, verbonden is met het gebogen plaatdeel 36 en, anderzijds, op een afstand daarvan voorzien is van een dwars daarop georiënteerd hol profieldeel 38 dat over een tweede profiel
39 is aangebracht en daarmee klemmend kan verbonden worden.
Het voornoemde tweede profiel 39 is centraal tussen de dijbeensteunen 3 en de voetsteunen 2 voorzien, en is in de hoogte verstelbaar aangebracht, meer bepaald door middel van klemverbindingen 40 die samenwerken met twee opstaande profielen 8 van het raamwerk 1.
De borststeun 5 tenslotte bestaat in hoofdzaak uit een brede gebogen plaat 41 die bij voorkeur instelbaar is aangebracht op het raamwerk 1.
De werking van de inrichting zoals hierboven beschreven is eenvoudig en als volgt.
De patiënt die lijdt aan spasticiteit kan bij opkomende ongecontroleerde bewegingen als volgt in zulk een inrichting volgens de uitvinding geplaatst worden.
Eerst wordt de rugsteun 4 gedemonteerd door het gebogen plaatdeel 36 samen met het profiel 37 en het hol profieldeel 38 van het horizontaal en uitstekend profiel 39 te schuiven.
Nu kan de patiënt zijn voeten op de voetsteunen 2 plaatsen, met één been links en één been rechts van het uitstekend profiel 39, en kunnen de dijbenen in de schelpen 19 van de dijbeensteunen 3 gebracht worden.
De patiënt is hierbij met zijn aangezicht naar het plaatdeel 9 gericht zodat hij zijn armen erop kan leggen.
Door de betreffende riemen ter plaatse van de voetsteunen 2 en ter plaatse van de dijbeensteunen 3 aan te spannen, en door het licht gebogen plaatdeel 36 van de rugsteun 4 terug te plaatsen, wordt voorkomen dat de patiënt al te grote ongecontroleerde bewegingen maakt of met andere woorden geïmmobiliseerd wordt.
De inrichting volgens de uitvinding laat echter enige beweging toe, precies omdat een te starre verbinding vaak oorzaak is van letsels ter plaatse van de riemverbindingen, van spierpijnen en van andere ongemakken.
Zo zal aldus de uitvinding bij een voorwaartse beweging van een dijbeen de schelp 19 en het daarmee verbonden staafdeel
20 voorwaarts verplaatst worden, waarbij de patiënt, naarmate de verplaatsing vanuit de neutrale positie toeneemt, een toenemende kracht ondervindt die tegengesteld is aan de ongecontroleerd uitgeoefende kracht die oorzaak is van de voornoemde voorwaartse verplaatsing, welke tegengestelde kracht uitgeoefend wordt door de thans ingedrukte draadveer 34.
De voornoemde neutrale positie stemt in deze uitvoeringsvorm overeen met de positie zoals weergegeven in figuur 3, terwijl de uiterst voorwaarts gelegen positie wordt weergegeven in figuur 4.
Door een lange cilinder 31 met daarin een lange draadveer
34 te selecteren kan voorkomen worden dat de patiënt al te vaak met deze uiterst voorwaarts gelegen positie zal geconfronteerd worden.
Het is duidelijk dat de hierboven beschreven schokbrekende werking in de besproken uitvoeringsvorm slechts in werking treedt bij voorwaartse verplaatsingen van het dijbeen.
Door in de cilinder 31 twee draadveren 34 te voorzien en door de ring 35 tussen deze draadveren 34 op het staafdeel
20 te voorzien, zoals weergegeven in figuur 5, zal, de schokbrekende werking in beide richtingen ten opzichte van de neutrale positie in werking treden.
Het is duidelijk dat het schokbrekend en/of schokdempend element 27 op vele andere wijzen kan gerealiseerd worden.
De ring 35 kan uiteraard vervangen worden door een kraag of een uitsteeksel of dergelijke op het staafelement 20.
De cilinder 34 kan weggelaten worden, althans indien deze vervangen wordt door een bus die over het staafgedeelte 20 kan schuiven en indien deze bus rechtstreeks of onrechtstreeks met het raamwerk 1 wordt verbonden. De draadveer 34 bevindt zich dan bij voorkeur steeds tussen de bus en de ring 35.
De draadveer 34 kan vervangen worden door een ander type veer, of zelfs door een stuk rubber of een ander soort samendrukbaar materiaal.
Het schokdempend element 27 kan tevens vervangen worden door een welgekende cilinder-zuiger combinatie, al dan niet voorzien van olie of gas. Vooral de gasgevulde schokdempers hebben niet enkel een verende werking, maar absorberen tevens een gedeelte van de energie wat op welbekende wijze een gunstig effect kan hebben op het dynamisch gedrag, bijvoorbeeld ter onderdrukking van oplopende amplitudes die veroorzaakt kunnen worden door een dynamische bekrachtiging waarvan de frequentie in de buurt van de eigenfrequentie van de veer is gelegen.
Het is duidelijk dat, afhankelijk van de uitvoering van het raamwerk 1, de profielen 8 waaraan de steunelementen zijn aangebracht, al dan niet kantelbaar kunnen worden uitgevoerd.
Het is duidelijk dat ook de andere steunelementen kunnen voorzien worden van schokbrekende en/of schokdempende elementen 27, en dat zulke schokbrekende en/of schokdempende elementen 27 tevens tussen allerhande steunelementen en allerhande soorten raamwerken kunnen voorzien worden zoals bijvoorbeeld een bed.
Het is ook duidelijk dat de ovaalvormige plaatelementen 10 of de voetsteunen 2, de schelpen 19 of de dijbeensteunen 3, het gebogen plaatelement 36 of de rugsteun 4 en de gebogen plaat 41 of de borststeun 5 tegelijk dienst kunnen doen als steunelement en als bevestigingselement.
Anderzijds kunnen aldus de uitvinding ook bevestigingselementen die geen steunende functie hebben, door toedoen van schokbrekende en/of schokdempende elementen met een raamwerk 1 verbonden worden, en daarom spreken we in het algemeen van steun- en/of bevestigingselementen.
We merken tenslotte op dat de schokbrekende en/of schokdempende elementen volgens de uitvinding verschillen van de zachte bekledingen die heden voorzien worden aan de steun- en/of bevestigingselementen doordat ze, enerzijds, niet aan de contactzijde ervan voorzien worden maar tussen het steun- en/of bevestigingselement en het raamwerk, en doordat ze, anderzijds, in grotere mate een indrukking toestaan en/of in sterkere mate energie absorberen.
Inderdaad, de schokbrekende en/of schokdempende elementen volgens de uitvinding laten een indrukking toe van minstens 3 cm, en bij voorkeur zelfs van meer dan 5 cm.
De huidige uitvinding is geenszins beperkt tot de als voorbeeld beschreven en in de figuren weergegeven uitvoeringsvormen, doch een dergelijke inrichting voor het behandelen van patiënten met spasticiteit kan volgens verschillende varianten worden verwezenlijkt zonder buiten het kader van de uitvinding te treden.