Zonneklep voor voertuigen
De huidige uitvinding betreft een zonneklep voor voertuigen.
Bekende zonnekleppen bestaan uit een in hoofdzaak vlak en star lichaam dat met één van zijn zijranden verdraaibaar is aangebracht in een voertuig.
Dergelijke zonnekleppen kunnen door een eenvoudige handeling worden verdraaid tussen een opbergstand, waarin het voornoemd lichaam doorgaans tegen de hemel van het voertuig is gepositioneerd, en een gebruiksstand, waarin het lichaam tussen een automobilist of een passagier van het voertuig en een gedeelte van de voorruit van dit voertuig is gesitueerd.
Een nadeel van zulke bekende zonnekleppen is echter dat ze slechts een klein gedeelte van het gezichtsveld van de automobilist of passagier kan afschermen tegen zonlicht of dergelijke. Hierdoor ondervinden bijvoorbeeld mensen met een relatief kleine gestalte snel last van verblindend zonlicht, aangezien zij onder de zonneklep door alsnog de zon in de ogen hebben.
Het voornoemd nadeel geldt des te meer wanneer de zon laag aan de horizon staat.
Teneinde een groter gedeelte van het gezichtsveld van bestuurders of passagiers van een voertuig af te schermen tegen verblindend zonlicht kent men zogenaamde zonneweringen die bestaan uit een rolgordijn die in een <EMI ID=1.1>
voertuig wordt opgehangen.
De stof van zulk rolgordijn kan vrij tot op een niveau naar keuze worden opgerold af afgerold, waardoor een bestuurder of passagier ook bij een laagstaande zon een optimaal zicht kan behouden
Een nadeel van zulke bekende zonnewering is dat ze relatief veel plaats inneemt en bovendien minstens de geleiding steeds in het zichtveld van een bestuurder of passagier hangt, hetgeen een storend effect kan hebben.
De huidige uitvinding heeft tot doel aan de voornoemde en andere nadelen een oplossing te bieden.
Hiertoe betreft de uitvinding een zonneklep voor voertuigen, die is voorzien van middelen die toelaten het oppervlak van de zonneklep te vergroten door een uitdraaibaar of uitschuifbaar element.
Een voordeel van een zonneklep volgens de uitvinding is dat het oppervlak van de zonneklep kan worden gevarieerd in functie van de grootte van een bestuurder of passagier en in functie van de stand van de zon of van de plaats van enige andere storende lichtbron.
Nog een voordeel van de zonneklep volgens de uitvinding is dat ze, mits toepassing van een bekende bevestiging voor zonnekleppen, volledig uit het gezichtsveld van een bestuurder of passagier verwijderd kan worden.
Met het inzicht de kenmerken van de huidige uitvinding beter aan te tonen, worden hierna als voorbeeld zonder enig beperkend karakter, enkele voorkeurdragende uitvoeringsvormen beschreven van een zonneklep volgens de uitvinding, met verwijzing naar de bijgaande figuren, waarin:
figuur 1 een gedeelte weergeeft van de binnenzijde van een wagen, waarin een zonneklep volgens de uitvinding is aangebracht; figuur 2 op grotere schaal het gedeelte weergeeft dat door F2 in figuur 1 is aangeduid, doch in een uitgeschoven stand; figuren 3 tot 6 elk een variante weergeven van figuur
2.
In figuur 1 is een zonneklep 1 volgens de uitvinding weergegeven die bestaat uit een in hoofdzaak star en vlak lichaam 2 dat in dit geval met één van zijn zijranden roteerbaar is bevestigd rond het vrije uiteinde 3 van een geknikte steunarm 4 die bij voorkeur pivoteerbaar aan een autohemel 5 is bevestigd.
Het star en vlak lichaam 2 kan, zoals bekend, bestaan uit een rechthoekig stuk karton, kunststof of dergelijke, waarrond een hoes uit bijvoorbeeld kunststof is aangebracht.
Volgens de uitvinding is het lichaam 2 van de zonneklep 1 voorzien van middelen die toelaten het oppervlak van de zonneklep 1 te variëren.
Volgens een eerste voorkeurdragende uitvoeringsvorm die is weergegeven in de figuren 1 en 2 bestaan de voornoemde middelen in hoofdzaak uit een geleiding 6 waarin een element 7 verplaatsbaar is aangebracht tussen twee uiterste standen, meer bepaald een opbergstand waarin het element 7 in de geleiding 6 is geschoven, zoals weergegeven in figuur 1, en een gebruiksstand waarin het element 7 is uitgeschoven, zoals is weergegeven in figuur 2, waarbij het element 7 zich tot voorbij een zij rand van het lichaam 2 van de zonneklep 1 uitstrekt en aldus het oppervlak van de zonneklep 1 vergroot.
Opgemerkt wordt dat het voornoemd element 7 bij voorkeur wordt vervaardigd uit een materiaal dat ondoorschijnend of ondoorzichtig is, hoewel het eveneens mogelijk is dit element 7 uit een doorzichtig, doch donker getint materiaal te vervaardigen.
Het is duidelijk dat de voornoemde geleiding 6 kan worden gevormd door het lichaam 2 uit te voeren onder de vorm van twee evenwijdige zijwanden die op een onderlinge afstand zijn geplaatst en waartussen het voornoemd element 7 verschuifbaar is aangebracht.
Het is eveneens duidelijk dat wanneer de voornoemde zijwanden worden aangebracht in een hoes, in deze hoes een gepaste gleuf moet worden voorzien waar doorheen het element 7 kan worden uitgeschoven.
Teneinde te voorkomen dat het element 7 tijdens het gebruik volledig uit de geleiding 6 kan worden verwijderd, is het mogelijk het element 7 en de geleiding 6 van aanslagmiddelen te voorzien. Aangezien zulke aanslagmiddelen van allerlei aard kunnen zijn en algemeen bekend zijn, worden zij hierna niet verder in detail behandeld.
Het gebruik van een zonneklep 1 volgens de uitvinding volgt duidelijk uit de bijgaande figuren en de beschrijving hierboven.
In figuur 3 is een variante uitvoeringsvorm weergegeven waarbij het lichaam 2 is voorzien van twee geleidingen 6 die zich dwars of nagenoeg dwars ten opzichte van elkaar uitstrekken en waarbij in elk van de geleidingen 6 een element 7, meer specifiek een element 7A en 7B, is voorzien van het voornoemde type.
In figuur 4 is nog een variante uitvoeringsvorm weergegeven waarin, langs minstens één van de zijranden van het lichaam 2 van de zonneklep 1, een element 7 scharnierbaar is bevestigd.
Het voornoemd element 7 kan in dit geval tussen twee standen worden verdraaid, meer bepaald een opbergstand waarin het element 7 tegen het lichaam 2 van de zonneklep 1 is verdraaid, en een gebruiksstand waarin het element 7 naast het lichaam 2 van de zonneklep 1 is gesitueerd, zodat het oppervlak van de zonneklep 1 is vergroot.
Het gebruik van deze variant bestaat erin bij een laagstaande zon of bij een andere storende lichtbron die, in een gebruiksstand van de zonneklep 1, naast of onder het lichaam 2 heen schijnt, het voornoemd element 7 te verdraaien tot naast of onder het voornoemde lichaam 2, waardoor het licht van de laag aan de horizon staande zon of enige andere storende lichtbron mogeli j k aan het zicht van een bestuurder of passagier wordt onttrokken of wordt verduisterd.
In figuur 5 is een variant weergegeven waarin het element 7 is voorzien van een hulpstuk 8 dat middelen bevat die toelaten het element losmaakbaar te bevestigen aan de zonneklep 1.
In dit geval bestaan deze bevestigingsmiddelen uit twee haken 9 die bedoeld zijn om over een zijrand van de zonneklep 1 te worden gehaakt teneinde het hulpstuk 8 en het element 7 aan de zonneklep te bevestigen.
In de weergegeven uitvoeringsvorm is het element 7 pivoteerbaar aan een zijde 10 van het hulpstuk 8 bevestigd, welke zijde tegenover de zijde 11 van het hulpstuk 8 is gesitueerd waaraan de bevestigingsmiddelen 9 zijn voorzien.
Verder is het element 7 meerdelig opgebouwd uit een centraal deel 12 en, in dit geval, twee bijkomende delen
13 die toelaten het oppervlak van het element 7 te vergroten. Deze bijkomende delen zijn hierbij bij voorkeur verplaatsbaar in een richting loodrecht op de richting waarin het element 7 vanuit een opbergstand in een gebruiksstand wordt gebracht.
In figuur 6 tenslotte is een laatste variant weergegeven waarin het hulpstuk 8 bestaat uit een lat 14 die pivoteerbaar aan één zijrand van het element 7 is aangebracht en waarin gaten 15 zijn voorzien. Doorheen deze gaten 15 kunnen schroeven 16 worden aangebracht die in de eigenlijke zonneklep 1 grijpen, waardoor de lat 14 en dus het element 7 aan de zonneklep 1 kan worden bevestigd.
De varianten die in figuren 5 en 6 worden weergegeven hebben in hoofdzaak betrekking op een element 7 dat op een bestaande zonneklep 1 kan worden bevestigd.
Verder wordt opgemerkt dat de zonneklep 1 volgens de uitvinding desgewenst wordt uitgerust met een niet in de figuren weergegeven aandrijving voor het elektrisch verplaatsen of verdraaien van het element 7 ten opzichte van het lichaam 2.
In dit laatste geval kan deze aandrijving worden aangestuurd door een stuurdoos die elektronisch is verbonden met een lichtsensor of dergelijke die toelaat een lichtintensiteit en een locatie van een lichtbron te bepalen.
De huidige uitvinding is geenszins beperkt tot de hierboven beschreven en in de figuren weergegeven uitvoeringsvormen, doch een zonneklep volgens de uitvinding kan volgens verscheidene varianten worden verwezenlijkt zonder buiten het kader van de uitvinding te treden.