BE1017367A4 - Weefmachine voor het weven van poolweefsels, en set van minstens twee afstandshouders voorzien om naast elkaar gemonteerd te worden in een weefmachine voor het weven van poolweefsels. - Google Patents
Weefmachine voor het weven van poolweefsels, en set van minstens twee afstandshouders voorzien om naast elkaar gemonteerd te worden in een weefmachine voor het weven van poolweefsels. Download PDFInfo
- Publication number
- BE1017367A4 BE1017367A4 BE2006/0558A BE200600558A BE1017367A4 BE 1017367 A4 BE1017367 A4 BE 1017367A4 BE 2006/0558 A BE2006/0558 A BE 2006/0558A BE 200600558 A BE200600558 A BE 200600558A BE 1017367 A4 BE1017367 A4 BE 1017367A4
- Authority
- BE
- Belgium
- Prior art keywords
- spacers
- pile
- pile warp
- projection
- weaving machine
- Prior art date
Links
Classifications
-
- D—TEXTILES; PAPER
- D03—WEAVING
- D03D—WOVEN FABRICS; METHODS OF WEAVING; LOOMS
- D03D39/00—Pile-fabric looms
- D03D39/16—Double-plush looms, i.e. for weaving two pile fabrics face-to-face
Landscapes
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Textile Engineering (AREA)
- Looms (AREA)
Abstract
De uitvinding betreft een weefmachine voor het weven van poolweefsels, en een set (100) van minstens twee afstandshouders (1-4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42), waarbij de afstandshouders (1-4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) zo uitgevoerd en in de weefmachine opgesteld zijn dat de poolkettinggarens (18, 18') meer ruimte krijgen bij hun beweging in de gaapvormingszone naar de weefsellijn in kettingrichting bij hun intrede tussen het lancettenpakket zodat deze minder hinder ondervinden van dit lancettenpakket.
Description
WEEFMACHINE VOOR HET WEVEN VAN POOLWEEFSELS. EN SET VAN MINSTENS TWEE AFSTANDSHOUDERS VOORZIEN OM NAAST ELKAAR GEMONTEERD TE WORDEN IN EEN WEEFMACHINE VOOR HET WEVEN VAN
POOLWEEFSELS
De uitvinding betreft een weefmachine voor het weven van poolweefsels, bestaande uit inslaggarens, grondkettinggarens en poolkettinggarens, omvattende: een onderste en/of bovenste snijdliniaal dat voorzien is voor het geleiden van minstens één poolweefsel; minstens één set van twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders die zich uitstrekken tussen de poolkettinggarens en die voorzien zijn om hetzij een constante poolhoogte te realiseren tussen twee gevormde poolweefsels, hetzij om de poollushoogte te bepalen in één of meerdere poolweefsels die lussenpool omvatten, waarbij deze twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders op hun uiteinde ter hoogte van de één of meerdere snijdlinialen bij projectie in inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting samenvallende projecties hebben; een garenvoorraad van poolkettinggarens; één of meerdere gaapvormingsinrichtingen die hevels aansturen waardoorheen zich grond- en of poolkettinggarens uitstrekken om deze kettinggarens tegenover de inslaggarens te positioneren; een aanvoerzone van poolkettinggarens die zich uitstrekt tussen de genoemde garenvoorraad en de genoemde hevels; minstens twee houders om de afstandshouders in te klemmen, en die boven elkaar opgesteld zijn buiten de genoemde aanvoerzone; een gaapvormingszone waarbinnen de poolkettinggarens kunnen bewegen, en die afgebakend wordt door de genoemde houders van de afstandshouders en de genoemde gaapvormingsinrichtingen.
Verder betreft de uitvinding een set van minstens twee afstandshouders voorzien om naast elkaar gemonteerd te worden in een weefmachine voor het weven van poolweefsels, bestaande uit inslaggarens, grondkettinggarens en poolkettinggarens, de weefmachine omvattende een onderste en/of bovenste snijdliniaal dat voorzien is voor het geleiden van minstens één poolweefsel; een garenvoorraad van poolkettinggarens; één of meerdere gaapvormingsinrichtingen die hevels aansturen waardoorheen zich grond- en of poolkettinggarens uitstrekken om deze kettinggarens tegenover de inslaggarens te positioneren; een aanvoerzone van poolkettinggarens die zich uitstrekt tussen de genoemde garenvoorraad en de genoemde hevels; een gaapvormingszone waarbinnen de poolkettinggarens kunnen bewegen, en die afgebakend wordt door de genoemde houders van de afstandshouders en de genoemde gaapvormingsinrichtingen; en waarbij de afstandshouders voorzien zijn hetzij een constante poolhoogte te realiseren tussen twee gevormde poolweefsels, hetzij om de poollushoogte te bepalen in één of meerdere poolweefsels die lussenpool omvatten, en voorzien zijn om ingeklemd te worden in minstens twee houders die boven elkaar opgesteld zijn buiten de genoemde aanvoerzone.
In EP 1 568 809 wordt beschreven hoe in een dubbelstukweefmachine voor het weven van poolweefsels lancetten als afstandshouder worden ingezet om het boven- en onderweefsel op de gewenste afstand van elkaar te houden, en de poolhoogte te borgen of om de lussenhoogte te definiëren, waarbij elke lancet zowel in een bovenste als in een onderste afstandhouder opgenomen wordt. Hiermee bekomt men zowel een stabiele opname van de lancet als een goede toevoer van de poolkettinggarens in de gaapvormingszone. Met een dergelijke inrichting wordt de hoogte waarover de kettinggarens dienen te bewegen tijdens de gaapvorming beperkt gehouden, waardoor de totale inrichting compacter wordt en de belasting van de poolkettinggarens op het harnas van de weefmachine afneemt.
De naast elkaar liggende lancetten hebben daarbij allen dezelfde vorm. Dit betekent dat de zones van de lancetten, met dewelke de garengedeeltes van de individuele kettinggarens die dezelfde gaappositie innemen hun eerste contact maken, volgens de kettingrichting op dezelfde afstand van de weefsellijn gelegen zijn. Voornamelijk in weeftoepassingen van weefsels met hoge dichtheid of weefsels met dikke poolkettinggarens, kan de poolkettinggarenmassa die op dezelfde afstand in kettingrichting ten opzichte van de weefsellijn gelegen is, aanzienlijk zijn ten opzichte van de ruimte tussen twee lancetten. Dit is bijzonder nadelig wanneer meerdere naast elkaar gelegen poolkettinggarens een knoop vertonen op nagenoeg dezelfde positie in kettingrichting, en des te nadeliger wanneer deze knopen voorkomen in poolkettinggarens die zich tussen twee naburige lancetten bevinden en dezelfde positie in de gaapvorming innemen.
Tijdens hun beweging naar de weefsellijn toe worden deze verschillende garens tussen de naast elkaar liggende lancetten getrokken. We verwijzen daarvoor naar de stand van de techniek figuren 1, 2a, 2b, 3a, 3b en 3c, zoals hieronder in de gedetailleerde beschrijvingstekst meer in detail beschreven. De poolkettinggarens met hun knopen bewegen van een zone zonder contact met de lancetten (zone C zoals voorgesteld in de stand van de techniek figuur 3c) naar een zone waar gelijktijdig met beide naburige lancetten contact gemaakt wordt (poolkettinggaren 18, 18’ in zone B op stand van de techniek figuur 3b) omdat de twee lancetten dezelfde vorm vertonen ter hoogte van de opname in de dubbele lancethouder (zie stand van de techniek figuur 2). In EP 1 568 809 wordt deze zone ter hoogte van de opname omschreven als de derde zone van de lancethouders. Wanneer bijvoorbeeld in de gaapvorming een belangrijk aantal poolkettinggarens over een belangrijk aantal machinecycli eenzelfde positie in de gaapvorming innemen, treden geen kruisingen op tussen deze garens, maar bewegen deze garens na hun passage tussen de beide lancethouders wel in pakket verder door de “trechters” gevormd door de derde zones van naast elkaar liggende lancetten. Deze voor de poolkettinggarens vernauwde doorgang zorgt voor extra belasting en wrijving op de poolkettinggarens wat tot beschadiging of breuk van deze kettinggarens kan leiden. De wrijving leidt eveneens tot verhoogde slijtage van de lancethouders, die op zijn beurt leidt tot scherpere randen die op hun beurt de poolkettinggarens nog meer beschadigen.
Er dient opgemerkt te worden dat de term “in contact treden” als volgt geïnterpreteerd dient te worden: de poolkettinggarens die onder spanning staan worden tijdens hun beweging door de twee naast elkaar gelegen lancethouders waartussen ze zich uitstrekken, door de tanden van het weefriet en door een inlooprooster tussen weefrek en gaapvormingszone in hun positie gehouden in kettingrichting. Theoretisch kunnen deze poolkettinggarens doorheen de gaap bewegen zonder contact met deze elementen. Echter praktisch komen deze tijdens hun traject in kettingrichting op onvoorspelbare wijze en ogenblikken in contact met deze elementen hetzij aan hun linkerzijde, hetzij aan hun rechterzijde. Wanneer zich in het poolkettinggaren een knoop bevindt, vergroot het risico op een dergelijk contact. Dergelijk contact, en zeker bij het eerste contact in langsrichting, vertoont de eigenschappen van een botsing, waarbij de impact groot is en deze haperingen kunnen leiden tot garenbreuk en slijtage van de afstandshouders.
In EP 1 524 345 wordt beschreven hoe naast elkaar liggende lancetten in hun middengedeelte in langsrichting op verschillende hoogtes opgesteld worden om bij kruisende poolkettinggarens meer ruimte te geven aan de poolkettinggarenmassa en aan eventuele knopen in de poolkettinggarens om een samenklitten van de poolkettinggarens te vermijden. Deze werkwijze biedt enkel een oplossing voor open neer bewegende poolkettinggarens en niet voor de problematiek van knopen in poolkettinggarens die in hun langsbeweging ter hoogte van hun intrede tussen het lancettenpakket in botsing komen met de individuele lancetten. Dit probleem van kettinggarens in hun langsbeweging (in kettingrichting) treedt zowel op in het geval de lancetten opgenomen worden in een enkele opname van de lancetten centraal in de gaap, zoals het geval is in EP 1 524 345, als in het geval van een enkele opname van de lancetten buiten het center van de gaap. In figuur 3 van EP 1 568 809 wordt de uitvoering voorgesteld en beschreven waarbij lancetten alternerend opgenomen worden in een lancethouder onder het center van de gaap en in een lancethouder boven het center van de gaap. In de uitvoeringsvorm zoals voorgesteld in de figuur 3, kan er wel reeds een oplossing gevonden worden om de botsing van inkomende poolkettinggarens, die zich buiten het center van de gaap bevinden, met lancetten te beperken. Bij een eerste contact met het lancettenpakket, worden deze poolkettinggarens nooit door een trechter van twee naast elkaar liggende lancetten getrokken. De trechter wordt gevormd door twee lancetten met hetzelfde profielverloop in kettingrichting waartussen zich een lancet bevindt met een ander profielverloop in kettingrichting, doordat deze lancet afbuigt naar en opgenomen wordt in de andere lancethouder. Dit betekent dat de trechter van lancetten waardoorheen de poolkettinggarens zich dienen uit te strekken een opening heeft die nagenoeg gelijk is aan tweemaal de steekafstand tussen twee opeenvolgende lancetten. Poolkettinggarens die zich centraal in deze gaap bewegen komen wel nog altijd in een trechter van lancetten terecht met een opening van slechts éénmaal de steekafstand tussen twee opeenvolgende lancetten en treedt het hierboven gestelde probleem nog steeds op.
Het doel van de uitvinding is te voorzien in een weefmachine voor het weven van poolweefsels, en een set van afstandshouders voor een weefmachine voor het weven van poolweefsels die de bovenvermelde nadelen niet heeft, en waarbij de poolkettinggarens meer ruimte krijgen bij hun beweging in de gaapvormingszone naar de weefsellijn in kettingrichting bij hun intrede tussen het lancettenpakket zodat deze minder hinder ondervinden van dit lancettenpakket.
Dit doel van de uitvinding wordt opgelost door te voorzien in een weefmachine voor het weven van poolweefsels bestaande uit inslaggarens, grondkettinggarens en poolkettinggarens, omvattende: een onderste en/of bovenste snijdliniaal dat voorzien is voor het geleiden van minstens één poolweefsel; minstens één set van minstens twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders die zich uitstrekken tussen de poolkettinggarens en die voorzien zijn om hetzij een constante poolhoogte te realiseren tussen twee gevormde poolweefsels, hetzij om de poollushoogte te bepalen in één of meerdere poolweefsels die lussenpool omvatten, waarbij deze twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders op hun uiteinde ter hoogte van de één of meerdere snijdlinialen bij projectie in inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting samenvallende projecties hebben; een garenvoorraad van poolkettinggarens; één of meerdere gaapvormingsinrichtingen die hevels aansturen waardoorheen zich grond- en of poolkettinggarens uitstrekken om deze kettinggarens tegenover de inslaggarens te positioneren; een aanvoerzone van poolkettinggarens die zich uitstrekt tussen de genoemde garenvoorraad en de genoemde hevels; minstens twee houders om de afstandshouders in te klemmen, en die boven elkaar opgesteld zijn buiten de genoemde aanvoerzone; een gaapvormingszone waarbinnen de poolkettinggarens kunnen bewegen, en die afgebakend wordt door de genoemde houders van de afstandshouders en de genoemde gaapvormingsinrichtingen; waarbij de afstandshouders zo uitgevoerd en opgesteld zijn dat, de projecties volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van het traject van minstens één poolkettinggaren startend vanaf de houders van de afstandshouders tot aan de genoemde snijdlinialen, en van de genoemde twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders, gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren, achtereenvolgens in volgend verband ten opzichte van elkaar staan: in een eerste deel overlapt de genoemde projectie van het traject van het poolkettinggaren met geen enkele van de projecties van de twee genoemde afstandshouders daarna overlapt de genoemde projectie van het traject van het poolkettinggaren met de projectie van één van de genoemde projecties van de twee genoemde afstandshouders afzonderlijk, en tenslotte overlapt de genoemde projectie van het traject van het poolkettinggaren met de projecties van beide genoemde afstandshouders tegelijk.
Door het voorzien van een weefmachine met een uitvoering en opstelling van afstandshouders volgens de uitvinding, zal een zone van een poolkettinggaren, en meer in het bijzonder van een poolkettinggaren met een knoop bij zijn beweging in kettingrichting op een eerste tijdstip een eerste opduikende rand van een afstandhouder ontmoeten (dit gebeurt mogelijkerwijze samen met naastliggende poolkettinggarens) vooraleer op een later tijdstip een tweede opduikende rand van een andere afstandhouder te ontmoeten. Op het eerste tijdstip gaat de genoemde zone van het poolkettinggaren over van een toestand waarin het zich naast andere poolkettinggarens uitstrekt zonder gehinderd te worden door de aanwezigheid van afstandshouders over een afstand die volgens inslagrichting minstens het dubbele bedraagt van de steekafstand tussen de afstandshouders in inslagrichting (doorgaans stemt de steekafstand tussen de afstandshouders in inslagrichting overeen met de afstand tussen twee riettanden in het weefriet).
In inrichtingen volgens de stand van de techniek echter, zoals bijvoorbeeld voorgesteld in het reeds geciteerde EP 1 568 809, gaan dezelfde zones van poolkettinggarens over van een toestand waarin ze zich naast elkaar uitstrekken zonder gehinderd te zijn door de aanwezigheid van afstandshouders naar een toestand waarin ze gehinderd worden door de aanwezigheid van afstandshouders over een afstand volgens inslagrichting gelijk aan de steekafstand tussen de afstandshouders (gezien in inslagrichting). De hinder door de genoemde vernauwing (trechtervorming) is dus duidelijk groter in de stand van de techniek. Volgens de uitvinding ondervindt dezelfde zone van het poolkettinggaren pas op een tweede tijdstip dezelfde ruimtelijke beperking als in de stand van de techniek op het eerste tijdstip ervaren wordt, namelijk op het ogenblik dat een poolkettinggaren omgeven worden door naast elkaar liggende afstandshouders (met andere woorden op het ogenblik waarbij de projectie in inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van het poolkettinggarens en de naast elkaar liggende afstandshouders elkaar overlappen), met een tussenafstand gelijk aan de steekafstand tussen de afstandshouders. De impact op het poolkettinggaren zal op dat ogenblik enkel optreden ten gevolge van de botsing met de rand van de afstandshouder waarvan de projectie van de rand in inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting het verst van de houders van de afstandshouders ligt. Dit biedt als bijkomend voordeel dat met de weefmachine volgens de uitvinding, de schok bij de overgang van een zone met meer ruimte naar een zone met minder ruimte verdeeld wordt over twee tijdstippen waardoor de plaatselijke impact op het garen kan gehalveerd worden waardoor de gevolgen van deze impact, zijnde poolkettinggarenbreuk, poolkettinggarenbeschadiging en slijtage aan de afstandshouders, sterk beperkt worden.
In een voorkeurdragende uitvoeringsvorm van een weefmachine volgens de uitvinding, zijn de afstandshouders zo uitgevoerd en opgesteld dat, de projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van het traject van elk van de poolkettinggarens startend vanaf de houders van de afstandshouders tot aan de genoemde snijdlinialen, samen met de projecties in inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van de genoemde twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders, gezien in de bewegingsrichting van de poolkettinggarens, achtereenvolgens in volgend verband ten opzichte van elkaar staan: in een eerste deel overlappen de genoemde projecties van de trajecten van de poolkettinggarens met geen enkele van de projecties van de twee genoemde afstandshouders, daarna overlappen de genoemde projecties van de trajecten van de poolkettinggarens met de projectie van één van de genoemde projecties van de twee genoemde afstandshouders afzonderlijk, en tenslotte overlappen de genoemde projecties van de trajecten van de poolkettinggarens met de projecties van beide genoemde afstandshouders tegelijk.
De uitvinding is enerzijds van toepassing op een weefmachine volgens de uitvinding met afstandshouders, waarin elke afstandhouder in één houderelement vastgehouden wordt.
Meer bij voorkeur zijn de naast elkaar liggende afstandshouders als volgt uitgevoerd en opgesteld met een herhalingspatroon over 4 afstandshouders: een eerste afstandhouder die opgenomen is in een eerste houderelement en die zich, gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren, over een eerste afstand afbuigt naar de middenzone van de gaap; een tweede afstandhouder die opgenomen is in hetzelfde eerste houderelement en die zich, gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren, over een tweede, verschillend van de eerste afstand afbuigt naar de middenzone van de gaap; een derde afstandhouder die opgenomen is in het tweede houderelement en die zich, gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren, over een derde, verschillend van de tweede afstand afbuigt naar de middenzone van de gaap; een vierde afstandhouder die opgenomen is in het tweede houderelement en die zich, gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren, over een vierde, verschillend van de derde en de eerste afstand afbuigt naar de middenzone van de gaap.
Nog meer bij voorkeur is de derde afstand gelijk aan de eerste afstand, en de vierde afstand gelijk is aan de tweede afstand.
De uitvinding is anderzijds van toepassing op een weefmachine voor het weven van poolweefsels met afstandshouders die elk in twee houders gehouden worden die boven elkaar opgesteld zijn.
Bij voorkeur omvat de afstandhouder een doorgaand gedeelte, en een zich, gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren vóór dit doorgaande gedeelte, bevindende opnamevork.
Daarbij kunnen de projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van de opnamevork van een eerste afstandhouder en de projectie op dezelfde wijze van de naastliggende tweede afstandhouder elkaar binnen de gaapvormingszone enkel overlappen ter hoogte van het doorgaande gedeelte van deze naastliggende tweede afstandhouder, waarbij de opnamevork van de eerste afstandshouder zich verder uitstrekt weg van de houders dan de opnamevork van de tweede naastliggende afstandshouder.
Enerzijds kan de projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van de opnamevork van een eerste afstandhouder en de projectie op dezelfde wijze van een naastliggende afstandhouder elkaar binnen de gaapvormingszone enkel overlappen ter hoogte van de doorgaande gedeeltes van de afstandhouders.
Anderzijds kunnen de doorgaande gedeeltes van naast elkaar liggende afstandshouders zo uitgevoerd en opgesteld zijn dat deze gelijkmatig en centraal doorgaan.
Ten slotte kunnen de doorgaande gedeeltes van twee naast elkaar liggende afstandshouders zo uitgevoerd en opgesteld zijn dat het doorgaande gedeelte van de ene afstandhouder zich uitstrekt boven het doorgaande gedeelte van de andere naastliggende afstandhouder.
In een voordelige uitvoeringsvorm van een weefmachine volgens de uitvinding, is de weefmachine een dubbelstukweefmachine voor het weven van gesneden pool met of zonder lussenpool die voorzien is van een bovenste en een onderste snijdliniaal waartussen de afstandshouders zich uitstrekken.
Bij een dubbelstukweefmachine volgens de uitvinding, en wanneer de doorgaande gedeeltes van twee naast elkaar liggende afstandshouders zo uitgevoerd en opgesteld zijn dat het doorgaande gedeelte van de ene afstandhouder zich uitstrekt boven het doorgaande gedeelte van de andere naastliggende afstandhouder, gaan de genoemde doorgaande gedeeltes centraal door tussen het onderste en het bovenste snijdliniaal.
De dubbelstukweefmachine is bij voorkeur voorzien voor het weven van weefsels met lussenpool en is voorzien van een onderste snijdliniaal waarop de afstandshouders zich uitstrekken.
Het doel van de uitvinding wordt verder opgelost door te voorzien in een set van minstens twee afstandshouders voorzien om naast elkaar gemonteerd te worden in een weefmachine voor het weven van poolweefsels, bestaande uit inslaggarens, grondkettinggarens en poolkettinggarens, de weefmachine omvattende een onderste en/of bovenste snijdliniaal dat voorzien is voor het geleiden van minstens één poolweefsel; een garenvoorraad van poolkettinggarens; één of meerdere gaapvormingsinrichtingen die hevels aansturen waardoorheen zich grond- en of poolkettinggarens uitstrekken om deze kettinggarens tegenover de inslaggarens te positioneren; een aanvoerzone van poolkettinggarens die zich uitstrekt tussen de genoemde garenvoorraad en de genoemde hevels; een gaapvormingszone waarbinnen de poolkettinggarens kunnen bewegen, en die afgebakend wordt door de genoemde houders van de afstandshouders en de genoemde gaapvormingsinrichtingen; en waarbij de afstandshouders voorzien zijn om hetzij een constante poolhoogte te realiseren tussen twee gevormde poolweefsels, hetzij om de poollushoogte te bepalen in één of meerdere poolweefsels die lussenpool omvatten, en voorzien zijn om ingeklemd te worden in minstens twee houders die boven elkaar opgesteld zijn buiten de genoemde aanvoerzone; waarbij de afstandshouders zo uitgevoerd zijn dat, wanneer deze in de weefmachine gemonteerd zijn, bij projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van het traject van minstens één poolkettinggaren startend vanaf de houders van de afstandshouders tot aan de genoemde snijdlinialen, samen met de projecties in inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van de afstandhouder, gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren een eerste deel hebben waarvan de projectie niet overlapt met de projectie van het poolkettinggaren; een tweede deel hebben waarvan de projectie van één van de afstandshouders overlapt met de projectie van het traject van het poolkettinggaren en de projectie van de andere, naastliggende afstandhouder niet overlapt met de projectie van het traject van het poolkettinggaren; een derde deel hebben waarvan de projectie overlapt met de projectie van het traject van het poolkettinggaren.
De set volgens de uitvinding is bij voorkeur voorzien om gemonteerd te worden in een weefmachine volgens de uitvinding zoals hierboven omschreven.
Deze uitvinding wordt nu nader toegelicht aan de hand van de hierna volgende gedetailleerde beschrijving van een weefmachine en een set afstandshouders volgens de uitvinding. De bedoeling van deze beschrijving is uitsluitend een verduidelijkend voorbeeld te geven en om verdere voordelen en bijzonderheden van deze uitvinding aan te duiden, en kan dus geenszins geïnterpreteerd worden als een beperking van het toepassingsgebied van de uitvinding of van de in de conclusies opgeëiste octrooirechten.
In deze gedetailleerde beschrijving wordt door middel van referentiecijfers verwezen naar de hierbij gevoegde tekeningen, waarbij in figuur 1 een schematische projectie volgens inslagrichting van een deel van een dubbelstukweefmachine volgens de stand van de techniek wordt voorgesteld, waarbij een gedeelte van één set van twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders volgens de stand van de techniek gemonteerd in twee boven elkaar opgestelde houders wordt voorgesteld, figuur 2a een gedeelte van één van de afstandhouders uit de set afstandshouders zoals voorgesteld op de figuur 1 wordt voorgesteld, figuur 2b een gedeelte van de tweede, naast de eerste liggende afstandhouder uit de set afstandshouders zoals voorgesteld op de figuur 1 wordt voorgesteld, figuur 3a een projectie volgens inslagrichting volgens de lijn l-l zoals aangegeven op de figuur 1 wordt voorgesteld, figuur 3b een projectie volgens inslagrichting volgens de lijn ll-ll zoals aangegeven op de figuur 1 wordt voorgesteld, figuur 3c een projectie volgens inslagrichting volgens de lijn lll-lll zoals aangegeven op de figuur 1 wordt voorgesteld, figuur 4 een schematische projectie volgens inslagrichting van een gedeelte van een eerste uitvoeringsvorm van een dubbelstukweefmachine volgens de uitvinding wordt voorgesteld, waarbij een gedeelte van één set van 4 zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders volgens de uitvinding gemonteerd in twee boven elkaar opgestelde houders wordt voorgesteld, figuur 5a een gedeelte van de eerste afstandhouder uit de set afstandshouders zoals voorgesteld op de figuur 4 wordt voorgesteld, figuur 5b een gedeelte van de tweede, naast de eerste liggende afstandhouder uit de set afstandshouders zoals voorgesteld op de figuur 4 wordt voorgesteld, figuur 5c een gedeelte van de derde, naast de tweede liggende afstandhouder uit de set afstandshouders zoals voorgesteld op de figuur 4 wordt voorgesteld, figuur 5d een gedeelte van de vierde, naast de derde liggende afstandhouder uit de set afstandshouders zoals voorgesteld op de figuur 4 wordt voorgesteld, figuur 6a een projectie volgens inslagrichting volgens de lijn l-l zoals aangegeven op de figuur 4 wordt voorgesteld, figuur 6b een projectie volgens inslagrichting volgens de lijn ll-ll zoals aangegeven op de figuur 4 wordt voorgesteld, figuur 6c een projectie volgens inslagrichting volgens de lijn lll-lll zoals aangegeven op de figuur 4 wordt voorgesteld, figuur 7 een schematische projectie volgens inslagrichting van een gedeelte van een tweede uitvoeringsvorm van een dubbelstukweefmachine volgens de uitvinding wordt voorgesteld, waarbij een gedeelte van één set van 2 zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders volgens de uitvinding die elk gemonteerd zijn in twee boven elkaar opgestelde houders wordt voorgesteld, figuur 8a een gedeelte van de eerste afstandhouder uit de set afstandshouders zoals voorgesteld op de figuur 7 wordt voorgesteld, figuur 8b een gedeelte van de tweede, naast de eerste liggende afstandhouder uit de set afstandshouders zoals voorgesteld op de figuur 7 wordt voorgesteld, figuur 9a een projectie volgens inslagrichting volgens de lijn l-l zoals aangegeven op de figuur 7 wordt voorgesteld, figuur 9b een projectie volgens inslagrichting volgens de lijn ll-ll zoals aangegeven op de figuur 7 wordt voorgesteld, figuur 9c een projectie volgens inslagrichting volgens de lijn lil-lll zoals aangegeven op de figuur 4 wordt voorgesteld, figuur 10 een gedeelte van een derde uitvoeringsvorm van een set van 2 zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders volgens de uitvinding die elk gemonteerd zijn in twee boven elkaar opgestelde houders wordt voorgesteld, waarbij het doorgaande deel gelijkmatig en centraal doorgaat tussen het onderste en het bovenste snijdliniaal van de dubbelstukweefmachine, figuren 11 en 12 een gedeelte van een vierde en een vijfde uitvoeringsvorm van een set van 2 zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders volgens de uitvinding die elk gemonteerd zijn in twee boven elkaar opgestelde houders wordt voorgesteld, en waarbij het doorgaande deel uitgesplitst is in een doorgaand deel van de ene afstandshouder dat zich boven het doorgaande deel van de andere naastliggende afstandshouder uitstrekt.
De dubbelstukweefmachine volgens de stand van de techniek, zoals voorgesteld in het hierboven geciteerde EP 1 568 809, en waarvan een gedeelte wordt voorgesteld op de figuur 1, is voorzien voor het weven van poolweefsels (niet voorgesteld op de figuur), bestaande uit inslaggarens, grondkettinggarens en poolkettinggarens (a). De weefmachine omvat daarbij: een onderste en/of bovenste snijdliniaal (niet voorgesteld op de figuren) dat voorzien is voor het geleiden van minstens één poolweefsel; meerdere sets (b) van minstens twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders (c, d), ook lancetten genaamd, die zich uitstrekken tussen de poolkettinggarens (a) en die voorzien zijn om hetzij een constante poolhoogte te realiseren tussen twee gevormde poolweefsels, hetzij om de poollushoogte te bepalen in één of meerdere poolweefsels die lussenpool omvatten, waarbij deze twee zich naast elkaar uitstrekkende lancetten (c, d) op hun uiteinde ter hoogte van de één of meerdere snijdlinialen bij projectie in inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting samenvallende projecties hebben; een garenvoorraad (e) van poolkettinggarens (a); één of meerdere gaapvormingsinrichtingen die hevels (f) aansturen waardoorheen zich grond- en of poolkettinggarens (a) uitstrekken om deze kettinggarens tegenover de inslaggarens te positioneren; een aanvoerzone van poolkettinggarens (a) die zich uitstrekt tussen de genoemde garenvoorraad (e) en de genoemde hevels (f); een dubbele houder (g, h) om de lancetten (b, c) in te klemmen, waarbij de houders (g, h) boven elkaar opgesteld zijn buiten de genoemde aanvoerzone waarbij één houder (g) is opgesteld boven de genoemde aanvoerzone en de andere houder (h) is opgesteld onder de genoemde aanvoerzone; een gaapvormingszone (i) waarbinnen de poolkettinggarens (a) kunnen bewegen, en die afgebakend wordt door de genoemde houders (g, h) van de afstandshouders (a) en de genoemde gaapvormingsinrichtingen, meer bepaald afgebakend door de grenslijnen (x en y).
Zoals te zien is op de figuur 2 van de stand van de techniek, hebben de lancetten (c, d) uit de set (b) identiek dezelfde vorm. Dit heeft als gevolg dat, zoals reeds hierboven vermeld, tijdens hun beweging naar de weefsellijn toe de verschillende grond- en poolkettinggarens (a) tussen de naast elkaar lancetten (c, d) worden getrokken (zoals te zien is op de stand van de techniek figuren), en dus de poolkettinggarens (a) bewegen van een zone waarin bij projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting de projecties van een poolkettinggaren (a) niet overlapt met de projecties van de lancetten (c, d) (zie figuur 3a) naar een zone waarin bij projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting de projectie van een poolkettinggaren (a) overlappen met de beide projecties van de lancetten (c, d) (zie figuren 3b en 3c), waardoor in de situatie zoals reeds hierboven vermeld, extra belasting en wrijving op de poolkettinggarens (a) kan ontstaan, vooral bij poolkettinggarens (a) met knopen, met verhoogde slijtage van de afstandshouders (c, d) als gevolg, waardoor deze scherpere randen verkrijgen die nog meer beschadiging van de poolkettinggarens (a) teweeg brengen.
Een weefmachine volgens de uitvinding, waarvan een gedeelte schematisch is voorgesteld op de figuren 1, 4, 7 en 10 - 12, is voorzien voor het weven van poolweefsels (niet voorgesteld op de figuren) bestaande uit inslaggarens, grondkettinggarens en poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18”’), en omvat: een onderste en/of bovenste snijdliniaal (niet voorgesteld op de figuren) dat voorzien is voor het geleiden van minstens één poolweefsel; minstens één set (100) van minstens twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) die zich uitstrekken tussen de poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18’”) en die voorzien zijn om hetzij een constante poolhoogte te realiseren tussen twee gevormde poolweefsels, hetzij om de poollushoogte te bepalen in één of meerdere poolweefsels die lussenpool omvatten, waarbij deze twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) op hun uiteinde ter hoogte van de één of meerdere snijdlinialen bij projectie in inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting samenvallende projecties hebben; een garenvoorraad (20) van poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18’”); één of meerdere gaapvormingsinrichtingen die hevels (19) aansturen waardoorheen zich grond- en of poolkettinggarens (18, 18', 18”, 18’”) uitstrekken om deze kettinggarens tegenover de inslaggarens te positioneren; een aanvoerzone van poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18’”) die zich uitstrekt tussen de genoemde garenvoorraad (20) en de genoemde hevels (19); minstens twee houders (7, 8) om de afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) in te klemmen, en die boven elkaar opgesteld zijn buiten de genoemde aanvoerzone; een gaapvormingszone (9) waarbinnen de poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18’”) kunnen bewegen, en die afgebakend wordt door de genoemde houders (7, 8) van de afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) en de genoemde gaapvormingsinrichtingen, meer bepaald afgebakend door de twee grenslijnen (15 en 16).
De afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) zijn daarbij zo uitgevoerd en opgesteld dat, de projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van het traject van minstens één poolkettinggaren (18, 18’, 18”, 18”’) startend vanaf de houders (7, 8) van de afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) tot aan de genoemde snijdlinialen, samen met de projecties in inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van de genoemde twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42), gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren (18, 18’, 18”, 18’”), achtereenvolgens in volgend verband ten opzichte van elkaar staan: in een eerste deel overlapt de genoemde projectie van het traject van het poolkettinggaren (18, 18’, 18”, 18’”) met geen enkele van de projecties van de twee genoemde afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42); daarna overlapt de genoemde projectie van het traject van het poolkettinggaren (18, 18’, 18”, 18’”) met de projectie van één van de genoemde projecties van de twee genoemde afstandshouders (1 -4, 11, 12, 21,22, 31, 32, 41 en 42) afzonderlijk, en tenslotte overlapt de genoemde projectie van het traject van het poolkettinggaren (18, 18’, 18”, 18’”) met de projecties van beide genoemde afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) tegelijk.
Er dient opgemerkt te worden dat met de term “traject” van een poolkettinggaren (18, 18’) zowel bedoeld wordt het verloop van een het poolkettinggaren (18, 18’, 18", 18”’) tussen de garenvoorraad (20, 20’) en het heveloog (19a, 19a’) in stilstand, als de beweging die een punt van een poolkettinggaren (bvb een knoop van een poolkettinggaren) aflegt tussen de garenvoorraad en het heveloog. Deze laatste interpretatie van de term “traject” is belangrijk gezien tijdens deze beweging van het poolkettinggaren tussen de garenvoorraad en het heveloog, de poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18’”) ook op en neer bewegen in de gaapvormingszone.
Bij voorkeur kunnen de afstandshouders (1 -4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) zo uitgevoerd en opgesteld zijn dat, de projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van het traject van elk van de poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18”’) startend vanaf de houders (7, 8) van de afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) tot aan de genoemde snijdlinialen, samen met de projecties in inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van de genoemde twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders (1 - 4,11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42), gezien in de bewegingsrichting van de poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18’”), achtereenvolgens in volgend verband ten opzichte van elkaar staan: in een eerste deel overlappen de genoemde projecties van de trajecten van de poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18”’) met geen enkele van de projecties van de twee genoemde afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42), daarna overlappen de genoemde projecties van de trajecten van de poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18’”) met de projectie van één van de genoemde projecties van de twee genoemde afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21,22, 31, 32,41 en 42) afzonderlijk, en tenslotte overlappen de genoemde projecties van de trajecten van de poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18’”) met de projecties van beide genoemde afstandshouders (1 -4, 11,12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) tegelijk.
De uitvinding is enerzijds van toepassing op afstandshouders (1 - 4) die elk slechts in één houder (7, 8) gehouden worden.
In een dergelijke uitvoeringsvorm zoals voorgesteld is op de figuur 4, bestaat een set van afstandshouders uit 4 afstandshouders (1 - 4) die, zoals voorgesteld op de figuren 5a tot 5d, een verschillend profiel hebben bij projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting. Elk van de afstandshouders is dus opgenomen in slechts één houder (7, 8), terwijl de opname van de verschillende afstandshouders (1 - 4) verdeeld is over de verschillende houders (7, 8).
De gaapvormingszone (9) start ter hoogte van de afstandshouders (1 - 4) en wordt begrensd door de grenslijnen (15,16).
De naast elkaar liggende afstandshouders (1 - 4) zijn bij voorkeur als volgt uitgevoerd en opgesteld met een herhalingspatroon over 4 afstandshouders (1 - 4): een eerste afstandhouder (1) die opgenomen is in een eerste houder (7) en die zich, gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren (18, 18’), over een eerste afstand afbuigt naar de middenzone van de gaap; een tweede afstandhouder (2) die opgenomen is in dezelfde eerste houder (7) en die zich, gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren (18; 18’), over een tweede, verschillend van de eerste afstand afbuigt naar de middenzone van de gaap; een derde afstandhouder (3) die opgenomen is in de tweede houder (8) die zich, gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren (18, 18’), over een derde, verschillend van de tweede afstand afbuigt naar de middenzone van de gaap; een vierde afstandhouder (4) die opgenomen is in de tweede houder (8) en die zich, gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren (18, 18’), over een vierde, verschillend van de derde en de eerste afstand afbuigt naar de middenzone van de gaap.
In deze uitvoeringsvorm, strekt een eerste poolkettinggaren (18) zich uit tussen twee naast elkaar liggende afstandshouders, i.e. afstandshouders (2 en 4), vertrekkende van een garenvoorraad (20) (die in de figuren symbolisch is voorgesteld als een bobijn die in de praktijk doorgaans in een weefrek wordt opgesteld), en beweegt zich verder tussen de twee boven elkaar liggende houders (7 en 8) om daarna zijn weg verder te zetten vanaf de voorzijde van de houder (7,8) in een rechte lijn naar het heveloog (19a) in de hevel (19) die aangestuurd wordt door de gaapvormingsinrichting. In zijn traject doorheen de gaapvormingszone (9) staat de projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van het traject van het poolkettinggaren (18) startend vanaf de houder (8) van de afstandshouders (2 en 4) tot aan de snijdlinialen, en dezelfde projecties van de twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders (2 en 4), gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren (18), achtereenvolgens in volgend verband ten opzichte van elkaar: zoals te zien is in de figuur 6a, overlapt in een eerste deel de genoemde projectie van het poolkettinggaren (18) met geen enkele van de projecties van de twee genoemde afstandshouders (2 en 4); zoals te zien is in de figuur 6b, overlapt de genoemde projectie van het poolkettinggaren (18) met de projectie van de genoemde projectie van afstandshouders (4), en zoals te zien is in de figuur 6c, overlapt de genoemde projectie van het poolkettinggaren (18) met de projecties van de beide genoemde afstandshouders (2 en 4).
In de doorsnede voorgesteld op figuur 6a ligt de eerste afstandshouder (2) waarvan de projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting overlapt met de projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van het poolkettinggaren (18) op 4 keer de steekafstand van de volgende afstandshouder, namelijk deze met hetzelfde profiel.
Een tweede poolkettinggaren (18’), dat zich uitstrekt tussen twee andere naast elkaar liggende afstandshouders, i.e. afstandshouders (3, 4), strekt zich uit vertrekkende van een garenvoorraad (20’), beweegt zich tussen de twee boven elkaar liggende afstandshouders (7, 8) en zet zijn weg verder vanaf de voorzijde van de houders (7, 8) in een rechte lijn naar het heveloog (19a’) in de hevel (19’) die aangestuurd wordt door de gaapvormingsinrichting. In zijn traject doorheen de gaapvormingszone (9) staan de projecties volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van het traject van het poolkettinggaren (18’) startend vanaf de houder (7) van de afstandshouders (3, 4) tot aan de snijdlinialen, en van de twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders (3, 4), gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren (18’), achtereenvolgens in volgend verband ten opzichte van elkaar: zoals te zien is in de figuur 6a, overlapt in een eerste deel de genoemde projectie van het traject van het poolkettinggaren (18’) met de projectie van de afstandshouder (3); en zoals te zien is in de figuur 6b, overlapt de genoemde projectie van het traject van het poolkettinggaren (18’) met de projectie van de genoemde projectie van afstandshouder (4).
In een verder deel kort vóór de snijdlinialen waar de weefsels gevormd worden door de ingebrachte inslagen met het weefriet tegen de weefselrand aan te slaan, zal de projectie van het traject van het poolkettinggaren (18’) overlappen met de projectie van beide genoemde afstandshouders (3, 4) wanneer het poolkettinggaren (18’) zich, in het geval van dubbelstukweven, heeft bewogen van het bovenste weefsel naar het onderste weefsel, bijvoorbeeld wanneer het zich poolvormend heeft afgebonden over een inslaggaren ingebracht in het bovenweefsel, waarna het poolvormend zal afgebonden worden over een inslag in het onderweefsel.
Een verdere voorkeursuitvoeringsvorm zoals voorgesteld op de figuur 4, bestaat er in dat de derde afstand gelijk is aan de eerste afstand, en de vierde afstand gelijk is tweede afstand.
De uitvinding is anderzijds van toepassing op afstandshouders (11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) die elk in twee houders (7, 8) gehouden worden die boven elkaar zijn opgesteld.
In een dergelijk uitvoeringsvorm zoals voorgesteld is op de figuur 7, worden de afstandshouders (11, 12) opgenomen in de beide houders (7, 8) en hebben, zoals voorgesteld op de figuren 8a en 8b een verschillend profiel bij projectie volgens de inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting.
De gaapvormingszone (9) start ter hoogte van de houders (7, 8) en wordt begrensd door de grenslijnen (15,16).
In deze uitvoeringsvorm, strekt een eerste poolkettinggaren (18”) zich uit tussen de twee naast elkaar liggende afstandshouders (11, 12). Poolkettinggaren (18”) vertrekt van een garenvoorraad (20), en beweegt zich verder tussen de twee boven elkaar liggende houders (7, 8) om daarna zijn weg verder te zetten vanaf de voorzijde van de houders (7,8) in een rechte lijn naar het heveloog (19a) in de hevel (19) die aangestuurd wordt door de gaapvormingsinrichting. In zijn traject doorheen de gaapvormingszone (9) staan de projecties volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van het traject van het poolkettinggaren (18”) startend vanaf de houder (8) van de afstandshouders (11,12) tot aan de snijdlinialen, en van de twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders (11, 12), gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren (18”), achtereenvolgens in volgend verband ten opzichte van elkaar: zoals te zien is in de figuur 9a, overlapt in een eerste deel de genoemde projectie van het poolkettinggaren (18”) met de projectie van de afstandshouder (12); zoals te zien is in de figuur 9b, overlapt de genoemde projectie van het poolkettinggaren (18”) met de projectie van de genoemde projectie van afstandshouder (12); zoals te zien is in de figuur 9c, overlapt de genoemde projectie van het poolkettinggaren (18”) met de projecties van de beide afstandshouders (11, 12).
In de doorsnede voorgesteld in de figuur 9a ligt de eerste afstandshouder (12) waarvan de projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting overlapt met de projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van het poolkettinggaren (18”) op 2 keer de steekafstand van de volgende afstandshouder, namelijk deze met hetzelfde profiel.
Een tweede poolkettinggaren (18”’), dat zich uitstrekt tussen de twee naast elkaar liggende afstandshouders (11, 12), strekt zich uit vertrekkende van een garenvoorraad (20), beweegt zich tussen de twee boven elkaar liggende afstandshouders (7, 8) en zet zijn weg verder vanaf de voorzijde van de houders (7, 8) in een rechte lijn naar het heveloog (19a’”) in de hevel (19’”) die aangestuurd wordt door de gaapvormingsinrichting. In zijn traject doorheen de gaapvormingszone (9) staan de projecties volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van het traject van het poolkettinggaren (18”’) startend vanaf de houder (7) van de afstandshouders (11, 12) tot aan de snijdlinialen, en van de twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders (11, 12), gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren (18’”), achtereenvolgens in volgend verband ten opzichte van elkaar: zoals te zien is in de figuur 9a, overlapt in een eerste deel de genoemde projectie van het poolkettinggaren (18’”) met de projectie van de afstandshouder (12); en zoals te zien is in de figuur 9b, overlapt de genoemde projectie van het poolkettinggaren (18”’) met de projectie van de genoemde projectie van afstandshouder (11).
In een verder deel, kort voor de snijdlinialen waar de weefsels gevormd worden door de ingebrachte inslagen met het weefriet tegen de weefselrand aan te slaan, zal de projectie van het traject van het poolkettinggaren (18”’) overlappen met de projectie van beide genoemde afstandshouders wanneer bijvoorbeeld het heveloog (19a’”) zich in een positie boven de afstandshouders (11,12) bevindt.
In de uitvoeringsvormen zoals voorgesteld op de figuren 7 en 10 tot en met 12, omvatten de afstandshouders (11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) een opnamevork (50, 60, 70, 80, 90, 100), dewelke het gedeelte van de afstandshouders (11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) is vanaf het doorgaande deel (51, 61, 71, 81, 91, 101) naarde houders (7, 8) toe. De opnamevork (50, 60, 70, 80, 90, 100) neemt ten opzichte van het doorgaande deel (51, 61, 71, 81, 91, 101) een grotere hoogte in en splitst zich op in twee benen die elk opgenomen worden in één van de houders (7, 8).
De opnamevork (50, 55, 70, 90) van de eerste afstandshouder (11, 21, 31, 41) strekt zich daarbij verder uit weg van de houders (7, 8) dan de opnamevork (60, 65, 80, 100) van de tweede naastliggende afstandshouder (12, 22, 32, 42).
In de uitvoeringsvorm zoals voorgesteld op de figuur 7, overlappen de projecties volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van de opnamevork (50, 55, 70, 90) van een eerste afstandhouder (11, 21, 31, 41) en de projecties op dezelfde wijze van de naastliggende afstandhouders (12, 22, 32, 42) elkaar binnen de gaapvormingszone enkel ter hoogte van de doorgaande gedeeltes (51, 61, 56, 66, 71, 81, 91, 101) van de afstandhouders (11, 12, 21, 22, 31, 32, 41, 42).
Deze uitvoeringsvormen hebben als voordeel dat de projecties volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van poolkettinggarens (18’”) die zich in de gaapvorming buiten de centrale zone van de gaap uitstrekken (buiten de centrale zone is de zone die in de figuur 7 zich buiten de doorlopende gedeeltes (51, 61) van de afstandshouders (11, 12) bevindt), nergens overlappen met de projecties volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van twee afstandshouders (11, 12) die zich op steekafstand van elkaar bevinden. In een eerste deel van het traject van deze poolkettinggarens (18”’) overlapt de projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van deze poolkettinggarens (18”’) met de projectie van de eerste afstandshouder (11), en in een tweede deel overlapt de projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van deze poolkettinggarens (18”’) met de projectie van de tweede afstandshouder (12), waarbij de overlapping met de projectie van de eerste afstandshouder (11) reeds is opgehouden. Dit betekent dat de impact van botsingen van het poolkettinggaren in kettingrichting bij het binnenkomen van het pakket van afstandshouders beperkt blijft.
De impact die het poolkettinggaren (18’”) ondervindt wanneer er botsing optreedt met een naastliggende afstandshouder (11 en/of 12), is beperkt door de aanwezigheid van één afstandshouder (11 of 12) per dubbele steekafstand tussen de afstandshouders (11, 12), wat het risico op poolkettinggarenbreuk verkleint en de slijtage van de afstandshouders beperkt.
In de uitvoeringsvorm zoals voorgesteld op de figuur 10, overlappen de projecties volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van de opnamevork (56) van een eerste afstandshouder (21) en de opnamevork (66) van de tweede afstandshouder (12) elkaar binnen de gaapvormingszone (9) ter hoogte van de doorgaande delen (56, 66) van de afstandshouders (21, 22). Echter, er treedt bij projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting ook een gedeeltelijke overlapping op van de opnamevorken (55, 65). Bijgevolg is het zo dat in deze uitvoeringsvorm de projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting de projectie van het traject van elk van de poolkettinggarens (niet voorgesteld op deze figuur) eerst overlapt met de projectie van de afstandshouder (22), en aansluitend bijkomend overlapt met de projectie van de afstandshouder (21). Echter, ook in deze uitvoeringsvorm zal de impact wanneer dergelijke poolkettinggarens in contact treden met de afstandshouders (21, 22) beperkt worden door de spreiding van de impact in de tijd. Dit komt door het feit dat de projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van de delen van het poolkettinggaren die aanleiding geven tot gevoelige impact bij startend contact met de afstandshouders (21, 22) op een verschillend tijdstip overlapt met de projecties van de naastliggende afstandshouders (21, 22), zodat wanneer de delen van het poolkettinggaren met de afstandshouders (21, 22) in botsing komen op een verschillend tijdstip zal gebeuren. Het verschil in impact is aanzienlijker wanneer een knoop voorkomt in het poolkettinggaren, bijvoorbeeld waar het poolkettinggaren van twee bobijnen met elkaar verbonden wordt of wanneer een gebroken poolkettinggaren hersteld wordt.
Bij deze uitvoeringsvorm verloopt het doorgaande deel (56, 66) gelijkmatig en centraal tot het tussen het onderste en het bovenste snijdliniaal uitkomt.
Echter, zoals is voorgesteld op de figuren 11 en 12 kan het doorgaande deel (71, 81, resp. 91, 101) van naast elkaar liggende afstandshouders (31, 32, resp. 41, 42) uitgesplitst worden in een doorgaand deel (71, resp. 91) van de ene afstandshouder (31, 41) dat zich uitstrekt boven het doorgaande deel (81, resp. 101) van de andere ernaast liggende afstandshouder (32, resp. 42).
Op deze manier worden de zones (17) waarbinnen poolkettinggarens (niet voorgesteld op de figuren) zich dienen voort te bewegen tussen twee afstandshouders (31, 41, resp. 32, 42) die op een afstand van elkaar liggen gelijk aan de steekafstand tussen naast elkaar liggende afstandshouders (31, 41, resp. 32, 42) sterk beperkt. Een dergelijke zone treedt ook nog altijd op het uiteinde van de afstandshouders (31, 41, resp. 32, 42) ter hoogte van de inslaginbrengmiddelen (12, 13) omdat daar de doorgaande gedeeltes (71, 81, resp. 91, 101) terug samen komen. Daar kunnen terug situaties optreden waarbij poolkettinggarens gelijktijdig met twee naast elkaar liggende afstandshouders (31, 41, resp. 32, 42) in contact treden. Echter, hoe dichter dit contact met de afstandshouders (31, 41, resp. 32, 42) zich bij de weefsellijn bevindt, hoe lager de spanningsopbouw in het poolkettinggaren is door de beperktere wrijving over deze kortere lengtes waarover de poolkettinggarens met de afstandshouders in contact zijn.
In de figuur 11 starten de beide doorgaande gedeeltes (71, 81) van de afstandshouders (31, 32) reeds van bij de overgang met de opnamevorken (70, 80) en splitsen zich verder weg van de houders (7, 8) uit in boven elkaar gelegen doorgaande gedeeltes (71, 81) met de hierboven genoemde voordelen als gevolg.
Wanneer zoals in de figuur 12 beide doorgaande gedeeltes (91, 101) reeds van bij de overgang met de opnamevorken (90, 100) in hoogterichting boven elkaar uitgevoerd worden, verkleint nog de zone waarin de projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van poolkettinggarens (niet voorgesteld op de figuren) overlapt met de projectie van de afstandshouders (41,42) die op een afstand van elkaar liggen gelijk aan de steekafstand van de afstandshouders (41, 42) en waartussen deze poolkettinggarens zich uitstrekken. Hierdoor vermindert de spanning opgebouwd in de poolkettinggarens en vermindert het risico op poolkettinggarenbreuk en de slijtage van de afstandshouders (41,42).
De weefmachine kan zowel een enkelstuk- als een dubbelstukweefmachine zijn.
De dubbelstukweefmachine kan daarbij voorzien zijn voor het weven van pool met of zonder tussenpooi, waarbij een bovenste en een onderste snijdliniaal voorzien is waartussen de afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) zich uitstrekken, en waarbij het bovenste en het onderste snijdliniaal de (som van de) poolhoogtes van de weefsels of de lussenhoogte van de poollussen in de weefsels bepalen.
Een enkelstukweefmachine is daarbij doorgaans voorzien van één snijdliniaal, i.e. een onderste snijdliniaal, waarop de afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) zich uitstrekken en waarbij de afstandshouders (1 -4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) ingezet worden om de lussenhoogte te borgen.
Claims (15)
1. Weefmachine voor het weven van poolweefsels bestaande uit inslaggarens, grondkettinggarens en poolkettinggarens, omvattende: een onderste en/of bovenste snijdliniaal dat voorzien is voor het geleiden van minstens één poolweefsel; minstens één set (100) van minstens twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) die zich uitstrekken tussen de poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18”’) en die voorzien zijn om hetzij een constante poolhoogte te realiseren tussen twee gevormde poolweefsels, hetzij om de poollushoogte te bepalen in één of meerdere poolweefsels die lussenpool omvatten, waarbij deze twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders (1 -4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) op hun uiteinde ter hoogte van de één of meerdere snijdlinialen bij projectie in inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting samenvallende projecties hebben; een garenvoorraad (20, 20’) van poolkettinggarens; één of meerdere gaapvormingsinrichtingen die hevels aansturen waardoorheen zich grond- en of poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18’”) uitstrekken om deze kettinggarens tegenover de inslaggarens te positioneren; een aanvoerzone van poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18’”) die zich uitstrekt tussen de genoemde garenvoorraad en de genoemde hevels; minstens twee houders (7, 8) om de afstandshouders (1 - 4,11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) in te klemmen, en die boven elkaar opgesteld zijn buiten de genoemde aanvoerzone; een gaapvormingszone (9) waarbinnen de poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18’”) kunnen bewegen, en die afgebakend wordt door de genoemde houders (7, 8) van de afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) en de genoemde gaapvormingsinrichtingen; met het kenmerk dat de afstandshouders (1 -4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) zo uitgevoerd en opgesteld zijn dat, de projecties volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van het traject van minstens één poolkettinggaren (18, 18’, 18”, 18”’) startend vanaf de houders (7, 8) van de afstandshouders (1 - 4,11,12,21,22, 31, 32,41 en 42) tot aan de genoemde snijdlinialen, en van de genoemde twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42), gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren (18, 18’, 18”, 18’”), achtereenvolgens in volgend verband ten opzichte van elkaar staan: in een eerste deel overlapt de genoemde projectie van het traject van het poolkettinggaren (18, 18’, 18”, 18’”) met geen enkele van de projecties van de twee genoemde afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22,31,32,41 en 42); daarna overlapt de genoemde projectie van het traject van het poolkettinggaren (18, 18’, 18”, 18’”) met de projectie van één van de genoemde projecties van de twee genoemde afstandshouders (1-4, 11,12, 21, 22, 31, 32,41 en 42) afzonderlijk, en tenslotte overlapt de genoemde projectie van het traject van het poolkettinggaren (18, 18’, 18”, 18’”) met de projecties van beide genoemde afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) tegelijk.
2. Weefmachine volgens conclusie 1, met het kenmerk dat de afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) zo uitgevoerd en opgesteld zijn dat de projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van het traject van elk van de poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18’”) startend vanaf de houders (7, 8) van de afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31,32, 41 en 42) tot aan de genoemde snijdlinialen, samen met de projecties in inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van de genoemde twee zich naast elkaar uitstrekkende afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42), gezien in de bewegingsrichting van de poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18’”), achtereenvolgens in volgend verband ten opzichte van elkaar staan: in een eerste deel overlapt de genoemde projectie van de poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18’”) met geen enkele van de projecties van de twee genoemde afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42), daarna overlapt de genoemde projectie van elk traject van een poolkettinggaren (18, 18’, 18”, 18”’) met de projectie van één van de genoemde projecties van de twee genoemde afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) afzonderlijk, en tenslotte overlapt de genoemde projectie van elk traject van een poolkettinggaren (18, 18’, 18”, 18’”) met de projecties van beide genoemde afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) tegelijk.
3. Weefmachine volgens conclusie 1 of 2, met het kenmerk dat elke afstandhouder (1 - 4) in één houderelement (7, 8) vastgehouden wordt.
4. Weefmachine volgens conclusie 3, met het kenmerk dat de naast elkaar liggende afstandshouders (1 - 4) als volgt uitgevoerd en opgesteld zijn met een herhalingspatroon over 4 afstandshouders (1 - 4): een eerste afstandhouder (1) die opgenomen is in een eerste houder (7) en die zich, gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren (18, 18’), over een eerste afstand afbuigt naar de middenzone van de gaap; een tweede afstandhouder (2) die opgenomen is in hetzelfde eerste houder (7) en die zich, gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren (18; 18’), over een tweede, verschillend van de eerste afstand afbuigt naar de middenzone van de gaap; een derde afstandhouder (3) die opgenomen is in de tweede houder (8) die zich, gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren (18, 18’), over een derde, verschillend van de tweede afstand afbuigt naar de middenzone van de gaap; een vierde afstandhouder (4) die opgenomen is in de tweede houder (8) en die zich, gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren (18, 18’), over een vierde, verschillend van de derde en de eerste afstand afbuigt naar de middenzone van de gaap.
5. Weefmachine volgens conclusie 4, met het kenmerk dat de derde afstand gelijk is aan de eerste afstand, en de vierde afstand gelijk is aan de tweede afstand.
6. Weefmachine volgens conclusie 1 of 2, met het kenmerk dat elke afstandhouder (11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) in twee houders (7, 8) gehouden wordt die boven elkaar opgesteld zijn.
7. Weefmachine volgens conclusie 6, met het kenmerk dat een afstandhouder (11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) een doorgaand gedeelte (51, 61, 56; 66, 71, 81, 91, 101) omvat, en een zich, gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren (18”, 18”’) vóór dit doorgaande gedeelte (51, 61, 56; 66, 71, 81, 91, 101), bevindende opnamevork (50, 60, 55, 65, 70, 80, 90,100) omvat, waarbij de opnamevork (50, 55, 70, 90) van de eerste afstandshouder (11, 21, 31, 41) zich verder uitstrekt weg van de houders (7, 8) dan de opnamevork (60, 65, 80, 100) van de tweede naastliggende afstandshouder (12, 22, 32, 42),
8. Weefmachine volgens conclusie 7, met het kenmerk dat de projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van de opnamevork (50, 55, 70, 90) van een eerste afstandhouder (11, 21, 31, 41) en de projectie op dezelfde wijze van een naastliggende afstandhouder (12, 22, 32, 42) elkaar binnen de gaapvormingszone enkel overlappen ter hoogte van de doorgaande gedeeltes (51, 61, 56, 66, 71, 81, 91, 101) van de afstandhouders (11, 12, 21, 22, 31,32,41,42).
9. Weefmachine volgens conclusie 8, met het kenmerk dat de doorgaande gedeeltes (51, 61, 56, 66) van naast elkaar liggende afstandshouders (11, 12, 21, 22) zo uitgevoerd en opgesteld zijn dat deze gelijkmatig en centraal doorgaan.
10. Weefmachine volgens conclusie 7, met het kenmerk dat de doorgaande gedeeltes (71, 81, 91, 101) van twee naast elkaar liggende afstandshouders (31, 32, 41, 42) zo uitgevoerd en opgesteld zijn dat het doorgaande gedeelte (71, 91) van de ene afstandhouder (32, 42) zich uitstrekt boven het doorgaande gedeelte (81, 101) van de andere naastliggende afstandhouder (31,41).
11. Weefmachine volgens één van de voorgaande conclusies, met het kenmerk dat de weefmachine een dubbelstukweefmachine is voor het weven van gesneden pool met of zonder lussenpool die voorzien is van een bovenste en een onderste snijdliniaal waartussen de afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32,41 en 42) zich uitstrekken.
12. Weefmachine volgens conclusie 9 en 11, met het kenmerk dat de genoemde doorgaande gedeeltes (51, 56, 61, 66, 71, 81, 91, 101) centraal doorgaan tussen het onderste en het bovenste snijdliniaal.
13. Weefmachine volgens één conclusie 11 of 12, met het kenmerk dat de weefmachine een dubbelstukweefmachine is voor het weven van weefsels met lussenpool die voorzien is van een onderste snijdliniaal waarop de afstandshouders (1 - 4,11,12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) zich uitstrekken.
14. Set (100) van minstens twee afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) voorzien om naast elkaar gemonteerd te worden in een weefmachine voor het weven van poolweefsels, bestaande uit inslaggarens, grondkettinggarens en poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18”’), de weefmachine omvattende een onderste en/of bovenste snijdliniaal dat voorzien is voor het geleiden van minstens één pooiweefsel; een garenvoorraad van poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18”’); één of meerdere gaapvormingsinrichtingen die hevels aansturen waardoorheen zich grond- en of poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18’”) uitstrekken om deze kettinggarens tegenover de inslaggarens te positioneren; een aanvoerzone van poolkettinggarens (18, 18’, 18”, 18’”) die zich uitstrekt tussen de genoemde garenvoorraad (20, 20’, 20”, 20’”) en de genoemde hevels (19a, 19a’, 19a”, 19a’”); een gaapvormingszone waarbinnen de poolkettinggarens (18, 18’, 18", 18’”) kunnen bewegen, en die afgebakend wordt door de genoemde houders (7, 8) van de afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) en de genoemde gaapvormingsinrichtingen; en waarbij de afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) voorzien zijn om hetzij een constante poolhoogte te realiseren tussen twee gevormde poolweefsels, hetzij om de poollushoogte te bepalen in één of meerdere poolweefsels die lussenpool omvatten, en voorzien zijn om ingeklemd te worden in minstens twee houders (7, 8) die boven elkaar opgesteld zijn buiten de genoemde aanvoerzone; met het kenmerk dat de afstandshouders (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32,41 en 42) zo uitgevoerd zijn dat, wanneer deze in de weefmachine gemonteerd zijn, bij projectie volgens inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van het traject van minstens één poolkettinggaren (18, 18’, 18”, 18’”) startend vanaf de houders (7, 8) van de afstandshouders (1 -4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) tot aan de genoemde snijdlinialen, samen met de projecties in inslagrichting op een vlak loodrecht op de inslagrichting van de afstandhouder (1 - 4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42), gezien in de bewegingsrichting van het poolkettinggaren (18,18’, 18”, 18’”) een eerste deel hebben waarvan de projectie niet overlapt met de projectie van het traject van het poolkettinggaren (18,18’, 18”, 18’”); een tweede deel hebben waarvan de projectie van één van de afstandshouders (1 - 4,11,12, 21, 22, 31, 32,41 en 42) overlapt met de projectie van het traject van het poolkettinggaren (18, 18’, 18”, 18’”) en de projectie van de andere, naastliggende afstandhouder (1 -4, 11, 12, 21, 22, 31, 32, 41 en 42) niet overlapt met de projectie van het poolkettinggaren (18, 18’, 18”, 18’”); een derde deel hebben waarvan de projectie overlapt met de projectie van het traject van het poolkettinggaren (18, 18’, 18”, 18’”).
15. Set (100) volgens conclusie 14, met het kenmerk dat de set (100) voorzien is om gemonteerd te worden in een weefmachine volgens één van de conclusies 1 toten met 13.
Priority Applications (4)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| BE2006/0558A BE1017367A4 (nl) | 2006-11-17 | 2006-11-17 | Weefmachine voor het weven van poolweefsels, en set van minstens twee afstandshouders voorzien om naast elkaar gemonteerd te worden in een weefmachine voor het weven van poolweefsels. |
| US11/980,897 US7451786B2 (en) | 2006-11-17 | 2007-10-31 | Weaving machine for weaving pile fabrics, and set of at least two spacers provided to be mounted next to one another in a weaving machine for weaving pile fabrics |
| DE602007012986T DE602007012986D1 (de) | 2006-11-17 | 2007-11-14 | Webmaschine zum Weben von Polwaren und Satz von mindestens zwei Abstandshaltern zur Montage nebeneinander in Webmaschinen zum Weben von Polwaren |
| EP07120645A EP1923492B1 (en) | 2006-11-17 | 2007-11-14 | Weaving machine for weaving pile fabrics, and set of at least two spacers provided to be mounted next to one another in a weaving machine for weaving pile fabrics |
Applications Claiming Priority (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| BE2006/0558A BE1017367A4 (nl) | 2006-11-17 | 2006-11-17 | Weefmachine voor het weven van poolweefsels, en set van minstens twee afstandshouders voorzien om naast elkaar gemonteerd te worden in een weefmachine voor het weven van poolweefsels. |
| BE200600558 | 2006-11-17 |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| BE1017367A4 true BE1017367A4 (nl) | 2008-07-01 |
Family
ID=38117029
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| BE2006/0558A BE1017367A4 (nl) | 2006-11-17 | 2006-11-17 | Weefmachine voor het weven van poolweefsels, en set van minstens twee afstandshouders voorzien om naast elkaar gemonteerd te worden in een weefmachine voor het weven van poolweefsels. |
Country Status (4)
| Country | Link |
|---|---|
| US (1) | US7451786B2 (nl) |
| EP (1) | EP1923492B1 (nl) |
| BE (1) | BE1017367A4 (nl) |
| DE (1) | DE602007012986D1 (nl) |
Families Citing this family (7)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| BE1017428A3 (nl) * | 2006-12-22 | 2008-09-02 | Wiele Michel Van De Nv | Kunstgrasmat en werkwijze voor het vervaardigen van dergelijke mat. |
| BE1017429A3 (nl) * | 2006-12-22 | 2008-09-02 | Wiele Michel Van De Nv | Kunstgrasmatten. |
| US8162008B1 (en) * | 2009-04-16 | 2012-04-24 | Presnell Iii Samuel C | Method and system for producing simulated hand-woven rugs |
| EP2251467B1 (en) * | 2009-05-13 | 2013-08-07 | SCHÖNHERR Textilmaschinenbau GmbH | Method for simultaneously weaving two fabrics, fabric adapted to be woven with such a method and loom usable with such a method |
| BE1019155A3 (nl) * | 2010-01-15 | 2012-04-03 | Wiele Michel Van De Nv | Werkwijze en inrichting voor het vervaardigen van weefsels met minstens twee verschillende poolhoogtes in een zelfde poolrij. |
| EP3165643B1 (en) * | 2015-11-04 | 2018-04-18 | NV Michel van de Wiele | Jacquard machine, face-to-face weaving machine comprising at least one jacquard machine, and method of setting up a jacquard machine |
| US12529170B2 (en) * | 2024-01-26 | 2026-01-20 | Loloi, Inc. | Method and apparatus for manufacturing carpets with an antique appearance using an automated carpet loom |
Citations (2)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| EP1524345A2 (en) * | 2003-10-17 | 2005-04-20 | NV Michel van de Wiele | Lancet device for a face-to-face weaving machine and face-to-face weaving machine provided with such a lancet device |
| EP1568809A1 (en) * | 2004-02-25 | 2005-08-31 | NV Michel van de Wiele | Weaving machine and method for weaving pile fabrics and spacer for such a weaving machine |
Family Cites Families (27)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| US2731985A (en) * | 1956-01-24 | hoeselbarth | ||
| US1691184A (en) * | 1926-07-12 | 1928-11-13 | Bbc Brown Boveri & Cie | Turbine construction |
| US1691194A (en) * | 1927-05-03 | 1928-11-13 | Tingue Mfg Company | Loom and method of weaving double-pile fabrics |
| GB282294A (en) * | 1927-06-09 | 1927-12-22 | Robert Britton | Improvements in looms for weaving pile fabrics |
| US2638934A (en) * | 1950-03-23 | 1953-05-19 | Callaway Mills Co | Pile fabric loom |
| US2713356A (en) * | 1950-10-24 | 1955-07-19 | Masland C H & Sons | Apparatus for weaving pile fabrics |
| US2710028A (en) * | 1953-05-11 | 1955-06-07 | Fieldcrest Mills Inc | Loop pile attachment for axminster looms and method of weaving |
| US2750964A (en) * | 1954-04-16 | 1956-06-19 | Masland C H & Sons | Weaving with hook engagement of selected pile ends |
| US2714397A (en) * | 1954-06-28 | 1955-08-02 | Belrug Mills Of South Carolina | Device for shifting pile warp crossings toward fell |
| US2879730A (en) * | 1957-11-12 | 1959-03-31 | Lees & Sons Co James | Improved looper for pile fabric tufting machines |
| US2896670A (en) * | 1958-03-27 | 1959-07-28 | Mohasco Ind Inc | Apparatus for making pile fabric |
| US3289706A (en) * | 1965-06-10 | 1966-12-06 | Morgan Valentine Company L | Means for the manufacture of cut pile fabrics |
| US3394739A (en) * | 1966-03-31 | 1968-07-30 | Riegel Textile Corp | Apparatus for making plush fabrics |
| JPS53147859A (en) | 1977-05-30 | 1978-12-22 | Takada Kogyo Kk | Apparatus for weaving patterened double velvet and construction of said velvet |
| BE1003628A5 (nl) * | 1990-05-21 | 1992-05-05 | Wiele Michel Van De Nv | Lancettenhouder. |
| BE1005394A5 (nl) | 1991-09-09 | 1993-07-13 | Wiele Michel Van De Nv | Lancet voor dubbelweven. |
| BE1008130A4 (nl) * | 1994-03-11 | 1996-01-23 | Wiele Michel Van De Nv | Grondkettinggarenscheidings- en spanningsinrichting voor dubbelstukweefmachine, in het bijzonder voor tapijt- en fluweelweefmachines. |
| BE1012077A3 (nl) * | 1998-07-22 | 2000-04-04 | Wiele Michel Van De Nv | Onechte en echte boucle-weefsels, en een werkwijze voor de productie van dergelijke weefsels. |
| BE1012357A3 (nl) * | 1998-12-21 | 2000-10-03 | Wiele Michel Van De Nv | Werkwijze voor het dubbelstukweven van poolweefsels. |
| DE19917868B4 (de) * | 1999-04-20 | 2007-05-10 | Grob Horgen Ag | Weblitzen für paarweisen Einsatz |
| BE1014721A5 (nl) * | 2002-03-22 | 2004-03-02 | Wiele Michel Van De Nv | Werkwijze en weefmachine voor het weven van weefsels met poollussen. |
| EP1375715B1 (de) | 2002-06-24 | 2006-03-22 | SCHÖNHERR Textilmaschinenbau GmbH | Verfahren und Doppelflor-Webmaschine zur Herstellung von gemustertem Polgewebe |
| BE1016276A3 (nl) * | 2003-03-20 | 2006-07-04 | Wiele Michel Van De Nv | Werkwijze en dubbelstukweefmachine voor het dubbelstukweven van een boven-en onderweefsel. |
| BE1015877A3 (nl) * | 2004-01-30 | 2005-10-04 | Wiele Michel Van De Nv | Inrichting voor het doorsnijden van verloren poollusinslagdraden in een weefsel en weefmachine voorzien van dergelijke inrichting. |
| JP2006097716A (ja) * | 2004-09-28 | 2006-04-13 | Tokai Rubber Ind Ltd | 高耐圧振動吸収ホース及びその製造方法 |
| BE1016336A5 (nl) * | 2004-12-02 | 2006-08-01 | Wiele Michel Van De Nv | Werkwijze voor het weven van dubbelstukweefsels, weefsel geweven volgens een dergelijke werkwijze en dubbelstukweefmachine voorzien voor het uitvoeren van een dergelijke werkwijze. |
| US7520303B2 (en) * | 2005-06-24 | 2009-04-21 | N.V. Michel Van De Wiele | Method for weaving a fabric, fabric woven by means of such a method and weaving machine for weaving such a fabric |
-
2006
- 2006-11-17 BE BE2006/0558A patent/BE1017367A4/nl active
-
2007
- 2007-10-31 US US11/980,897 patent/US7451786B2/en active Active
- 2007-11-14 EP EP07120645A patent/EP1923492B1/en active Active
- 2007-11-14 DE DE602007012986T patent/DE602007012986D1/de active Active
Patent Citations (2)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| EP1524345A2 (en) * | 2003-10-17 | 2005-04-20 | NV Michel van de Wiele | Lancet device for a face-to-face weaving machine and face-to-face weaving machine provided with such a lancet device |
| EP1568809A1 (en) * | 2004-02-25 | 2005-08-31 | NV Michel van de Wiele | Weaving machine and method for weaving pile fabrics and spacer for such a weaving machine |
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| EP1923492A2 (en) | 2008-05-21 |
| EP1923492B1 (en) | 2011-03-09 |
| DE602007012986D1 (de) | 2011-04-21 |
| US20080115852A1 (en) | 2008-05-22 |
| US7451786B2 (en) | 2008-11-18 |
| EP1923492A3 (en) | 2009-06-03 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| JP5450836B2 (ja) | 補助緯糸効果を有する織物の製法及び織機 | |
| BE1014721A5 (nl) | Werkwijze en weefmachine voor het weven van weefsels met poollussen. | |
| EP1923492B1 (en) | Weaving machine for weaving pile fabrics, and set of at least two spacers provided to be mounted next to one another in a weaving machine for weaving pile fabrics | |
| US3499473A (en) | Jacquard machine with electromagnetically controlled healds | |
| BE1015720A3 (nl) | Lancetinrichting voor een dubbelstukweefmachine en dubbelstukweefmachine voorzien van dergelijke lancetinrichting. | |
| BE1012782A3 (nl) | Inrichting voor het spannen en terugtrekken van vanaf een weefrek naar een weefmachine geleide kettingdraden. | |
| JP2001159046A (ja) | からみ織を製造するための装置 | |
| CZ280787B6 (cs) | Nitěnka | |
| BE1018732A3 (nl) | Drie-dimensionaal heveloog. | |
| BE1017831A3 (nl) | Inrichting en werkwijze voor het weven van poolweefsels met verbeterde garentoevoer. | |
| BE1012321A5 (nl) | Jacquardhevel. | |
| US4299257A (en) | Selvage forming device | |
| BE1005394A5 (nl) | Lancet voor dubbelweven. | |
| BE1013285A3 (nl) | Werkwijze en inrichting voor het steunen van een schaar kettingdraden bij een weefmachine. | |
| US2810278A (en) | Sinker assembly for latch needles | |
| US2737982A (en) | Sheet metal healds | |
| BE550254A (nl) | ||
| US2055553A (en) | Method and means for ribbon weaving | |
| US3424206A (en) | Shuttle and guiding structure therefor | |
| BE1008366A3 (nl) | Weefriet met ingebouwde spathevelkam. | |
| US6851456B2 (en) | Weaving machine for the manufacture of leno cloths | |
| BE1026477B1 (nl) | Weefinrichting uitgerust om streepvorming bij weefsels met een handgemaakte uitstraling te vermijden | |
| JP2503642B2 (ja) | 織機における機仕掛け準備用受け台 | |
| KR200232708Y1 (ko) | 레노 조직용 종광 | |
| US4593724A (en) | Guide for a weft-picking projectile in a weaving machine |