BE1018514A3 - Conische kabelbaan. - Google Patents

Conische kabelbaan. Download PDF

Info

Publication number
BE1018514A3
BE1018514A3 BE2009/0187A BE200900187A BE1018514A3 BE 1018514 A3 BE1018514 A3 BE 1018514A3 BE 2009/0187 A BE2009/0187 A BE 2009/0187A BE 200900187 A BE200900187 A BE 200900187A BE 1018514 A3 BE1018514 A3 BE 1018514A3
Authority
BE
Belgium
Prior art keywords
cable
connecting piece
conical
cable car
bottom part
Prior art date
Application number
BE2009/0187A
Other languages
English (en)
Inventor
Geert Ballet
Kurt Coppens
Original Assignee
Vergokan
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Vergokan filed Critical Vergokan
Priority to BE2009/0187A priority Critical patent/BE1018514A3/nl
Priority to EP10157905A priority patent/EP2234230B1/en
Priority to PL10157905T priority patent/PL2234230T3/pl
Application granted granted Critical
Publication of BE1018514A3 publication Critical patent/BE1018514A3/nl

Links

Classifications

    • HELECTRICITY
    • H02GENERATION; CONVERSION OR DISTRIBUTION OF ELECTRIC POWER
    • H02GINSTALLATION OF ELECTRIC CABLES OR LINES, OR OF COMBINED OPTICAL AND ELECTRIC CABLES OR LINES
    • H02G3/00Installations of electric cables or lines or protective tubing therefor in or on buildings, equivalent structures or vehicles
    • H02G3/02Details
    • H02G3/04Protective tubing or conduits, e.g. cable ladders or cable troughs
    • H02G3/0437Channels
    • HELECTRICITY
    • H02GENERATION; CONVERSION OR DISTRIBUTION OF ELECTRIC POWER
    • H02GINSTALLATION OF ELECTRIC CABLES OR LINES, OR OF COMBINED OPTICAL AND ELECTRIC CABLES OR LINES
    • H02G3/00Installations of electric cables or lines or protective tubing therefor in or on buildings, equivalent structures or vehicles
    • H02G3/02Details
    • H02G3/06Joints for connecting lengths of protective tubing or channels, to each other or to casings, e.g. to distribution boxes; Ensuring electrical continuity in the joint
    • H02G3/0608Joints for connecting non cylindrical conduits, e.g. channels

Landscapes

  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • Architecture (AREA)
  • Civil Engineering (AREA)
  • Structural Engineering (AREA)
  • Details Of Indoor Wiring (AREA)

Abstract

Een kabelbaan samenstelling omvat een veelheid aan conische kabelbanen. De opstaande zijdelen van elk van de kabelbanen omvatten een naar buiten geplooide opdstaande longitudinale rand die naar onder toe open is en voorzien is voor het opnemen van de naar buiten geplooide opstaande longitudinale rand van een daaronder geplaatste conische kabelbaan. Een verbindingsstuk voor het verbinden van een conische kabelbaan met een kabelbaan accessoire omvat verder een conisch gedeelte en een U-vormig recht gedeelte die aangepast zijn aan respectievelijk de vorm van de conische kabelbaan en het kabelbaan accessoire.

Description

Conische kabelbaan
Deze uitvinding heeft betrekking op een kabelbaan samenstelling die een veelheid aan op elkaar geplaatste conische kabelbanen omvat met nagenoeg dezelfde doorsnede. Deze uitvinding heeft verder betrekking op een verbindingsstuk voor het verbinden van een conische kabelbaan met een niet-conisch U-vormig kabelbaan accessoire.
Met de term “kabelbaan" wordt bedoeld een soort van kanaal of goot voorzien voor het opnemen en ondersteunen van nutsleidingen, zoals bijvoorbeeld elektriciteitskabels of data-kabels, in een gebouw of andere installatie, zodat de leidingen kunnen vastgehouden worden buiten het bereik van derden, bijvoorbeeld in de buurt van het plafond van het gebouw, zodat de leidingen veilig tussen begin- en eindpunt kunnen gevoerd worden. Een voorbeeld van een kabelbaan, maar niet beperkt hiertoe, is een kabelgoot, draadgoot of een kabelladder.
Met de term “kabelbaan accessoire” wordt bedoeld een accessoire dat kan worden verbonden met een kabelbaan zoals bijvoorbeeld, maar niet beperkt hiertoe, een horizontale kabelbocht, een kruisstuk, een valbocht, een stijgbocht, een eindstuk, voorzien voor het wijzigen of aanhouden van het traject van de kabelbaan of een aanliggende kabelbaan met gelijke of verschillende doorsnede.
Een kabelbaan samenstelling van nestbare kabelbanen is bijvoorbeeld bekend uit CH-A-634178. De kabelbaan bekend uit CH-A-634178 heeft een conische vorm, gevormd door een bodemdeel en twee opstaande zijdelen aan tegenover elkaar liggende longitudinale randen van het bodemdeel die zich onder een hoek van meer dan 90° uitstrekken ten opzichte van het bodemdeel. De conische vorm van de kabelbaan verhoogt de sterkte van de kabelbaan, maar heeft als nadeel dat het verbinden van de kabelbaan met bijkomende accessoires, die doorgaans een niet conische 90° U-vormige doorsnede hebben, bemoeilijkt wordt. Elk van de opstaande zijdelen van de kabelbaan beschreven in CH-A-634178 heeft een onder 180° of meer dan 180° naar buiten geplooide rand. De aldus naar buiten geplooide rand verhoogt de sterkte van kabelbaan, maar resulteert in een beperkte nestbaarheid van op elkaar geplaatste kabelbanen. In het bijzonder zorgt de naar buiten geplooide rand ervoor dat de bodem van een eerste kabelbaan op een zekere afstand gepositioneerd is van de bodem van een daarop geplaatste tweede kabelbaan. Deze beperkte nestbaarheid heeft als nadeel dat de opslag van kabelbanen relatief veel opslagruimte vereist, en bijgevolg ook hoge transportkosten vereist. Een ander nadeel van de kabelbaan beschreven in CH-A-634178 is dat het verbinden van opeenvolgende kabelbanen in longitudinale richting moet gebeuren via zogenoemde koppelplaten of andere verbindingsmiddelen.
Een eerste aspect van de uitvinding heeft , tot doel een kabelbaan samenstelling te voorzien die een veelheid aan nagenoeg volledig nestbare conische kabelbanen omvat.
Het eerste doel van de uitvinding wordt bereikt met een kabelbaan samenstelling die de technische kenmerken vertoont van het kenmerkend deel van de eerste conclusie.
De kabelbaan samenstelling volgens deze uitvinding wordt daartoe gekenmerkt doordat de naar buiten geplooide bovenste longitudinale rand van ieder van de veelheid aan kabelbanen naar onder toe open is en voorzien is voor het opnemen van de naar buiten geplooide bovenste longitudinale rand van een daaronder geplaatste kabelbaan van de kabelbaan samenstelling.
Een kabelbaan volgens de uitvinding heeft hierdoor als voordeel dat de kabelbaan nagenoeg volledig nestbaar is. Met ‘nagenoeg volledig nestbaar’ Wordt bedoeld dat de kabelbanen in grotere mate nestbaar zijn in elkaar dan met een volledig omgeplooide rand en dat bodemdelen van op elkaar geplaatste kabelbanen op een verwaarloosbare afstand ten opzichte van elkaar gepositioneerd zijn en/of elkaar in hoofdzaak raken. In het bijzonder is de afstand tussen Opeenvolgende bodemdelen van op elkaar geplaatste kabelbanen kleiner dan de hoogte van de omgeplooide rand, i.e. de afstand in hoogterichting tussen het laagst gelegen randdeel van de omgeplooide rand en het hoogst gelegen randdeel van de omgeplooide rand. Het nagenoeg volledig nesten van opeenvolgende kabelbanen kan gerealiseerd worden door de naar buiten geplooide randen van eén eerste kabelbaan op de naar buiten geplooide randen van een daaronder gelegen kabelbaan te plaatsen op zo een manier dat ze elkaar nagenoeg raken.
Deze nagenoeg volledige nestbaarheid heeft als voordeel dat de benodigde opslagruimte voor de kabelbanen kan gereduceerd worden. Door deze gereduceerde opslagruimte, kunnen ook de transportkosten aanzienlijk worden gereduceerd.
Een ander voordeel van de kabelbaan samenstelling volgens de uitvinding is dat het in longitudinale richting verbinden van kabelbanen kan vereenvoudigd worden. Het verbinden van opeenvolgende kabelbanen in longitudinale richting kan gebeuren door het gepast positioneren van op elkaar geplaatste kabelbanen en vervolgens het verbinden van de aanliggende kabelbanen met elkaar.
Doordat de bodems van op elkaar geplaatste kabelbanen elkaar nagenoeg raken, is het niet nodig additionele koppelplaten te voorzien. Het is voldoende om aanliggende kabelbanen zodanig ten opzichte van elkaar te verschuiven/positioneren dat hun bodems elkaar gedeeltelijk overlappen en hen vervolgens met elkaar te verbinden. Deze tenminste gedeeltelijke overlap voorziet het geheel bovendien in additionele sterkte.
Doordat de mate van overlap rechtstreeks verband houdt met de dragende eigenschappen van het geheel, kunnen de dragende eigenschappen van het geheel zeer gemakkelijk aangepast worden door de mate van overlap te verhogen of te verlagen, met andere woorden door de bodems in meer of mindere mate over elkaar te schuiven.
Na correcte positionering van de kabelbanen, kan de verbinding vervolgens op om hét even welke wijze geschikt geacht door de vakman gebeuren, bijvoorbeeld via complementaire samenwerkingsmiddelen voorzien in de bodemdelen en/of opstaande zijdelen van aanliggende kabelbanen of via een afzonderlijk vasthoudelement doorheen tenminste gedeeltelijk overlappende sleuven aangebracht in de bodemdelen en/of opstaande zijdelen van aanliggende kabelbanen.
In een eerste uitvoeringsvorm van de kabelbaan volgens de uitvinding omvat elk van de opstaande zijdelen en/of elk van de bodemdelen een veelheid aan sleuvën, bij voorkeur longitudinale sleuven. Deze sleuven laten'toe'eën verbinding te realiseren van aanliggende kabelbanen. Als voorbeeld, maar niet beperkt hiertoe, kunnen aanliggende kabelbanen met elkaar verbonden worden door een afzonderlijk vasthoudelement doorheen tenminste gedeeltelijk overlappende sleuven van aanliggende kabelbanen te voegen en vast te zetten. Dit vasthoudelement kan ieder element zijn geschikt geacht door de vakman, bijvoorbeeld een plooibare clip of een schroefverbinding. Deze verbinding kan als enig verbinding dienen of als bijkomende verbinding en versteviging van het geheel,
In een andere uitvoeringsvorm van de kabelbaan volgens de uitvinding omvat het bodemdeel en/of tenminste één van de opstaande zijdelen van ieder van de veelheid aan kabelbanen een eerste en tweede complementair samenwerkingsdeel, waarbij het eerste en tweede samenwerkingsdeel zich uitstrekken in eikaars verlengde en op een zekere afstand van elkaar. Het eerste samenwerkingsdeel van een eerste kabelbaan is hierbij voorzien voor het opnemen met het tweede samenwerkingsdeel van een aanliggende tweede kabelbaan. Het in longitudinale richting verbinden van aanliggende kabelbanen kan dan gebeuren door het over elkaar schuiven van op elkaar geplaatste kabelbanen over een zekere afstand tot het eerste samenwerkingsdeel van de onderste kabelbaan in het tweede samenwerkingsdeel van de daarop geplaatste kabelbaan klikt. Deze verbinding kan als enige verbinding dienen of als bijkomende verbinding ën versteviging van het geheel.
Een tweede aspect van de uitvinding, al dan niet combineerbaar met het eersté aspect, heeft tot doel een verbindingsstuk te voorzien voor het vergemakkelijken van de verbinding in longitudinale richting van een conische kabelbaan met een niet-conisch U-vormig kabelbaan accessoire.
Omdat de opstaande zijdelen van bestaande verbindingsstukken doorgaans een uniforme doorsnede hebben, bijvoorbeeld ofwel conisch ofwel 90° U vorm, kan een verbinding via deze verbindingsstukken tussen onderdelen met een verschillende doorsnede enkel gerealiseerd worden door het ter plaatse versnijden/uitsnijden van de verbindingsstukken op zo een manier dat de verbinding gerealiseerd kan worden. Dit is arbeidsintensief. Het versnijden en uitsnijden van de verbindingsstukken heeft bovendien als nadeel dat de sterkte van het geheel nadelig beïnvloed.
Dit tweede doel wordt bereikt met een verbindingsstuk die de technische kenmerken vertoont van het kenmerkend deel van de zevende conclusie.
Het verbindingsstuk volgens de uitvinding omvat daartoe een verbindingsstuk bodemdeel met tenminste een eerste uiteinde en een tweede uiteinde, met telkens twee opstaande verbindingsstuk zijdelen voorzien aan tegenover elkaar liggende longitudinale randen van het verbindingsstuk bodemdeel. De opstaande verbindingsstuk zijdelen aan het eerste uiteinde strekken zich onder een hoek van meer dan 90° uit ten opzichte ten opzichte van het verbindingsstuk bodemdeel en vormen aldus een conisch gedeelte van het verbindingsstuk. De opstaande verbindingsstuk zijdelen van het tweede uiteinde strekken zich onder een hoek van in hoofdzaak 90° uit ten opzichte van het verbindingsstuk bodemdeel en vormen een recht, i.e. nagenoeg 90° U-vormig, gedeelte van het verbindingsstuk.
Het conisch gedeelte van het verbindingsstuk is voorzien voor het in longitudinale richting verbinden met een aanliggende conische kabelbaan. Deze conische kabelbaan kan om het even welke conische kabelbaan zijn geschikt geacht door de vakman, maar is bij voorkeur een conische kabelbaan zoals gebruikt in de kabelbaan samenstelling volgens het eerste aspect van de uitvinding. Hiertoe is het conisch gedeelte aangepast aan de conische vorm van de conische kabelbaan en nagenoeg volledig nestbaar in tenminste een deel van de aanliggende kabelbaan, d.w.z. dat het eerste uiteinde van het verbindingsstuk met zijn bodemdeel op een verwaarloosbare afstand ten opzichte van het bodemdeel gepositioneerd kan worden en/of in direct contact kan verschoven en gepositioneerd worden ten opzichte van het bodemdeel van de aanliggende conische kabelbaan of omgekeerd. De verbinding tussen het verbindingsstuk en de conische kabelbaan kan dan gebeuren door tenminste een deel van het eerste uiteinde met zijn bodemdeel op of onder het bodemdeel van de aanliggende conische kabelbaan te verschuiven en te verplaatsten, en vervolgens beide elementen te verbinden. De tenminste gedeeltelijke overlap tussen de bodemdelen van het verbindingsstuk en de kabelbaan resulteert in een verhoging van de dragende eigenschappen van het opgebouwde geheel.
Deze verbinding kan op iedere manier geschikt geacht door de vakman gebeuren. In het bijzonder kan de verbinding op dezelfde of verschillende manier gebeuren als de verbinding tussen twee opeenvolgende kabelbanen volgens een eerste aspect van de uitvinding.
De opstaande verbindingsstuk zijdelen van het eerste uiteinde kunnen bijvoorbeeld een naar buiten geplooide bovenste longitudinale rand omvatten die naar onder toe open is en voorzien is voor het opnemen van tenminste een deel van de naar buiten geplooide bovenste longitudinale rand van de aanliggende kabelbaan of omgekeerd. De verbinding tussen het eerste uiteinde van het verbindingsstuk en de conische kabelbaan kan dan gebeuren door het verbindingsstuk met tenminste een deel van zijn bovenste rand over de bovenste randen van de kabelbaan te schuiven en vast te houden of omgekeerd.
Indien zowel het eerste uiteinde van het verbindingsstuk als de aanliggende kabelbaan uitsparingen omvat in het bodemdeel en/of de opstaande zijdelen, kan de verbinding bijvoorbeeld ook gebeuren door het tenminste gedeeltelijk over elkaar schuiven van de bodemdelen van het verbindingsstuk en de kabelbaan tot tenminste één van hun respectievelijke uitsparingen overlappen. De verbinding kan vervolgens gerealiseerd worden via één of meerdere vasthoudelementen die doorheen deze corresponderende uitsparingen worden geschoven, waarbij het vasthoudelement bijvoorbeeld een afzonderlijk plooibaar clipsdeel of een schroefverbinding is.
De verbinding kan bijvoorbeeld ook gebeuren via samenwerkende verbindingsmiddelen voorzien op het conisch gedeelte van het verbindingsstuk en de conische kabelbaan, bijvoorbeeld op hun bodemdelen en/of opstaande zijdelen. Deze samenwerkende verbindingsmiddelen kunnen bijvoorbeeld gerealiseerd worden door een samenwerkende uitsparing en inkeping of een tand-groef verbinding.
De verbinding kan ook gebeuren door een combinatie van een aantal van deze verschillende verbindingsmiddelen.
Analoog is het rechte gedeelte van het verbindingsstuk aangepast aan de vorm van het kabelbaan accessoire en nagenoeg volledig nestbaar in een deel van het aanliggende kabelbaan accessoire of omgekeerd, d.w.z. dat het tweede uiteinde van het verbindingsstuk met zijn bodemdeel op een verwaarloosbare afstand ten opzichte van het bodemdeelvan het aanliggende kabelbaan accessoire gepositioneerd kan worden en/of in direct contact kan verschoven en gepositioneerd worden ten opzichte van het bodemdeel van het aanliggende kabelbaan accessoire of omgekeerd. De verbinding tussen het verbindingsstuk en het aanliggende kabelbaan accessoire kan dan gebeuren door tenminste een deel van het tweede uiteinde met zijn bodemdeel op of onder het bodemdeel van het aanliggende kabelbaan accessoire te verschuiven en te verplaatsten, en vervolgens beide elementen te verbinden. De tenminste gedeeltelijke overlap tussen de bodemdelen van het verbindingsstuk en het aanliggende kabelbaan accessoire resulteert in een verhoging van de dragende eigenschappen van het opgebouwde geheel.
. Bij voorkeur wordt het bodemdeel van het tweede uiteinde van het verbindingsstuk op het bodemdeel van het aanliggend kabelbaan accessoire gepositioneerd wanneer het bodemdeel van het eerste uiteinde van het verbindingsstuk onder het bodemdeel van de aanliggende kabelbaan wordt gepositioneerd of vice versa. Dit resulteert in een bijkomende versterking van de verbinding tussen de verschillende onderdelen.
Eens gepositioneerd, kan de verbinding tussen het tweede uiteinde van het verbindingsstuk en het aanliggend kabelbaan accessoire vervolgens gebeuren op eender welke wijze geschikt geacht door de vakman, die identiek kan zijn of verschillend van deze tussen het eerste uiteinde van het verbindingsstuk en de aanliggende kabelbaan.
De aanwezigheid van de twee gedeeltes van het verbindingsstuk met verschillende doorsnede vergemakkelijkt aldus de verbinding van twee onderdelen met verschillende doorsnede. Het is voldoende de verschillende onderdelen Over elkaar te schuiven en te positioneren en vervolgens te verbinden, zonder dat het nodig is om additioneel te snijden in één van de onderdelen.
Bij voorkeur is de naar buiten geplooide rand van het verbindingsstuk en/of de conische kabelbaan volgens de uitvinding geplooid onder een hoek van minder dan 180° om in de volledige nestbaarheid van het verbindingsstuk en/of de conische kabelbaan met een volgende kabelbaan te voorzien.
Bij voorkeur zijn de conische kabelbanen en/of het verbindingsstuk vervaardigd in geplooid plaatmetaal, bij voorkeur plaatstaal.
De uitvinding wordt verder geïllustreerd aan de hand van figuren 1-10.
Figuur 1 toont een vooraanzicht van een uitvoeringsvorm van een kabelbaan samenstelling volgens de uitvinding.
Figuur 2 toont een doorsnede van een uitvoeringsvorm van een kabelbaan van een kabelbaan samenstelling volgens de uitvinding.
Figuur 3 toont een uitvoeringsvorm van een verbinding van twee kabelbanen van een kabelbaan samenstelling volgens de uitvinding in longitudinale richting via complementaire samenwerkingsmiddelen voorzien op de opstaande zijdelen van de kabelbanen.
Figuur 4 toont een uitvoeringsvorm van twee kabelbanen van een kabelbaan samenstelling volgens de uitvinding in niet geneste toestand.
Figuur 5 toont een verbinding van opeenvolgende kabelbanen in longitudinale richting via een plooibaar clipsdeel doorheen longitudinale sleuven aangebracht in de opstaande zijdelen..
Figuren 6A-6C tonen een sleuf en een samenwerkende uitsparing (in niet geplooide toestand) aangebracht in het bodemdeel van de kabelbaan.
Figuren 7A-7C tonen een sleuf en een samenwerkende uitsparing (in geplooide toestand) aangebracht in het bodemdeel van de kabelbaan.
Figuur 8 toont een uitvoeringsvorm van een verbindingsstuk volgens de uitvinding.
Figuur 9 toont een uitvoeringsvorm van een verbinding tussen een verbindingsstuk volgens de uitvinding met een conische kabelbaan enerzijds, en met een U-vormige valbocht anderzijds.
Figuur 10 toont een uitvoeringsvorm van een verbinding tussen een verbindingsstuk volgens de uitvinding met een conische kabelbaan enerzijds, en met een U-vormige stijgbocht anderzijds.
De kabelbaan samenstelling 1 getoond in figuur 1 omvat een veelheid aan op elkaar geplaatste kabelbanen 2, 2’ met nagenoeg gelijke doorsnede. Elk van de kabelbanen 2, 2’ van de kabelbaan samenstelling omvat een bodemdeel 3, 3’ en twee opstaande zijdelen 4, 4’, 5, 5’ voorzien aan tegenover elkaar liggende longitudinale randen van het bodemdeel. De opstaande zijdelen 4, 4’, 5, 5’ strekken zich uit onder êen hoek van meer dan 90° ten opzichte van het bodemdeel 3, 3’ zodat een conische kabelbaan 2, 2’ wordt gevormd. Eik van de opstaande zijdelen 4, 5 van een kabelbaan 2 omvat een naar buiten geplooide bovenste longitudinale rand 6 die naar onder toe open is en zodanig geplooid is dat ze de naar buiten geplooide bovenste longitudinale rand 6’ van een daaronder geplaatste kabelbaan 2' van de kabelbaan samenstelling 1 kan opnemen.
Door het gepast plooien van de bovenste longitudinale rand 6, 6’ van de kabelbanen zijn de kabelbanen 2, 2’ nagenoeg volledig nestbaar. Zoals te zien is op figuur 1 is de afstand tussen opeenvolgende bodemdelen 3, 3’ van op elkaar geplaatste kabelbanen 2, 2’ veel kleiner dan de hoogte van de omgeplooide rand. De afstand tussen opeenvolgende bodemdelen is met andere woorden verwaarloosbaar ten opzichte van de hoogte van de omgeplooide rand. .
Om een nagenoeg volledige nestbaarheid van de kabelbanen 2, 2’ te bekomen, wordt de naar buiten geplooide bovenste longitudinale rand 6, 6' bij voorkeur geplooid onder een hoek in het gebied tussen 90° en 180° zoals getoond wordt op figuren 1 en 2.
De eindrand van de naar buiten geplooide bovenste longitudinale rand wordt verder bij voorkeur naar binnen geplooid voor het vormen van een naar binnen geplooid einddeel 13 zoals getoond wordt op detail A van figuur 2. Dit naar binnen geplooid einddeel 13 creëert een afgerond laagst gelegen randdeel zodat het risico op snijwonden bij het verschuiven of vastnemen van de kabelbanen gereduceerd wordt. Bij voorkeur wordt het naar binnen geplooid einddeel 13 onder een hoek van 180° geplooid zoals getoond wordt op detail A van figuur 2, zodat het einddeel geen nadelig effect heeft op de nestbaarheid van opeenvolgende kabelbanen. Optioneel kan het naar binnen geplooid einddeel 13 onder een iets kleinere hoek dan 180° geplooid zijn. Bij voorkeur wordt het naar binnen plooien, en in het bijzonder dan het 180° naar binnen plooien, van de bovenste longitudinale rand enkel gedaan voor dunne plaatdiktes (dikte van 0,6 mm of kleiner). Voor de dikkere plaatdiktes worden de eindranden van de naar buiten geplooide bovenste randen bij voorkeur afgerond zodat het risico op snijwonden bij het manipuleren van de kabelbanen gereduceerd wordt.
Doordat de bodems 3, 3’ van op elkaar geplaatste kabelbanen 2, 2’ elkaar nagenoeg volledig raken, zijn geen additionele koppelplaten vereist voor het in longitudinale richting verbinden van twee kabelbanen 2, 2’.
Het verbinden van twee kabelbanen 2, 2’ in longitudinale richting van elkaar kan op verschillende manieren gebeuren.
In een eerste stap worden de kabelbanen 2, 2’ bij voorkeur zodanig ten opzichte van elkaar gepositioneerd dat hun bodems elkaar gedeeltelijk overlappen zoals getoond wordt op figuur 3. De gedeeltelijke overlap versterkt het geheel en draagt bij tot de dragende eigenschappen van het geheel.
Na correcte positionering van de kabelbanen ten opzichte van elkaar, dienen de kabelbanen in een volgende stap met elkaar te worden verbonden.
In figuur 3 omvatten de opstaande zijdelen van elk van de kabelbanen daartoe een longitudinale sleuf en een in het verlengde van de sleuf en op een zekere afstand ervan geplaatst uitstekend deel. De longitudinale sleuf 9 van een eerste kabelbaan 2 is voorzien voor het opnemen van het uitstekend deel 10’ van een daarop of daaronder geplaatste kabelbaan 2’, waardoor een verbinding tussen de kabelbanen wordt gerealiseerd. Het uitstekend deel 10’ getoond op figuur 3 omvat een naar buiten de kabelbaan en naar boven toe zich uitstrekkend clipsdeel dat om een eerste rand van de longitudinale sleuf past enerzijds, en een naar buiten de kabelbaan en in longitudinale richting van de sleuf weg zich uitstrekkend clipsdeel dat om een tweede rand van de longitudinale sleuf past anderzijds. De uitstekende delen 10’ kunnen voorgevormd zijn zoals getoond wordt op figuur 3. Optioneel, kunnen de opstaande zijdelen één of meerdere uitsnijdingen omvatten, die zich in hetzelfde vlak uitstrekken als de ópstaande zijdelen en die na het gepast positioneren van opeenvolgende kabelbanen, door de gebruiker naar buiten of binnen kunnen geduwd worden zodat één of meer uitstekende delen worden gevormd en een verbinding tussen de kabelbanen kan gerealiseerd worden.
In figuren 6 en 7 wordt een alternatieve methode getoond voor het in longitudinale richting verbinden van opeenvolgende kabelbanen. Het bodemdeel van de kabelbaan getoond op figuur 6 omvat daartoe een bodemsleuf en een in het verlengde van de bodenisleuf en op een zekére afstand ervan geplaatste complementaire uitsnijding. In een eerste stap worden de kabelbanen 2, 2’ zodanig ten opzichte van elkaar gepositioneerd dat de bodemsleuf 11 en complementaire bodemuitsnijding 12’ elkaar gedeeltelijk overlappen zoals getoond wordt op figuur 6. In een volgende stap wordt vervolgens de uitsnijding 180° naar buiten of binnen geplooid om de verbinding te realiseren zoals getoond wordt op figuur 7.
Algemeen kunnen de bodemdelen 3, 3’ en/of één of beide opstaande zijdelen 4, 4’, 5, 5’ van elk van de kabelbanen 2, 2' een eerste 9, 9’, 11, 11’ en tweede 10, 10’, 12, 12’ complementair samenwerkingsdeel omvatten, waarbij het eerste 9, 9', 11, 11’ en tweede 10, 10’, 12, 12’ samenwerkingsdeel zich uitstrekken in eikaars verlengde en op een zekere afstand van elkaar, en waarbij het eerste complementair samenwerkingsdeel 9, 11 van de kabelbaan 2 voorzien is voor het opnemen van een volgende tweede complementair samenwerkingsdeel 10, 12 van een op de kabelbaan geplaatste volgende kabelbaan 2’. Het eerste en tweede complementair samenwerkingsdeel kunnen bijvoorbeeld een inkeping en uitsteeksel zijn, een sleuf en uitstekend deel of elk ander middel geschikt geacht door de vakman. Bij voorkeur strekken het eerste en tweede samenwerkingsdeel zich uit in hetzelfde vlak van de bodemdelen/opstaande zijdelen, zodat het ten opzichte van elkaar verschuiven van opeenvolgende kabelbanen of het uit elkaar nemen van kabelbanen niet wordt verhinderd.
In figuren 4 en 5 wordt een alternatieve methode getoond voor het in longitudinale richting verbinden van opeenvolgende kabelbanen 2, 2’. De opstaande zijdelen van elk van de veelheid aan kabelbanen omvatten daartoe een veelheid aan sleuven 7, 7’, bij voorkeur longitudinale sleuven. Bij voorkeur omvatten de opstaande zijdelen van elk van de veelheid aan kabelbanen twee boven elkaar geplaatste rijen van longitudinale sleuven, zoals getoond wordt op figuur 4. In een eerste stap getoond in figuur 4, wordt een eerste kabelbaan 2 met zijn bodemdeel 3 gedeeltelijk op het bodemdeel 3’ van een tweede kabelbaan 2’ gepositioneerd. De positionering is zodanig dat er een overlap is tussen aanliggende sleuven 7, 7’ van beide kabelbanen zoals getoond wordt op figuur 5. In een tweede stap wordt vervolgens een afzonderlijke clip 8 doorheen tenminste één van de overlappende sleuven 7, 7’ ingevoegd en verbonden. In figuur 5 wordt een clip 8 getoond uit een plooibaar materiaal die na het invoegen doorheen de sleuven 7, 7’ kan geplooid worden tegen de opstaande zijdelen om een sterke verbinding te realiseren. De clip getoond op figuur 5 wordt doorheen twee boven elkaar gelegen koppels overlappende sleuven gevoegd en vervolgens omgeplooid om de verbinding te realiseren. De clip fungeert als vasthoudelement. Alternatief kan bijvoorbeeld ook een schroefverbinding gebruikt worden als vasthoudelement of ieder type vasthoudelement geschikt geacht door de vakman.
Algemeen heeft het gebruik van een afzonderlijke clip 8, of algemeen een vasthoudelement, doorheen tenminste één koppel overlappende sleuven 7, 7’ het voordeel dat tijdens de eerste stap het ten opzichte van elkaar verschuiven van opeenvolgende kabelbanen of het uit elkaar nemen van kabelbanen om een correcte positionering te verkrijgen, niet wordt verhinderd De clip kan doorheen één koppel overlappende sleuven 7, 7’ wordt gevoegd en verbonden. Bij voorkeur wordt de clip 8 doorheen twee aanliggende koppels sleuven 7, 7’ gevoegd en verbonden zodat een sterkere verbinding wordt gerealiseerd. Bij voorkeur is de clip 8 gemaakt van een plooibaar materiaal, zodat na het invoegen van de clip 8 doorheen de sleuven 7, 7’, de clip 8 kan geplooid worden om een sterkere verbinding te realiseren.
Figuur 8 toont een uitvoeringsvorm van een verbindingsstuk 20 volgens een tweede aspect van de uitvinding. Het verbindingsstuk 20 getoond in figuur 8 omvat een verbindingsstuk bodemdeel 24 en twee opstaande verbindingsstuk zijdelen 25, 26, 28, 29 voorzien aan tegenover elkaar liggende longitudinale randen van het verbindingsstuk bodemdeel. De verbindingsstuk zijdelen omvatten een eerste 25, 26 en tweede 28, 29 uiteinde gelegen aan tegenover elkaar liggende longitudinale uiteinden van het verbindingsstuk bodemdeel 24. De ópstaande verbindingsstuk zijdelen 25, 26 van het eerste uiteinde strekken zich uit onder een hoek van meer dan 90° ten opzichte van het verbindingsstuk bodemdeel en vormen aldus een conisch gedeelte 27 met het verbindingsstuk bodemdeel. De opstaande verbindingsstuk zijdelen 28, 29 van het tweede uiteinde strekken zich onder hoek van in hoofdzaak 90° uit en vormen een recht U-vormig gedeelte 30 met het verbindingsstuk bodemdeel 24.
Het verbindingsstuk 20 getoond in figuur 8 is voorzien voor het verbinden van een conische kabelbaan 2, 2’, 22 mét een kabelbaan accessoire met rechte U-vörmige doorsnede 23. Het conische gedeelte 27 van het verbindingsstuk 20 is aangepast aan de vorm van de conische kabelbaan 22 en is nagenoeg volledig nestbaar onder een deel van de aanliggende conische kabelbaan 22 zoals getoond wordt op figuur 9. Optioneel kan het conische gedeelte 27 van het verbindingsstuk 20 ook op een deel van de aanliggende kabelbaan 22 worden geplaatst. Het U-vormig recht gedeelte 30 van het verbindingsstuk 20 is aangepast aan de vorm van het kabelbaan accessoire 23 en is nagenoeg volledig nestbaar op een deel van het aanliggende kabelbaan accessoire 23 zoals getoond wordt op figuur 9. Optioneel kan het recht gedeelte 30 van het verbindingsstuk 20 ook onder een deel van het aanliggende kabelbaan accessoire 23 worden geplaatst.
De opstaande zijdelen 25, 26 van het conische gedeelte 27 van het verbindingsstuk 20 getoond op figuur 8 omvatten een ,naar buiten geplooide bovenste longitudinale rand 32 die naar onder toe open is en voorzien is voor het opnemen van tenminste een deel van de naar buiten geplooide bovenste longitudinale, rand 33 van een op het verbindingsstuk geplaatste conische kabelbaan 22. Optioneel kan de naar buiten geplooide bovenste longitudinale rand 32 van het conisch gedeelte 27 van het verbindingsstuk 20 ook onder de rand 33 van de conische kabelbaan 22 worden geschoven.
De verbinding tussen het conische gedeelte 27 van het verbindingsstuk 20 en de conische kabelbaan 22 kan op iedere manier gebeuren geschikt geacht door de vakman. In het bijzonder is ieder type verbinding mogelijk zoals tussen twee aanliggende conische kabelbanen van een kabelbaan samenstelling volgens een eerste aspect van de uitvinding.
Om een verbinding te realiseren tussen het conische gedeelte 27 van het verbindingsstuk 20 en de conische kabelbaan 22, omvatten de opstaande zijdelen 25, 26 van het conische gedeelte 27 bij voorkeur tenminste één sleuf 41, bijvoorbeeld een longitudinale sleuf zoals getoond wordt op figuur 8, en omvatten de opstaande zijdelen van de conische kabelbaan 22 ook tenminste één complementaire sleuf 40. Om een verbinding te realiseren dient het verbindingsstuk 20 met tenminste een deel van zijn conische gedeelte 27 op of onder de conische kabelbaan 22 te worden geplaatst, op zo een manier dat beide complementaire sleuven 40, 41 elkaar tenminste gedeeltelijk overlappen zoals getoond wordt op figuur 9. In een volgende stap kunnen beide elementen dan worden verbonden door een additioneel vasthoudelement doorheen tenminste één koppel overlappende sleuven in te voegen en te klemmen zoals getoond wordt op figuur 9.
Analoog als de verbinding tussen opeenvolgende conische kabelbanen van een kabelbaan samenstelling volgens een eerste aspect van de uitvinding, kan de verbinding tussen het conische gedeelte 27 van het verbindingsstuk 20 en de conische kabelbaan 22 gebeuren via een derde en vierde complementair samenwerkingsdeel voorzien op de bodemdelen en/of opstaande zijdelen, waarbij de derde en vierde samenwerkingsdelen ieder element kunnen zijn geschikt geacht door de vakman, zoals bijvoorbeeld een samenwerkende sleuf en uitstekend deel of een samenwerkende gleuf en uitsparing.
De opstaande zijdelen van het U-vormig recht gedeelte 30 van het verbindingsstuk 20 getoond op figuur 8 omvatten een naar binnen geplooide bovenste longitudinale rand die het verbindingsstuk van een additionele sterkte voorziet.
De verbinding tussen het U-vormig recht gedeelte 30 van het verbindingsstuk 20 en het kabelbaan accessoire 23 kan op iedere manier gebeuren geschikt geacht door de vakman. In het bijzonder is ieder type verbinding mogelijk zoals tussen twee aanliggende conische kabelbanen van een kabelbaan samenstelling volgens een eerste aspect van de uitvinding of zoals tussen het conisch gedeelte van het verbindingsstuk en een aanliggende conische kabelbaan.
Om een verbinding te realiseren tussen het U-vormig recht gedeelte 30 van het Verbindingsstuk 20 en het kabelbaan accessoire 23, omvatten de opstaande zijdelen 28, 29 van het recht gedeelte bij voorkeur tenminste één sleuf 34 en omvatten de opstaande zijdelen van het kabelbaan accessoire ook tenminste één sleuf 42, zoals getoond wordt op figuur 9. Om een verbinding te realiseren dient het verbindingsstuk met tenminste een deel van het bodemdeel van zijn recht gedeelte op of onder het bodemdeel van het kabelbaan accessoire te worden geplaatst, op zo een manier dat beide sleuven tenminste gedeeltelijk overlappen zoals getoond worden op figuur 9. In een volgende stap kunnen beide elementen dan worden verbonden via vasthoudelement die doorheen tenminste één koppel overlappende sleuven in te voegen en vast te zetten, bijvoorbeeld door een schroef doorheen tenminste één koppel overlappende sleuven in te voegen en vast te draaien met een moer zoals getoond wordt op figuur 9 of via gebruik van een clip of ieder ander element geschikt geacht door de vakman.
Analoog als de verbinding tussen opeenvolgende conische kabelbanen, kan de verbinding tussen het rechte gedeelte 30 van het verbindingsstuk 20 en het kabelbaan accessoire 23 gebeuren via een vijfde 35 en zesde 36 complementair samenwerkingsdeel voorzien op de bodemdelen en/of opstaande zijdelen, waarbij de vijfde en zesde samenwerkingsdelen ieder element kunnen zijn geschikt geacht door de vakman, zoals bijvoorbeeld een samenwerkende sleuf en uitstekend deel of een samenwerkende gleuf en uitsparing.
Bij voorkeur gebeurt de positionering van het verbindingsstuk 20 ten opzichte van de kabelbaan 22 en het verbindingsstuk accessoire 23 alternerend, d.w.z. dat het bodemdeel van het conische gedeelte van het verbindingsstuk onder de conische kabelbaan en het bodemdeel van het rechte gedeelte van het verbindingsstuk op het kabelbaan accessoire wordt gepositioneerd zoals getoond wordt op figuur 9 of omgekeerd. Een dergelijke alternerende positionering resulteert in een sterker geheel met een grotere dragende capaciteit.
Het verbindingsstuk 20 getoond in de figuren is een recht verbindingsstuk met twee uiteinden, waarvan één conisch en één niet-conisch, verbonden via een derde gedeelte 31. Op analoge wijze zijn in het kader van de uitvinding ook een gebogen of gehoekte verbindingsstukken met twee uiteinden mogelijk, of verbindingsstukken met drie of meer uiteinden, zoals bijvoorbeeld eeh T-stuk met één conisch en twee niet-conische uiteinden, een T-stuk met twee conische en één niet-conisch uiteinde, een kruispuntstuk met vier uiteinden, waarvan minstens één conisch en minstens één niet conisch, om twee kabelbanen met elkaar te kruisen, enz.

Claims (14)

1. Een kabelbaan samenstelling (1) omvattende een veelheid aan op elkaar geplaatste kabelbanen (2, 2’) met nagenoeg gelijke doorsnede, waarbij elk van de kabelbanen een U-vormige doorsnede heeft en een bodemdeel (3, 3’) omvat en twee opstaande zijdelen (4, 5, 4’, 5’) . voorzien aan tegenover elkaar liggende longitudinale randen van het bodemdeel (3, 3’), waarbij de opstaande zijdelen (4, 5, 4’, 5’) zich onder een hoek van meer dan 90° uitstrekken ten opzichte van het bodemdeel (3, 3’) voor het vormen van een conische kabelbaan (2, 2’) waarbij elk van de opstaande zijdelen (4, 5, 4’, 5’) een naar buiten geplooide bovenste longitudinale rand (6, 6’) omvatten, gekenmerkt doordat de naar buiten geplooide bovenste longitudinale rand (6) van ieder van de veelheid aan kabelbanen (2) naar onder toe open is en voorzien is voor het opnemen van de naar buiten geplooide bovenste longitudinale rand (6’) van een daaronder geplaatste kabelbaan (2') van de kabelbaan samenstelling (1).
2. Een kabelbaan samenstelling volgens conclusie 1, gekenmerkt doordat tenminste één van de opstaande zijdelen (4, 5, 4’, 5’) van ieder van de veelheid aan kabelbanen (2, 2’) een veelheid aan longitudinale sleuven (7, 7’) omvat.
3. Een kabelbaan samenstelling volgens één der conclusies 1-2, gekenmerkt doordat het bodemdeel (3, 3’) en/of tenminste één van de opstaande zijdelen (4, 5, 4’, 5’) van ieder van de veelheid aan kabelbanen (2, 2’) een eerste (9, 9’, 11, 11’) en tweede (10, 10’, 12, 12’) complementair samenwerkingsdeel omvatten, waarbij het eerste en tweede samenwerkingsdeel zich uitstrekken in eikaars verlengde en op een zekere afstand van elkaar, en waarbij het eerste complementair samenwerkingsdeel (9, 9’, 11, 11’) van de kabelbaan voorzien is voor het opnemen van een volgende tweede complementair samenwerkingsdeel (10, 10’, 12, 12’) van een op de kabelbaan geplaatste volgende kabelbaan of omgekeerd.
4. Een kabelbaan samenstelling volgens conclusie 3, gekenmerkt doordat het eerste complementair samenwerkingsdeel een sleuf (11, 11’) is en het tweede complementair samenwerkingsdeel een zich in het vlak van het bodemdeel en/of tenminste één van de opstaande zijdelen uitstrekkende plooibare uitsparing (12,12’) is.
5. Een kabelbaan samenstelling volgens één der conclusies 3-4, gekenmerkt doordat het eerste complementair samenwerkingsdeel een sleuf (9, 9’) is en het tweede complementair samenwerkingsdeel een zich uit het vlak van het bodemdeel en/of tenminste één van de opstaande zijdelen uitstrekkend uitstekend deel (10, 10’) is.
6. Een kabelbaan samenstelling volgens één der conclusies 1-5, gekenmerkt doordat de eindrand van de naar buiten geplooide bovenste longitudinale rand van ieder van de veelheid aan kabelbanen een naar binnen geplooid einddeel (13) omvat.
7. Een kabelbaan samenstelling volgens één der conclusies 1-6, gekenmerkt doordat tenminste één van de veelheid aan kabelbanen vervaardigd is uit geplooid plaatstaal.
8. Een verbindingsstuk (20) voor het verbinden van een conische kabelbaan (2, 2’, 22) met een kabelbaan accessoire (23) met U-vormige doorsnede waarbij het kabelbaan accessoire een accessoire bodemdeel (37) omvat en twee opstaande rechte accessoire zijdelen (38, 39) die zich onder een hoek van in hoofdzaak 90° uitstrekken ten opzichte van het accessoire bodemdeel (37), waarbij het verbindingsstuk (20) een verbindingsstuk bodemdeel (24) omvat en tenminste een eerste uiteinde (25, 26) en een tweede uiteinde (28, 29) met telkens twee opstaande verbindingsstuk zijdelen (25, 26, 28, 29) voorzien aan tegenover elkaar liggende longitudinale randen van het verbindingsstuk bodemdeel (24), gekenmerkt doordat de opstaande verbindingsstuk zijdelen van het eerste uiteinde (25, 26) zich onder een hoek van meer dan 90° uitstrekken ten opzichte van het verbindingsstuk bodemdeel voor het vormen van een conisch gedeelte (27) van het verbindingsstuk (20), en waarbij de opstaande verbindingsstuk zijdelen van het tweede uiteinde (28, 29) zich onder een hoek van in hoofdzaak 90° uitstrekken ten opzichte van het verbindingsstuk bodemdeel voor het vormen van een recht gedeelte (30) van het verbindingsstuk, en waarbij het conische gedeelte (27) van het verbindingsstuk aangepast is aan de conische vorm van de conische kabelbaan (2, 2’, 22) en nagenoeg volledig nestbaar is in een deel van de aanliggende conische kabelbaan of omgekeerd en waarbij het recht gedeelte (30) van het verbindingsstuk aangepast is aan de vorm van het kabelbaan accessoire (23) en nagenoeg volledig nestbaar is in een deel van het aanliggende kabelbaan accessoire of omgekeerd.
9. Een verbindingsstuk volgens conclusie 8, gekenmerkt doordat de opstaande verbindingsstuk zijdelen (25, 26) van het conische gedeelte (27) van het verbindingsstuk een naar buiten geplooide bovenste longitudinale rand (32) omvatten die naar onder toe open is en voorzien is voor het opnemen van tenminste een deel van een naar buiten geplooide bovenste longitudinale rand van de aanliggende conische kabelbaan of omgekeerd.
10. Een verbindingsstuk volgens één van de conclusies 8-9, gekenmerkt doordat het bodemdeel (24) en/of tenminste één van de ópstaande zijdelen (25, 26) van het conische gedeelte (27) van het verbindingsstuk en van de aanliggende conische kabelbaan een veelheid aan sleuven (40,41, 7, 7’) omvat.
11. Een verbindingsstuk volgens één der conclusies 8-10, gekenmerkt doordat het bodemdeel (24) en/of tenminste één van de opstaande zijdelen (25, 26) van het conische gedeelte (27) van het verbindingsstuk en van de aanliggende conische kabelbaan een derde en vierde complementair samenwerkingsdeel omvatten, waarbij het derde en vierde samenwerkingsdeel zich uitstrekken in eikaars verlengde en op een zekere afstand van elkaar, en waarbij het derde complementair samenwerkingsdeel van het verbindingsstuk voorzien is voor het opnemen van een volgende vierde complementair samenwerkingsdeel van de op het verbindingsstuk geplaatste conische kabelbaan of omgekeerd.
12. Een verbindingsstuk volgens één der conclusies 8-11, gekenmerkt doordat het bodemdeel (24) en/of tenminste één van de opstaande zijdelen (28, 29) van het rechte gedeelte (30) van het verbindingsstuk en van het aanliggende kabelbaan accessoire een vijfde (35) en zesde (36) complementair samenwerkingsdeel omvatten, waarbij het vijfde en zesde samenwerkingsdeel zich uitstrekken in eikaars verlengde en op een zekere afstand van elkaar, en waarbij het vijfde complementair samenwerkingsdeel van het verbindingsstuk voorzien is voor het opnemen van een volgend zesde complementair samenwerkingsdeel van het op het verbindingsstuk geplaatst kabelbaan accessoire of omgekeerd.
13. Een verbindingsstuk volgens één der conclusies 8-12, gekenmerkt doordat het verbindingsstuk een derde gedeelte (31) omvat voorzien voor het verbinden van de opstaande verbindingsstuk zijdelen van het eerste en tweede uiteinde en het vormen van een overgangsgedeelte tussen het eerste en tweede uiteinde.
14. Een verbindingsstuk volgens één der conclusies 8-13, gekenmerkt doordat het verbindingsstuk vervaardigd is uit geplooid plaatmetaal.
BE2009/0187A 2009-03-26 2009-03-26 Conische kabelbaan. BE1018514A3 (nl)

Priority Applications (3)

Application Number Priority Date Filing Date Title
BE2009/0187A BE1018514A3 (nl) 2009-03-26 2009-03-26 Conische kabelbaan.
EP10157905A EP2234230B1 (en) 2009-03-26 2010-03-26 Conical cable duct
PL10157905T PL2234230T3 (pl) 2009-03-26 2010-03-26 Stożkowy kanał kablowy

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
BE200900187 2009-03-26
BE2009/0187A BE1018514A3 (nl) 2009-03-26 2009-03-26 Conische kabelbaan.

Publications (1)

Publication Number Publication Date
BE1018514A3 true BE1018514A3 (nl) 2011-02-01

Family

ID=41226638

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
BE2009/0187A BE1018514A3 (nl) 2009-03-26 2009-03-26 Conische kabelbaan.

Country Status (3)

Country Link
EP (1) EP2234230B1 (nl)
BE (1) BE1018514A3 (nl)
PL (1) PL2234230T3 (nl)

Families Citing this family (17)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
EP2501972B1 (en) * 2009-11-18 2014-12-31 Kiraç Metal Ürünler San. VE T C. Ltd. T. Cable tray
ES2354556B1 (es) * 2010-10-20 2012-02-07 Pemsa Pequeño Material Electrico, S.A. Accesorio universal de unión para bandejas portacables de chapa.
KR200461570Y1 (ko) 2011-05-26 2012-07-20 삼성중공업 주식회사 케이블트레이 연결장치
TR201105767A2 (tr) * 2011-06-13 2012-12-21 Kiraç Metal Ürünleri̇ San. Ve Ti̇c. Ltd. Şti̇. Hiçbir bağlantı aracına ihtiyaç duymayan kolay geçmeli kablo taşıma kanalı.
BE1020759A3 (nl) * 2012-06-19 2014-04-01 Trayco Nv Kabelgootsysteem, werkwijze voor het aan elkaar koppelen van kabelgootdeelelementen van een dergelijk kabelgootsysteem en kabelgootdeelelement.
DK3123578T3 (en) * 2014-03-27 2018-06-14 Schneider Electric Ind Sas HYBRID CABLE TRACK AND METHOD OF PREPARING IT
FR3027930B1 (fr) * 2014-11-03 2016-12-16 Profiles Sud Pyrenees Profile prolongateur pour la realisation d'une paroi murale, montant telescopique et procede de montage
ES1140762Y (es) * 2015-06-17 2015-09-23 Basor Electric S A Union para bandejas portacables
RU168016U1 (ru) * 2016-01-11 2017-01-17 Андрей Валентинович Пакулин Кабельная полка
RU2617451C1 (ru) * 2016-01-11 2017-04-25 Андрей Валентинович Пакулин Кабельная линия, кабельная полка и способ установки кабельного лотка
IT201700040180A1 (it) * 2017-04-11 2018-10-11 Oscar Pirazzoli Condotto carrabile
GB201711565D0 (en) * 2017-07-18 2017-08-30 Green Mole Ltd Duct
FR3095558B1 (fr) 2019-04-24 2021-04-30 Niedax France Element de fixation de couvercle pour chemin de cables
CN110783865B (zh) * 2019-11-15 2025-06-24 上海建工五建集团有限公司 一种组合式槽式电缆桥架及组装方法
CN111371048B (zh) * 2020-05-28 2020-08-25 宁波纬诚科技股份有限公司 电缆桥架
US20230291188A1 (en) * 2022-03-09 2023-09-14 Eaton Intelligent Power Limited Cable tray splice plate assembly
DE102022001072A1 (de) 2022-03-28 2023-09-28 PohlCon GmbH Kabelrinne

Citations (4)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
EP0057879A2 (de) * 1981-02-04 1982-08-18 Hans Riepe Kabelbahn als Träger von elektrischen Kabeln
US5067678A (en) * 1989-07-31 1991-11-26 Adc Telecommunications, Inc. Optic cable management system
GB2347794A (en) * 1999-03-09 2000-09-13 Vantrunk Engineering Limited Reducer connection
WO2006076746A1 (en) * 2005-01-14 2006-07-20 Peter Johansen Cable tray

Family Cites Families (1)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
CH634178A5 (en) 1978-12-21 1983-01-14 Lanz Ind Technik Ag Cable support

Patent Citations (4)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
EP0057879A2 (de) * 1981-02-04 1982-08-18 Hans Riepe Kabelbahn als Träger von elektrischen Kabeln
US5067678A (en) * 1989-07-31 1991-11-26 Adc Telecommunications, Inc. Optic cable management system
GB2347794A (en) * 1999-03-09 2000-09-13 Vantrunk Engineering Limited Reducer connection
WO2006076746A1 (en) * 2005-01-14 2006-07-20 Peter Johansen Cable tray

Also Published As

Publication number Publication date
EP2234230B1 (en) 2012-05-16
EP2234230A3 (en) 2011-06-22
EP2234230A2 (en) 2010-09-29
PL2234230T3 (pl) 2012-11-30

Similar Documents

Publication Publication Date Title
BE1018514A3 (nl) Conische kabelbaan.
US9209609B2 (en) Cable tray system with splice plate
US8714864B2 (en) Inside wrap post coupler with assembly assist
US5111632A (en) Expandable joist hanger
CN103502687B (zh) 能量导链
JP5781763B2 (ja) ガイドレールの連結部
US8136769B2 (en) Cable tray support assembly
US7708491B2 (en) Splice bar for connecting cable tray sections
CA2956720C (en) Guide device
RU2431911C1 (ru) Решетчатый желоб, соединение решетчатых желобов и способ изготовления такого решетчатого желоба
KR101866260B1 (ko) 건축용 배전 케이블 지지장치
US5257961A (en) Guide channel for receiving and guiding guide chains for energy lines
JP2000515954A (ja) ケーブルトレーユニット部分を組み立てるための継手および得られるケーブルトレーユニット部分
DK3123578T3 (en) HYBRID CABLE TRACK AND METHOD OF PREPARING IT
US12283802B2 (en) Integrated cable tray splice
CN104214435A (zh) 给如缆道的物体提供水平支架的系统和系统用的轨道
US9642457B1 (en) Adjustable frame for hanging folders
US20210131527A1 (en) Separator for an energy chain
US11677221B2 (en) Locking snap-on splice for cable basket
EP1257030B1 (fr) Chemin de câbles
US20090302725A1 (en) Modular Storage System
NL8501389A (nl) Rek met instelbare dragers.
US20040026219A1 (en) Deflecting device for conveyor
US20100025154A1 (en) Modular ladder
EP0301658B1 (fr) Elément de couplage pour faux-plafonds