<Desc/Clms Page number 1>
EMI1.1
Schachtbewegingsmechanisme voor een handweefgetouw.
Bekend is uit het Nederlandse octrooischrift 39.025 ten name van aanvraagster, een half-automatisch schachtbewe- gingsmechanisme voor seen handweefgetouw, waarbij elke schacht bestuurd wordt door een platine, die door een kiesinrichting, overeenkomstig het te weven patroon, met een aanslag in de baan van een, voor de platinen van alle schachten gemeenschap- palijke meenemer kan worden gebracht, welke door een bedie- ningsorgaan, in casu een enkele trapper, bewogen kan worden, zodanig, dat bij bediening van dit orgaan, de bij de uitge- , kozen platinen behorende schachten geheven worden.
Hierbij ontstaat dus een zogenaamd hoogvak, waarbij de sprong zich slechts aan een ,ijde van het normale vlak van de ketting- draden bevindt, aangezien de schachten, behorende bij de niet uitgekozen platinen, geen verplaatsing ondergaan.
Het doel van de uitvinding is een half-automatisch sciiacht- @
<Desc/Clms Page number 2>
beregingsmechanisme van het bovengenoemde -type te verschaf- fen, waarmede op eenvoudige wijze, eveneens met een enkele trapper, een zogenaamd hoog-diepvak wordt verkregen, d.w.z. een vak, dat deels door geheven en deels door vanuit de nor- male middenstand omlaaggetrokken kettingdraden gevormd wordt.
Een dergelijk hoog-diepvak heeft zoals bekend, het voordeel, dat de kettingdraden, om de voor het doorlaten van de schiet- spoel benodigde sprong te verkrijgen, niet zover uit de nor- male gestrekte stand behoeven te worden bewogen, als bij een hoogvak, waardoor zij minder gerekt worden. Het komt dikwijls voor, dat bij een bepaald patroon, sommige kettingdraden meer- malen achter elkander geheven worden, hetgeen bij een hoog- vak tot ongelijkmatige rek van de kettingdraden voert, zodat een deel van de kettingdraden slapper hangt dan de overige, hetgeen in het weefsel zichtbaar is en aanleiding tot breuk van deze kettingdraden geeft, doordat, wanneer bij het wis- selen van het vak deze slappere draden in de normale stand blijven, zij licht door de schietspoel worden gevangen.
Bo- vendien ondervinden bij een hoogvak, de kettingdraden, welke op het loopvlak van de schietspoel blijven liggen, zeer veel wrijving bij het aanslaan van de inslagdraad door de lade, zodat zij sterk aan slijtage onderhevig zijn, terwijl tevens bij elke aanslag een gedeelte van het weefsel wordt geraakt.
Bij een hoog-diepvak treden deze nadelen niet op.
Zoals gezegd is het doel van de uitvinding deze op zich- zelf bekende voordelen van een hoog-depvak, voor een.half- automatisch handweefgetouw met bediening door een enkele trap- per, te verwezenlijken op eenvoudige wijze, d.w.z. onder ver- wijding van ingewikkelde constructies met meerder platinen
<Desc/Clms Page number 3>
of omkeeroverbrengingen voor het teweegbrengen van tegenge- stelde bewegingen van de schachten van opvolgende paren, zo- als deze bij machinale weefgetouwen met Jacquard schachtbe- wegingsmechanisme zijn toegepast.
Het beoogde doel is volgens de uitvinding bereikt, door- dat bij een schachtbewegingsmechanisme van het, in de aanhef beschreven type, elke, een schacht besturende latine voorzien is van een tweede, tegengesteld gerichte aanslag en de extra aanslagen van de platinen, welke niet door de kiesinrichting zijn versteld, zich op het ogenblik van de bediening van het bedieningsorgaan, in de baan van een tweede meenemer bevin- den, welke een gelijke, doch aan die van de eerste meenemer tegengesteld gerichte beweging uitvoert.
In dit verband zij opgemerkt, dat de toepassing van twee, voor tegengestelde beweging gekoppelde meenemers of messen voor het omhoog, resp. omlaag bewegen van eenschacht door middel van platinen en onder het bestuur van een kiesinrich- ting, op zichzelf voor mechanische weefgetouwen reeds bekend is uit "Mechanische Technologie" van Van Royen en de Vooys, Deel II, echter onder toepassing van een gecompliceerd me- chanisme met meerderplatinen en hefboomstelsels voor elke schacht.
Volgens een verder kenmerk van de uitvinding is de hier- boven aangegeven uitvindingsgedachte constructief verwezen- lijkt, doordat de beide meenemers ter weerszijde der in een rij naast elkander liggende, direct en draaibaar aan de schach- ten aangebrachte platinen zijn geplaatst en door minstens één buigzaam, over een rol of geleiding lopend trekorgaan met elkander zijn verbonden, waarbij de ene meenemer met het
<Desc/Clms Page number 4>
bedieningsorgaan is verbonden en de andere onder de werking staat van een terugbrengorgaan.
Met het schachtbewegingsmechainisme volgens de uitvinding wordt behalve de voordelen, voortspruitende uit het werken met een hoog-diepvak, het verdere voordeel verkregen, van een veel lichtere bediening, niet alleen doordat het bedie- ningsorgaan voor het vormen van een hoog-diepvak een veel kleinere slag behoeft te maken-en dus de voet minder hoog opgetilt behoeft te worden.- om de voor het doorlaten van de schietspoel benodigde sprong te verkrijgen, doch mede door het feit, dat de schachten direct geheven en neergetrokken . worden en niet door middel van kettingen en schemels. De directe verbinding van de platinen met de schachten verzekert tevens het feilloos werken van de schachten.
Volgens een ander kenmerk,van de uitvinding draagt de met het beieninsorgaan verbonden meenemer een steunorgaan, dat de schachten in de ruststand op zodanige hoogte houdt, dat de voeten der platinen vrij van de aanslagen der plati- nen blijven, om een ongestoord werken van het mechanisme te verzekeren. bij de practische uitvoering van een weefgetouw met een schachtbewegingsmechanisme volgens de uitvinding, worden voor de reeks schachten twee stelselplatinen en meenemers als boven beschreven, aangebracht, waarbij echter slechts voor één van deze stelsels een kiesinrichting aanwezig is en de platinen van de beide stelsels, door de instelbeweging van deze kiesinrichting in gelijke zin overbrengende organen met elkander zijn gekoppeld.
Aangezien deze beide stelsels zeer dicht bij elkander kunnen worden geplaatst, kan de uit-
<Desc/Clms Page number 5>
vinding ook worden toegepast bij weefgetouwen voor het ver- vaardigen van smalle weefsels of bandjes.
De uitvinding zal hieronder aan de hand van de tekening nader worden toegelicht. fig. 1 toont een verticale langsdoorsnede van een schachtbewegingsmechanisme volgens de uitvinding. fig. 2 is een eindaanzicht van links en fig. 3 een eindaanzicht van rechts van dit mechanisme. net afgebeelde schachtbewegingsmechanisme bestaat uit twee verticale ramen 1 en 2, welke vast opgesteld zijn op een onderlinge afstand, overeenkomende met de breedte van het weefgetouw, waarvoor het mechanisme bestemd is.
russen de opstaande zijstukken van elk dezer ramen zijn twee mee- nemers of messen 3, 4, welke in sleuven 5, 6,van deze zij- stukken verticaal op en neer beweegbaar worden geleid en na- bij de einden door staaldraden 7, lopende over rollen 8, met elkander zijn verbonden, zodat de beide messen voor gelijke, doch tegengesteld gerichte beweging zijn gekoppeld. tiet lin- ker mes 3 is door twee trekstangen 9 verbonden met een dwars- balk lu, waaraan in het midden de trapper 11 is aangebracht, terwijl het rechter mes 4 onder de werking staat van, ander- zijds aan de ondêrbalk van het raam aangrijpende trekveren 12.
Tussen de beide messen 3, 4 bevindt zich een aantal, in een rij achter elkander liggende platinen 13, welke elk bij 14 draaibaar opgehangen zijn aan een, tegen een schacht 15 bevestigde pla.tinehouder 16. Deze platinen 13 worden door twee stellen vast met het raam verbonden pennen 17 op afsstande gehouden en geleid en zijn elk voorzien van twee tegengesteld
<Desc/Clms Page number 6>
gerichte aanslagnokken 18, 19, welke op een onderlinge af- stand, die enigszins groter is den de hoogte van de messen, boven elkander a.an tegenovergestelde zijranden van de plati- nen zijn aangebracht.
De plaatsing van de messen 3, 4, ten opzichte van de platinenreeks is daarbij zodanig, dat in de normale stand van de platinen, waa.rin zij door trekveertjes 13' worden gehouden, de rechte aanslagnok 19 in de baan van het mes 4 ligt, terwijl de linker nok 18 zich buiten de be- wegingsbaan van het mes 3 bevindt. De platinen van het linker raam 1 zijn elk aan het ondereinde door een stang 2u met de overeenkomstige platine van het rechter raam 2 verbonden. verder draagt het mes 3 aan elk einde een verticale steun 21, welke steunen langs de buitenzijde van het raam verschuifbaar worden geleid en nabij het boveneinde met el- kander zijn verbonden door aen dwarsbalk 22, welke een te- genhouder voor de schachten vormt, waarop deze in onwerkzame stand rusten.
De hoogte van deze steunen, althans tot de dwars- balk 22 is daarbij zodanig, dat in deze onwerkzame stand de aanslagnokken 19 vsn de platinen op geringe afstand boven de bovenrand van het rechter mes 4 worden gehouden. uzee bovenrand verloopt schuin overeenkomstig het hoogteverschil der in de kettingrichting achter elkander liggende schachten bij gevormd vak., tiet rechtse raam 4 van het mechanisme draagt een kies- inrichting voor het beheersen van de schachtbewegingen over- eenkomstig het te weven patroon.
Een dergelijke kiesinrichting @ is op zichzelf bekend uit het vroeger genoemde Nederlandse octrooischrift. ij bestaat hier uit een vierzijdig prisma 23,
<Desc/Clms Page number 7>
dat met tappen draaibaar en uitneembaar opgelegd is in een tegen de buitenzijde van het ene zijstuk van het raam beves- tigde houder 24 en aan de vier zijden van in doorsnede flauw conische groeven 23, Aan het ene einde draagt het prisma twee, op enige afstand van elkander liggende ronde schijven 232, waartussen op de hoekpunten van het prisma vier,nokken 233 zijn aangebracht voor samenwerking met een bij 25 aan de bijbehorende steun 21 draaibaar opgehangen haak 26, op nader te beschrijven wijze.
um het prisma 23 ligt een patroonkaartenband bestaande uit door kettingschalmen draaibaar met elkander verbonden latten 27, welke in de groeven van het,prisma passen en in- gericht zijn voor het verwisselbaar opnemen van penvormige druknokken 28, die overeenkomstig het te weven patroon over de latten zijn verdeeld. Een verende pal 29 grendelt het prisma in de achtereenvolgende instelstanden.
De werking van het beschreven schachtbewegingsmechanisme is als volgt:
Elke in de werkstand komende patroonlat drukt, afhan- kelijk van de plaats van de daarin aangebrachte nokken, be- paalde platinen van de rechtse reeks, tegen de werking van de veertjes 13' in, naar links, welke beweging door de ver- bindingsstangen 2U op de overeenkomstige platinen van de lin- ker reeks wordt overgebracht.
Hierdoor wordt de aanslagnok 18 van deze platinen onder het betreffende, direct met de trapperbalk lu verbonden mes 3 gebracht, terwijl de overige, niet door de patroonnokken verstelde platinen in rust blij- ven, d.w.z. met hun hefnok 19 boven het mes 4.
<Desc/Clms Page number 8>
wordt nu de trapper 11 neergedrukt, dan gaan de messen 3 omlaag en de messen 4 dienovereenkomstig omhoog, waarbij de door de kiesinrichting verstelde platinen en dus de bij- behorende schachten tezamen met de tegenhouder 22 omlaag be- wogen en de overige platinen met hun schachten, over een ge- lijke afstand geheven worden, zodat door directe inwerking op de schachten een ten opzichte van het normale vlak van de kettingdraden symmetrisch hoog-diepvak wordt gevormd.
Bij het loslaten van de trapper trekken dé veren 12 de messen 4 en dus de betreffende platinen en schachten omlaag, terwijl de daarbij omhoogbewegende messen 3 de ove- rige platinen en schachten weer omhoog bewegen, waarbij de tegenhouder 22 in zijn hoogste stand de omlaagbewegende schachten opvangt. gedurende het neerdrukken van de trapper 11 is met het mes 3 (.steun 21) de haak 26 omlaag bewogen, zodat deze vrij- gekomen is van de betreffende nok 233 en de volgende nok heeft gegrepen. wanneer het mes 3 weer omhoogbeweegt, zal dus de haak 26 het prisma over 90 draaien, waardoor de volgende patroon- lat in de werkstand komt en de platinen, behorende bij de schachten, welke voor het volgende vak omlaag bewogen moe- ten worden, in de baan van het mes 3 brengt.