<Desc/Clms Page number 1>
INRICHTING: VOOR HET NAAR OPZIJ BIJEEN HARKEN VAN OP: DE GROND LIGGEND GEWAS OF ANDERE PLANTAARDIGE PRODUCTEN.
De uitvinding heeft betrekking op een inrichting voor het naar opzij bijeenharken van op de grond liggend gewas of andere plantaardige pro- ducten, bestaande uit een op loopwielen verrijdbaar gestel, hetwelk voorzien is van een of meer harkwielen, die vrij draeibaar om hun as schuin ten op- zichte van de rijrichting zijn opgesteld en aan de omtrek voorzien zijn van tanden of andere meeneemorganen, die bij voortbeweging van het rijdbare ge- stel door hun aanraking met de grond het of elk harkwiel in draaiing bren- gen en het door hen aangegrepen materiaal zijwaarts afvoereno
Een dergelijke inrichting is bij aardappelrooimachines voor het opzij schuiven van de gerooide aardappelen bekendo Daarbij zijn de assen der harkwielen vast met het gestel verbonden.
De uitvinding beoogt 'een inrichting van deze socrt te verschaf- fen, die in het bijzonder bestemd is als zijaanvoerhark voor gras. hooi;, klaver en dergelijke producten en die het voordeel biedt, dat het harkwiel of elk harkwiel ook bij oneffen terrein steeds met de grond' in aanraking blijft, terwijl desondanks het harkwiel zonder het gebruik van een extra steunpunt niet zwaar op de grond rust.
Daartoe isvolgens de uitvinding de as van het of elk harkwiel verticaal vrij beweeglijk met het gestel verbonden en is uitsluitend in de- ze verbinding een de wieldruk verlichtende inrichting opgenomeno
Op zichzelf is een vrij beweeglijke opstelling van aangedreven harkwielen bij een zwadkeerder bekende Daarbij zijn echter de assen der harkwielen aangebracht in een zwaaibaar met het gestel verbonden raam, dat van een extra steunpunt in de vorm van een steunwiel is voorzien. Overbren-
<Desc/Clms Page number 2>
ging van een dergelijke ondersteuning op een inrichting van het in de aanvraag genoemde type zou tot ongewenste complicaties leiden.
Volgens de uitvinding kan de as van het of elk harkwiel ge- vormd worden door de krukpen van een kruk, waarvan de krukas op het ge- stel is gelegerd op een schuin ten opzichte van de rijrichting lopende balk, waarbij tussen de krukarm en het gestel een veer is aangebracht.
Het gewicht van het harkwiel tracht dus de kruk;, tegen de werking van de veer in, zodanig te doen draaien, dat het harkwiel naar de grond toe bewo- gen wordt.
Om de grootte van de wieldruk te kunnen regelen, kan daarbij vol- gens de uitvinding de spanning van de veer instelbaar zijn.
Ten einde op eenvoudige wijze door het oplichten van het hark- wiel of van een aantal harkwielen de werking daarvan te kunnen uitschake - len, kan voorts volgens de uitvinding met de of elke kruk een arm vast verbonden zijn, waarvan het vrije uiteinde is voorzien van een opening, waardoor een trekorgaan is heengevoerd, hetwelk achter de opening van een aanslagorgaan is voorzien, een en ander zodanig, dat bij in voorwaartse richting verstellen van het trekorgaan, het aanslagorgaan het uiteinde van de arm naar voren trekt en daarbij de kruk naar boven gedraaid wordt.
In de tekening is bij wijze van voorbeeld een uitvoeringsvorm van een inrichting volgens de uitvinding, voorzien van een reeks harkwie- len, zeer schematisch weergegeven.
Fig. 1 toont de inrichting in bovenaanzicht, waarbij alleen de voor een goed begrip van de uitvinding noodzakelijke onderdelen zijn weer- gegeven.
Fig. 2 toont twee achter elkaar gelegen harkwielen in zijaan- zicht.
De inrichting bestaat uit een rijdbaar gestel, dat door een aantal loopwielen 1, 2 en 3 is ondersteund. Van dit gestel zijn slechts een dwarsbalk 4 aan het vooreinde en een van deze balk schuin naar achte- ren lopende draagbalk 5, alsmede twee met stippellijnen aangeduide ver- bindingsbogen 6 en 7 weergegeven. Het achterste loopwiel 3 is bij voor- keur met zijn as draaibaar om een verticale as aangebracht en kan daarbij in alle gewenste stand worden vastgezet. Deze instelbaarheid van het ach- terwiel 3 is van belang om bij het rijden de schuine stand van de draag- balk 5 ten opzichte van de rijrichting te kunnen variƫren;, waardoor de ma- noeuvreerbaarheid van de inrichting wordt verhoogde
In de draagbalk 5 zijn draaibaar enige krukken 8 aangebracht.
Op de krukpen van elke kruk 8 is draaibaar een harkwiel 9 gemonteerd. Door het gewicht der harkwielen 9 hebben de krukken 8 de neiging om haar aan of in de draagbalk 5 gelegerde krukassen te gaan draaien, totdat de harkwie- len op de grond rusten. Om de grootte van de druk van de wielen op de grond te verminderen en dus te bereiken, dat de wielen slechts licht met de grond in aanraking zijn, zonder dat zij daarbij van een steunwiel of een ander extra steunpunt zijn voorzien, zijn de krukarmen door trekveren 10, waarvan de spanning bij voorkeur instelbaar is, met de draagbalk 5 verbonden. De ve- ren 10 hebben de neiging de krukken 8 tegengesteld aan de door het gewicht der harkwielen 9 veroorzaakte draaiing te doen bewegen.
De harkwielen 9 zijn aan hun omtrek van tanden 11 of dergelijke meeneemorganen voorzien (zie fig. 2)o Deze tanden zijn dus aan de onderzijde van het wiel licht met de grond in aanraking. Wordt nu het rijgestel in de richting van de in fig. 1 getekende pijl naar voren bewogen, dan zal de op elke met de grond in aanraking zijnde tand werkende kracht een ontbondene opleveren in het wielvlak, welke oorzaak is, dat elk harkwiel om de krukpen van de kruk 8 gaat draaien. Bij de draaiing der harkwielen wordt het op de grond liggende materiaal (zoals b.v. gras of hooi) door de tanden 11 aange- grepen en medegenomen.
Zoals uit fig. 2 blijkt, zijn de wielen 9 bij voorkeur niet als spaakwielen uitgevoerd, doch worden de wielvlakken door vlakke of ge-
<Desc/Clms Page number 3>
bogen, dichte of slechts van kleine openingen voorziene platen 12 gevormd.
Daar verder de harkwielen 9 elkaar zijdelings in belangrijke mate overlap- pen, vormt de reeks wielen tezamen een nagenoeg aaneengesloten keeropper- vlak. hetwelk doorlating en daarmede verlies van materiaal? ook bij het optreden van wind, verhindert.
Het op de grond liggende materiaal wordt door het voorste hark- wiel aangegrepen en zijwaarts in het bereik van het tweede harkwiel neerge- legd om vervolgens door de tanden van het tweede harkwiel te worden aan- gegrepen. Het materiaal wordt dus van wiel tot wiel gevoerd en ten slotte door het laatste wiel zijwaarts gedeponeerd. De gehele inrichting heeft dus het effect van een z.g. zijaanvoerharko In plaats van hooi. gras en dergelijk licht materiaal, kunnen echter met de inrichting volgens de uit- vinding ook andere op de grond liggende gewassen en landbouwproducten naar opzij worden weggeharkt.
De afgebeelde inrichting is voorts van een mechanisme voorzien om de harkwielen of een aantal daarvan van de grond op te heffen en daar- door uit te schakeleno Dit mechanisme wordt gevormd door op elke krukarm (zie fig. 2) vast een arm 13 aan te brengen en deze armen 13 van een ope- ning 14 te voorzien, waarbij dan door deze openingen 14 een kabel 15 of der- gelijk trekorgaan is heengevoerd. welke kabel achter elke opening 14 van een klos 16 of ander aanslagorgaan is voorzien, een en ander zodanig, dat, wanneer aan de kabel 15 in de richting van de in figo 2 getekende pijl ge- trokken wordt, de armen 13 en daarmede de krukken 8 om hun in de balk 5 gelegerde krukassen 17 gedraaid en dus de harkwielen 9 van de grond opge- licht worden.
In de werkstand van de harkwielen bevinden zich de klossen 16 op enige afstand van de openingen 14, zodat elk wiel zich aan oneffen- heden van de grond kan aanpassen, daar de arm 13 langs de kabel 15 naar beide richtingen vrij kan uitslaano In fig. 2 is de kabel 15 gestrekt gete- kend, doch in de werkstand der harkwielen zal deze kabel gewoonlijk meer of minder sterk doorhangeno
EISEN.
1. Inrichting voor het naar opzij bijeenharken van op de grond liggend gewas of andere plantaardige producten, bestaande uit een op loop- wielen verrijdbaar gestel. hetwelk voorzien is van een of meer harkwielen, die vrij draaibaar om hun as schuin ten opzichte van de rijrichting zijn op- gesteld en aan de omtrek voorzien zijn van tanden of andere meeneemorganen, die bij voortbeweging van het rijdbare gestel door hun aanraking met de grond het of elk harkwiel in draaiing brengen en het door hen aangegrepen materiaal zijwaarts afvoeren:, met het kenmerk. dat de as van het of elk harkwiel (9) verticaal vrij beweeglijk met het gestel is verbonden en uit- sluitend in deze verbinding een de wieldruk verlichtende inrichting is opgenomen.
2.Inrichting volgens eis 1, met het kenmerk, dat de as van het of elk harkwiel (9) wordt gevormd door de krukpen van een kruk (8), waar- van de krukas op het gestel is gelegerd op een schuin ten opzichte van de zijrichting lopende balk (5) en waarbij tussen de krukarm en het gestel een veer (10) is aangebracht. **WAARSCHUWING** Einde van DESC veld kan begin van CLMS veld bevatten **.