<Desc/Clms Page number 1>
WERKWLJZE EN INRICHTING TER VERVAARDIGING VAN OPTISCH HOMOGENE VORM- 'DRUKKEN UIT KORRELIGE NATUURLIJKE OF KUNSTMATIGE, HOOGPOLYMERE, THERMOPLASTISCHE STOFFEN.
Bij de vervaardiging van spuitgietartikelen uit natuurlijke of kunstmatige, hoogpolymere, thermoplastische stoffen,gaat men uit van meer of minder uitgepolymeriseerd materiaal in de vorm van stukjes, b. v. kor- rels,of van poeder.
Het relatief harde materiaal wordt daartoe in gesloten appara- ten, zoals spuitgiet- of extrusiemachines, verhit, onder druk geplaatst en in weke toestand door gaatjes of mondstukken geperst en in de gewenste vorm gebracht en als zodanig gekoeld.
Wanneer het betrekking heeft op de vervaardiging van enkele vormstukken van begrensde afmetingen, waarvoor men, zoals bekend, gietvor- men toepast, dan gebruikt men voor het verhitten en samenpersen van het korrelige, thermoplastische materiaal en voor het persen van het deegvor- mige materiaal uit het mondstuk, inrichtingen, welke van persstempels zijn voorzien, en welke intermitterend of portiegewijs werken en welke men in- jectiespuitgietinrichtingen noemt.
Heeft het echter betrekking op de vervaardiging van onbegrensd lange vormstukken, zoals staven, profelstangen, buizen, banden en der- gelijke, of op het bekleden van draden, kabels enz. met het thermoplasti- sche materiaal, dan is daarvoor beter geschikt de streng- of extrusiepers, welke is voorzien van een continu werkende wormschroef.
Deze inrichtingen hebben in den regel gemeen, dat ze uit een perscylinder bestaan, welke aan het begin is voorzien van een vultrechter voor het nog vaste, kleingemaakte, thermoplastische materiaal, in welke cylinder de persstempel resp. de wormschroef stootsgewijs resp. continu draaiend kan worden bewogen, welke cylinder op enige afstand van de vul- trechter van een verwarmingsinrichting is voorzien om het eerst nog vaste, kleingemaakte materiaal tot een weke deegachtige of zelfs hálfvloeibare mas- sa om te vormen, welke massa dan aan het einde van de perscylinder door het'daarop geplaatste mondstuk kan worden uitgeperst.
<Desc/Clms Page number 2>
De verdichting van het eerst nog korrelige, lichtinsluitende materiaal vindt reeds voor het grootste gedeelte onder de hoge druk van de pers inrichting plaats, vòòrdat het verweken of smelten begint. De dan eveneens onder druk komende lucht kan bij de extrusiepers continu en bij de injectiegietinrichtingen bij elke teruggang van de stempel ongehinderd naar achteren door het verse vulmateriaal ontwijken.
De verhitting van de persmassa heeft meestal van buitenaf plaats aan de reeds genoemde plaats van de perscylinder.
Daartoe kan de cylinder voorzien zijn van een dubbele wand voor het verhittingsmedium, zoals stoom of vloeistoffen. Meestal wordt ook electrische, bij voorkeur weerstandverwarming, toegepast.
Het pas toegevoerde korrelige materiaal moet soms voor voor- tijdige verweking'behoed worden, waarom het noodzakelijk kan zijn voor- zorgsmaatregelen te treffen, b.v. op die manier, dat men het vrije pers- cylinderstuk overeenkomstig verlengt of een gekoelde zone inschakelt, voor- dat de eigenlijke verhitting begint.
Onverschillig nu, of men met de ene of andere soort genoemde inrichtingen werkt, of intermitterend enkele halffabrikaten of fabrikaten met begrensde afmetingen in gietvormen, of continu onbegrensd lange vormstuk- ken uit het thermoplastische materiaal worden vervaardigd, altijd moet men, zoals bekend, met het gebrek rekening houden, dat de producten niet optisch homogeeen zijn. De producten vertonen stromingslijnachtige effecten, welke men "sluiers" noemt.
Deze gebreken staan, zoals men vermoedt, direct of indirect in verband met stromingsverschijnselen, welke zich bij het persen en voortbe- wegen van de verweekte, thermoplastische massa vormen. De eigenlijke oor- zaken kunnen blijkbaar, zoals werd gevonden, zeer verschillend zijn.
Het verschijnsel vertoont zich reeds bij ongeverfde en zelfs heldere spuitgietartikelen uit b.v. celluloseacetaat en schijnt veroorzaakt te worden door de oriënterende werking van de stroming op de moleculen of molecuulaggregaten.
Duidelijker treden de sluiers te voorschijn, wanneer het ther- moplastische materiaal geverfd is en in het bijzonder, wanneer pigmenten als kleurstof worden toegepast.
Het verschijnsel vertoont zich dan ook bijzonder sterk, wanneer het thermoplastische materiaal gevoelig is voor zuurstof of temperatuur, en tengevolge van deze gevoeligheid, of door oxydatie in de warmte, of reeds door de warmte alleen veranderingen ondergaat, welke meestal gepaard gaan met een zekere verkleuring.
De verhinderingevan dergelijke veranderingen en dientengevolge verkleuringen is des te moeilijker, wanneer bij dergelijke polymeren, zoals b.v. polyamiden, het smeltpunt en ontledingspunt verhoudingsgewijs dicht bij elkaar liggen.
Echter ook bij thermoplastische stoffen, zoals celluloseacetaat of polystreen, waarbij smelt- en ontledingspunt verhoudingsgewijs nog ver van elkaar liggen, vertonen de daaruit vervaardigde gietstukken nog dik- wijls sluiers.
Daar alle in aanmerking komende thermoplastische stoffen warmte slechts moeilijk geleiden, treden in de verwekings- en smeltraimte grote temperatuursverschillen op. Dit veroorzaakt een betrekkelijk ongelijkma- tige verhitting van de massa. Aan de warmge-afgevende metalen wanden treedt de verhitting en verweking der massa eerder en sterker op dan verder van de wanden verwijderd. Daar komt nog bij, dat de massa zich in de nabijheid van de wanden langzamer voortbeweegt dan op enige afstand daarvan.
Elke verandering van de mas.sa, welke van de temperatuur afhauft, moet daarom tengevolge van deze ongelijkmatige verhitting ook leiden tot on- gelijkmatigheden met betrekking tot deze veranderingen.
<Desc/Clms Page number 3>
Zo zullen in de polymeermassa aanzienlijke viscositeitsverschillen aanwezig zijn.
Bij de verwerking van thermoplastische materialen moet men er re- kening mee houden, dat ze als uitgangsmateriaal soms slechts gedeeltelijk of nog niet geheel uitgepolymeriseerd of uitgecondenseerd zijn. In dergelijke gevallen, die zowel toevallig of opzettelijk kunnen zijn, gaat de molecuulver- groting door de verhitting in de cylinder verder, wat tot verdere ongelijkma- tigheden in de uit te persen massa moet -leiden.
Tenslotte is er,zoals werd gevonden, nog een belangrijke fouten- bron aanwezig,waaraan tot nog toe schijnbaar weinig aandacht is besteed.
Bij de spuitgietwerkwijze gaat men, zoals aangegeven, van korre- lig materiaal uit en verhit dit in de spuitgietapparaten om talrijke redenen slechts zo hoog als noodzakelijk schijnt voor het persen.
Wanneer echter nu een-dergelijk korrelig materiaal door verhitting wordt verweekt en onder druk wordt gezet, dan wordt zeer spoedig de indruk gewekt, dat de massa homogeen is en kan dan op zichzelf goed persbaar zijn.
Desalniettemin kan de massa tussen de enkele gedeelten nog onvolledig gesmol- ten grensvlakken vertonen, welke dan in het vervaardigde product structurele onregelmatigheden zoals sluiers,vertonen.
Deze laas te oorzaak van de sluiervorming doet zich in het bij- zonder dan, op gevaarlijke wijze gelden, wanneer de op-pervlakten van het kor- relige uitgangsmateriaal op de één of andere wijze ten opzichte van de-kernen der korrels zijn veranderd.
Dergelijke veranderingen kunnen b.v. dan aanwezig zijn, wanneer het korrelige materiaal gedurende lange tijd ondoelmatig is opgeslagen., zodat de oppervlakken der korrels door vocht- of stofopneming, oxydatie of tenge- volge van chemische aantasting waren veranderd. Zekere verschillen in inwen- dige en uitwendige samenstelling van de korrels kunnen ook veroorzaakt worden door het uitzweten van laag moleculaire bestanddelen, wat bij een hoog gehalte aan oligomeren in verbinding met grote temperatuurschommelingen kan voorkomen.
Tot dergelijke verschijnselen kunnen ook pigmenten leiden., waarme- de het korrelige materiaal voor het verven of matteren wordt beladen en in het bijzonder dan, zoals dikwijls geschiedt, wanneer het pigment met filmvor- mende stoffen op het korrelig materiaal is gehecht.
Al deze gebreken kunnen het beste door de gezamenlijke toepassing van twee middelen worden voorkomen. Hiertoe moet men enerzijds uitgaan van korrels polymeer, welke op zichzelf een geringe neiging hebben tot sluier vorming bij het spuitgieten, terwijl het anderzijds noodzakelijk is'de zich in de massa bevindende onregelmatigheden te verstoren,voordat de massa het mondstuk van het spuitgietapparaat verlaat en tot producten stolt.
De uitvinding heeft nu in het bijzonder betrekking op middelen om de laatste opgave zo mogelijk volkomen op te lossen. In dit opzicht is het reeds bekend de volgende hulpmiddelen toe te passen :
Bij de vervaardiging van gekleurde halffabrikaten en fabrikaten heeft men het kleingemaakte of korrelige materiaal eerst geverfd, teneinde reeds vooruit de aparte deeltjes van de kleurstof te voorzien. Men heeft de van kleurstof voorziene deeltjes ook tussentijds gesmolten en de gestolde massa vòòr het vullen van het spuitgietapparaat opnieuw gemalen.
Bij toepassing van pigmenten heeft men geprobeerd het pigment op de korrels te hechten. In bijzondere gevallen zijn de met pigment bela- den korrels tussentijds gesmolten en de gestolde massa gemalen, of men heeft de smelt voor het stollen tot draden van bepaalde dikte versponnen en deze na afkoelen op de gewenste lengte .,gesneden.
Men heeft er ook prijs op gesteld de deeltjes een gelijkmatige vorm en grootte te geven, daar ze dan beter door middel van de trechter aan het spuitgietapparaat kunnen worden toegevoerd. Hiertoe verspint men het thermoplastische materiaal tot draden met een doorsnede van 3-5 millimeter,
<Desc/Clms Page number 4>
waarna men de draden tot stukjes van 3 - 5 millimeter'hakt. Ook deze maatre- gel draagt haar deel er toe bij de voorwaarden tot sluiervorming iets te verminderen.
Al deze maatregelen, welke tot de eerste hulpmiddelen kunnen wor- den gerekend, hebben reeds een zeker effect. Zij kunnen echter het gebrek niet geheel opheffen, daar ze de naderhand optredende thermische en hydrodynamische invloeden en gebreken in de spuitgietinrichtingen niet kunnen beïnvloeden.
Men heeft echter anderzijds de sluiervorming ook daardoor trach- ten te verhinderen, dat men torpedoachtige inzetlichamen in de perscylin- der van het spuitgietapparaat, nl. in of dicht achter de verwekingszône, toepaste om op een dergelijke wijze het axiale deel van de perscylinder, waar de warmte moeilijk komt, uit te schakelen. Tevens heeft men derge- lijke torpedo's een spits toelopende stroomlijnvorm gegeven om de stroom van het polymeer zo weinig mogelijk te storen.
Men heeft dergelijke torpedoachtige inzetstukken ook een ster- vormige doorsnede gegeven om bovendien de stroom in meerdere stroompjes op te lossen.
Ook zijn inzetstukken voorgesteld, welke aan de oppervlakte voorzien zijn van schroefwindengen in beide richtingen. Deze vertonen het nadeel, dat op de kruispunten der groeven resten worden vastgehouden, welke de werking van de groeven gedeeltelijk illusoir maken. Worden de resten later door de materiaalstroom meegenomen, dan veroorzaken deze bijzonder onaangename verontreinigingen in de gietmassa.
Al deze inzetstukken met de tot heden toegepaste vorm hebben in zoverre een verbetering gebracht, dat ze de laagdikte van de te verhitten, slecht warmtegeleidende massa verkleinen.
Tenslotte heeft men ook tussen verwekings- of smeltruimte en mondstuk zeefplaten of zeefpakkingen geplaatst, waardoor een onderverdeling van de massastroom in deelstromen en een zekere homogenisatie in de afzon- derlijke deelstromen werd verkregen. Dit leidde echter niet tot een grondi- ge homogenisatie van de gehele massa als zodanig. proeven hebben nu aangetoond, dat tot nog toe noch de hydrodyna- 'mische, noch de thermische invloeden, welke tot deze gebreken leiden, vol- doende zijn uitgeschakeld, terwijl verder geen middelen zijn toegepast om de eenmaal opgetreden sluiers in de verweekte massa uit te schakelen.
Vandaar dat de huidige spuitgietartikelen dikwijls nog sluiers en dergelijke inhomogeniteiten vertonen en voor bepaalde doeleinden als minderwaardig moe- ten worden beschouwd.
De werkwijze volgens de uitvinding ter vervaardiging van sluier- vrije artikelen uit korrelvormige, natuurlijke of kunstmatige, hoogpolymeie thermoplastische stoffen is nu daardoor gekenmerkt, dat de in de perscy- linder van het spuitgietapparaat voorverwarmde, week geworden thermoplas- tische massa voor het verlaten van het gietmondstuk onder verdere gelijk- matige verhitting en innige wrijving wordt gehomogeniseerd .
Dit kan, zoals werd gevonden,doelmatig daardoor geschieden, dat men de verweekte massa met geweld tussen hete, parallel en dicht bij elkaar liggende wrijvingsvlakken doorvoert.
Bij de practische uitvoering van de werkwijze maakt men gebruik van een brede en zeer nauwe spleet van aanzienlijke lengte, welke door warmtegeleidende metaalvlakken is begrensd en welke op ongeveer de smelt- temperatuur van het polymeer worden verhit en waarvan de hoofdvlakken bij voorkeur op een afstand van elkaar zijn gelegen, welke overeenkomt met de korrelgrootte van het te verwerken materiaal.
Binnen de aangegeven maximaalgrenzen kan men de spleetbreedte aan de aard van het thermoplastische, korrelige materiaal en aan de visco- siteit in verwerkingstoestand aanpassen. -
Bij spuitgietmateriaal uit b.v. polyamiden met een korrelgrootte van 2-5 millimeter werkt men het beste met een spleetbreedte van hoogstens
<Desc/Clms Page number 5>
3 millimeter bij voorkeur ongeveer 1 - 2 millimeter.
Komen poedervormige spuitgietmassa's in aanmerking., dan kan men de spleetbreedte meestal niet beneden de korrelgrootte nemen, maar ook daarbij leidt, zoals werd gevonden, een maximale spleetbreedte van 1 - 2 millimeter tot goed resultaat.
De nauwe spleet, die al naar de omstandigheden, zoals plaat- selijke viscositeit van de massa, snelheid van werken, drukverhoudingen enz., desnoods tot beneden 1 millimeter kan zijn, oefent op de massa een intensief wrijvende werking en tegelijk menging uit.
Tegelijkertijd wordt de massa tengevolge van de kleine afstand tussen de verhittingsvlakken, tot in het inwendige gelijkmatig verwarmd en deze verwarming is des te gelijkmatiger, wanneer het in de nauwe pleet .niet.. alleen gaat om een laminair stromen, maar om een fijnwrijven der massa.
Beide werkingen, de wrijvende en de thermische, komen goed tot hun recht, daar de massa niet door een korte vernauwing,9 maar door een lange spleet wordt geperst, waarvan de lengte kan worden aangepast aan individu- ele omstandigheden.
Vroeger heeft men reeds bij de vervaardiging van banden en dra- den uit bepaalde polymerisatieproducten in het mondstuk van de strengpers een inzetstuk geplaatst hetwelk uit drie bordvormige, met elkaar verbon- den schijven bestond, van welke er twee van openingen waren voorzien en een doorsnede hadden, gelijk aan de inwendige doorsnede van het deel, waarin het inzetstuk was geplaatst. Het derde deel had een kleinere door- snede, zodat de persstof intensief gemengd en met de verhitte wand van het mondstuk in aanraking werd gebracht.
Al brengt deze bekende inrichting zonder twijfel een zekere menging tot stand, toch kan wegens de kortheid van de axiale weg om de rand van de schijf van een verwrijving in aanzienlijke mate geen sprake zijn, vooral omdat over de spleetwijdte, die volgens hier gedane proeven van beslissende invloed is, in het oudere voorstel niets wordt vermeld. Wanneer anderzijds de persmassa door de schijf aan de rand ervan tegen de hete wand wordt gedrukt, dan is deze maatregel ver verwijderd van de temperering van de polymeermassa in de lange, smalle spleet volgens de uitvinding.
Volgens de nieuwe werkwijze kunnen alle gebruikelijke korrel- of poedervormige, natuurlijke of kunstmatige, hoogpolymere, thermoplas- tische stoffen, zoals celluloseacetaat, polystyreen, polyesters,-polyami- den enz., verwerkt worden.
Volgens een practische uitvoeringsvorm kan men in de perscylin- der van het spuitgietapparaat na het persorgaan, d.w.z. na persstempel of persschroef, in plaats van de tot nog toe toegepaste puntige torpedo, coaxiaal een lange inzetcylinder plaatsen, welke doelmatig aan de einden is afgerond en welke de perscylinder radiaal tot op een afstand van minder dan 3 millimeter, bij voorkeur minder dan 2 millimeter, opvult.
De nauwe spleet en de daardoor bedongen zeer geringe laagdikte van de polymeermassa, al is deze massa ook slecht warmtegeleidend, garan- deert een gelijkmatig en gering warmteverval en daarom gelijkmatige verhit- ting van de massa. Tegelijkertijd wordt de massa bij het doorpersen, tussen de dicht bij elkaar gelegen spleetwanden intens verwreven, hetgeen tot een verstoring van alle inhomogeniteiten.leidt.
In het geval van de concentrische spleet, overeenkomend met de inzetcylinder in de perscylinders, wordt het doel ook dan bereikt, wanneer het tweede spleetoppervlak,. d.w.z. de oppervlakte van de inzet- cylinder, niet extra wordt verwarmd, daar deze vanzelf door de massa op temperatuur komt en practisch niet aan afkoeling is onderworpen. Daarom kan deze inzetcylinder vervaardigd zijn uit een slecht warmtegeleidend materiaal.
De minimale lengte van de spleet en daarom ook die van de
<Desc/Clms Page number 6>
inzetcylinder kiest men doelmatig tenminste zo groot als de diameter van de inzetcylinder , bij voorkeur echter aanzienlijk langer en meestal een veel- voud van de genoemde diameter. De minimale lengte is ook afhankelijk van de aard van het polymeer,de snelheid van werken, de drukverhoudingen., de capaciteit van het apparaat en dergelijke. Toch kunnen met hetzelfde appa- raat en hetzelfde inzetstuk verschillende thermoplastische stoffen worden geperst.
Voor het centreren van de inzetcylinder in de perscylinder wordt de inzetcylinder op bekende wijze van afstandsstukken, eventueel van stroom- lijnvormige instelinrichtingen voorzien. Normaal brengt men op twee plaat- sen, bij voorkeur zowel aan de kop als aan het einde van de inzetcylinder drie afstandsstukken aan,die zich op ongeveer 1200 van elkaar bevinden.
Tengevolge van de buitengewoon nauwe en lange spleet en de al- tijd hoge viscositeit van de persmassa ondervindt de inzetcylinder een noge druk in de richting van het mondstuk, zodat het inzetstuK met overeenkomsti- ge instelinrichtingen ter plaatse moet gezekerd worden.
De werkwijze kan nog iets verbeterd worden,wanneer men de in- zetcylinder ook rechtstreeks verwarmt. Dit kan plaatsvinden door eenvou- dige weerstandsverwarming. liet verwrijven van de massa kan verder worden verbeterd, terwijl men dan met -een kortere spleet kan werken, indien men, zoals werd gevondene de beide wanden van de spleet parallel ten opzichte van elkaar beweegt.
In het geval van een inzetcylinder kan deze bijzondere werkwijze op die manier geséhieden, dat inrichtingen aanwezig zijn, waarmede men aan de inzetcylinder een draaiende beweging kan geven. Deze draaiing kan een gelijkmatig roterende of een heen en terug gaande roterende beweging zijn.
Deze rotatiebewegingen van de inzetcylinder kunnen tot dit doel bij voorkeur bij spuitgietapparaten met grote capaciteit,op die manier tot stand worden gebracht, dat de aandrijfas van de inzetcylinder door een bo- ring in de stootsgewijs werkende zuiger of in de wormschroef wordt geleid.
Bij toepassing van een wormschroef kan de inzetcylinder op een- voudige wijze door de wormschroef zelf worden gedraaid.
In het geval, waarbij de. massa, zoals bij de vervaardiging van onbegrensd lange staven,geprofileerde stangen,banden en dergelijke,uit een vast mondstuk vrij wordt uitgestoten., kan men het mondstuk aan de kop van het extrusieapparaat excentrisch plaatsen. Dit biedt dan de mogelijk- heid de aandrijfas voor de inzetcylinder coaxiaal aan de perscylinder door de kopplaat te voeren.
De reeds bekende vòòr het mondstuk geplaatste platen met gaten en zeefpakkingen, die tot nog toe in hoofdzaak dienden voor betere menging kunnen bij de nieuwe werkwijze altijd nog worden toegepast. Bij relatief dun vloeibare gietmassas bestaat nl. het gevaar,dat de massa bij onderbre- king van het gieten uit het mondstuk wil vloeien. Dit uitvloeien wordt we- zenlijk verhinderd, wanneer geperforeerde platen of zeefpakkingen zijn voorgeschakeld.
Geperforeerde platen, die voor het mondstuk zijn geplaatst, kunnen ondertussen nog bijzondere werkingen uitoefenen.
Dit aanvullend deel van de uitvinding is daardoor gekenmerkt., dat de massastroom na het verwrijven en voor het uittreden uit het gietmond- stuk tenminste twee geperforeerde,achter elkaar geplaatste platen moet passeren, van welke platen de éne vaststaat en de andere zich beweegt.
De inrichting volgens de uitvinding kan daartoe de volgende ken- tekenen vertonen. In de cylindrische persruimte na de inzetcylinder zijn na elkaar afwisselend twee soorten geperforeerde platen geplaatst, waarvan de ene soort onbeweeglijk is ingeklemd, terwijl de andere soort de cylin- drische persruimte afdichtend en zuigerachtig opvult en voorzien is van inrichtingen voor het draaien van de plaat.
<Desc/Clms Page number 7>
Zo bereikt men,zoals proeven hebben aangetoond, verhoudings- gewijs goede dooreenmenging van de persmassa, wanneer men voor het giet- mondstuk twee geperforeerde platen plaatste welke op een zekere afstand van elkaar staan en waarvan de ene vaststaat en de andere.wordt gedraaid.
Dan vindt niet alleen een zekere menging van de massa in de af- zonderlijke gaatjes*, resp. deelstromen plaatsmaar ook een vermenging van de deelstromen ouderling.
Men kan de opgave practiseh op die manier oplossendat men voor het mondstuk op bekende wijze een vaste geperforeerde plaat zet en op relatief geringe afstand hiervan naaf de zijde van de inzetcylinder een tweede geperforeerde plaat. die de perscylinder met weinig speling zuiger- achtig afsluit en die om de coaxiale aandrijfas kan worden gedraaid.
De aandrijving van de draaibare geperforeerde plaat kan,al naar de soort van het supitgietapparaat, d.w.z. injectiegietinrichting of strengpers, vanaf de zijde van de persinrichting of vanaf de zijde van het monastuk worden teweeggebracht.
De aandrijving van de draaibare,geperforeerde plaat kan op gelijke wijze geschieden als die van de draaibare inzetcylinder.
Voor het geval een draaibare inzetcylinder en een draaibare,geperforeerde plaat worden toegepast., dan kan de aandrijving van beidezonder verdere complicatie door dezelfde aandrijfas worden bewerkstelligd.
De menging van de gehele massa geschiedt volgens de uitvinding met een vaststaande en draaibare,geperforeerde plaat,bij voorkeur in de ruimte tussen de beide,in verhouding op geringe afstand van elkaar geplaat- ste, platen. De menging is beter, wanneer deze afstand klein is en niet aanzienlijk groter dan de diameter der gaten in de voorste.'Plaat.
De menginrichting kan,zoals werd gevondenzonder grote com- plicatie nog verbeterd wordenwanneer men aan de andere zijde van de draai- bare-.'1 geperforeerde plaat nog een tweedestilstaande geperforeerde plaat aanbrengt. Op deze wijze krijgt men twee mengruimten, aan de uiteinden begrensd door een vaststaandegeperforeerde plaat en in het midden door de gemeenschappelijke,draaibare schijfwaarbij de aandrijfas van deze gaatjesschijf door één der beide andere gaatjesschijven gaat.
Al deze gaatjesschijven, waarvan er enkele kunnen worden ge- roteerd, hebben een mengende werking. Ze zijn echter niet in staat de mengende werking,, welke door de inzetcylinder wordt verkregen,te vervan- gen. Zij zorgen er echter voordat het verwreven materiaal voor het uit- treden uit het mondstuk nogmaals wordt gemengd.
De uitvinding wordt onderstaand aan de hand van de figuren 1 - 3 nader verduidelijkt. Zij stellen loodrechte langsdoorsneden,"door:de inrichtingen in schematische vorm voor.
Figuur 1 stelt een injectiespuitgietinrichting voor met de ge- bruikelijke vultrechter 1 voor het korrelige materiaal het nauwere deel van de perscylinder 2 met de persstempel 3,geen verwijde cylindrische pers- ruimte 4, de verwarmingainrichting 5 en het gietmondstuk 6. In de ver- wijde persruimte 4 bevindt zich de inzetcylinder 7 volgens de uitvinding, welke tussen zichzelf en de wand van de persruimte 4 de smalle spleet 8 openlaat waardoor de verweekte polmeermassa wordt geperst. De centre- ring van de inzetcylinder 7 geschiedt door de stelinrichtingen 9, waarvan er drie aan het voorste en drie aan het achterste deel van de inzetcylinder zijn bevestigd, en welke, om de materiaalstroom niet te storen, een scherpe vorm hebben .
Figuur 2 stelt een extrusieinrichting voor,voorzien van de ge- bruikelijke vultrechter 11, de wormschroef 12, welke door middel van de aan- drijfas 13 kan worden aangedreven. De verwarmingsinrichting voor het verwe- ken van de polymeermassa is niet getekend. In de perscylinderruimte 14 zit aan de wormschroef 12 de inzetcylinder 16 volgens de uitvindingwelke de beweging van de wormschroef 12 meemaakt en-de polymeermassa bij het passe- ren door de nauwe spleet 17 verwrijft. Achter de draaibare inzetcylinder 16
<Desc/Clms Page number 8>
is een geperforeerde plaat 18 geschakeld, waardoorheen de massa moet gaan, voordat deze de inrichting door het mondstuk 19 verlaat.
Figuur 3 stelt eveneens een extrusieinrichting voor. De vul- trechter 21, wormschroef 22 met aandrijfas 23 komen overeen met bekende inrichtingen. In de verlengde perscylinderruimte 24 is'de draaibare inzetcylinder 25 volgens de uitvinding ondergebracht, welke door de aan- drijfas 26 aangedreven kan worden en enerzijds door de drie afstandsstukken 27 in de cylindr.ische pers ruimte 24 en anderzijds door het lager 28 cen- trisch wordt geleid. op de as 26 zit de geperforeerde plaat 29 vast, die zuigerachtig en afdichtend in de cylindrische persruimte kan draaien.
De beide geperforeerde platen 30 en 31 zitten vast in het huis 32. Verwarmings- inrichting en isolering zijn aangegeven door 33 en 34.
Het korrelige materiaal, dat door de vultrechter 21 aan de worm- schroef 22 wordt goegevoerd, wordt door deze, terwijl het reeds in de hit- te verweekt, naar de inzetcylinder 25 gevoerd en daar met geweld door de nauwe ringspleet 35 tussen de wand 24 van de persruimte en inzetcylinder 26 geperst en daardoor intens verwreven.
De verwreven massa verzamelt zich nu in de ruimte 36 en wordt daar enigermate gemengd, door de gaatjes van de vaststaande schijf 30 gedrukt en komt in de ruimte 37, om, na intensieve menging tussen de pla- ten 29 en 30, door de gaatjes van plaat 29 in de ruimte 38 te komen, waar nogmaals een intensieve menging plaatsvindt, voordat de massa door de gaat- jes van de vaststaande plaat 31 het mondstuk bereikt, waar de massa conti- nu tot onbegrensd lange vormstukken wordt gegoten.