<Desc/Clms Page number 1>
INJECTIESPUIT.
De uitvinding heeft betrekking op een injectiespuit van de soort, waarbij gebruik wordt gemaakt van een los, uitwisselbaar, reservoir voor het bevatten van de injectievloeistof. Deze reservoirs bestaan als regel uit een glazen cylindrisch kokertje, dat bij het'ene einde is voorzien van een vast aangebrachte en bij het andere einde van een in de koker verschuifbare rubber stop. De eigenlijke injectienaald staat in verbinding met het inwendige van het reservoir via een binnennaald, die door de vaste stop van het reservoir heen is gedrongen, terwijl de injectievloeistof kan worden uitgedreven door de beweegbare stop naar de vaste stop toe te bewegen, waartoe een drukstang aanwezig is.
Injectiespuiten van deze soort hebben tot nog toe slechts op een beperkt gebied toepassing gevonden, aangezien zij practisch slechts worden gebruikt in de tandartsenpraktijk. De reden hiervan is, dat het voor de medicus in zeer vele gevallen noodzakelijk is om na het inbrengen van de injectienaald in een lichaamsdeel te kunnen controleren of de naald wel op een juiste plaats is aangeland. Daartoe dient de naald op eenvoudige wijze van de spuit te kunnen worden verwijderd en dit is bij injectiespuiten van de eerder beschreven soort onmogelijk. Bij deze gebruikelijke injectiespuiten n.l. wordt gebruik gemaakt van een dubbele naald, bestaande uit een binnen- en een buitennaald, die door middel van een schroefdop tegen de onderzijde van de reservoirhouder wordt bevestigd.
De dubbele naald bezit daartoe een verdikt gedeelte, dat onder de schroefdop wordt gevat en door de schroefdop tegen het vrije einde van de reservoirhouder kan worden vastgeklemd. De buitennaald reikt daarbij naar buiten door een fijne opening in de genoemde schroefdop, terwijl de binnennaald door een vrij lang kanaal is gelegen, dat aangebracht is in de wand die het vrije einde van de reservoirhouder afsluit.
<Desc/Clms Page number 2>
Zou men bij een dergelijke injectiespuit de naald willen losnemen nadat die is ingebracht, dan dient eerst le genoemde schroefdop te worden losgeschroefd. Daarna kan men dus controleren of de naald al dan niet in een bloedvat is terecht gekomen. De moeilijkheid is om dan daarna de naald weer met de reservoirhouder te verenigen. Men dient daarbij n.l. allereerst de binnennaald door het genoemde lange en nauwe kanaal te bewegen, waarbij het uitgesloten is, dat elk contact tussen de punt van de binnennaald en de wand van dat kanaal wordt vermeden. De punt van de binnennaald wordt derhalve onherroepelijk verontreinigd en die verontreiniging wordt even later tot in het inwendige van het vloeistofreservoir gebracht.
Deze consequentie kan uiteraard niet worden aanvaard en daarom moest de toepassing van dit type injectiespuiten beperkt blijven tot die gevallen waarbij de buitennaald na het inbrengen niet meer behoefd te worden losgenomen.
De uitvinding beoogt de injectiespuit van de genoemde soort, die op zichzelf belangrijke voordelen bezit zodanig te verbeteren dat een algemene toepassing mogelijk wordt. Zij beoogt o.m. bij het gebruik van een niet-steriele reservoirhouder mogelijk te maken, dat niettemin op steriele wijze een injectie kan worden toegebracht.
Daartoe is de injectiespuit, in hoofdzaak bestaande uit een van een of meer langssleuven voorzien cylindervormige reservoirhouder, met een daarin gelegen uitwisselbaar, door een vast resp. een verschuifbaar afdichtingsorgaan, zoals een rubber stop, afgesloten vloeistofreservoir, een in langsrichting door het ene einde van de reservoirhouder beweegbare drukstang met een bedieningsknop en een een van binnen- resp. buitennaald voorziene naaldhouder, die bevestigd is op het andere vrije einde van de reservoirhouder, volgens de uitvinding zodanig ingericht dat de naaldhouder bestaat uit een cylindrische pasdop die passend en losneembaar over het in een wand met een centrale opening eindigende vrije einde van de reservoirhouder is geschoven, terwijl de binnennaald zodanig gedimensioneerd resp.
gelegen is ten opzichte van het cylindrische mantelgedeelte van de pasdop dat bij het schuiven van de naaldhouder op de reservoirhouder eerst dat mantelgedeelte in contact komt met de reservoirhouder en daarna de punt van de binnennaald binnen de centrale opening komt te liggen. Daarbij kan volgens de uitvinding de van een centrale opening voorziene reservoirhouderwand vlak zijn uitgevoerd.
Voorts kan volgens de uitvinding de naaldhouder door middel van een bajonetsluiting op de reservoirhouder vastzetbaar zijn. Voorts kan volgens de uitvinding de naaldhouder zijn voorzien van een daarin losneem- baar bevestigde naalddrager waarin de binnen- en/ of de buitennaald losneembaar of vast bevestigd is.
De uitvinding heeft mede betrekking op een van een afsluitdop voorziene koker voor het bevatten van een naaldhouder, waarvan het kenmerk is, dat de naaldhouder resp. in het inwendige van de koker ten dele zodanig onrond is gevormd, dat de naaldhouder tegen draaiing ten opzichte van de koker geborgd is. Deze koker kan volgens de uitvinding zodanig zijn ingericht, dat bij een afgenomen sluitdop, het mantelgedeelte van de pasdop ten dele vrij buiten de koker uitsteekt.
Ter verduidelijking der uitvinding zal onder verwijzing naar de tekening een uitvoeringsvoorbeeld van de injectiespuit worden beschreven.
Fig. 1 is een langsdoorsnede van de injectiespuit zonder naaldhouder ; fig. 2 geeft een naaldhouder weer geplaatst in een naaldkoker ; fig. 3 geeft aan op welke wijze de naaldhouder op de injectiespuit wordt geplaatst : fig. 4 geeft de naaldkoker weer met een daaruit verwijderde naaldhouder.
<Desc/Clms Page number 3>
fig. 5 geeft de naaldkoker weer in bovenaanzicht ; fig. 6 is een aanzicht van een reservoir voor de injectiespuit.
In fig. 1 is in het algemeen een houder weergegeven voor het bevatten van een injectievloeistofreservoir van bekende constructie, zoals weergegeven in fig. 6. Deze houder bestaat uit een tweetal leidstrippen 1 en 2, die elk volgens een cylindervlak zijn gebogen. Door deze houder is een drukstang 3, voorzien van een bedieningsknop 4, in axiale richting be- weegbaar. Aan de onderkant van de houder gaan de beide leidstrippen 1 en 2 over in een manchet 5 van cylindrische vorm. Deze manchet bezit een vlakke onderwand 6 waarin een centrale opening 7 is aangebracht. Op het cylinder- vlak van de manchet 5 zijn een tweetal pennen 8 bevestigd, die deel uit- maken van een nader te beschrijven bajonetsluiting. Over de cylindrische manchet 5 kan een naaldhouder worden geschoven.
Deze bestaat uit een cy- lindrische bus 9, die aan een zijde open is en passend geschoven resp. ge- draaid kan worden over de manchet 5 waarbij een tweetal sleuven 10 om de pennen 8 kunnen grijpen, zodanig dat de bus 9 losneembaar bevestigd is op de manchet 5. De bus 9 is aan de onderzijde gesloten en in dit geslo- ten gedeelte zijn coaxiaal ten opzichte van elkaar een binnennaald 11 en een buitennaald 12 bevestigd.
Zoals uit fig. 2 blijkt is de lengte van de binnennaald zodanig gekozen, dat de punt van de binnennaald enigszins lager is gelegen dan de bovenrand 13 van de bus 9.
De binnennaald 11 kan vast verbonden zijn aan het gesloten einde van de bus 9. Ook echter kan de binnennaald 11 één geheel uitmaken met een verloopstuk 14, terwijl dat verloopstuk door middel van een schroefdraad bevestigd is in het gesloten einde van de bus 9. Op het verloopstuk 14 sluit een nippel 15 aan, die evenals het verloopstuk 14 is voorzien van een langska- naal dat.aansluit op het kanaal door de binnennaald 11.
Volgens fig. 2 is de buitennaald 12 direct bevestigd op de nippel 15. Uiteraard kan ook gebruik worden gemaakt van een losse naald die op ge bruikelijke wijze over de nippel 15 wordt geschoven.
Zolang de injectiespuit nog niet in gebruik is, wordt de naaldhouder bewaard in een naaldkoker 16 welke afsluitbaar is door een dop 17.
De naaldkoker 16 is inwendig zodanig uitgehold, dat de naaldhouder daar gedeeltelijk in past, terwijl een gedeelte van de bus 9 buiten de naaldkoker 16 uitsteekt (zie fig. 2). Het is de bedoeling dat de naaldhouder in steriele toestand in de naaldkoker 16 wordt geplaatst, terwijl de naaldkoker uiteraard ook vooraf gesteriliseerd is. Bevindt zich de naaldhouder in de naaldkoker, dan kan de naaldhouder niet om zijn langas worden gedraaid ten opzichte van de naaldkoker, zulks ten gevolge van het feit, dat het niet-ronde verloopstuk 14 passend is gelegen in een ovale uitholling 18.
Thans zal worden overgegaan tot de beschrijving van het gebruik van de injectiespuit . Daarbij worde vooropgesteld, dat de gebruiker in het algemeen een instrument bij zich heeft volgens fig. l, een aantal naaldkokers volgens fig. 2, met in elk daarvan een steriele naaldhouder, en uiter- aard een aantal gevulde reservoirs. Allereerst wordt een reservoir als weergegeven in fig. 6 in de spuit geplaatst. Dit geschiedt op de gebruikelijke wijze door eerst de drukstang 3 zover mogelijk omhoog te drukken, waarna het reservoir 19 tussen de leidstrippen 1 en'2 kan worden gelegd. Het ondereinde van het reservoir 19 ligt dan binnen de manchet 5, waarbij de stop 20 rust tegen de vlakke wand 6. Vervolgens wordt van een naaldkoker 16 de dop 17 afgeschroefd, zodat het bovengedeelte van de bus 9 vrijkomt.
Terwijl de naaldhouder nog in de naaldkoker 16 blijft - dit laatste orgaan houdt men in de hand - wordt de manchet 5 zover mogelijk in de bus 9 geschoven terwijl daarbij de pennen 8 door de sleuven 10 schuiven. Daarna maakt men een draaiende beweging opdat de bajonetsluiting gesloten wordt. Hierbij wordt dus geprofiteerd van de ovale uitmonding 18, die een draaiing van de naaldhouder
<Desc/Clms Page number 4>
ten opzichte van de naaldkoker verhindert.
Terwijl de bus 9 over de manchet 5 werd geschoven, is de binnennaald 11 door de stop 20 gedrongen, zodat het uiteinde van die naald zich dan bevindt in de injectievloeistof die door het reservoir 19 wordt bevat.
Van essentieel belang is daarbij, dat noodzakelijkerwijze eerst de bovenrand 13 van de bus 9 in contact komt met de manchet 5 en dat pas daarna de punt van de binnenwand 11 in contact kan komen met de stop'20. Dit betekent dat de binnennaald 11 gedwongen gecentreerd ligt ten opzichte van de centrale opening 7 in de vlakke wand 6, zodat de punt van die naald nimmer in aanraking kan komen met de binnenwand van de centrale opening 7, noch met de vlakke wand 6. De injectiespuit is dan, nadat de naaldkoker 16 in axiale richting is verwijderd, gereed voor het gebruik.
Is de buitennaald 12 in een lichaamsdeel ingebracht, dan kan men indien het om een intramusculaire injectie gaat, gemakkelijk controleren of de buitennaald 12 al dan niet een bloedvat heeft geraakt. Gebruikt men een losse buitennaald, dan kan deze van de nippel 15 worden losgenomen om daarna te zien of eventueel bloed uittreedt- Het weer opzetten van de buitennaald is zeer eenvoudig en het werk van een ogenblik.