<Desc/Clms Page number 1>
De uitvinding betreft de metalen stellingen, uitgevoerd door de verbinding van buisvormige elementen. De onderlinge bevestiging van de inrichting, der vernoemde buisvormige elementen stelt een bijzondere belangrijkheid daar in deze aard van constructie. Deze inrichtingen moeten niet enkel een totale veiligheid verzekeren, maar moeten bovendien praktisch, licht en vooral vlug en goed kunnen geplaatst worden. Tenslotte is het van belang dat deze koppelinrichtingen zò opgevat en verwezenlijkt zijn, dat zij met een maximum van veiligheid de krachten kunnen dragen over- gedragen door de buisvormige elementen welke zij onderling moeten verbin- den.
De koppelinrichting,voorwerp der uitvinding, voldoet aan al deze eisen. In hoofdzaak is deze koppelinrichting samengesteld uit twee wiegen aan elkaar bevestigd ; op elke wieg is een halve ring scharnierend aange- bracht ; op elke halve ring is een pen dienstdoende als klemspie aangehaakt.
Elke wieg is gevormd door twee beugels, in hoofdzaak U vormig, waarvan de zijbenen naar hun vrije uiteinden toe naar buiten omgeplooid zijn. Beide beugels van elk paar zijn aan hun uiteinden verenigd door een dwarsstaaf waarrond de halve ring draaibaar is bevestigd. Deze laatste bezit aan zijn vrij uiteinde een oor waaraan de pen dienstdoende als klemspie is vastge- haakt.
De vernoemde halve ringen en wiggen zijn op zulke wijze vervaardigd dat de bevestigingsoperatie uitermate gemakkelijk verloopt, en dat er tussen de nevens elkaar liggende elementen een voldoende onderlinge contactoppervlakte is, teneinde de drukkingen te verminderen.
Gans de koppelinrichting is zo opgevat dat een onderlinge en doorlopende verbinding van de bestaande elementen verzekerd is, wat leidt tot een voortreffelijke en praktische koppelinrichting, zowel voor de behandeling als voor het plaatsen zelf.
Al de kenmerken van deze koppelinrichting worden nader verklaard in de hierna volgende beschrijving aan de hand van bijgaande tekening, in dewelke : de figuur 1 een perspectiefzicht voorstelt van de koppeling voorwerp der uitvinding ; haar verschillende elementen bevinden zich in geopende stand ; de figuren 2, 3 en 4 stellen drie achtereenvolgende stelfazen voor van een koppeling ; de figuur 5 is een perspectiefzicht van de koppeling na montage ; de figuur 6 stelt in voor- en zijzicht een detail van de constructie voor.
In deze uitvoering is de koppelinrichting samengesteld uit twee wiegen 1-2, aan elkaar gelast in tegengestelde richting ten opzichte van elkaar. Elke wieg is gevormd door twee gelijklopende beugels, in dit geval uitgevoerd door een staaf met vierkante doorsnede, welke geplooid zijn in U vorm op zulke manier dat er een middenbeen 3, en twee zijbenen 4-5 gevormd worden. Het vrije uiteinde der zijbenen 4 is op zulke wijze omgeplooid dat het een vrij deel 2 vormt.
De zijbenen 5 zijn lichtjes gebogen naar hun vrij uiteinde toe.
De benen 5 van het zelfde paar beugels zijn langs hun gebogen gedeelte verenigd door een as 7. Op elke as is een halve kraag 8. draaibaar bevestigd doordat een van de uiteinden in een ring 2 verloopt. Het andere uiteinde van de halve ring 8 is omgeplooid, en is vo orzien van een oor 10. Aan dit oor is de wig 11 vastgehaakt. Deze is gevormd door twee langse wanden 12-13 verenigd door een tusseneindstuk 14-15. E en dergelijke wig zal over het algemeen bekomen worden door een langse plooiing van een doorluchtige plaat van aangepaste vorm. De vernoemde wig is op een definitieve manier bevestigd, door het feit dat het oor 10 van de halve ring in de ovaalvormige opening
<Desc/Clms Page number 2>
past welke begrensd wordt door de zijwanden 12-13 en tusseneindstukken 14-15, waaruit de vernoemde wig bestaat.
Teneinde de koppeling op een buis, A bijvoorbeeld, te bevestigen volstaat het zoals voorgesteld bij figuur 2 de halve ring 8 te doen draaien rond de dwarsstaaf 7, en de wieg 11 in de verlengenis van vernoemde halve ring te brengen, zoals voorgesteld bij figuur 2. Nadat vervolgens de buis A in de overeenstemmende wieg is gebracht, volstaat het de halve ring 8 terug in vernoemde wieg te brengen, op zulke wijze dat het oor 10 van de halve ring zich tussen de twee zijbenen 4 van de beugels komt plaatsen op een peil lager als dit van de vrije delen 6 , zoals aangegeven bij figuur 3.
Tenslotte wordt de wig 11 draaibaar verplaatst rond het overeenstemmende been met oor 10, zoals .aangegeven bij de figuur 4. tenslotte wordt de wig, met een zekere kracht, gewoonlijk met behulp van een hamer vastgeklopt tussen de vernoemde vrije gedeelten 6¯ van de beugels, welke de wieg vormen, en het omgeplooid overeenstemmend gedeelte van de halve ring 8, zoals in perspectief is aangegeven bij figuur 5. Teneinde een voldoende steunoppervlak te verzekeren tussen vernoemde wig en vernoemd omgeplooid einde van de halve ring, is dit uiteinde, dwars, op zulke wijze egplooid dat er twee schuine oppervlakken gevormd worden volgens een hoek die ongeveer dezelfde is als deze die de schuinte kenmerkt van vernoemde wig.
Deze uitvoering werd gegeven ten titel van voorbeeld. Het spreekt vanzelf dat er nog talrijke andere uitvoeringsvoorbeelden zijn hetzij door de keur van de naast elkaar liggende elementen van de wieg, hetzij door de vorm van de wig, tenslotte nog-door de verbindingsmiddelen tussen de verschillende naast elkaar gelegen elementen te veranderen.
EISEN
1.- Koppeling voor stellingen en dergelijke constructies, daar- door gekenmerkt dat zij gevormd wordt door twee wiegen met elkaar verbonden ; op welke wieg is een halve ring draaibaar aangebracht ; aan elke halve ring is een pen aangehaakt, dienstdoende als klemspie.
2. - Koppeling volgens eis l, daardoor gekenmerkt dat elke wieg gevormd is door twee beugels, in hoofdzaak U-vormig, waarvan de zijbenen naar hun vrij uiteinde toe naar buiten geplooid zijn ; de twee beugels van elk paar zijn aan één van hun uiteinden verbonden door een dwarsstaaf waarrond de halve ring draaibaar is bevestigd.
3. - Koppeling volgens de eisen 1 en 2, daardoor gekenmerkt dat de halve ring naar zijn vrij omgeplooid uiteinde toe een oor bezit, waaraan de pen dienstdoende als klemspie aangehaakt is.
4.- Koppeling volgens voorgaande eisen, daardoor gekenmerkt dat het vrij omgeplooid uiteinde van de halve ring, dwars, op zulke wijze geplooid is dat er twee schuine vlakken gevormd worden.
5. - Koppeling volgens voorgaande eisen, daardoor gekenmerkt dat de pen dienstdoende als klemspie, aan het oor van de halve ring aangehaakt, twee driehoekige zijwanden vertoont welke verenigd zijn op de uitein- den door dwarsstukken.
6. - Koppeling volgens eis 5, daardoor gekenmerkt dat de pen dienst- doende als klemspie vervaardigd wordt uit een trapeziumvormige plaat welke in haar midden een opening vertoont ; deze plaat is dwars, op zulke wijze geplooid dat er een soort van bak gevormd wordt waarvan de bodem over het grootste gedeelte doorluchtig is. **WAARSCHUWING** Einde van DESC veld kan begin van CLMS veld bevatten **.