<Desc/Clms Page number 1>
De uitvinding heeft betrekking op een inrichting voer het in- hechten van periodieken en andere (al dan niet ingenaaide) gevouwen stuk- ken, met een grondplaat, welke op beide uiteinden van een in dwarsrichting van de plaat zich uitstrekkende vertanding, een rij haakjes of dergelijke vasthoudorganen is voorzien en met een, met het ene einde aan de plaat bevestigd koord, dat met behulp van de vasthoudorganen zodanig zigzags- gewijs over de plaat verlopend kan worden aangebracht, dat de in langs- richting over de plaat lopende koorddelen elk in de vouw van een in te hechten stuk gelegen zijn.
Zodanige inrichtingen zijn bekend.
Een bezwaar der tot nu toe gekende inrichtingen is, dat de leng- te der in te hechten stukken steeds in overeenstemming moet zijn met de leng- te van de grondplaat, daar bij inhechten van een te kort stuk een verschui- ven en een, aan het over de grondplaat lopende koorddeel doorhangen van dat stuk niet te voorkomen is.
Het doel van de uitvinding is het verschaffen van een zodanig verbeterde inrichting, waarbij deze bezwaren zijn opgeheven en waardoor bijgevolg de inrichting met grondplaat van bepaalde lengte niet is beperkt tot het inhechten van stukken van overeenkomstige lengte.
Bij de inrichting volgens de uitvinding zijn daarvoor eveneens de beide tegenover elkaar gelegen in lengterichting van de grondplaat zich uitstrekkende zijkanten van een vertanding, een rij haakjes of dergelijke vasthoudorganen voorzien,een en ander zodanig, dat in overeenstemming met de lengte der in te hechten stukken, de in langsrichting lopende koorddelen, direct naast de daarmede gehechte stukken, met behulp van een in dwarsrichting daarover lopend koorddeel, kunnen worden vastgezet.
De uitvinding zal, onder verwijzing naar de tekening, aan de hand van enige uitvoeringsvoorbeelden nader worden toegelicht.
In deze tekening is; fig. 1, een, uit een enkele plaat bestaande inrichting volgens de uitvinding; fig. 2 een ander uitvoeringsvoorbeeld, waarbij de inrichting bestaat uit drie delen; fig. 3 een zijaanzicht van fig. 2 en fig. 4 een verder uitvoeringsvoorbeeld.
De in fig. 1 afgebeelde inrichting bestaat uit een grondplaat 1 van metaal of een ander materiaal zoals plastic, fiber en karton, met voldoende weerstand tegen ongewenst doorbuigen.
Zowel de boven - als de onderrand van deze plaat 1 is van een vertanding 2 resp. 3 voorzien, welke vertandingen 2, 3 zodanig zijn aangebracht, dat achtereenvolgens de tandholten 4 van de vertanding 2, practisch tegenover de tandholten 5 van de vertanding 3 liggen.
Voorts is de plaat 1 bij het boveneinde, bijgevolg bij de vertanding 3, in elk der zijkanten van vertandingen 6, 7 voorzien, waarvan de tandholten eveneens practisch tegenover elkaar liggen. De tanden van genoemde vertandingen 2, 3,6 en 7 zijn naar dezelfde kant en wel naar de boven- kant van de plaat 1 toe, enigszins boven het bovenvlak van de plaat 1 uitstekend, omgebogen.
Met 8 is een koord aangegeven, dat bijvoorbeeld met het ene einde 9 in een tandholte 4 is vastgezet. Het koord 8 kan daarvoor met een in het koordeinde gemaakte knoop achter de, deze tandholte begrenzende tanden liggen. Het koord 8 kan dan op de wijze zoals in fig. 1 is afgebeeld, met behulp der vertandingen 2,3 zigzagsgewijze over het bovenvlak van de plaat worden gespannen, waarbij de, op dit bovenvlak liggende koorddelen practisch evenwijdig ten opzichte van elkaar verlopen.
<Desc/Clms Page number 2>
Het vrije einde van het koord 8 kan voorts met behulp van de vertandingen 6, 7 in dwarsrichting over, resp. om de plaat 1 gewikkeld en vastgezet worden.
Bij gebruikmaking van de inrichting wordt bij voorbeeld een of ander periodiek opengeslagen en het eerste over de plaat aan te brengen koorddeel in de vouw gelegd waarna, als niet onmiddellijk een verder periodiek moet worden ingehecht, het koord wordt vastgezet.
Voor het inhechten van een tweede periodiek behoeft slechts het koord te worden losgemaakt en een koorddeel, in tegengestelde richting over de plaat lopend ten opzichte van het reeds aangebrachte koorddeel, in de vouw van dit tweede periodiek gelegd, en zo vervolgens.
Ingeval een periodiek zeer dik is, kan ook een tandholte worden overgeslagen.
Over het algemeen wordt voor periodieken van een bepaalde lengte, een plaat van zodanige lengte genomen, dat het koordeinde in de vertandingen 6 kan worden vastgezet. Moeten op een zodanige plaat 1 kortere periodieken worden ingehecht, dan kan voor het vastzetten van het koordeinde ook gebruik worden gemaakt van de vertandingen 7, zodat ook in dit geval een stevige inhechting wordt verkregen.
Is het gewenst, dat de inrichting volgens fig. 1 in combinatie met een omslag of map wordt gebruikt, dan kan de plaat 1 van gaatjes 10 worden voorzien. Met behulp van pennetjes of boutjes met moeren, kan dan de rug van de omslag of map tegen de achterkant van de plaat 1 worden vastgezet.
Opgemerkt wordt, dat een plaat 1 van elke gewenste lengte en breedte kan worden genomen, welke eveneens van elk gewenst aantal tanden, zowel in de einden als in de zijkanten, kan worden voorzien.
Bij het in fig. 2 en 3 afgebeelde uitvoeringsvoorbeeld bestaat de inrichting uit een vaste grondplaat U en twee daarop.bevestigde van vertandingen voorziene plaatjes 12 resp. 13. De onderrand van het plaatje 12 is daarbij van een vertanding 14 voorzien, terwijl de bovenrand en elk der beide zijkanten van het plaatje 13 een vertanding hebben, die resp. met 15, 16 en 17 zijn aangegeven. Ook daarbij zijn de tanden enigszins naar boven toe omgebogen, zoals nader uit fig. 3 is te zien.
De plaatjes 12, 13 kunnen daarbij met behulp van pennetjes of boutjes en moeren 18 op de grondplaat 11 worden bevestigd. Voorts kan de grondplaat van gaatjes 19 zijn voorzien voor het, in verband met de lengte van de in te hechten periodieken op de vereiste afstand van het plaatje 12 instellen van het plaatje 13.
Is de uitvoering volgens fig. 2 en 3 in combinatie met een omslag of map van stijf materiaal, bijvoorbeeld karton, te gebruiken, dan kan de grondplaat 11 vervallen en kan daarvoor de stijve rug van genoemde omslag of map in de plaats komen
Het inhechten van periodieken of dergelijke vindt bij deze uitvoering op dezelfde wijze plaats als bij de uitvoering volgens fig. l, d.w.z.: in de vouw van het periodiek wordt telkens een stuk van het, over de grondplaat 11 zigzag te spannen koord 8 gelegd.
In fig. 4 is een uitvoeringsvoorbeeld afgebeeld, waarbij de inrichting volgens de uitvinding bestaat uit twee, klemmend op beide einden van een grondplaat 22 te bevestigen plaatjes 20, 21 van enigszins veerkrachtig materiaal. De grondplaat 22 kan daarbij een afzonderlijke plaat zijn, zoals bij de in de fig. 2 en 3 afgebeelde inrichting, maar kan ook gevormd worden door de stijve rug van een omslag of map.
In dwarsrichting van elk plaatje 20, 21 is een rij tanden 23 geponst, welke tanden,enigszins tot boven het vlak van het bijbehorende plaatje uitstekend, zijn omgebogen.
<Desc/Clms Page number 3>
Voorts zijn bij belde zijkanten van elk plaatje 20 resp. 21 en op enige afstand van de voetpunten van genoemde rij tanden 23, één of meer tanden 24 geponst, die met de vrije tandeinden naar de bijbehorende zijkant van het plaatje 20 resp. 21 zijn gericht en eveneens tot boven het vlak van het plaatje uitstekend zijn omgebogen. Elk plaatje 20 resp.
21 loopt zover tot voorbij de vrije tandeinden van de rij tanden 23 door, dat een, volgens de lijn 25 om te buigen, verlengstuk 26, resp. 27, wordt verkregen.
Voor het vast op een grondplaat 22 of stijve rug van een omslag of map bevestigen van de plaatjes 20, 21 behoeft slechts bij elk einde daarvan een plaatje 20, resp. 21 te worden aangebracht, waarvan het bijbehorende verlengstuk 26, resp. 27 over de rand van de plaat 22 enz. wordt omgebogen.
Bij de in fig. 4 afgebeelde uitvoering is het om te buigen verlengstuk 27 van het plaatje 21 van een venster 28 voorzien, waarachter bijvoorbeeld een kaartje met de naam van een is te hechten periodiek kan worden aangebracht. **WAARSCHUWING** Einde van DESC veld kan begin van CLMS veld bevatten **.