<Desc/Clms Page number 1>
De uitvinding heeft betrekking op een werkwijze en een inrich- ting voor de vervaardiging van gekroesde, elastische draden en garens. die uit thermoplastische stoffen bestaan, en op de aldus vervaardigde draden of garens.
Zij heeft in het bijzonder betrekking op een continue werkwijze en een overeenkomstige inrichting. d.w.z. een werkwijze en Inrichting, waar- bij alle noodzakelijke bewerkingen voor het verkrijgen van de kroézing in één niet onderbroken arbeidsgang aan de draad of het garen worden doorgevoerd , voor de vervaardiging van door middel van twijnen gekroesde draden en garens uit gladde, sluike, thermoplastische draden of garens.
In de beschrijving zal hier verder onder draden ook garens wor- den bedoeld.
Als thermoplastische uitgangsdraden komen vooral die in aanmer- king, welke zijn vervaardigd uit synthétische polymerisatie- en polycondensatieproducten, zoals polyvinylchloride, polyaethyleen, polyvinylideenchloride. polyacrylenitrile. polyamide, polyesters of overeenkomstige-copolymeren.
De uitvinding valt onder het op zichzelf bekende principe, hetgeen daarin bestaat, dat de uitgangsdraad een hoge twijnwordt gegeven en de draad in samenhang met het twijnen. in ieder geval echter nog zolang de twijn aanwezig is. wordt week gemaakt, zodat de draadmassa zich spanningsloos in de getwijnde vorm legt, en daarna de draad in getwijnde toestand wordt gefixeerd en ten slotte wordt onttwijnd.
De uitvinding heeft speciaal betrekking op de eveneens op zichzelf bekende uitvoeringsvorm. waarbij de uitgangsdraad geen effectieve of echte, doch slechts een intermédiaire of valsche twijn krijgt.
Voor het weekmaken van de uitgangsdraad heeft men tot nog toe een voorbehandeling met sterke anorganische of organische zwelmiddelen. zoals alkaliloog. een oplossing van zinkchloride, xyleen, phenol, chloorhydrine en dergelijke, voorgesteld. Practisch is men echter met mildere zwelmiddelen, zoals heet water en bij voorkeur stoom, uitgekomen.
Ter fixering van de getwijnde draad heeft men hoofdzakelijk goed gedroogd of met stoom behandeld, en dikwijls ter verbetering van de fixering nog chemicaliën, zoals formaldehyd, toegepast.,
Als Inrichtingen ter verkrijging van de valse twijn stonden van begin af de gewone, eenvoudige twijnbuisjes ter beschikking. Daar zij echter onbetrouwbaar werken, heeft men reeds vroeger met meer succes bijzondere valstwijners met een centrisch geleidingsrolletje voor een gedwongen geleiding van de draad ingevoerd.
Echter ook deze valstwijninrichtingen vertonen in samenhang met de vervaardiging van twijngekroesde draden altijd nog zekere gebreken.
Zij geven b.v. aan de gekroesde en nog ontvankelijke draad een hoge wrijving, terwijl de draad ook te veel wordt gestrekt.
De continue twijnkroezing is in tegenstelling tot de discontinue, waarbij alle bewerkingen, welke voor het verkrijgen van de kroezing nodig zijn, separaat uitgevoerd worden. tot nog toe op grote moeilijkheden gestoten en in het bijzonder bij thermoplastische draden bleek slechts een klein deel van de bekende voorstellen enigermate bruikbaar.
Proeven hebben nu aangetoond, dat men bij de continue twijn- kroezing van themoplastische draden goede resultaten kan verkrijgen. Indien men een reeks van, deels ongewone, arbeidsomstandigheden tegelijkertijd realiseert.
De werkwijze voor het continu vervaardigen van gekroesde. elastische draden of garens. door overvoering van gladde, sluike, thermoplastische draden of garens, zoals bij voorkeur die uit synthetische polymerisatie-
<Desc/Clms Page number 2>
ofpolycondensatieproducten. in de gekroesde vorm met toepassing van een valstwijninrichting, heeft het kenmerk, dat de draad of het garen met gelijkmatige snelheid door een hete luchtzone, via een valstwijninrichting, welke door de draad of het garen ballonnerend wordt verlaten, door een daar achter gelegen transportorgaan wordt afgetrokken, en maatregelen worden getroffen om de spanning van de draad of het garen vdo-r de twijninrichting in de hete zone te regelen, gelijkmatig en laag te houden en om de draad of het garen voor het passeren door de twijninrichting te koelen.
Allereerst is gebleken, dat men in samenhang met de nieuwe werkwijze geen weekmakingsmiddel behoeft te gebruiken.. en dat het voldoende is de draad alleen door verhitting week te maken, hetgeen grote vereenvoudigingen en voordelen geeft.
Zoals werd gevonden, legt de draadmassa zich reeds spanningsloos in de getwijnde vorm. wanneer men de getwijnde draad slechts over een verhoudingsgewijs korte afstand door hete lucht leidt.
Niettegenstaande soms hierbij luchttemperaturen van aanzienlijk boven de 100 C vereist zijn bij draden, die voor textieldoeleinden moeten dienen, kan een noemenswaardige beschadiging, zelfs bij draden uit polymeren, die gevoelig zijn voor zuurstof, niet worden geconstateerd. In geval van polyamidedraden, zoals nylon, kan men bij het continu twijnkroezen zonder meer luchttemperaturen van 140-170 C toepassen, en daarbij onder omstandig- heden gunstig werken. Bij polyvinylchloridedraden kan een lagere temperatuur, b.v. tussen 70 en 85 C worden genbruikt en bij draden uit polyesters, zoals polymethyleenglycol, is een hogere temperatuur aan te bevelen, b.v. een temperatuur tussen 145 en 175 C.
Anderzijds is bij de proeven gebleken, dat ter fixering van de twijn het niet nodig is bijzondere fixeermiddelen, zoals stoom of chemi- calién (formaldehyd en dergelijke) toe te passen, doch dat het voordelig is de hete, getwijnde draad op een bijzondere wijze met atmospherische lucht te koeleno
Gevonden is namelijk, dat goede resultaten kunnen worden verkregen, wanneer de getwijnde draad na de verhittingszone met lucht wordt gekoeld en wel voordat de twijn in de draad afneemt en vooral voor de draad de twijninrichting bereikt. Opgemerkt is, dat voor het geval de draad op het moment, wanneer zij.haar twijn verliest, nog heet is. een deel van het kroeseffect verloren kan gaan.
Doch zelfs wanneer de draad bij het gaan in de valstwijner nog te heet is, kunnen bij het passeren door de twijninrichting zekere gebreken in de vorm van ve rklevingsverschijnselen optreden.
Daarom wordt de getwijnde draad in de beide zones uitsluitend door luchtbehandeling twee verschillende temperaturen gegeven. Om beide operaties met succes te kunnen uitvoeren, is het noodzakelijk de draad over een voldoend lang traject te twijnen, resp. in getwijnde toestand te houden, en in het bijzonder ook de afkoelingszone voldoende lang te kiezen, of ten minste voor toereikende koeling zorg te dragen.,
Dit traject kan verkleind en de afkoeling versneld worden, wanneer men een stroom atmosferische of zelfs iets gekoelde lucht in de koelzone op de draad richt. Evenwel is gevonden, dat men ook met een vrij luchttraject zonder bijzondere luchtbeweging kan werken, wanneer dit luchttrajectmaar lang genoeg is.
Het is gunstig gebleken de valstwijninrichting na de koelzone te plaatsen en de verhitting van de draad te doen plaatsvinden, nadat zij eerst praetlsch spanningsloos van een draadtoevoerorgaan is gekomen en daarna door een geschikte rem licht afgeremd Ls.
Om een prima product te vervaardigen zijn evenwel nog andere maatregelen nodig gebleken.
<Desc/Clms Page number 3>
@ ca verkleving van de elementairdraden te vermijden en een goede, open kroezing te krijgen, is het belangrijk gebleken. het onder twijn staande, tussen draadrem en valstwijninrichting gelegen, draadgedeelte op een zo gering mogelijke en gelijkmatige spanning te houden en de draad door middel van een verder gelegen transportmeehanisme met geregelde en gelijk- matige snelheid door de genoemde luchtbehandelingszones te leiden.
Proeven hebben aangetoond, dat bijzonder goede resultaten be- reikt worden, indien men met de spanning op de draad in het genoemde ge- bied niet hoger gaat dan ongeveer 6 g per 100 denier.
Een gewijzigde uitvoeringsvorm van de werkwijze volgens de uitvinding heeft het kenmerk, dat de toevoer van de draad naar de hete lucht- zone slipvrij wordt geregeld door een aangedreven draadtransportinrichting en dat de snelheid van toevoer ten opzichte van de afvoer, in verband met de garendikte en het gegeven aantal toeren van de twijnspil en de gevormde ballon zodanig wordt gekozen, dat de spanning in de draad v@@r de vals- twijninrichting niet hoger is dan 15 g/100 den.
Zoals verder werd gevonden, heeft de bouw en de werking van de valstwijninrichting grote invloed op de eigenschappen van de verkregen producten.
Het beste zijn die valstwijninrichtingen gebleken, welke naar de zijde van de koel- en verhittingszones niet spanningsverhogend werken en tegelijkertijd naar de tegenovergestelde zijde de gekroesde draad openen.
Deze belde effecten kunnen worden bereikt door toepassing van die valstwijninrichtingen, waarbij de draad zonder ballonvorming in de twijninrichting treedt, doch naar de afloopzijde. d.w.z. naar de kant van het zich achter de twijninrichting bevindende transportorgaan ballonnerend wordt afgegeven.
In het traject van valstwijninrichting tot eerste transportinrichting verliest de reeds afgekoelde draad de twijn en wordt dan door het transportmechanisme verder geleid. waarna de draad aan een opwikkelin- richting kan worden toegevoerd.
De getwijnde draad, welke na de valstwijninrichting en tot.aan het transportorgaan zijn twijn verliest, behoudt nu de in de koelzone gefixeerde twijn in de vorm van kroezing. Echter bij het onttwijnen komen nogmaals verbuigingen en verkrommingen in de draad, welke aan de gekroonde draad een torderende tendens geven, welke zich later uitwerkt.
Dergelijke draden hebben, wanneer hun tendens om te torderen niet door doublering met een tweede, in tegengestelde richting gekroesde draad, op op zichzelf bekende wijze gecompenseerd wordt, de eigenschap lang- zamerhand te torderen. welke werking zich zelfs tot de uit deze draden vervaardigde artikelen uitstrekt.
De Inrichting voor het uitvoeren van de werkwijze heeft het kenmerk, dat zij bestaat uit een reeks in onderstaande volgorde geplaatste onderdelen: een draadleverend orgaan, dat de draad spanningsloos afgeeft. een draadreminrichting, met behulp waarvan voor de twijninrichting de geringe en gelijkmatige spanning van de draad of het garen kan worden ingesteld, een verhittingsruimte. waarin de zich voortbewegende, onder geringe spanning en twijn staande draad of het garen door hete lucht kan worden verhit, een twijninrichting op enige afstand van de verhittingsruimte. met behulp waarvan men de draad of het garen kan valstwijnen. welke inrichting zodanig is ingericht, dat de draad of het garen de inrichting ballonnerend verlaat, en een draadtransportinrichting.
Als draadleverorgaan is het meest geschikt een orgaan, waarvan de draad mogelijk zonder spanning kan worden afgenomen, zoals b.v. mo- gelijk is bij het over de kop aftrekken van een draad van een cone.
<Desc/Clms Page number 4>
Als draadren. waarmede de spanning van de draad in verhittingsen koelzone kan worden gereguleerd, gelijkmatig en laag kan worden gehouden. neemt men bij voorkeur die, welke de spanning additief verhogen, zoals een schotelrem of een drukschoenren. waarbij de spanning de formule P = Po + 2# N (N = normale druk), volgt.
Bij de gewijzigde uitvoeringsvorm van de werkwijze wordt geen reminrichting gebruikt en deze wordt vervangen door een aangedreven draad- transportinrichting. b.v. een op zichzelf bekende triowals. De draad wordt dan met een volkomen constante snelheid aan de hete luchtzone toege- voord.
Door het valstwijnen treedt verkorting van de draad op. terwijl bij het onttwijnen een gedeelte van deze verkorting te niet wordt ge- .gaan. Het bleek nu. data werkende met een bepaalde valstwijnicrichting. déze bij iedere snelheid de draad een ballon doet vormen, waarbij men de snelheid van het aanvoerorgaan zodanig kan regelen, dat deze ballon, waarvan de vorm afhankelijk is van de rotatie snelheid en de titer van de draad, niet wordt verstoord en "bufferend" (dus rustig) loopt. De snelheid van het toevoerorgaan behoeft daartoe niet altijd precies gelijk te zijn aan de snelheid van het aftrekorgaan en kan zowel bij een iets sneller als iets langzamer toevoeren de meest gunstige Instelling, in verband met de garensoort en de titer, opleveren.
Van invloed is hier ook de mate, waarin het garen tijdens de verhitting uitrekt. Het is duidelijk, dat de verschillende soorten van thermoplastische materialen ieder een iets andere uitrekking onder dezelfde omstandigheden zullen geven, doch het vormt geen probleem de snelheid van de toevoerwals zodanig in te stellen, dat de meest rustige ballon is ge- waarborgde Dit is door geleidelijk veranderen van de snelheid totdat in de einddraad een zo gunstig mogelijke spanning aanwezig is, gemakkelijk in te stellen. In veler gevallen is hierbij de toevoersnelheid ongeveer gelijk aan de aftreksnelheid.
Waar bij het werken met een rem de spanning vddr de valstwijninrichting zo laag mogelijk moet worden gehouden om een goed effect te verkrijgen en in het algemeen daarbij de beste resultaten worden verkregen met een spanning van minder dan 6 g/100 den., bleek ver- rassenderwijze, dat bij het werken met de aangedreven toevoerinrichting en zonder rem de spanning ook wel laag moet worden gehouden, doch dat de beste resultaten thans worden verkregen. indien de snelheid zodanig is ingesteld, dat een spanning van niet hoger dan 15 g/100 den. wordt aangehouden. Met een spanning tussen 6 en 15 go, b.v. 10 g/100 den., worden bij een draad van 100 den. bij 26000 spiltoeren goede resultaten bereikt.
Het is duidelijk, dat men door verandering van de toevper- snelheid de spanning, die men gedurende de gehele tijd, dat men een bepaald product verwerkt, constant wenst te houden. in grote mate kan regelen, wanneer bij een eenmaal ingestelde snelheid de spanningen op de verschillen- de plaatsen van de bewerkingen ook constant blijven. Hoewel het met een reminrichting mogelijk is voor vele doeleinden een spanning in de draad op te wekken, die voldoende regelmatig is. bleek toch. dat door de gevonden verbetering het mogelijk is geworden de spanning steeds binnen nauwere grenzen constant te houden dan met een reminrichting mogelijk is.
De Inrichting volgens de uitvinding voor het uitvoeren van deze gewijzigde uitvoeringsvorm heeft het kenmerk, dat de inrichting bestaat uit een reeks in onderstaande volgorde geplaatste onderdelen : draadleverend orgaan, dat de draad al dan niet spanningsloos afgeeft, een aangedreven draadtransportinrichting met behulp waarvan de draad aan een verhittingszone wordt toegevoerd..
een verhittingszone, waarin zich de voortbewegende onder spanning staande draad of het garen door hete lucht kan worden verhit, een koelzone, waarin zich de voortbewegende onder spanning staande draad of het garen door de' buitenlucht of speciaal gekoelde lucht kan worden gekoeld, een twijninrichting met behulp waarvan men de draad of
<Desc/Clms Page number 5>
het garen kan valstwijnen en die zodanig is ingericht dat de draad of het garen de inrichting ballonnerend verlaat. en een aangedreven transportinrich- ting. waarvan de snelheid ten opzichte van de snelheid van de eerste draad- transportinrichting regelbaar is.
Voor het verhitten van de onder twijn staande draad kan men een verhittingsschacht toepassen. Deze kan voor het verhitten van een en- kele draad de vorm hebben van een buis,welke is voorzien van een electrt- sche verwarmingsinrichting. en waarmede de zich in de buis bevindende lucht op de gewenste temperatuur kan worden gebracht. Een bijzondere ventilatie kan in dit geval achterwege blijven, vooral wanneer de draad in de hitte geen grote hoeveelheden vluchtige stoffen afgeeft. Ten slotte veroorzaakt de doorgaande draad ook in dit geval zelf een niet geringe luchtverversing in de buis.
De verhittingsbuis kan ook voorzien zijn van inrichtingen voor het ventileren van de buis met hete lucht.
Ten slotte kan de verhittingsschacht voor een gehele schaar van in één vlak liggende en onder twijn staande draden zijn ingericht. waarbij de draden dwars door de schacht en de hete lucht loodrecht daarop in de lengterichting worden gevoerd. Hierbij kunnen de in- en uitlaatopeningen voor de draden in de schachtwanden vernauwd zijn, of na het inleggen van de draden worden verkleind.
Zowel verhittingsbuizen voor enkele draden ala ook verhittingsschachten voor gehele dradenscharen kunnen zijn voordien van afneembare delen, waardoor een gemakkelijke bediening mogelijk is, in het bijzonder in verband met het inleggen der dradeno
Het verhittingstraject is niet slechts van de luchttemperatuur, maar ook van de aard van de draad, de denier en de draadsnelheid afhankelijk.
Het is duidelijk, dat in plaats van lucht ook een inert gas, b.v. stikstof, kan worden gebruikt voor het verhitten van de draad in de buis.
De koeling van de draad kan bij kamertemperatuur met atmosférische lucht, d.w.z. in een vrij luchttraject, plaatsvinden.
Voor een snellere en intensievere koeling kan ook gebruik gemaakt worden van gekoelde lucht. De lucht kan ook door middel van spleten of doezen op de zich voortbewegende draad worden geblazen. De minimale lengte van de koelzone hangt, in het bijzonder wanneer niet met gedwongen bewogen koellucht wordt gewerkt, van verschillende factoren af, zoals van denier van de draad, temperatuur van de draad en van de lucht en in het bij,zonder van de snelheid van de draad.
Het verdient aanbeveling, grote aandacht te schenken aan de koelzone en haar werking, daar, zoals werd gevonden, deze een grote invloed op de eigenschappen van de producten kan uitoefenen.
Een valstwijninrichting. welke goed voldoet , bestaat uit een rotor in de vorm van eeh holle spil, en een aan de holle spil bevestigde bufferschijf. die van een boring is voorzien, welke boring communiceert met de holle spil, waarbij de bufferschijf zodanig is Ingericht, dat een door de valstwijninrichting gaande draad deze inrichting ballonnerend verlaat.
Deze valstwijninrichtingen kunnen zeer goed uitgebalanceerd worden en kunnen klein zijn en hebben als practisch ideaal rotatielichaam een klein energieverbruik. Hiermede kan men zonder grote moeilijkheden met riem- of snoeraandnjving toerentallen van 20 000 - 60 000 per minuut bereiken, zodat men met de gehele inrichting vrij hoge aftreksnelheden en daardoor een grote capaciteit kan bereiken., De na de twijninrichting geplaatste eerste draadtransportinrichting is bij voorkeur een trio-wals. welke is voorzien van een afneembare bovenwals voor het gemakkelijk inleggen van de draad.
<Desc/Clms Page number 6>
De volgens de uitvinding vervaardigde draad vertoont ook tegen weersinvloeden een stabiele twijnkroezing. Ten gevolge van ingesloten lucht kan men ze tot artikelen verwerken, welke warmte goed vasthouden. De draden zijn buitengewoon elastisch, zodat zij tot 4x hun lengte kunnen worden uitgerekte Deze elasticiteit komt ook tot uitdrukking bij breisels en weefsels. welke uit deze draden zijn vervaardigd. Deze artikelen kunnen ook zonder nadelig gevolg op de bekende wijze thermisch nabehandeld worden. indien deze nabehandelingstemperatuur de temperatuur, die bij de fixering van de twijn gebruikt is. niet te boven gaat.
Ter toelichting van de uitvinding volgt hier een beschrijving aan de hand van de tekening, waarin bij wijze van voorbeeld twee uitvoerings- vormen van de inrichting volgens de uitvinding zijn weergegeven.
Fig. 1 geeft schematisch een uitvoeringsvorm van de inrichting volgens de uitvinding.
Figo 2 geeft in doorsnede op vergrote schaal de valstwijnin- richting. die wordt gebruikt bij de inrichtingen volgens de uitvinding.
Fig. 3 geeft schematisch een tweede uitvoeringsvorm van de inrichting volgens de uitvinding
In fig. l is met 1 een draad aangegeven, die van een cone 2 achtereenvolgens gaat over een rolletje 3. door een draadrem 4, door een verhittingsbuis 5. door een koeltraject 6 en door een valstwijninrichting 7. De draad 1 verlaat ballonnerend de valstwijninrichting 7, wordt met regelmatige snelheid afgetrokken door middel van een triowals 8 en wordt verder getransporteerd.
De verhittingsbuis 5 kan door een buis 9 van hete lucht worden voorzien. welke lucht deels via een opening 10 en deels via een opening 11 uit de buis 5 kan stromen.
De valstwijninrichting 7 (fig. 2) is roteerbaar aangebracht op een huls 12 van een vaste arm 13. De twijninrichting bestaat uit een holle spil 14. die In de huls 12 kan roteren met de kogellegers 15 en 16.
De doorboring 17 in de spil 14 loopt door tot in een bufferschijf 18. waarop een afloopschijf 19 is bevestigd.
De aandrijving van de twijninrichting 7 geschiedt met behulp van een riem 20, die loopt over een hulsvormig verlengstuk 21 van de schijf 18.
In figo 3 gaat de draad 1 van de cone 2 over een draadgeleider 21 en een rolletje 22 naar een draadtransportinrichting 23,bestaande uit een triowals. en vandaar door de verhittingsbuis 5. Na het verlaten van de verhittingsbuis 5 gaat de draad 1 door het luchttraject 6 en vervolgens naar de valstwijninrichting 7. De draad 1 verlaat ook hier ballonnerend de vals- twijninrichting 7 en wordt via een draadgeleider 24 afgetrokken door de aangedreven transportinrichting 8. eveneens bestaande uit een triovals. Daarna wordt de behandelde draad opgewikkeld.
Voorbeeld I.
Er werd een polyamidekunstzijdedraad van 60 denier en bestaande uit 10 elementairdraden verwerkt, welke draad was verkregen door polymerisa- tie van caprolactam en verspinnen van de polyamidesmelt.
Door de buis t. welke een lengte had van 140 cm. werd hete lucht gevoerd, waardoor in de buis een temperatuur van 1600C heerste. Het luchttraject 6 had een lengte van 100 cm. Het aantal omwentelingen van de valstwijn- inrichting was 20 000 per minuut. De triowals 8 trok de draad af met een snelheid van 5.6 m/mino De draadrem 4 was zo ingesteld. dat de spanning van de draad 1 vóór de holle spil 14 van de twijninrichting. 2.5 g bedroeg.
<Desc/Clms Page number 7>
Voorbeeld II.
Een polyamidekunstzijdedraad.. vervaardigd volgens voorbeeld I had een denier van 50 en bestond uit 10 elementairdraden. De verhittings- buis had een lengtevan 250 cm. terwijl de temperatuur in de buis 170 C be- droeg. In het luchtkoeltraject, welke een lengtevan 90 cm had, was een blaasinrichting aangebracht, voorzien van een spleet, waaruit atmosferische lucht van onderen tegen de voorbijgaande draad werd geblazen. Het aantal omwentelingen van de twijninrichting bedroeg 50 000 per min. en de triowals gaf de draad een snelheid van 12,5 m/min., terwijl de draadspanning vóòr de twijninrichting op 5 g was ingesteld.
De Inrichting volgens figuur 3 kan zeer goed worden gebruikt bij gelijktijdig behandelen van twee draden, die na het valstwijnen tot één draad worden opgewikkeld. In het hiervolgende voorbeeld is een dergelijke toepassing beschreven.
Voorbeeld III.
Twee cones, leder bevattende een polyamidedraad uit # -capro- lactampolymeer van 50 denier en samengesteld uit 10 elementairdraden, werden naast elkaar geplaatst en de draden via een oogdraadgeleider 3 over de kop afgetrokken en gevoerd door de triowals 23. In deze triowals liepen de draden naast elkaar en van deze triowals werden de draden leder afzonderlijk gevoerd door een verwarmingskoker 5 van 35 cm lengte, waarin een temperatuur werd gehandhaafd van 160 C. Na deze verwarmingskoker passeerden de draden een koeltraject 6 van 45 cm en werden vervolgens leder afzonderlijk gevoerd door een holle as van een gecombineerde kogel- en rollenlagerspil, op welke spil een rotor met bufferschijf was gemonteerd.
De grootste diameter van de rotor was 30 mm en de verhouding van de grootste rotordiameter tot de bufferschijfdiameter bedroeg 2.
De belde valstwijninrichtingen werden met behulp van een gemeenschappelijke drijfriem met een rotatiesnelheid van 31000 omw./min, zodanig aangedreven, dat de ene rechts en de andere links omdraaide.
De draadgeleider 24 na de valstwijninrichting 7 bevond zich op een afstand van 15 cm van de rotor, zodat zich een ballon van deze hoogte vormde. Van deze belde draadgeleiders werden belde draden gezamenlijk over een vrij draaiend rolletje 24 naar de gemeenschappelijke, aangedreven aftrekinrichting 8 geleld, waarbij de draden met een snelheid van 11,4 m/min. werden afgetrokken en gezamenlijk als één draad werden toegevoerd aan een op zichzelf bekende opwikkelinrichting.
Bij deze opstelling bleek. dat voor het verkrijgen van een goed bufferende ballon de aanvoerinrichting zodanig moest worden aangedreven, dat de draad met een snelheid van 11,2 m/mino werd aangevoerd. Hierbij was de spanning van de draad in de verhittingszone 6 g/100 den. en tussen de ballontopdraadgeleider en de aftrekinrichting 3 0 g/100 den.
De tot één draad opgewikkelde draden vormden een draad van 100 denier, bestaande uit een 50 denier draad, die in links getwijnde toestand de verhittingszone was gepasseerd, gecombineerd met een draad van 50 denier, die in rechts getwijnde toestand door de verhittingszone was gepasseerd. De samengestelde draad van 100 denier had een zeer goede elasticiteit en kon, eventueel na het geven van een lage twijn, direct verder worden verwerkt.
De werkwijze volgens de uitvinding werd ook met goed gevolg toegepast bij draden uit polyvinylchloride en uit polymethyleenglycol. ' Bij polyvinylchloride werd een temperatuur van 80 C en bij polymethyleenglycol een temperatuur van 170 C gebruikt in de hete luchtzone.