BE530879A - - Google Patents

Info

Publication number
BE530879A
BE530879A BE530879DA BE530879A BE 530879 A BE530879 A BE 530879A BE 530879D A BE530879D A BE 530879DA BE 530879 A BE530879 A BE 530879A
Authority
BE
Belgium
Prior art keywords
screen
screen deck
deck
sieve
overflow
Prior art date
Application number
Other languages
English (en)
Publication of BE530879A publication Critical patent/BE530879A/nl

Links

Classifications

    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B07SEPARATING SOLIDS FROM SOLIDS; SORTING
    • B07BSEPARATING SOLIDS FROM SOLIDS BY SIEVING, SCREENING, SIFTING OR BY USING GAS CURRENTS; SEPARATING BY OTHER DRY METHODS APPLICABLE TO BULK MATERIAL, e.g. LOOSE ARTICLES FIT TO BE HANDLED LIKE BULK MATERIAL
    • B07B1/00Sieving, screening, sifting, or sorting solid materials using networks, gratings, grids, or the like
    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B07SEPARATING SOLIDS FROM SOLIDS; SORTING
    • B07BSEPARATING SOLIDS FROM SOLIDS BY SIEVING, SCREENING, SIFTING OR BY USING GAS CURRENTS; SEPARATING BY OTHER DRY METHODS APPLICABLE TO BULK MATERIAL, e.g. LOOSE ARTICLES FIT TO BE HANDLED LIKE BULK MATERIAL
    • B07B2230/00Specific aspects relating to the whole B07B subclass
    • B07B2230/01Wet separation

Landscapes

  • Separation Of Solids By Using Liquids Or Pneumatic Power (AREA)

Description


   <Desc/Clms Page number 1> 
 



   De uitvinding heeft betrekking op het natzeven van vaste deeltjes met behulp van een vaste zeef. Het zeven kan b.v, dienen voor het scheiden van vaste deeltjes van een vloeistof of suspensie en voor het scheiden van vaste deeltjes van verschillende grootte. 



   Met vaste zeven kunnen grove producten bevredigend worden afge- zeefd; zo worden in ertwasserijen dikwijls vaste   staafzeven   toegepast. Het afzeven van fijne producten levert   moeilijkheden   op; zij geven aanleiding tot verstoppingen en de capaciteit van een vaste zeef voor fijne producten is gering. Voor fijne producten past men daarom meestal bewegende zeven toe, bov. schudzeven, trilzeven en draaiende zeven. 



   Men kent ook reeds vaste zeven met een gebogen   zeefoppervlak   waar- over het materiaal een kromme baan beschrijft waardoor het zeven door centri-   fugaalkrachten   wordt bevorderd. Bij deze wijze van zeven levert het afvoeren van de overloop soms moeilijkheden op. Dit is, althans ten dele, een ge- volg van het feit dat het materiaal op deze zeven een spiraalvormige baan be- schrijft. Voorts zijn deze zeven gecompliceerd en/of duur. 



   De uitvinding nu heeft betrekking op een   werkwijze   voor het nat- zeven van vaste deeltjes met behulp van een vaste zeef, waarbij de deeltjes en vloeistof in hoofdzaak tangentiaal worden toegevoerd aan de holle zijde van een cylindrisch gebogen zeefoppervlak. De werkwijze volgens de uitvin- ding wordt daardoor gekenmerkt dat het materiaal op het zeefoppervlak van het toevoer- tot het afvoereinde in hoofdzaak in een vlak loodrecht op de beschrij- vende lijn van het cylindrische oppervlak wordt bewogen. Bij voorkeur wordt de   werkwijze   zodanig uitgevoerd dat genoemd vlak verticaal   stad,   dat wil dus zeggen dat de zeef zodanig is geplaatst dat de beschrijvende lijn horizontaal is, en wordt het mengsel met een snelheid van tenminste 0,5 m/sec aan de zeef toegevoerd. 



   De uitvinding heeft voorts betrekking op een zeefinrichting voor de uitvoering van deze   werkwijze,verder   met "zeefbocht"   aangeduid   en de kolen- on   ertswasserijen   waa in deze zeefbocht wordt toegepast,
De zeefinrichting volgens de uitvinding bestaat uit een cylin- drisch gebogen zeefdek en middelen voor het in hoofdzaak tangentiaal toevoe- ren van een mengsel van in vloeistof gesuspendeerde deeltjes aan de holle zij- de van het zeefdek in   hoofdzaak   loodrecht op de beschrijvende lijn daarvan en is gekenmerkt doordat het zeefdek niet in zich zelf gesloten is en middelen zijn aangebracht voor het opvangen en afvoeren van deeltjes welke het zeef- oppervlak hebben doorlopen in een vlak loodrecht op de beschrijvende   lijn.Bij   voorkeuris het zeefdek zodanig gebogen dat een 

  deeltjehetwelk zich van de toevoerzijde naar de afvoerzijde beweegt een hoek doorloopt welke ten hoogste 1800 is, en is de kromtestraal van het zeefdek voor het gehele zeefdek in hoofdzaak gelijk met andere woorden is het zeefdek gebogen volgens een deel van een cirkelcylinder.   Het   is echter ook mogelijk het zeefdek van het toevoer-in de richting van het afvoereinde een toe- of eventueel afnemende kromming te geven; het woord cylinder is hier dus in de mathematische betekenis gebruikt: het oppervlak, gevormd door een lijn die evenwijdig aan zichzelf wordt bewogen, waarbij dan gedacht is aan een lijnstuk dat zodanig   evenwij-   dig aan zichzelf beweegt dat een bepaald punt van het lijnstuk beweegt in een vlak dat loodrecht staat op die lijn.

   Het zeefdek wordt dus b.v. gevormd door een rechthoekig zeefdek in één richting evenwijdig aan een   zijkant   te buigen, b.v. over een hoek van 90 . De zeef is dientengevolge eenvoudig te vervaardigen en bij het zeven wordt het gehele zeefoppervlak belast, dit in tegenstelling met de bekende gebogen vaste zeven waarvan het zeeoppervlak slechts gedeeltelijk of ongelijk wordt belast en waarvan de vervaardiging duur is en veel materiaal eist. 



   Een belangrijk voordeel van het volgens de uitvinding gebogen zeefdek   is,datbij   voldoende   toevoersnelheid   wordt gezeefd op een korrelgrootte die aanmerkelijk kleiner is dan de zeefopening. Zo kan bijvoorbeeld met 

 <Desc/Clms Page number 2> 

 een 1,3 mm zeef op 1/2 mm worden gezeefd, en met een   1/2   mm zeef op 0,2 mm. 



  Voor verstoppingen bestaat dan geen gevaar, omdat door de zeef geen deeltjes passeren die even groot zijn als de openingen daarin. Het is daarvoor echter   noodzakelijk   dat het zeefoppervlak betrekkelijk glad is. Draadzeven zijn daarom voor de zeef volgens de uitvinding minder geschikt, daarentegen kunnen met voordeel staafzeven en geperforeerde platen worden   gebruikt,   Bij voorkeur bestaan de openingen in het zeefdek uit spleten welke evenwijdig zijn aan de beschrijvende lijn en wordt het zeefdek gevormd door staven met een in hoofdzaak rechthoekig profiel,   terwijl   de staven zodanig zijn geplaatst dat ook de spleten in hoofdzaak een rechthoekig profiel hebben.

   (Doordat het zeefdek is gebogen zijn de spleten, bij rechthoekig profiel van de staven, in werkelijkheid trapeziumvormig, de afwijking van een rechthoek is evenwel gering). Het gaat hierbij om de holle zijde van het zeefdek; het is uiteraard van geen belang of de staven aan de bolle zijde van het zeefdek rechthoekig of trapeziumvormig zijn, wanneer de spleten maar niet worden vernauwd.   Over   het algemeen hebben de staven van staafzeven een trapeziumvormig profiel, dit om vastraken van delen tussen de staven tegente  gaan,,Bij   de  -zeef   volgens de uitvinding bestaat voor verstoppingen geen gevaar, zodat het trapeziumvormige profiel daarbij onnodig is. Hier komt bij dat de zeef volgens de uitvinding, door zijn grote capaciteit, aan sterke slijtage onderhevig is.

   Bij een trapeziumvormig profiel zouden de openingen langzamerhand groter worden en daarom verdient een rechthoekig profiel de voorkeur. 



   Het is voorts van belang dat de spleetwijdte van dezelfde orde van grootte of kleiner is dan de breedte van de staven. 



   In het bijzonder wanneer men fijn wil zeven is het gebruik van staafzeven met spleten, loodrecht op de transportrichting aan te bevelen. 



  Op deze   wijze   kan men nl. fijne spleten maken bij een voldoende sterk zeefdek. Het is dan ook één van de belangrijkste voordelen van de zeef volgens de uitvinding dat het zeefdek op eenvoudige wijze kan worden gevormd uit rechte staven die overval loodrecht op de transportrichting staan en voldoende sterk zijn. Geperforeerde zeefplaten met kleine openingen zijn te dun. 



   De slijtage van het zeefdek volgens de uitvinding is niet overal even sterk, de voorkanten van de staven slijten sterker dan de achterzijden. 



  Daardoor kan op de duur de efficiëntie van het zeven sterk worden   verminderd.   



  Dit kan echter worden voorkomen door het zeefdek op de zeef om te draaien, zodat het oorspronkelijk toevoereinde afvoereinde wordt en het oorspronkelijke afvoereinde   toevoereinde.   Op deze wijze kan een gelijkmatige slijtage worden bewerkstelligd.   Wel   moet het zeefdek daartoe voldoende dik zijn, hetgeen bij een staafzeef zeer wel mogelijk is. Voorts verdient het aanbeveling de staven van slijtbestendig materiaal te maken. 



   Wanneer een geperforeerde plaat wordt gebruikt is het van belang dat er zich geen bramen om de openingen bevinden, of, indien er bramen zijn, dat deze zich aan de onderzijde (de bolle zijde) van het zeefdek bevinden. Zeer kleine bramen hebben reeds een grote invloed op de werking van de zeef, zij   het   dat deze invloed tijdelijk is, omdat bramen en oneffenheden in bedrijf snel   wegslijten.   



   De zeefstaven nabij het toevoereinde van het zeefdek slijten sterker dan de zeefstaven nabij het afvoereinde. De   zeefmaat   is dientengevolge nabij het afvoereinde iets groter dan nabij het toevoereinde. Indien een zeer scherpe scheiding wordt verlangd is het daarom aan te bevelen de doorval van het nabij het afvoereinde gelegen deel van het zeefdek afzonderlijk   te verzamelen   en opnieuw te zeven, bijvoorbeeld door de zo verkregen fractie terug te voeren naar dezelfde zeef. 



   Zoals reeds is vermeld,dient het zeefdek op gezette tijden te worden   gedraaid.   Bij   voorkeur.is   het zeefdek daarom aangebracht in een kast die, zodanig draaibaar of kantelbaar is, dat in één stand het éne uiteinde 

 <Desc/Clms Page number 3> 

 van het zeefdek aansluit op de   toevoermidde@en   en in de andere stand van het andere ulteinde van het zeefdek aansluit op de toevoermiddelen,   terwijl   de opvangmiddelen voor de overloop zich ter weerszijden van het vlak van toe- voer   uitstrekken.   De inrichting kan daartoe voorzien zijn van een centrale opvangbak voor de doorval'en ter weerszijden daarvan van opvangmiddelen voor de overloop, welke opvangmiddelen in een gemeenschappelijke verzamelbak kun- nen uitmonden.

   Ook kunnen de opvangmiddelen voor de overloop bestaan uit een goot welke zich onder de kast bevindt, terwijl de opvangmiddelen voor de doorval zich naast de goot   bevinden.   



   Onder bepaalde omstandigheden kan het voorts aanbeveling ver- dienen boven en onder het zeefdek gelijke overdrukken op te wekken en in stand te houden. Het voordeel hiervan is, dat de gescheiden fracties onder druk uit de zeefinrichting worden afgevoerd; deze druk kan bijvoorbeeld wor- den benut om de gescheiden fracties naar een hoger niveau te leiden, of voor het voeden van een hydrocycloon of een volgende zeefbocht. 



   De zeef volgens de uitvinding is eenvoudig te construeren, neemt voor een bepaalde capaciteit slechts weinig plaats in beslag en kan fijner zeven dan de bekende zeven. Dit maakt het mogelijk deze zeef op bijzondere wijze toe te passen,   b.v. :   1. In de zetmeelindustrie, ter vervanging van de dure bewegende zijdegaas of nylon zeven. 



  2, In kolen- en ertswasserijen: a. Bij   sommige   scheidingsprocessen worden wel de delen groter dan b.v. 0,1 mm naar soortelijk gewicht gescheiden, maar niet de   fijnere.   



  Deze fijnere delen kunnen niet goed van de grovere delen worden gescheiden en blijven dus als verontreinigingen in de grovere producten achter. Indien dit overwegende bezwaren oplevert moet een andere scheidingsmethode worden toegepast. Met behulp van de uitvinding kunnen de fijnere delen echter gemakkelijk worden verwijderd. Dit is vooral van belang voor de overloopfractie van een zgn.   wascycloon   met water. b. Bij de drijf- en   bezinkwerkwijze   worden de gescheiden producten over trilzeven (afdruipzeven) geleid waar de   scheidingssuspensie   van de gescheiden producten wordt gescheiden. Vervolgens worden de producten over een   afsproeizeef   geleid waar aanhechtende suspensie wordt verwijderd. 



  Dikwijls gebruikt men voor deze bewerkingen één zeef met twee opvangreservoirs, zodat het eerste deel van de zeef als afdruipzeef en het tweede deel als afsproeizeefdienst doet.Het biedt vele voordelen in plaats daarvan het afdruipen, althans voor het grootste deel, te doen plaats hebben op een zeef volgens de uitvinding en de daarafkomende overloop op een korte trilzeef verder te behandelen. Voorts kan bij een drijf- en   bezinkwasserij   waarin een suspensie van magnetisch materiaal wordt gebruikt de verdunde suspensie over een zeef volgens de uitvinding worden geleid en slechts de overloop daarvan in een magneetscheider worden behandeld.

   Ook kan deze verdunde suspensie in een hydrocycloon worden geklasseerd, zodanig dat het grootste deel van het magnetische materiaal in de overloopfractie terecht komt, en de   aftapfractie   nog één of tweemaal in een zeef volgens de uitvinding worden behandeld ter verwijdering van de grove niet-magnetische delen; de fijne niet-magnétische delen kunnen dan in een indikker worden verwijderd. 



  Bij een dergelijk schema zijn geen magneetscheiders nodig. 



   Ook kan de van een afdruipzeef verkregen onverdunde, doch verontreinigde suspensie, worden teruggevoerd naar het suspensiebad, nadat in een zeef volgens de uitvinding de grove verontreinigingen zijn verwijderd, Deze grove verontreinigingen kunnen dan b.v. in een hydrocycloon worden gescheiden en de   daarbij   gevormde fracties wederom in een zeef volgens de uitvinding worden   afgezeefd.   

 <Desc/Clms Page number 4> 

 



  De hier genoemde   verwerkingsschema's   kunnen niet goed worden toegepast.. met de bekende zeven.   Toepassing   van de werkwijze   volgens   de uitvinding maakt dus   @wasserijschema's   mogelijk. c. Het is mogelijk een zeef volgens de uitvinding te plaatsen voor een centrifugaaldroger of soortelijke inrichting. 



  3. Voor het zeven van visceuze mengsels, zoals boorsuspensies en brij van ongebrande cement. 



   De uitvinding zal nader worden toegelicht aan de hand van de bij-   gaande   schematische tekeningen. 



  Fig. 1 toont een scheef aanzicht van een doorsnede over een zeefinrichting volgens de   uitvinding.   



  Fig. 2 toont een   doorsnede over@twee   staven van een zeef... 



  Fig. 3 toont een deel van het zeefdek meer in detail. 



  Fig.   4 - 7     zijn   schéma's van wasserijen waarin van de zeef een bijzonder gebruik wordt gemaakt. 



  Fig.   12 - 21   zijn   uitvoeringsvormen   van de inrichting volgens de uitvinding,   Fig. 8 -   11 tonen de slijtage van de zeefstaven. 



   In figuur 1 stelt 1 een plaat voor waarover het te scheiden .mengsel wordt aangevoerd, zoals aangegeven door de pijlen a. Deze plaat 1 kan b.v. worden   gevormde   door de bodem van een open goot of een gesloten kanaal, of door één van de platte kanten van een .min of meer platgedrukte rubber   slang..   De plaat 1 sluit tangentiaal aan op de holle zijde van een gebogen zeefdek 2, gevormd door een   ]aantal   staven 3, waartussen zich spleten 4 bevinden.

   Het zeefdek is zodanig gebogen dat de staven 3 als beschrijvende   lijnen   van een   cylinderoppervlak   kunnen worden beschouwd, of anders gezegd, het zefdek   be@taat   uit een rechthoekige staaf zeef die zodanig is gebogen dat de staven recht zijn gebleven maar het zefdek in een vlak loodrecht op de staven is gebogen. 



   Fijne delen en vloeistof gaan door de spleten en worden verzameld in een reservoir 5 en daaruit afgevoerd door een pijp 6. Het reservoir 5 sluit het zeefdek 2 aan de bolle zijde daarvan geheel af, zodat geen verliezen kunnen   optreden.   Grove delen bewegen over het zeefdek en worden, zoals door de pijlen b is aangegeven, aan het afvoereinde van het zeedek tangentiaal en loodrecht op de laatste staaf 3 van het zeedek afgevoerd. Deze delen worden volgens   figuur   1 opgevangen in een reservoir 7 en daaruit   afgevoerd   door een pijp 8. In plaats van dit reservoir 7 kan ook gebruik worden gemaakt van een op het zeefdek aansluitende goot of een   kanaal.   Een eindwand 9 en een zijwand 10 voorkomen verlies ten gevolge van spatten of afvloeien van het mengsel. 



  Bovendien kan de gehele zeef door een dekplaat 11 worden- afgesloten. 



   In figuur 1   zijn   de staven 3 horizontaal getekend en vormt het zeefdek circa 65  van een cirkelcylinder met de toevoer aan de hoge kant en de afvoer voor de overloop aan de lage kant. Het is evenwel zeer goed mogelijk het zeefdek anders te plaatsen; de stand is van weinig belang, zolang slechts een goede afvoer van de doorval is   gewaarborgd.   Het afvoeren van de overloop is afhankelijk ran de concentratie van de toevoer, de snelheid van de toevoer, de hoeveelheid toevoer per eenheid van zeefbreedte (dus de "dikte" van de toevoer) en van de lengte van het zeefdek. Met deze punten dient bij de constructie en het gebruik uiteraard rekening te worden gehouden. De toevoersnelheid kan b.v. eenvoudig worden geregeld wanneer de toevoer geschiedt door een min of meer plat te drukken rubber slang. 



   Bij de bevestiging van het zeefdek dient de holle zijde ervan zoveel 

 <Desc/Clms Page number 5> 

 mogelijk vrij te blijven van uitsteeksels, omdat anders de stroming over het zeedek wordt gestoord. Bevestigingsmiddelen dienen zich derhalve zoveel mo- gelijk aan de bolle zijde van het zeefdek te bevinden. Ook overigens dienen obstructies aan de holle zijde van het zeefdek te worden vermeden, 
De staven 3 hebben een rechthoekige doorsnede, echter met enigs- zins afgeronde hoeken ter vermijding van scherpe randen. De staven zijn zo- danig geplaatst dat, wanneer het zeefdek recht gebogen wordt, de spleten ook een rechthoekige doorsnede hebben. Bij gebogen zeefdek zijn de spleten tra- peziumvormig. 



   Figuur 2 is een doorsnede van twee staven 3 die enige tijd in gebruik zijn geweest. Teneinde het principe duidelijk te maken is de stand van de staven t.o.v. elkaar en de afstand ertussen sterk overdreven. Doordat het zeefdek gebogen is zullen deeltjes die volgens de pijlen c over de linker staaf bewegen tegen de   zijkant   van de rechter staaf botsen en daar slijtage veroorzaken.   Alle   staven zullen dan aan de linker bovenkant afgerond worden,hetgeen nadelig is voor de werking van de zeef. Dit euvel kan evenwel voor een groot deel worden verholpen door het mengsel ten opzichte van de staven van de andere kant toe te voeren, zoals aangegeven door pijl d. Door dus op gezette tijden de   zeel   of het zeefdek te draaien zodat de toevoerzijde afvoerzijde wordt, kan een meer gelijkmatige slijtage worden verkregen. 



   Figuur 3 toont een soort staafzeef die zeer geschikt is om bij de zeef volgens de uitving te worden toegepast.   Hierbij   zijn de staven 3 zodanig omgebogen, dat een lus 12 ontstaat. Door de lussen van de staven is een bevestigingsstang 13 gestoken. Elke staaf 3 heeft tenminste 2 lussen 12 met een stang 13, maar het aantal lussen kan ook groter zijn, afhankelijk van de lengte van de staven. Dergelijke zeefdekken zijn in de handel verkrijgbaar. 



   De figuren   4 - 7   tonen enkele toepassingen van de inrichting volgens de uitvinding in kolen- of ertswasserijen. In de beschrijving van deze figuren zal slechts sprake zijn van kolen maar ook ertsen kunnen op dezelfde of soortelijke wijze worden behandeld. 



   In   figuur   4 stelt 20 een hydrocycloon voor (een zgn. wascycloon-metwater), die een door leiding 21 toegevoerde waterige suspensie van ruwe fijnkool (kleiner dan 8 mm) scheidt in 2 fracties, nl. een door leiding 22 afgevoerde fractie van kool kleiner dan 8 mm en steen kleiner dan 0,1 mm en een door leiding 23 afgevoerde fractie van steen kleiner dan 8 mm en kool kleiner dan 0,1 mm. Leiding 22 mondt uit in een zeef bocht 24 met spleetopening van b,v. 0,3 mm en staven van 1,2 mm breedte. De zuivere fijnkool wordt afgevoerd door leiding 25. De door de leiding 23 afgevoerde fractie wordt verdund met water, aangevoerd door leiding 26 en vervolgens naar een zeefbocht 27 geleid. De steenfractie wordt afgevoerd door een leiding 28. De doorval van de zeefbochten 24 en 27 worden afgevoerd door een leiding 29.

   Deze fractie kan desgewenst nog verder worden gescheiden, b.v. met behulp van schuimflotatie. Indien deze fractie niet verder wordt behandeld kan ook de zeefbocht 27 worden weggelaten, zodat dan slechts de koolfractie in een zeefbocht wordt gezuiverd. Hetzelfde principe kan worden toegepast wanneer inplaats van de hydrocycloon 20 een deinwasmachine wordt toegepast of een andere scheidingsinrichting, die soortgelijke fracties oplevert. 



   In figuur 5 stelt 30 een suspensiescheidingsinrichting voor welke bij 31 wordt gevoed met ruwe kool waarin fijne delen aanwezig zijn gesuspendeerd in een magnetietsuspensie. De steenfractie wordt afgevoerd door leiding 32, de koolfractie door leiding 33. Beide fracties kunnen op gelijke wijze worden behandeld, maar slechts de behandeling van de koolfractie is in de figuur aangegeven. Deze fractie wordt geleid door een zeefbocht 34 met spleetopeningen die b.v. 1,5 mm wijd en-staven die   b.v.   3 mm breed zijn. De overloop wordt opgevangen op een trilzeef 35 met openingen van b.v. 0,7 mm, De toevoerzijde hiervan dient als afdruipzeef, de afvoerzijde als afsproei- 

 <Desc/Clms Page number 6> 

 zeef, Daartoe bevindt zich aan de toevoerzijde een vergaarbak 36 en aan de afvoerzijde een vergaarbak 37 en sproeiers 38.

   Het deel van de zeef 35 dat als afdruipzeef wordt gebruikt is zeer klein, omdat in de zeefbocht 34 reeds het grootste deel van de suspensie is verwijderd. Zelfs kan de trilzeef 35 uitsluitend als afsproeizeef worden gebruikt nl. wanneer het gewenst is een aanmerkelijk deel van de suspensie te reinigen. De   combinatie   van zeefbocht en trilzeef heeft het voordeel dat het afdruipen geschiedt op een zeef die niet kan verstoppen en het afsproeien op een zeef die een product met een laag   vochtgehalte   aflevert. 



   De doorval van de zeefbocht 34 en de fractie uit de vergaarbak 36 worden samengevoegd en via een leiding 39, pomp 40 en leiding 41 teruggevoerd naar de suspensiescheidingsinrichting 30. De kool wordt bij 42 van de trilzeef 35   afgevoerd.   De verdunde suspensie uit de vergaarbak 37 wordt via een demagnetiseerspoel 52 toegevoerd aan een zeefbocht 43 met spleetopeningen van b.v. 0,3 mm en staven van b.v. 1,2 mm breedte. De overloop wordt via een leiding 44 naar een magneetscheider 45 geleid. De niet-magnetische delen, fijnkocl, worden via een leiding 46 afgevóerd, de magnetiet wordt door een leiding 47 naar een indikker 48 geleid; ook de doorval van de zeefbocht 43 gaat naar de indikker 48, nl, via een leiding 49 met een magnetiseerspoel 53. De overloopfractie van de indikker 48 wordt door een leiding 50 afgevoerd.

   Deze geklaarde vloeistof of een deel ervan kan als sproeiwater op de trilzeef 35 worden gebruikt. De ingedikte magnetietfractie van de indikker 48 wordt via een leiding 51, de pomp 40, en de leiding 41 teruggeleid naar de suspensiescheidingsinrichting 30. Bij dit schema wordt de magneetscheider 45 dus door de zeefbocht 43 ontlast. 



   Het schema volgens figuur 6 komt voor een groot deel overeen met het schema volgens figuur 5. De wijze van reiniging van de suspensie (het deel tussen de vergaarbak 37 en de indikker 48) is echter een andere. De verdunde suspensie van de vergaarbak 37 wordt door een pomp 54 toegevoerd aan een klasseerhydrocycloon 55 waarin de magnetiet op ongeveer 50 micron wordt geklasseerd. De overloopfractie van de hydrccycloon 55 wordt via een leiding   62   naar de indikker 48 geleid. De aftapfractie van de hydrocycloon 55 wordt via een demagnetiseerspoel 56 naar een zeefbocht 57 geleid. De overloop van de zeefbocht 57 wordt verdund met water dat door een leiding 58 wordt toegevoerd en vervolgens via een leiding 59 naar een zeefbocht 60 geleid. De zeefbochten 57 en 60 kunnen zijn voorzien van spleetopeningen met een wijdte van b,v. 0,3 mm en staven van 1,2 mm breedte.

   De overloop van de zeefbocht 60 bestaat voornamelijk uit kool en wordt via een leiding 61 afgevoerd. De doorval van de zeefbochten 57 en 60 wordt via een magnetiseerspoel 63 naar de indikker 48 geleid. Bij dit schema wordt dus geen magneetscheider   toegepast.   Men heeft reeds lang zonder magneetscheider willen werken, maar wegens gebrek aan een goede zeefinstallatie is er nooit een practisch toepasbare oplossing gevonden. 



   Figuur 7 stelt een deel van een wasserij voor van niet ontslikte   fijt,kool   (kleiner dan 8 mm). Hierin is 64 een toevoerreservoir waaraan door een leiding 65 fijnkool en door een leiding 66 een magnetietsuspensie wordt toegevoerd. Het mengsel wordt vervolgens door een leiding 67 aan de hydrocycloon 68 toegevoerd en daarin gescheiden in taxee fracties, waarvan de door   overlcopleiding   69 afgevoerde fractie de kool 1 - 8 mm bevat en ongescheiden delen kleiner dan 1 mm, en de door de aftapleiding 70 afgevoerde fractie de steen 1 - 8 mm bevat en ongescheiden delen kleiner dan 1 mm. 



  De beide fracties worden gezeefd op trilzeven met openingen van 1 mm, de steenfractie cp een zeef 71 met een vergaarbak 72 voor de onverdunde suspensie, sproeiers 73 en een vergaarbak 74 voor de verdunde suspensie, de koolfractie op een zeef 75 met een vergaarbak 76 voor de onverdunde suspensie, sproeiers 77 en een vergaarbak 78 voor de verdunde suspensie. De steen 1 - 8 mm wordt afgevcerd bij 79, de kool 1 - 8   nnü   bij 80. De verdunde suspensie uit de vergaarbakken 74 en 78   wrdt   afgevoerd resp. door leidingen 81 en   82   en op bekende wijze   geregenereerde   dit is in de figuur niet aangegeven. 

 <Desc/Clms Page number 7> 

 



   De onverdunde suspensie in de vergaarbakken 72 en 76,   welke   het grootste deel van de niet-gescheiden delen kleiner dan 1 mm bevat, wordt door een leiding 83 naar een zeefbocht 84 geleid. De doorval daarvan bestaat voor- nameliik uit scheidingssuspensie en wordt via een leiding 85   afgevoerd.   



     '?eze   doorval kan direct worden teruggeleid naar het   toevoerreservóir   64. 



   Aan de overloop van de zeefbocht 84 wordt zo nodig door een leiding 86 vol- doende suspensie toegevoerd voor scheiding van deze fractie in een hydrocy- cloon. Deze overloop wordt via een leiding 87 en een pomp 88 toegevoerd aan een hydrocycloon 90, waarin de fijne kool en steen worden gescheiden. De koolfractie wordt door een leiding 91 toegevoerd aan een zeefbocht 92, de steenfractie wordt door een leiding 93 toegevoerd aan een zeefbocht   94.   



   De doorval van de zeefbochten 92 en 94 bestaat uit enigszins verontreinigde magnetietsuspensie.die via een leiding 95 wordt afgevoerd en naar het toevoerreservoir 64 of naar leiding 86 kan worden geleid. De overloop van de zeefbocht 92 wordt verdund met geklaarde vloeistof,' toegevoerd door een lei- ding 96, en vervolgens door een leiding 97 toegevoerd aan een magneetscheider
98. De niet-magnetische delen daarvan, fijne kooldelen, worden afgevoerd door een leiding 99. De overloop van de zeefbocht   94   wordt verdund met geklaarde vloeistof, toegevoerd door een leiding 100, en vervolgens door een leiding 101 toegevoerd aan een magneetscheider 102. De niet-magnetische   de-   len daarvan, fijne steendelen, worden afgevoerd door een leiding 103.

   De magnetische delen van de magneetscheider 98 en 102 worden afgevoerd door een leiding   104.   Deze suspensie kan, na te zijn ingedikt, worden terugggevoerd naar het toevoerreservoir 64. 



   Bij wijze van voorbeeld volgen hier enkele maten vanmet succes beproefde zeefbochten met spleetopeningen, waarvan de zeefdekken de vorm hebben van een cirkelcylinderoppervlak. l. Kromtestraal 400 mm, middelpuntshoek   1800,   breedte zeefdek 300 mm. 



  2. Kromtestraal 510 mm, middelpuntshoek 90 , breedte   zee±dek   1200   mm.   



   Ook Kleinere of grotere kromtestralen, b.v. van 15 tot 150 cm, kunnen worden toegepast, terwijl ook kleinere middelpuntshoeken b.v. van   45 ,   mogelijk zijn. Ook kunnen middelpuntshoeken die groter zijn dan 1800 worden toegepast, maar dit heeft over het algemeen geen voordeel. 



   Figuur 8 toont een   nieuwe   staaf met rechthoekig profiel en afgeronde hoeken, 
Figuur 9 toont een staaf van een gebruikte, maar nog niet gedraaide staafzeef, 
De figuren 10 et   11   tonen staven van gedraaide staafzeven, waarbij de staaf volgens figuur 11 het verst versleten is. De pijlen duiden de transportrichting aan. De hellingen van de slijtvlakken zijn in de figuren overdreven aangegeven, het verschijnsel is evenwel met het blote oog zeer goed waar te   nemen.   



   Figuur 12 toont een zeefinrichting volgens de uitvinding. De te scheiden suspensie e wordt toegevoerd aan een overloopbak   121   met een schot 122 en een overlooprand 123, welke zich over de gehele breedte van het zeefdek uitstrekt. Tegenover de overlooprand 123 bevindt zich een plaat 124 welke samen met de buitenwand 125 van de   nverloopbak   121 het mengsel tangentiaal op het gebogen zeefdek 126 met slaven 127 leidt. De wijze van bevestiging van het zeefdek 126 is in de figuur niet aangeduid. Bijzondere moeilijkheden levert dit ook niet op. Het is slechts van belang, dat de   bevestigingsmidde-   len symmetrisch zijn aangebracht, zodat het zeefdek op eenvoudige   wijze   kan worden gedraaid, zodat het afvoereinde toevoereinde wordt en het toevoereinde afvoereinde. 



   Onder het eerste deel van het zeefdek bevindt zich een opvangtrechter 128, onder het laatste deel van het zeefdek bevindt zich een opvangtrechter 129 en de overloop van de zeef wordt opgevangen in een opvang- 

 <Desc/Clms Page number 8> 

 trechter 130. De   cpvangtrechter   129 is voorzien van een afvoerleiding 131 welke via een pomp 132 in verbinding staat met de overloopbak 121. Tussen de opvangtrechters 128 en 129 bevindt zich een plaat 133, welke kan scharnieren om een as   134,   zodat een deel van de doorval van de zeef desgewenst hetzij naar opvangbak 128, hetzij naar opvangbak 129 kan worden geleid. 



   In bedrijf wordt de te scheiden suspensie e toegevoerd aan de overloopbak 121 en, gelijkmatig over de breedte van het zeefdek 126 verdeeld, tangentiaal toegevoerd aan het zeefdek 126 met een snelheid van ten minste 50 cm per seconde. Door elk van de staven wordt een dun laagje van de suspensiestroom afgeschraapt. De dikte van dit laagje bedraagt, naar uit verkregen resultaten is af te leiden, in normale gevallen circa 1/4 van de spleetbreedte tussen -twee staven. Een vast deeltje, dat zich voor ten minste de helft in dit laagje bevindt, wordt meegesleurd en gaat door de spleet. Het grootste deeltje, dat in een spleet kan komen, heeft dus een doorsnede van tweemaal de dikte van hetafgeschraapte laagje, welke doorsnede in normale gevallen dus 2 x 1/4 = 1/2 maal de spleetbreedte is. 



   De volgende staven schrapen op soortgelijke wijze achtereenvolgens verdere laagjes af, waarbij uiteraard de concentratie aan grove delen in de   resterende   suspensie steeds hoger wordt. Dit restant wordt uiteindelijk in de trechter 130 opgevangen en bij g afgevoerd,
De hoeveelheid vaste stof neemt van het toevoereinde naar het afvoereinde   af.   De slijtage is dientengevolge het grootst nabij het toevoereinde. De slijtage tast in de eerste plaats eventuele oneffenheden in het zeefdek aan, hetgeen de zeefwerking verbetert. Voorts slijten de staven aan de voorkant, zoals blijkt uit de figuren 8 - 11. Dientengevolge wordt de door de staven afgeschraapte laag dunner en dus ook de zeef maat fijner, want de zeefmaat is evenredig met de dikte van de afgeschraapte laag. 



  Door nu het zeefdek te draaier , wordt dit bezwaar verholpen, zodat een be-   trekkelijk   constante zeefwerking wordt verkregen. 



     Bij   het draaien van het zeefdek komen echter relatief weinig versleten staven   bij   het toevoereinde en relatif sterk versleten staven bij het afvoereinde. Dientengevolge zal steeds de   zeefmaat   nabij het afvoereinde grover zijn dan nabij het toevoereinde. Door nu de doorval van het laatste deel van de zeef te recirculeren of op een volgende zeef te behandelen, wordt de scheidingsscherpte verhoogd. 



     Volgens   figuur 12 wordt de doorval ± van het eerste deel van de zeef afzonderlijk afgevoerd; dit is de fijne fractie. De doorval van het laatste deel van de zeef wordt   terugevoerd   naar de overloopbak 121. Daar de   omstandigheden   bij voortschrijdende slijtage enigszins veranderen, is het gewenst de scheiding tussen de opvangtrechters 128 et 129 te kunnen instellen, waartoe volgens figuur 12 de scharnierende plaat 133 is aangebracht. Met de geschetste   werkwijze   zijn verrassend goede resultaten bereikt. 



    VOORBEELD 1.    



   Zand, s.g. 2,7, gesuspendeerd in water, werd gezeefd in een richting volgens figuur 12. 



   Het zeefdek bestond uit staafzeven met een breedte van 2 mm en spleten van 1 mm breedte, met de staven horizontaal. Een verticale doorsnede van het zeefoppervlak had de vorm van een kwart cirkel met een straal van 500 mm, waarbij de   raaklijn   aan het toevoereinde verticaal stond. Het zeefdek had een breedte van 250 mm. De opvangtrechters waren zodanig aangebracht dat de doorval van de bovenste 60  van de zeefbocht in de opvangtrechter 128 terecht   kwam   on de doorval van de onderste 30  van de zeefbocht in de opvangtrechter 129 werd   opgevangen.   De overlooprand 123 bevond zich op 500 mm boven de bovenrand van het zeefdek,en tussen de plaat 124 en de buitenwand 125 bevond zich een 30   mm wijde   spleet.

   De volgende resulta- 

 <Desc/Clms Page number 9> 

 ten werden verkregen : Toevoer (e)   57,49   m3/uur Vaste stof in toevoer 176   gram%liter   Doorval (f) 54,47 m3/uur Vaste stof in doorval 133   gram/liter   Overloop (g) 3,02 m3/uur Vaste stof in overloop 949 gram/liter   Korrelverdeling van de vaste Doorval (f) Overloop (g) stof in de gescheiden fracties :

   Voorval (f) Overloop   
 EMI9.1 
 
<tb> 
<tb> groter <SEP> dan <SEP> 1000 <SEP> micron <SEP> 0,01 <SEP> % <SEP> 43,7 <SEP> %
<tb> 500 <SEP> tot <SEP> 1000 <SEP> micron <SEP> 0,29 <SEP> % <SEP> 26,0 <SEP> % <SEP> 
<tb> 350 <SEP> tot <SEP> 500 <SEP> micron <SEP> 3,6 <SEP> % <SEP> 18,0 <SEP> % <SEP> 
<tb> 210 <SEP> tot <SEP> 350 <SEP> micron <SEP> 22,7 <SEP> % <SEP> 7,2 <SEP> % <SEP> 
<tb> 105 <SEP> tot <SEP> 210 <SEP> micron <SEP> 25,4 <SEP> % <SEP> 1,8 <SEP> % <SEP> 
<tb> kleiner <SEP> dan <SEP> 105 <SEP> micron <SEP> 48,0 <SEP> % <SEP> 3,3 <SEP> % <SEP> 
<tb> 100 <SEP> % <SEP> 100 <SEP> %
<tb> 
 
Uit deze gegevens kan worden afgeleid dat de diameters van de 50 %-korrel en de 95 %-korrel respectievelijk   400   en 520 micron waren (de diameters van de 50 %-korrel en de 95 %-korrel zijn de diameters van de korrels waarvan 50 %,

   respectievelijk 95 % van de toevoer in de overloopfractie   zijn   gekomen). De verhouding van de diameters van de   50 %-korrel   en de 95 %-korrel was dus   400/520   = 0,77, en de "Steinmetzer-fout" (zie "Glück Auf" 77, blz.   121-128   en   137-146,   Heft 8 en 9, J.   Steinmetzer,   "Die   Windsichtung   der Feinkohle") bedroeg 9 %. 



   De verhouding van de diameters van de 50 %-korrel en de 95 %korrel, en de   "Steinmetzer-fout",   zijn indicaties voor de scheidingsscherpte. Twee proeven, waarbij de beide doorval fracties werden samengevoegd, maar die met overeenkomstig materiaal en onder overeenkomstige omstandigheden werden uitgevoerd, gaven verhoudingsgetallen van 0,47 en 0,48 en een "Steinmetzer-fort" van 11 % en 13 %. Hieruit blijkt dat met de inrichting van fig. 12 een   belangrijk   scherpere scheiding kan worden bewerkstelligd dan met een inrichting die slechts één doorval fractie geeft. 



   In de figuren 13 - 15 is   141   een verdeelbak welke dient om de bij A instromende suspensie door de spleet 142 tangentiaal op het zeefdek   143   te brengen. Dit zeefdek 143 is tussen een tweetal platen 144 gespannen, welke platen 144 samen met één of meer versterkingsruggen 145 en de afdruipplaten 146 en 146' een kast 147 vormen. De kast 147 is bevestigd op een horizontale as 148, die in de opstaande wanden 149 en   149'   van een centrale opvangbak 154 draaibaar is   gelagerd,  Deze as bevindt zich in het vlak van toevoer, recht onder de spleet 142.

   Op de as 148 is een hefboom 151 aangebracht, welke met een segment 152 samenwerkt en daarin met behulp van een pen 153 kan worden vastgezet.   Het   segment 152 is daartoe voorzien van twee openingen 150 et 150', zodat de kast 147 in dc twee bedrijfsstanden kan worden vergrendeld. De doorval C stroomt tussen de afdruipplaten 146 en   146'   naar de centrale opvangbak 154 en wordt daaruit via een leiding 155 bij D   afgevoerd.   



   De overloop B wordt bij de stand volgens figuur 13 opgevangen in een   opvangruimte   156 en   bij   de stand volgens figuur 14 in de opvagruimte 156', welke opvangruimten zich ter weerszijden van de centrale opvangbak 

 <Desc/Clms Page number 10> 

 154 bevinden. In beide gevallen stroomt de overloop vervolgens via een ge-   meenschappelijke   verzamelbak 157 naar een afvoerpijp 158 en wordt dan afgevoerd bij E. 



   Figuur 16 toont een inrichting waarvan de toevoermiddelen overeenkomen met die van de figuren 13 - 15. Ook de kast 159, waarin het zeefdek is aangebracht, komt in hoofdzaak overeen met de kast 147 volgens de figuren   13-15,   evenwel met dit verschil, dat de kast aan de zijkant is voorzien van een tuit 160 en aan de onderzijde gesloten is doordat de afdruipplaten 146 en 146, met   elkaar   zijn verbonde. De opvangmiddelen voor de overloop bestaan hier uit een goot 161, die onder de kast is gelegen en zich ter weerszijden van het vlak van toevoer'uitstrekt. Naast de goot 161 bevindt zich een opvangbak 162, waarboven de tuit 160   -uitmondt.   De doorval wordt steeds cp dezelfde plaats in opvangbak 162 opgevangen, de overloop daarentegen wordt afwisselend voor en achter het vlak van tekening in de goot 161 opgevangen. 



     Volgens     figuur   17 wordt een in vloeistof gesuspendeerd mengsel van te scheiden vaste delen bij p toegevoegd aan een overloopbak 201, die door eeN schot 202 in twee delen is gescheiden, zodanig, dat het mengsel onder het schot 202 moet doorstromen om de overlooprand 203 te bereiken. Buiten de overloopbak 201 bevindt zich tegenover de overlooprand 203 een plaat 204, welke, samen met de wand 205 van de overloopbak 201, het mengsel tangentiaal naar het zeefdek 206 leidt; de bak 201, de overlooprand 203 en de plaat 204 zijn even breed als het zeefdek 206. De doorval van de zeefbocht wordt verzameld in een opvangbak 207 en afgevoerd bij q. 



   Bij r wordt water toegevoerd aan een overloopbak 208; het water strcomt over de overlooprand 209 en wordt door platen 210 en 211 tangentiaal naar een zeefdek 212 geleid. De bovenrand van het zeefdek 212 sluit direct aan op het afvoereinde van het zeefdek 206, valt er zoveel mogelijk mee samen. De overloop van het zeefdek 206 komt dus terecht in de vloei-   stof stroom   uit overloopbak 208, en wel aan de zeef zijde daarvan. De plaat 210   lJcpt   door tot juist tegencver het afvoereinde van   het;zeefdek   206, teneinde te beletten dat deeltjes door de waterstroom heen schieten. De deeltjes worden door de waterstroom meegesleurd en worden dientengevolge op het zeefdek 212 uitgewassen. 



   De doorval van het zeefdek 212 wordt opgevangen in een opvangbak 213 en bij s afgevoerd. De overloop van het zeefdek 212 wordt opgevangen in de opvangbak 213 en bij t afgevoerd. De in figuur 17 geschetste inrichting kan b.v. worden gebruikt in een zware   vloeistofwasserij,   waarbij dan het zeefdek 206 dienst doet als afdruipzeef en het zeefdek 212 als (eerste) afsproeizeef. De inrichting volgens figuur 18 komt overeen met die van figuur 17, echter met dit verschil, dat het zeefdek 212, 180  om een verticale as is gedraaid, zodat volgens figuur 13 de bolle zijde van het zeefdek 212 zich aan de rechter kant bevindt en de bolle zijde van het zeefdek 206 aan de linkerkant, terwijl volgens figuur 17 de bolle kanten van beide zeefdekken zich aan dezelfde (linker) kant bevinden.

   Dientengevolge wijkt de   aansluiting   van de zeven volgens figuur 18 enigszins af van die volgens liguur 17. Volgens   figuur   18 bevindt het afvoereinde van het zeefdek 206 zich   Tegenover   het toevoereinde van het zeefdek 212. De plaat 210 eindigt   bove@ het   afvoereinde van het zeefdek 206, zodat de overloop hiervan beneden de onderrand van plaat   210   wordt afgevoerd en bij het toevoereinde van het zeefdek 212 door de waterstroom uit de   overloopbak   208 kan worden gegrepen. 



   Volgens figuur 19 wordt het te scheiden mengsel bij u toegevoerd en water bij v. Het water   v. beweegt   tussen de platen 215 en 2l6 tangentiaal naar het zeefdek 217. Het te scheiden mengsel glijdt door een toevoertrechter 228 naar de waterstroom. De plaat 216   loopt   door tot de toevoertrechter 228, zodat het te scheiden materiaal niet door de waterstroom heen kan vallen. De doorval van het zeefdek 217 wordt opgevangen in een verzamelbak 

 <Desc/Clms Page number 11> 

 
218 en afgevoerd bij w. Aan het afvoereinde van het zeefdek 217 bevindt zich een sproeiinrichting 219 welke bij voorbeeld kan bestaan uit een pijp die evenwijdig is met de beschrijvende lijn van het zeefdek 217 en welke is   voorzien van sproeiopeningen   220 die tangentiaal zijn ingericht ten opzichte van een zeefdek 221. 



   De   zeefdekken   217 en 221 hebben hun bolle zijden aan dezelfde kant. Het zeefdek 221 sluit zodanig aan op het zeefdek 217, dat de overloop van het zeefdek 217 in contact komt met de vloeistofstroom van de sproeiin- richting 219 en daardoor wordt meegesleurd. De doorval van het zeefdek 221 wordt opgevangen in een opvangbak 220 en bij x afgevoerd. De overloop van het zeefdek 221 wordt opgevangen   in.de   opvangbak 223 en bij y   afgevoerd.   



   Figuur 20 toont een zeefbocht met toevoermiddelen die enigszins afwijken van de hiervoor vermelde. In deze   figuur   is p een suspensie van vas- te deeltjes in een vloeistof welke wordt toegevoerd aan een overloopbak 401, waarvan de overlooprand 402 samenvalt met de   toevoerrand   van het zeefdek   403.   



  Tegenover de overlooprand 402 bevindt zich een plaat   404,   die zich over de gehele breedte van de zeef uitstrekt en die evenwijdig is met het vlak dat raakt aan het toevoereinde van het zeefoppervlak. De aanwezigheid van deze plaat 404 heeftotot   resultaat   dat de suspensie tangentiaal op het zeefdek   403   wordt geleid. in de overloopbak bevindt zich een plaat 405, welke zich over de gehele breedte van het zeefdek uitstrekt en welke een   gelijkmatige   verde- ling van de toegevoerde suspensie over het zeedek bevordert. Desgewenst kun- nen de platen 405 en 404 aan de bovenzijde worden verbonden door een plaat 406, die in figuur 20 door een onderbroken lijn is aangeduid. 



    VOORBEELD 2.   



   Een inrichting volgens figuur 20 was voorzien van een zeefdek, dat de vorm had van 90  van een cirkelcylinder..De   straal   bedroeg 400   mm.   



  De breedte van het zeefdek was 250   mm..   De staven waren trapeziumvormig met afgeronde hoeken. De grootste breedte van de staven was 2,5 mm, de spleet- breedte tussen de staven was 1 mm. De afstand tussen de plaat 404 en het toevoereinde van het zeefdek bedroeg 15   mm.   



    De toevoer bedroeg 23,2 m3 per uur, bestaande uit water met 145 gram zand en fijn grind per liter. De doorva-'bedroeg 20,6 m per uur, de   overloop 2,6 m3 per uur. De diameter van de 50 % korrel bedroeg 0,45 mm, de diameter van de 95 % korrel bedroeg 0,80   mm.   (De 50 % resp.   95 %-korrel   duidt de korrelgrootte aan van de korrels waarvan 50 % resp. 95 % in de overloop   terechtkomen).   



   Toen de plaat 404 werd weggelaten nam de capaciteit van de zeef tengevolge van verstopping af, terwijl de   zeefmaat   groter en de zeving on-   nauwkeuriger   werd. 



   Figuur 21 toont een andere uitvoeringsvorm van een inrichting volgens de   uitvinding.   In deze figuur is 303 een lucht- en waterdicht huis, waarin zich een zeefdek 301 bevindt. Op dit zeefdek sluit een toevoerlei- ding 302 tangentiaal aan. Deze toevoerleiding kan   b.v.   bestaan uit een aan- tal pijpen welke zich aaneengesloten over de gehele breedte van het zeefdek uitstrekken. Het kan   evenwel   van voordeel ziin. dat er openingen tussen de pijpen   en/of   tussen de pijpen en de zijwand van de inrichting zijn; de druk- ken in de ruimten boven en onder het zeefdek kunnen dan via deze openingen in evenwicht blijven.

   Ook kan voor de toevoer gebruik worden gemaakt van een spleetopening; in dat geval is het gewenst dat er organen zijn aangebracht die het toegevoerde mengsel gelijkmatig verdelen over de gehele lengte van de spleet, zodat de zeef ook gelijkmatig wordt belast. 



   Het huis 303 is voorzien van een afvoerleiding   304   met regel- afsluiter 305 voor de doorval en een afvoerleiding 306 met regelafsluiter   307   voor de overloop. Voorts zijn   er   weerszijden van de toevoerleiding 

 <Desc/Clms Page number 12> 

 302 pijpen   308   en 309, voorzien van afsluiters 310 en   311   aangebracht, welke pijpen via een pijp 312 met een ontluchtingsleiding 314 met afsluiter 315 in verbinding staan en via de pijp 312 en een afsluiter 313 desgewenst ook in verbinding kunnen staan met een bron van gecomprimeerd gas of met een vloeistof onder druk. 



   Voorts is het huis 303 ter weerszijden van de toevoerleiding 302 voorzien --an manometers 316 en 317. 



   Het huis 303 kan geheel met vloeistof zijn gevuld, waartoe een in het huis aanwezig luchtkussen kan worden verwijderd door het openen van de afsluiters 310,311 en 315. Wanneer het huis 303 geheel met vloeistof is gevuld kan de druk in het huis worden geregeld met behulp van de afsluiters 305 en   307,   die voorts zodanig ingesteld dienen te worden dat de drukken onder en boven het zeefdek onderling gelijk zijn. Zonodig kan via de leidingen 312, 308 en 309 extra water onder druk worden toegevoerd. De drukken onder en boven het zeefdek 301 worden dan mede bepaald door de instelling van de afsluiters 310 en 311.

   Wanneer het huis geheel met vloeistof is gevuld is het aan te bevelen de toevoermiddelen 302 over de gehele breedte op het zeefdek aan te sluiten, zodat het huis door de toevoermiddelen in twee compartimenten wordt verdeeld en dus geen kortsluiting tussen de ruimten onder en boven het zeefdek kan ontstaan. Noodzakelijk is dit evenwel niet. 



   Het is ook mogelijk te werken met een luchtkussen in het huis 303. 



  In dat geval blijft de afsluiter 315 gesloten en blijven de afsluiters 310 en 311 geopend, zodat de drukken in de ruimten onder en boven het zeefdek in evenwicht blijven via de leidingen 308 en 309. Indien er openingen in de toevoermiddelen zijn aangebracht, welke   ruimten   onder en boven het zeefdek verbinden, kunnen de drukken ook bij gesloten stand van de afsluiters 310 en 311 in evenwicht blijven. Bovendien kan door de leiding 312 nog extra lucht of een ander gas onder druk worden toegevoerd, in welk- geval het huis 303 grotendeels met gas gevuld kan blijven. 



   Het is in alle gevallen van groot belang dat   de drukken   in de ruimten onder en boven het zeefdek 301 in hoofdzaak onderling gelijk zijn, omdat anders de zeefwerking wordt be nvloed. Het is   immers   duidelijk dat bij overdruk boven het zeefdek de deeltjes door de zeer worden geperst, hetgeen gevaar voor verstoppingen geeft,   terwijl   bij onderdruk boven het zeefdek de deeltjes moeilijk de spleten kunnen passeren. 



   De door de leidingen 304 en 306 afgevoerde fracties staan onder druk. Deze druk kan worden benut voor het opvoeren van de fracties naar een hoger niveau of voor het bedrijven van een hydrocycloon of een   volgen-   de zeefbocht. Up deze wijze is het mogelijk vershillende bewerkingen uit te voeren, zonder dar daarbij tussengeschakelde pompen en voorraadsbakkep nodig zijn.   Voorts   kunnen de opeenvolgende bewerkingen geschieden   zonder   dat de producten met de lucht in aanraking komen, zodat een hygi nisch   bedrijf   kan worden gewaarborgd. 



   Indien uitsluitend de doorval van de zeef een volgende bewerking moet ondergaan kan het aanbeveling verdienen de overloop via een sterwiel of soortelijke sluisinrichting af te voeren.

Claims (1)

  1. CONCLUSIES. l. Werkwijze voor he@ natzeven van vaste deeltjes met behulp van een vaste zeef, waarbij het mengsel in hoofdzaak tangentiaal wordt toegevoerd aan de holle zijde van een cylindrisch gebogen zeefoppervlak met het kenmerk dat het materiaal op het zeef'oppervlak van het toevoer- tot het afvoereinde in hoofdzaak in een vlak loodracht op de beschrijvende lijn vap het cylindrische oppervlak wordt bewogen.
    2. Werkwijze volgens conclusie 1 met het kenmerk dat het materi- <Desc/Clms Page number 13> aal over het zeefoppervlak wordt bewogen in een vlak dat in hoofzaak verti- caal staat.
    3. Werkwijze volgens conclusie 1 of 2 met het kenmerk dat het mengsel wordt toegevoerd.met een snelheid van tenminste 0,5 m/sec.
    4. Werkwijze volgens conclusie 1, 2 of 3, met het kenmerk dat de doorval van het nabij het afvoereinde gelegen deel van het zeefdek af- zonderlijk wordt verzameld en opnieuw wordt gezeefd.
    5. Werkwijze volgens conclusie 4, met het kenmerk, dat de afge- zonderde fractie wordt teruggevoerd naar dezelfde zeef.
    6. Werkwijze volgens conclusie 1, 2 of 3, met het kenmerk dat boven en onder het zeefdek in hoofdzaak gelijke overdrukken worden opgewekt en in stand gehouden.
    7. Vaste zeefinrichting voor het uitvoeren van de werkwijze volgens conclusie 1, welke zeefinrichting bestaat uit een cylindrisch gebogen zeefdek en middelen voor het in hoofdzaak tangentiaal toevoeren van een mengsel van in vloeistof gesuspendeerde deeltjes aan de holle zijde van het zeefdek in hoofdzaak loodrecht op de beschrijvende lijn daarvan en met het kenmerk dat het zeefdek niet in zichzelf gesloten is en middelen zijn aangebracht voor het opvangen en afvoeren van deeltjes welke het zeefoppervlak hebben doorlopen in een vlak loodrecht op de beschrijvende lijn.
    8. Zeefinrichting volgens conclusie 7 met het kenmerk dat het zeefdek zodanig is gebogen dat een deeltje hetwelk zich van de toevoerzijde naar de afvoerzijde beweegt een hoek doorloopt welke ten hoogste 1800 is.
    9. Zeefinrichting volgens conclusie 7 of 8 met het kenmerk dat de kromtestraal van het zeefdek voor het gehele zeefdek in hoofdzaak gelijk is.
    10. Zeefinrichting volgens conclusie 7, 8 of 9 met het kenmerk dat de openingen in het zeefdek bestaan uit spleten welke evenwijdig zijn aan de beschrijvende lijn.
    11. Zeefinrichting volgens conclusine10 met het kenmerk dat het zeefdek bestaat uit staven met een in hootdzaak rechthoekig profiel, terwijl de staven zodanig zijn geplaatst dat ook de spleten in hoofdzaak een rechthoekig profiel hebben.
    12. Zeefinrichting volgens conclusie 9,10 of 11 met het kenmerk dat de constructie ervan zodanig is dat beide einden van het zeefdek als toevoereinde kunnen dienen.
    13. Zeefinrichting volgens één der conclusies 7 - 12 met het kenmerk dat het zeefdek in een doorsnede loodrecht op de beschrijvende lijn een boog vormt met een straal van tenminste 15 cm en ten hoogste 100 cm en een lengte van tenminste 45 en ten hoogste 180 .
    14. Zeefinrichting volgens één der conclusies 7 - 13, gekenmerkt door afzonderlijke afvoertrechters onder het zeefdek, van welke opvangtrechters één zich uitstrekt onder het nabij het afvoereinde gelegen deel van het zeefdek en door middelen voor het opnieuw zeven van de in genoemde trechter opgevangen doorval.
    15. Zeefinrichting volgens conclusie 14, gekenmerkt door een leiding van genoemde trechter voor de genoemde toevoermiddelen.
    16. Zeefinrichting volgens conclusie 14 of 15, met het kenmerk dat de grootte van genoemd, nabij het afvoereinde gelegen deel van het zeefdek, regelbaar is. <Desc/Clms Page number 14>
    17. Zeef inrichting volgens één der conclusies 7 - 16, gekenmerkt doordat het zeef dek is aangebracht in een kast die zodanig draaibaar of kantelbaar is, dat één stand het éne uiteinde van het zeefdek aansluit op de toevoermiddelen en in de andere stand het andere uiteinde van het zeefdek aansluit op de toevoermiddelen, terwijl de opvangmiddelen voor de overloop zich ter weerszijden van het vlak van toevoer uitstrekken.
    18. Zeefinrichting volgens conclusie 17, met het kenmerk dat de inrichting is voorzien van een centrale opvangbak voor de doorval en dat ter weerszijden daarvan zich opvangmiddelen voor de overloop bevinden.
    19. Zeef inrichting volgens conclusie 18, met het kenmerk dat de opvangmiddelen die ter weerszijden van de centrale opvangbak zijn aangebracht, uitmonden in een gemeenschappelijke verzamelbak.
    20. Zeefinrichting volgens conclusie 17, met het kenmerk dat de opvangmiddelen voor de overloop bestaan uit een goot die zich onder de kast bevindt, terwijl de opvangmiddelen voor de doorval zich naast deze goot be- vinden.
    21. Zeef inrichting volgens één der conclusies 7 - 19, met het kenmerk dat het zeefdek zich bevindt in een gesloten huis, dat is voorzien van toe- en afvoeropeningen en van middelen voor het opwekken en in stand houden van onderling gelijke overdrukken ter weerszijden van het zeefdek.
    22. Kolen- of ertswasserij gekenmerkt door althans één zeefinrichting volgens één der conclusies 7 - 21.
    23. De uitvinding zoals in hoofdzaak beschreven en toegelicht. bijgaand 11 tekeningen.
BE530879D BE530879A (nl)

Publications (1)

Publication Number Publication Date
BE530879A true BE530879A (nl)

Family

ID=163402

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
BE530879D BE530879A (nl)

Country Status (1)

Country Link
BE (1) BE530879A (nl)

Similar Documents

Publication Publication Date Title
US2916142A (en) Process and apparatus for separating particles according to size
CA2013851C (en) Lewis econosizer
US3064806A (en) Apparatus for wet sizing of solid materials
GB1568923A (en) Process for cleaning and dewatering fine coal
JP7316296B2 (ja) 砂を等級付けし、洗浄する装置
CA2045768C (en) Blast cleaning wet media feed and separation system
US5037537A (en) Wood particle screen
US3446349A (en) Apparatus and method for separating and recovering relatively coarse mineral particles and relatively fine mineral particles from a slurry containing said particles
NO115802B (nl)
USRE25774E (en) Apparatus for wet sizing of finely divided solid materials
BE530879A (nl)
US3813298A (en) Dual screening process for separating starch particles and fibers
US620014A (en) blacket
US697353A (en) Apparatus for screening crushed ores or other materials.
US661996A (en) Screening apparatus.
US2007098A (en) Process and mechanism for separating intermixed divided materials
US2149877A (en) Screening
US2481110A (en) Dewatering process
US20130284645A1 (en) Separation apparatus
US2976996A (en) Apparatus and method for wet screening
US2577754A (en) Classifier
US2341662A (en) Apparatus for separating loose masses
US3456785A (en) Screen apparatus
US579945A (en) Thomas montresor baldwin
US769211A (en) Drip-concentrator.