<Desc/Clms Page number 1>
De uitvinding heeft betrekking op een draadrem, bestaande uit twee lichamen, die elk zijn voorzien van een aantal remlichamen. waarbij de remlichamen van het ene lichaam zich uitstrekken tussen die van het andere lichaam.
Bij dergelijke remmen heeft men verscheidene op een rij aange- brachte remplaatsen, die na elkaar een spanning aan de er door gaande draad geven.Zij kunnen zijn van het type vingerremmen en bij deze remmen worden de beide lichamen, waarop de remlichamen zijn aangebracht, in een bepaalde stand vastgezet.
Het is nu volgens de uitvinding gebleken, dat het mogelijk is de bovenaangegeven remmen te verbeteren door de remlichamen op bepaalde wijze beweeglijk te monteren.
De draadrem volgens de uitvinding heeft het kenmerk, dat elastisch werkende organen aanwezig zijn, die de remlichamen in elkaar doen grijpen en dat de lichamen, waarop de remlichamen zijn aangebracht, odanig mecha- nisch met elkaar zijn verbonden en zijn aangebracht,dat bij drukuitoefe- ning door een door de rem gaande draad, de remlichamen van beide lichamen tangentiaal ten opzichte van de loopinrichting van de draad worden bewogen, waardoor de ingrijping van de remlichamen ten opzichte van elkaar wordt ver- minderd,en waarbij de beschrijvende lijnen van de remoppervlakken loodrecht ten opzichte van de looprichting van de draad stds evenwijdig aan elkaar blijven.
De draadrem volgens de uitvinding biedt de mogelijkheid de rem- kracht op een constante waarde in te stellen, zonder datideze wordt beïnvloed door variaties in de spanning van de inkomende draad.
De rem volgens de uitvinding biedt verder het voordeel, dat men de spanning van de uittredende draad op een betrekkelijk hoge waarde kan instellen. Oon in de rusttoestand blijft de spanning van de uittredende draad gehandhaafd.
Volgens een gunstige uitvoeringsvorm van de rem volgens de uitvinding zijn de lichamen aangebracht in een huis en worden daarin elk aan ten minste één van hun'zijkanten gesteund door ten minste twee even- wijdige stangen,die tegenover staande zijden van een vervormbare stangen- vierhoek vormen.
Bij voorkeur bestaat de mechanische verbinding tussen de beide lichamen uit een stang, die diagonaalsgewijze het bevestigingspunt van een stang van een stangenvierhoek op het ene lichaam verbindt met het bevestigingspunt van een stang van een stangenvdrhoek,gelegen op de overeenkomstige zijde van het andere libhaam. waarbij de verbindingsstang draaibaar is in de beide bevestigingspunten.
De organen voor het elastisch in elkaar doen grijpen van de remlichamen kunnen op verschillende manieren zijn geconstrueerd.Hiertoe kunnenin het bijzonder wanneer de lichamen, waarop de remlichamen zijn aangebracht, verticaal zijn, gewichten worden toegepast.Bij voorkeur gebruikt men een trekveer, die enerzijds met het huis is verbonden en an- derzijds aangrijpt pp de diagonaalsgewijs aangebrachte verbindingsstang.
Het verdient aanbeveling de elastisch werkende organen voor het in elkaar doen grijpen van de remlichamen zo uit te voeren, dat de kracht, waarmede dit geschiedt, instelbaar is. In het geval een spanveer wordt ge- bruikt, kan men dit verwezenlijken door het verbindingspunt van de veer met het huis verplaatsbaar op het huis aan te brengen.
Ter toelichting van de uitvinding volgt hier een beschrijving van de draadrem volgens de uitvinding, aan de band van de tekening.
<Desc/Clms Page number 2>
Fig.1 geeft in perspectief een uitvoeringsvorm van de dr,aadrem volgend de uitvinding.
Fig. 2 geeft op iets grotere schaal een zijaanzicht van de draad- rem volgens fig.1, waarbij voor de duidelijkheid Het huis niet is getekend.
Fig.3 geeft in perspectief een tweede uitvoering vorm van de rem volgens de uitvinding ,waarbij ook het huis niet is getekend.
In fig.1 is met 1 een huis aangegeven waarin twee remschoenen 2 en 3 zijn opgehangen met behulp van evenwijdige stangen 4,5,6,7,8,9,10 en 11, die tegenoverstaande zijden van een vervormbare stangenvierhoek vormen.
In het huis 1 bevindt zich een opening 12 voor de invoer van de draad in de draadrem.
De werking van de draadrem volgens de uitvinding is duidelijker te begrijpen uit fig.2.De stangen 4,5,6pen 7 zijn draaibaar om vaste draaipunten resp .13,14,15 en 16 van het huis, dat ter wille van de dui- delijkheid niet is getekend. De stangen 4,5,6 eh 7 zijn eveneens draaibaar om de draaipunten resp.17,18,19 en 20 op de lichamen 2 en 3.Aan de tegen- overgestelde zijden van de lichamen 2 en 3 zijn de stangen 8,9,10 en 11 op gelijke wijze aangebracht.
Voor een goede geleiding van de lichamen 2 en 3 kunnen dwarsstan- gen zijn aangebracht tussen de paren stangen 4 en 8, 5 en 9, 6 en 10 resp.
7 en 11.
De draaipunten 17 en 20 door een stang 21 verbonden, die draaibaar is in de punten 17 en 20.
In het punt 17 is beweeglijk een veer 22 bevestigd,die aan het an- dere einde met het huis 1 is verbonden. '
In fig.1 is deze verbinding met het huis 1 zodanig, dat de veer 22 stuit tegen een plaat 23, die is bevestigd aan een arm 24. De arm 24 is verstelbaar gemonteerd op het huis 1.Bij het verstellen vonde am 24 wordt de veer meet of minder gespannen.
In fig.2 stuit de veer 22 tegen een verstelbare slede 25,die in een raam 26 door de stelschroef 27 in verschillende standen kan worden vast- gezet. levens kan met behulp van een pen 28, die is voorzien van een kartelknop aan één einde en aan het andere einde van een dwarsstaaf je het aantal werkzame windingen van de veer 22 worden gevarieerd.Op deze wijze' is het mogelijk de remwerking van de draadrem op de draad te regelen.
In fig. 2 is de te remmen draad met 29 aangegeven, die in de met de pijl aangeven richting beweegt.
De werking van de rem is als volgt.
Indien geen draad door de rem gaat, worden de lichamen 1 en 2 dooi de veer 22 naar elkaar toe getrokken en grijpen de remoppervlakken geheel in elkaar.Bij het doorgaan van de draad 29 wordende lichamen 1 en 2 van el- kaar bewogen.Door de stand van de stangen 4,5,6,7,8,9,10 en 11 en doprdat de lichamen 1 en 2 met elkaar zijn verbonden door de diagonaalstang 21 be- wegen de draadremmende oppervlakken zich van elkaar, doch blijven even- wijdig aan elkaar.
Narmate de spanning in de inkomende draad toeneemt,worden de lichamen meet uit elkaar gedrukt en de omsingelingshoeken worden kleiner,of wel de contactlengten van de draad t.o.v. de remlichamen verminderen.De remwerking verandert echter niet of nagenoeg niet.
<Desc/Clms Page number 3>
Omgekeerd worden echter, wanneer de spanning in de inkomende draad afneemt, de remlichamen naar elkaar toe gedrukt en de omsingelings- hoeken groter.De remwerking wordt echter ook dan vrijwel niet of in het geheel niet veranderd.
Wanneer de draad bij het komen uit de rem niet meer wordt afge- trokken, zuilen de remlichamen zich naar elkaar toe bewegen en klemmen dan de drad zodanig vast , dat de spanning in de draad na de rem vrijwel op gelijke hoogte wordt gehouden.
Men heeft bij de rem volgens de uitvinding een elastische en juiste instelbaarheid van de remwerking op een bepaalde grootte,onafhan- kelijk van de spanning in de inkomende draad.Dt is bij de bekende draad- remmen niet mogelijk.
In fig.3 is een tweede uitvoeringsvorm van de rem volgens de uitvinding weergegeven, die dezelfde voordelen heeft als de rem volgens de fig.1 en 2 en op overeenkomstige wijze werkt .
Voor de duidelijkheid is het huis niet getekend.
In het huis zijn dwarsstangen 30,31,32 en 33 draaibaar gelegerd.
Op de stangen 30 en 31 zijn resp.bevestigd de evenwijdig aan elkaar lopende platte staven resp.34 en 35. Op gelijke wijze zijn op de stan- gen 32 en 33 de staven 36 en 37 bevestigd.
De staven 34 en 35 zijn aan hun andere einde draaibaar verbonden met een plaat 38.Op gelijke wijze zijn de staven 36 en 37 verbonden met een plaat 39.
De platen 38 en 39 zijn elk voorzien van remstaven,.
De platen 38 en 39 zijn met elkaar verbonden door een plaat 40, die draaibaar is gelegerd in het punt ,waar de plaat 38, en de staaf 35 draai- baar met elkaar zijn verbonden, en draaibaar is verbonden niet de uiterste remstaaf op de plaat 39, die is aangebracht in het punt, waar de staaf 36 met de plaat 39' draaibaar is verbonden.In het draaipunt van de staaf 35 op de plaat 38 is een kabel 41 bevestigd, die loopt over een schijf 42 en waaraan via een veer 43 een gewicht 44 is bevestigd.
Door het gewicht 44 worden de remstaven van de plaat 38 (die cor- respondeert met het lichaam 2 van fig.2) zodanig bewogen , dat de afstand tussen deze staven en de remstaven van de plaat 39 (die correspondeert met het lichaam 3 van fig.1) groter wordt.De draad 29, gaande in de met de pijl aangegeven richting drukt de remstaven naar elkaar toe. Men krijgt hier dus dezelfde werking als bij de rem volgens de fig.1 en 2.
Teneinde te voorkomen, dat de draad zijdelings gaat verschuiven op de remoppervlakken, kunnen deze oppervlakken zadelvormig zijn,zoals in fig.1 en 2 is aangegeven.