<Desc/Clms Page number 1>
Draadspaninrichtingen, waarbij twee vrij draaibare tandwielen aanwezig zijn, waarvan er een direct en het andere tenminste ten dele over het eerstgenoemde in zijn draaiing met een constante weerstand slippend wordt afgeremd, zijn algemeen bekend.
Indien een draad in een richting loodrecht ten opzichte van de draaiingsassen van de tandwielen tussen deze door wordt geleid, stellen de tanden van het indirect geremde tandwiel zich midden tussen de tanden van het geremde tandwiel.
<Desc/Clms Page number 2>
De door de draadspaninrichting uitgeoefende remkracht wordt dientengevolge slechts op de draad overgebracht, doordat de draad de tanden van de tandwielen op de ingrijpingsplaats over een zekere hoek omvat. De ervaring heeft geleerd, dat de rem- kracht, die op deze wijze op een uit eindeloze filamenten be- staande draad kan worden overgebracht betrekkelijk klein is.
Een dergelijke inrichting kan aldus de spanning in een met geringe spanning aangevoerde draad tot omstreeks het 30-vou- dige verhogen.
In verband hiermede is door aanvraagster voorgesteld op het indirect geremde tandwiel een kracht uit te oefenen, welke tegengesteld gericht is aan de remkracht. Dit kan bijv. tot stand worden gebracht door de draad na het passeren van de ingrij- pingsplaats van de tandwielen over een boog van meer dan 1800 om het indirect geremde tandwiel te leiden. Het gevolg hiervan is, dat de draad, welke zich na zijn doorgang tussen de tand- wielen vanuit zijn zigzagbaan uitstrekt volgens een cirkelboog, over het indirect geremde tandwiel glijdt en aldus op dit tandwiel een zekere omtrekskracht uitoefent.
Deze aan de remkracht tegengestelde drijfkracht bewerkt, dat de voorlopende flanken van het indirect geremde tandwiel tegen de nalopende flanken van het direct geremde tandwiel worden gedrukt, waardoor de draad tussen deze flanken wordt ingeklemd. Een slip van de draad over de tanden van de tand- wielen ter plaatse van de diepste ingrijping wordt daardoor in sterke mate verminderd.
Een spanningsverhoging tot het 200-voudige wordt ,daardoor bereikbaar. Gevonden werd evenwel, dat deze spanningsverhoging niet constant is.
Werd aanvankelijk gemeend, dat dit aan de rem, welke bij de
<Desc/Clms Page number 3>
bekende inrichting van het magnetische type was, moet worden toegeschreven, bij nadere bestudering van het probleem bleek een ongelijkmatige gladheid van de draden de oorzaak.
In verband hiermede werd gezocht naar een draadspanin- richting welke een vastere greep op de draad kan -uitoefenen. '
Volgens de uitvinding werd gevonden, dat dit bij draadspan- inrichtingen van het hierboven beschreven type, waarbij dus twee vrij draaibare tandwielen aanwezig zijn, waarvan er een direct en het andere ten minste ten d ele over het eerstgenoemde in hun draaiing met een constante weerstand slippend wordt afgeremd, te verwezenlijken is.
Daartoe dient deze inrichting volgens de uitvinding het kenmerk te bezitten, dat de tandwielen zodanig ten opzichte van elkaar zijn opgesteld, dat zij op de ingrijpingsplaats klemmend tegen elkaar drukken, en dat op elke klemplaate een der tand- wielen uit een elastisch en het andere uiteen star materiaal bestaat. het resultaat van deze constructie is, dat op elke klem- plaats het starre gedeelte van het ene tandwiel enigszins in het elastische gedeelte' van het andere tandwiel. wordt gedrukt.
Een tussen de beide tandwielen geleide draadwordt daardoor elastisch ingeklemd.
Gebleken is, dat aldus de slip van de draad door de tand- wielen aanzinenlijk wordt verminderd.
Op verschillende manieren kunnen de tandwielen klemmend samenwerken. Bij voorbeeld kunnen de tanden van het ene tandwiel met de flanken klemmend drukken, tegen de tandflanken van het andere tandwiel, welke uit een elastisch materiaal bestaan.
Bij deze uitvoering kunnen de tanden van het laatstgenoemde tand- wiel met een elastische laag zijn overtrokken of geheel uit
<Desc/Clms Page number 4>
elastisch materiaal bestaan.
De voorkeur wordt evenwel gegeven aan die uitvoeringsvorm, welke het kenmerk vertoont, dat op de ingrijpingsplaats der tandwielen de tanden van ten minste een der tandwielen met hun koppen drukken tegen de elastisch uitgevoerde bodem van de-tand- kuil in het andere tandwiel.
Bij die uitvoeringsvorm komt namelijk de kracht, waarmede de tandwielen naar elkaar worden gedrukt, volledig in een klem- werking tot uitdrukking.
Een draadspaninrichting, waarin het zo juist beschreven con- structiebeginsel op eenvoudige wijze tot uitdrukking is gebracht, bezit het kenmerk, dat ten minste een der tandwielen bestaat uit een rol van star materiaal, een cilindrische ring van elas- tisch materiaal, welke om de rol is gelegd en uit een met de rol verbonden kooi van axiaal verlopende stangen, welke stangen zich op een afstand - tussen de hartlijnen gemeten - van elkaar bevinden, welke gelijk is aan de tandsteek van het andere tand- wiel en dat de assen ,der beide tandwielen zich .zo dicht bij elkaar bevinden, dat op de ingrijpingsplaats de rubberring door een of meer tanden van het andere tandwiel elastisch wordt vervormd.
Bij deze uitvoeringsvorm kan het tandwiel, dat met de tand- koppen in de elastische ring van het andere tandwiel drukt, geheel'uit star materiaal zijn vervaardigd, De klemming van een draad tussen de beide tandwielen wordt evenwel verdubbeld, indien @ volgens een-andere uitvoeringsvorm van de uitvinding de beide tandwielen bestaan uit een stangentrommel met een daarin opgestelde met een rubberring beklede rol.
Ter toelichting van de uitvinding volgt hier een beschrij- ving aan de hand van de tekening, waarin een tweetal uitvoe-
<Desc/Clms Page number 5>
ringsvoorbeelden van de inrichting volgens de uitvinding zijn weergegeven.
Figuur 1 geeft een dezer uitvoeringsvormen in perspectief.
Figuur 2 laat deze uitvoeringsvorm zien in doorsnede vol- gens de lijn II-II in figuur 1.
Figuur'3 geeft in doorsnede volgens de lijn III-III in figuur 2 de klemplaats van de tandwielen.
Figuur 4 geeft in eenzelfde doorsnede als in figuur 3 is afgebeeld een tweede uitvoeringsvorm van de uitvinding.
In figuur 1 is met 1 een grondplaat aangeduid, waarop het huis 2 van een magneetrem 3 van het gebruikelijke type is bevestigd. Het roterende deel 4 van deze rem 3 draagt een tand-. wiel 5. De tanden 6 van dit tandwiel 5 grijpen tussen stangen 7, welke met een der einden zijn bevestigd in een metalen ring 8.
De ring 8 vormt tezamen met de stangen 7 een stangentrommel 9.
Deze ring 8 wordt.aangebracht tegen een schouder 10 van een rol 11 met behulp van een moer 12.
Deze moer 12 is gedraaid op een uitwendig van schroefdraad voorziene kraag 13 van de rol 11.
In de ring 8 is een radiale pen 14 vastgezet, waarvan het vrije einde passend grijpt in een axiale sleuf 15 van de rol 11.
@ 'Door de samenwerking van de pen 14 met de wanden van deze sleuf 15 wordt een verdraaiing van de stangentrommel 9 ten opzichte van de rol 11 voorkomen.
Om de rol 11 en wel passend tussen deze en de stangen- trommel 9 is voorts een rubberring 16 vastgelijmd, welke boven- dien tegen axiale verschuiving geborgd 'is, doordat zijn zij- kanten liggf tegen de ring 8 en een flens 17 van de rol 11.
Het samenstel van de stangentrommel 9, de rol 11 en de rubberring 16 is als een tandwiel met een elastisch uit-
<Desc/Clms Page number 6>
gevoerde bodem van de tandkuil te beschouwen.
De rol 11 is met behulp van kogellegers 18 vrij draaibaar aangebracht op een as 19, welke is vastgezet in een arm 20.
Deze arm 20 is met zijn ondereinde op een niet nader aangegeven wijze zwaaibaar bevestigd aan de grondplaat 1 en w el in die zin, dat de afstand der draaiingsassen van het tandwiel 5 en de rol 11 vergroot kan worden en dus de tanden 6 van het wiel 5 buiten ingrijping met de stangen 7 van de stangentrommel 9 te brengen zijn.
In de werkstand wordt een ingrijping van de tanden 6 met de stangentrommel 9 echter verzekerd met behulp van een veer 21.
Het ene einde van deze veer 21 is bevestigd aan een beugel 22, welke aan de grondplaat 1 is bevestigd en om de magneetrem 3 heenligt, terwijl het andere einde vastgemaakt is aan een schuif- stuk 23, dat met moeren 24 instelbaar is vastgezet in een beugel 25, welke aan de arm 20 is aangebracht.
Een draadgeleider 26 is ten slotte boven de ingrijpings- plaats van de tandwielen opgesteld.
Bij toepassing van de hierboven beschreven inrichting voor het opwekken van spanning in een draad 27, wordt deze in boven- waartse richting tussen de beide tandwielen doorgeleid en via de draadgeleider 26 afgevoerd. De bewegende draad 27 brengt daarbij de tandwielen in draaiing. Deze draaibeweging wordt echter slippend afgeremd door de magneetrem 3,
Als gevolg van de werking van de veer 21 wordt de draad 27 op de ingrijpingsplaats der tandwielen elastisch vastge- klemd tussen de toppen van de tanden 6 van het tandwiel 5 en de rubberring 16, waarvan het oppervlak ter plaatse waar de tanden 6 met de ring 16 in aanraking komen, wordt onderdrukt.
Door dit laatste wordt ook, indien er een groot verschil in
<Desc/Clms Page number 7>
spanning bestaat tussen de vÎÎr en na de draadspaninrichting gele-. gen draadgedeelten, een slip van de draad voorkomen.
Intussen is het niet noodzakelijk, zoals in de figuren 1 tot 3 is aangegeven om n der tandwielen geheel star uit te voeren. Ook kunnen beide tandwielen uit een stangentrommel met een daarbinnen gelegen rubberring bestaan.