<Desc/Clms Page number 1>
EMI1.1
De uitvinding he1L á.-kk. oa een shroefpomp of krachtwerktuig, bestaande uit tenminste drie, in dezelfde richting, met dezelfde hoeksnelheid draaibare schroeven, die zodanig gevormd zijn en in elkaar grijpen, dat hun doorsneden met een willekeurig vlak loodrecht op
<Desc/Clms Page number 2>
EMI2.1
de Dompas resi. de as vaz lIGt aan elkaar raken en een figuur insluiten, waarvan de ogenblikkelijke oppervlakte met de plaats van het vIEL;: j'J.rieert van 0 tot een maximale waarde, waarbij de opeenvolgende doorsnede-
EMI2.2
figuren tezamen een of meer door d3 samenwerkende schroeven ingesloten ruimten vorien, die zich bij rotatie van die schroeven in de asricltin:s daarvan verplaatsen, zoals bekend uit het Amerikaanse oetrooiselirift 2 410 341.
Het bezwaar van deze inrichting is, dat zich tenge- volge van de telkens variërende doortochten van de inlaat en uitlaat discontinuïteiten in de overgangen van de inlaatleiding op de inlaat en van de uitlaat op de uitlaatleiding voordoen. In deze overgangen treden daardoor aanzienlijke stoot- en wervelverliezen op, hetgeen tot een slecht rendement van de inrichting leidt. Een ander bezwaar is, dat de inrichting als pomp een periodieke opbrengst heeft, terwijl ook de periodiek varierende uitlaatstroom bij toepassing
EMI2.3
als krachtwerktl1ig een nadeel is, wanneer men met deze uitlaatstroom een of meer bulpwerKtuizel1.'il aandrijven.
De uitvinding beoogt deze bezwaren tenminste gedeel- telijk op te heffen, waartoe de schroeven aan tenminste
EMI2.4
een einde van de pomp of het krachtwerktuig elk een gedeelte bezitten, waarvan de doorsnede die aanvankelijk door een door twee of meer gelijke cirkelbogen ingesloten figuur - wordt gevormd, naar het einde toe geleidelijk de cirkelvorm aanneemt.
Door deze maatregel is de doortocht aan het be-
EMI2.5
trokken einde van de pomp .of het krachtwerktuir constant van vorm en oppervlakte. '-!(2-it is hierdoor ::'':0 -:.:clij;:: de 1:;.1resp. uitlaatleidjn% n;=í!erri; aan deze doortocht aan te passen zodat een vloeiende .oV5';E.116 v-i'1 deze leiding naar de pomp of het krachtr!8:r..ti.'ig wordt Y3r.i:re.reJ.1. bovendien wordt, wanneer deze itl(á.vC.'lcC1'rC.'Il V9.E de schroeven zich
<Desc/Clms Page number 3>
aan de uitlaatzijde bevinden, een meer constante stroom van het te verpompen medina resp. van het afgewerkte medium verkregen.
Een verder kenmerk van de uitvinding bestaat daarin, dat de schroeven aan beide einden van een eindgedeelte zijn voorzien, waarvan de doorsneden geleidelijk in een cirkel overgaan. Hierdoor wordt behalve een meer constante uitlaatstroom, aan beide einden een vloeiende overgang van de in- en uitlaatleiding naar de in- en uitlaat verkregen.
Bij voorkeur worden vier samenwerkende schroeven met onderling evenwijdige assen toegepast. Volgens de uitvinding wordt dan een volkomen constante stroom van het in- en uittredende medium bereikt wanneer de in doorsnede variërende eindgedeelten van de schroeven een constante spoed bezitten en de lengten van deze gedeelten gelijk zijn aan de halve spoed, resp. veelvoud van deze halve spoed.
De uitvinding wordt hieronder nader toegelicht aan de hand van een aantal tekeningen, alsmede een mathematische afleiding van het hierboven aangegeven effect.
Fig. 1 toont een zijaanzicht van een der rotoren van de inrichting volgens de uitvinding.
EMI3.1
Fie. 2 - Fig. 5 tonen dwarsdoorsneden van een inrichting, bestaande uit vier samenwer-
EMI3.2
kende rotoren vol jeiaz fi. 1 Fig. 6 - Fit. 9 .tolle1 dezelfd'3 c1'viársdoorslY:;J,en als in fi-. 2. - 5, echtsr 12 8tnd, waarbij de rotoren 90 t.o.v. die volgens 1y< t ^- 5 zijn 'e!2?'-^Ch ?ig.10 is een dwarsdoorsnede van het eindgedeelte
EMI3.3
van een der rotoren v-:¯< d: inrichting vol- gens de uitvinding.
<Desc/Clms Page number 4>
Fig. 11 is een dwarsdoorsnede van het eindgedeelte van de inrichting volgens de uitvinding, bestaande uit vier roteren volgens fig. 10.
Fig. 12 ie een grafiek die het verband aangeeft tussen de per tijdseenheid door de overgangs- doorsnede stromende hoeveelheid medium en de tijd.
Fig.12a, 12b en 12 c geven een aantal krommen weer waaruit de grafiek volgens fig. 12 is op- gebouwd.
Fig. 13 is een grafiek die het' verband aangeeft tussen de tijd en de volumeverandering per tijdseenheid van het eindgedeelte van de inrichting volgens de uitvinding.
Fig. 14 is een aanzicht van de wijze waarop de ro- toren volgens de uitvinding onderling zijn gekoppeld.
In Fig. 1 is 1 het hoofdgedeelte van de rotor, waarvan de opeenvolgende dwarsdoorsneden congruent en in de asrichting met . een sp'oedhoelc van b radialen per lengteeenheid in de asrichting t. o.v. elkaar zijn ge- tordeerd. Deze dwarsdoorsneden worden gevormd door de ingesloten figuur van twee gelijke kwartcirkels.
Van dit hoofdgedeelte, dat overeenkomt met een complete rotor volgens het bovengenoemde Amerikaanse Octrooischrift is in de tekening een deel aangegeven, waarvan de lengte gelijk is aan de spoed 2Ò. Bij sa- b menstelling van vier van deze hoofdgedeelten tot een pomp sluiten,willekeurig gelegen dwarsdoorsneden van deze rotoren, zoals bekend, een figuur in, waarvan de .oppervlakte bij draaiing van de rotoren in énzelfde richting varieert van nul (vergelijk fig.' 3 en fig. 6) tot een maximum (vergelijk fig. 2 en fig. 7).
<Desc/Clms Page number 5>
Tussen een tweetal op de as van de pomp gelegen punten, die een.afstand gelijk aan de halve spoed (Ò/b) van elkaar verwijderd liggen, sluiten de samenwerkende rotoren een ruimte in die zich bij rotatie van de pomp in de asrichting verplaatst en tenslotte aan de uitlaatzijde van de pomp opent. Deze verplaatsing geschiedt met een snelheid w/b waarbij w de hoeksnelheid in rad/sec van de rotoren is.
In het weergegeven uitvoeringsvoorbeeld is het hoofdgedeelte van een rotor aan de uitlaatzijde van een eindgedeelte 2 voorzien, waarvan de opeenvolgende dwarsdoorsneden eveneens met een spoedhoek b rad/sec t.o.v. elkaar zijn getordeerd.
Deze opeenvolgende dwarsdoorsneden zijn achter niet congruent maar nemen naar het uitlaateinde toe geleidelijk de cirkelvorm aan. In fig. 1 is de lengte van het eindgedeelte gelijk aan de halve spoed (Ò/b ).
Fig. 3 toont voor een bepaald tijdstip de dwarsdoorsnede aan het op het hoofdgedeelte van de pomp aansluitende einde van het eindgedeelte. De door de samenwerkende dwarsdoorsneden van de rotoren ingesloten figuur is op dit tijdstip nul.
Fig. 4 toont voor hetzelfde tijdstip een dwarsdoorsnede door het midden van het eindgedeelte van de Domp. Deze dwarsdoorsnede ligt op een afstand van de doorsnede volgens fig. 3 verwijderd. De betreffende doorsneden van de samenwerkende retoren zijn dus 90 t.o.v. die volgens fig. 3 getordeerd, zodat de oppervlakte van de door hen ingesloten figuur op het beschouwde tijdstip ¯maximaal is. Deze maximale oppervlakte is echter kleiner dan die welke wordt ingesloten door de dwarsdoor- sneden van de rotoren in het hoofdgedeelte van de pomp resp. aan het begin van het eindgedeelte (vergelijk fig. 2
<Desc/Clms Page number 6>
en fig. 7).
Bij draaiing van de in fig. 2 - 5 in verschillende dwarsdoorsneden weergegeven pomp over 90 verkrijgt men de overeenkomstige dwarsdoorsneden volgens fig. 6 - 9.
De ingesloten figuur die in fig. 3 minimaal n.l. nul was, is in fig. 7 maximaal geworden.
Voorts is de ingesloten fig., die in fig. 4 maximaal was, in fig. 8 minimaal geworden. Dit minimum is echter niet, zoals bij de doorsnede volgens fig. 3, gelijk aan nul.
De variatie in oppervlakte van de volgens fig. 4 en 8 ingesloten figuur is dus kleiner dan in het hoofdgedeelte van de pomp. Deze variatie neemt, vanaf het begin van het eïndgedeelte af geleidelijk af tot hij aan het uitlaateinde, waar de doorsneden van de rotoren cirkels geworden zijn (zie fig. 5 en 9), die een constante figuur insluiten, tot nul is gereduceerd.
Het gedrag van de.inrichting volgens de uitvinding en in het bijzonder van het eindgedeelte daarvan wordt thans aan de hand van een wiskunsige beschouwing nagegaan.
Fig. 10 laat zien dat een willekeurige dwarsdoorsnede van een rotor volgens de uitvinding begrensd wordt. door vier kwartcirkels met middelpunten A, B, C en D en stralen resp. s, r, s en r.
De middelpunten A, B, C en D worden gevormd door de hoekpunten van het vierkant ABCD met zijdelengte r - s.
Het is duidelijk dat de kwartcirkels in de overgangspunten een gemeenschappelijke raaklijn bezitten. De rotor volgens - de uitvinding is verder zodanig geconstrueerd dat voor elke dwarssnede r + s gelijk is aan een constante a.
Een viertal rotoren volgens fig. 10 zijn nu samen- gesteld tot een inrichting volgens fig. 11. De punten A en D en het middelpunt E van het vierkant A@CD in fig. 10
<Desc/Clms Page number 7>
EMI7.1
zijn daarbij resp. ter8cht '..)1:0111 en in Ce punten P, T en :19 Q, U en L; TI, V en 1. S, 'J en N in fiéy. 11. De vier rotoren zijn iii iivo 11 zodanig geplaatst dat de korte assen van hun dwaI'sdoors.i.1'3dell een willekeurige hoek raken Met de diagonaal van het vierkant ilLim met' zijde a door hun middelpunten.
De 1'-'11"<> resp. korte assen van de doorsneden van twee opeenvolgende retoren staan steeds loodrecht op elkaar, terwijl de assen van de retoren de @
EMI7.2
opstaande ribben vau een r:=wl:)4,ti; vierzijds-e prisma vormen.
In de eerste plaats wordt thans bewezen dat twee opeenvolgende ovalen elkaar in elke stand raken. Het is hiervoor voldoende .dit te bewijzen voor o # Ó#Ò/2. De
EMI7.3
vierhoek 1<IL QV is een :parall3lo:ram, want "InT en QL zijn gelijk (11l. beiden ,"elij> aan de afstand van het middelpunt van een. liwartC7.x'!l tot het middelpunt van de bij- behorende rotordoorsnede) en evenwijdig (want ze liggen langs de korte resp. lane as van twee opeenvolgende
EMI7.4
rotordoorsn0den).
Dus Vi=LïC=a=r- s. het blijft nu dat de rechten door V die een hoek #Ò/4 net VM maken juist de rechten door V zijn, die de
EMI7.5
ln<.;ar tr i 1>kel met middelpunt V snijden, evenzo zijn de rechten door Q die een hoelc 6 f!'1et ;?1 maken juist de rechten door Q die de kwa-rtcirkel aet middelpunt .Q. snij- den.
EMI7.6
L' i - 4 ' - dL-s/i. = '2 T 4 4 T, dus L = /VQH = f- io V ,-,,-,'lOOY'; (11"" d;of beide in de 1...:1. z.5.' Vl,- - 4 ..ol,. ... .,........ .-'
EMI7.7
VOxlO alinea z::::n08:.>:1':o h'¯l.':l0l"J :',:c;-'-t?l.
Derhalve snijdt VQ de oeid.3 -;'eno.'::'cl::: .::.roii'.1^" -Da 7,-o*3ve-,i "'AVO),.":J'::>'11 tGlu, '(T-'J=y..i", l ;cï' -"1 "..¯^-.' d 37 e --- v" q, 2- t - '!3 '2l.E'2! ra:eil. Th;'..":: r"".:en 2lD t""l03e o:?ocnvolf"Jl1.clc av.l .r¯ el"::s.o..r.
<Desc/Clms Page number 8>
In het bovenstaande zijn de doorsneden van de rotoren met een vlak loodrecht op de @ssen beschreven.
Deze doorsnede hangt af van de gekozen hoek en b.v. de straal r. Een beschrijving van de gehele inrichting wordt dus verkregen wanneer aange geve; wordt hoe # en r afhangen van de (van teken voorziene) afstand 3 van de doorsnede tot een vast te kiezen doorsnede. Als vaste doorsnede wordt de overgang van het hoofdgedeelte naar het eindgedeelte van de inrichting gekozen..Laat de afstand z nu variëren van-p tot +h, waarbij z=h geldt voor de einddoorsnede van het eindgedeelte van een rotor en z=-p geldt voor de begindoorsnede van het hoofdgedeelte van die rotor (zie fig. 1).
Zij f(z) een functie van z, die gedefineerd is en monotoon afneemt van 1 tot 0 voor o#z#h. r(z) wordt dan als volgt bepaald: r(z) = a als -p#z#O; r(z) = 1/2a(1+f(z)) als o#z#h; Is r(z) bepaald dan is ook s=s(z) bekend wegens r+s=a.
In het bijzonder geldt nog: (r2-s2 = a2 f(z))
De functie die behalve van z ook van de tijd t afhangt moet nu aan de volgende voorwaarden voldoen:
EMI8.1
; b ; 2 ; 15-t = - W, waarbij z de spoedhoek in rad/lengteeenheid en w de hekensnelheid in rad/sec van de rotoren is. Uit 1 en 2 volgt dat # op een additieve constante na gegeven wordt door
EMI8.2
De holten in de pomp verplaatsen zich dus met een snelheid w/b.
In het bovenstaande is vastgesteld dat de stand en vorm van de doorsneden van de rotoren met een vlak loodrecht
<Desc/Clms Page number 9>
op de assen afhangen van Ó en r. De oppervlakte van de door deze doorsneden omsloten figuur wordt aangegeven
EMI9.1
riet 7( r , C7 ) , welke functie hieronder wordt bepaald.
Voorlopig, wordt aangenomen o# Ó<Ò/2. Zij E de oppervlakte van de achthoek PUQVRWST. Dan is:
EMI9.2
E=opp 0 vi er1;:3.11 t PQRS -- 4 opp . drieho ek PUQ = Po 2 4- 2.PU.QU.sin zut.
Wegens PU = r-J-s, QU = r-s en PU, 2 9(j-rn-rners KL//PU) is: .
P2=(r-s)2-(r- s)2-2(rs) (r-s)sin=2(r2s2)-2(r2-s2)sin(p.
Dus: E = 2(r 2+s2 2(r2--s2) sin - 2(r-s) cos cp , Verder is : v
EMI9.3
D(r, lf ) = E-4- oppnsec-tor XUY - 4 opiJ. YQZ. Dus :
EMI9.4
Om nu de waarde van D(r,Ó) voor willekeurige waarden van Ó te verkrijgen wordt opgemerkt dat D(r,4) ten duidelijkste periodiek in 4 is mod Ò en verder een even functie van 4 is. Voor willekeurige 4 wordt gesteld:
EMI9.5
fl = <1 - K J# : +1 , waarin j 'z het grootste gehele getal aangeeft, dat 6 é : 1- is .
Dan verschillen en feeiz veelvoud vande is bovendien - µ4Lfl <
EMI9.6
Tenslotte is dan.:
EMI9.7
waarbij:
EMI9.8
Hieruit blijkt dat D(r, 4) de son is van twee termen,
<Desc/Clms Page number 10>
EMI10.1
waarvan de eerste alleen va?". r J.l:i13.l1gt .:, t:,,} tweede liet product is van een functie v. J r 0n 00-' .... ,.lc.;';;j.G van <j9 .
Deze laatste functie, fiq2) , u,¯,t v.m ,:;:a t af krachtens Cp 9( Z ' t ) b ( Z t't).
Hierbij wordt a :: ert dat:
EMI10.2
1 n r (CP) diz = {1 7 <q2<z,t as = 0 voor alle t, als h gelijk is aan Ò/b (vergelijk fig. 1 waarin de lengte van het eindgedeelte gelijk is aan Ò/b) of een veelvoud van Ò/b.
Immers is dan:
EMI10.3
EMI10.4
omdat /.(cl) periodiek is mod y en verder ondat
EMI10.5
Uit het hierna volgende zal blijken dat de hoeveelheid uit. het eindgedeelte stromende medium constant is, indien bij lineaire afname van f(z) van 1 tot O als z varieert van 0 @ tot h, @ h gelijk is aan of een veelvoud daarvan.
(hierbij wordt opgemerkt, dat voor deze naarden van h
EMI10.6
r=S=a. en dus de eil1ddoorsneacLl V2H de retoren cirkels zijn die tezamen een figuur va:-1 co,istante ¯í0a1'i: -1'1""""''''''''') Zij V(t) het VOl1-11TIe ten ti¯'de t van ¯¯a di.!.léi.:::Ji'3el tG tussen de vlakken z=0 en z=h. Zij ,(t) de v/aarde 7::''.:'-:' D(r,ó9) op de plaats z=0 ten tijde t. Dan '.'for.J.t de hoeveelheid v. .oeistof die per tijdseenheid door t itLi.We van de pomp stroomt, gegeven door de ui tc1I'l.L:.L:il1..;':
<Desc/Clms Page number 11>
EMI11.1
B(t)v - vp (-t) .
De eis is nu dat deze u.itd.rL4<iaing constant is. Nu is wegens r=a en s=0 voor z=0 en V= :
EMI11.2
B(t)v=vD(r(0),f(i,t))=(2- )a2v-2a2v%(Ci(O,t)).-¯-¯¯¯¯¯) h Verder is V(t)D(r(z), 9'(z,t))dz, dus V.I (t)1 t-i D(3'(Z),p(Z,t))dZ / 2(r2-s2) -}>t T( CP) ,. o Vlegens 7( -v z 7if> en r2-s2 - a2f(z) is: V' (t) ¯ -v 2(r-s) 2 '0 q-" 0 2 2 c;-' 4- 2\T (- cY (o po h 2a2v/(C7(O,t))?- 2a2v%¯ f'(z) ().dz.---¯¯¯¯¯¯2) Ü
EMI11.3
waarbij gebruikt is dat r c -s c =0 voor z=h en r-s=a voor z=0. Van de vergelijking 2) is de tweede term n.l. 2au / fl (z) 7<CP)dZ gelijk aan 0.
Immers daar fez) een lineaire functie is, is f'(z)=constant.
11 Verder werd hierboven reeds vastgesteld dat/r( ) dz=0 voor alle t, wanneer h = os e en veelvoud daarvan.
De hoeveelheid uit de inrichting volgens de uitvinding stromende medium is dus: Jj(t)v - V'(t) ¯ (2- )a2 b = constant.
In fig.12 is het verband tussen 0(t)V (cL i. da hoeveelheid medium die door de ovel::'?¯1S0oor;:uGd..; tussen 1;et hoofd- en eindgedeelte stroomt) en cp in Ja:fi2: gebracht. Daar voor hot eindgedeelte ;elc.ït: ¯ - c.a.7t, brengt deze grafiek dus tevens het verband tunsen J( t) V en de tijd t in beeld. Deze grafie.: stelt de ":ro;::l'le7(cp(O,t) voor, vermenigvuldigd met de constante factor 2.:t"'v en
<Desc/Clms Page number 12>
EMI12.1
vermeerderd met de constante r 2 - -)1.;T (zie ver'3-
EMI12.2
2
EMI12.3
1'," 1)). Ter verduiden.. 1;is r""', , <i.> '>i "'1' "1 1 2a, 12b en 12c de knaarden i ¯c de -bergen cos 19'11 ' -sinlCf11 en 14'11 van de f u.. tie 7 <?(..-, t) te.::E:l1 cpuitezet.
Hierbij dient n .lL1- 00. ,2:-:.::ol'161 te worden dat Cf1 = f-7lbffi'a.) waarin [if+;] het roctst gehele ..:0tal aangeeft, dat jf +- é is en waarbij CP1 en 1f2 een veelvoud van verschillen en - Cf1 <. is.
In fig. 13 is tenslotte het verloop van de vol28veranderin van h0t oin6óêdeelte naarfi2r es . t .ayeeven.
"lerdeliji=1.% van fi,;. 12 en 13 laat zien dat de volUL"Jeveranderit.L3 van het eind gedeelte positief is gedurende de perioden dat de hoeveelheid 3(t)v boven het ..0uiddelde (zie streeplijn in fig. 12) li,it.
Daar de krOlliil1e:i.1 van fi2;' 12 en 13 congruent zijn, is de totale volunietoenaue van het ei=:dyedeelte gedurende b.v. het tijdsverloop t2-t1 .;lijlc aan het overschot aan
EMI12.4
B(t)v. (zie het gearceerde gedeelte in fi'.12) in hetzelfde
EMI12.5
tijdsverloop. Dit betekent dat dit ov.rschot geheel wordt ong.enomen door het eind,:2:-3deel te. Zodra :D( t)v tot beneden het gemiddelde daalt, wordt 0..:: irOl'JI:"lev'3r9,:1d.erj:!.' T'?;"J 1< e 4'lTldyedeelte ne:'2tief. T.?t O.L1V'?:i';::eJ.t '= o ':",no"'t3J1 oV3rrC;]'0t aan '38t)v wordt nu weer 2:f zest2.an en vor!''''t een 00"1:' A1VJ8,tt , van het tekort a.in ?3(t)v gedurende ''lot J--"t4sv9rloo:n t3t.
De in fin, 12 getekende streeplijn -';38ft dus int rlec#xtq :t: :':'ê;11iddelde aan, naar 8t3l t tevens h3t constante V:Jr1ooT.' van de mediirn stroom aan do uitl-3.r.tzid- irj,¯i t":.t ..:L;d.,ed-:;3lte
EMI12.6
voor.
EMI12.7
Tn het bovenp+aande i-' C,--l c, 1" i T' r", .,.,l" - 'C"71' ,.,.,...1--- .., '''1' l' een uit vier ^-.¯'l?f2;':2r'¯ ¯¯¯. lot':)l'3¯:. ',3staan':"L:: inrichtingbeschreven. C>7 T3Mer¯¯t ''-O1'. u echter dat 0.::'7 31fde Y"3f:"ll"8.t<::1l kunsten worden bereikt et drie ''''e.:::1e:r:!Cr:':3i11e rotoron, in
<Desc/Clms Page number 13>
EMI13.1
welk geval een viÏllelceEri58 dwarsdoorsnede van een rotor begrensd wordt door sas 1/G cirkels, wGll:e cirkelgedeelten naar de uitlaatzijde van het eindgsdeelte geleidelijk in een eI1l>:el e cirkel overgaan, 1¯et hoofdgedaeltj van de inrichting volgens de uitvinding \:Lm voorts uit gedeelten met verschillende epoed bestaan, zodat in dit hoofdedeelt8, al naar de bestex:
1ill.j van de inrichting coapressie rasj expensie van het doorstromende meditul kan plaatsvinden. liet is verder duidelijk dat, evenals bij de bekende inrichting, samenvoeging van neerdere stelsels van drie of vier rotoren tot een meervoudige ponp of krachtwerktuig mogelijk is.
Tenslotte is het Mogelijk een pomp te construeren waarvan de rotorassen niet, zoals in het gegeven ui tvoe:r'in,5svoorbeeld het geval is, evenwijdig lopen, maar elkaar snijden of eventueel cruisen.
Fig. 1±1. geeft een afbeelding van de wijze waarop de verschillende rotorassen met elkaar kunnen worden gekoppeld.
Let 3 zijn de t,.lí?d?1 van de assen van vier samenwerkende retoren aangegeven. Deze assen zijn op de gebruikelijke 'en daa20'ou! in de tekening niet weergegeven wijze in legers ondersteund.
De aseinden 3 zijn eL.: van een :n1.lc 4- voorzien. De r>1't'.ii.lrexl 4 hebben alle dezelfde lengte en zijn act hun vrije einden door middel vun kruktappen 5 in en 1- 1 e 1#*. a ; c f.'.l'3gerd. Dit lichaam 6, dat in i i = -t .:.;:.; ,..;V:;"l vD . l "¯l' sen plaat bestaat, T''D1:'.?t da koppij-1- - c# -q* 1 ':''Jt'lrcc8s'3.1.
De plaat 6 voert dus e'J: -r.-;-1-;¯ .1;,;-1, r.-; 1:,it, waarbij elk punt sen cirkel :JJscl'3'i::"-I;, waarvan de straal ewl"¯ i3 aan de lengte van en 1-c':'1I"" 1.
?ij toepassing V'lll de inrichting vQl'/'en:? de 1l1:V1-
<Desc/Clms Page number 14>
ding als pomp kan men volstaan met een der assen aan te drijven. Het is echter ook mogelijk de plaat 6 de
EMI14.1
zoeven genoemde translatiD0weJin mede to delen; de aandrijvende as 7 wordt hiertoe van een kruk 8 voorzien, waarvan de lengte gelijk is aan dia van een krul- 4 en waarvan de kruktap 9 in de plaat 6 is gelegerd.
Bij toepassing als krachtwerktuig kan het ontwikkelde vermogen hetzij van een der rotorassen hetzij van de krukas 7, 8 worden afgenomen.
Deze wijze van koppelen der rotorassen heeft het voordeel dat hierbij minder kans op trillingen bestaat dan bij de bekende inrichtingen, waarbij de assen door tandwielen worden gekoppeld.
EMI14.2
Voorts is de nieuwe koproelwijze minder gecompli- ceerd, hetgeen vooral spreekt bij samenvoeging van meerdere stelsels tot een meervoudige pomp of krachtwerktuig.
Het is duidelijk dat in plaats van krukken 4 en 8 ook excentriekschijven gebruikt Kunnen worden.
EMI14.3
In het getekende uitvoerinósvoorbeeld is orn de as- binden 3 een ring 10 aangebracht. Deze ring heeft tot taak, vooral bij hoge toerentallen van de rotoren, de
EMI14.4
naar buiten gerichte druk op de rotoraslegers os ta nemen.
De aseinden 3 dienen zich hierbij langs de binnenomtrek van de ring 10 afrollen. De ring 10 kan hiertoe in een passende ligplaats in het huis van de inrichting b.v. met rollen draaibaar worden ondersteund.