<Desc/Clms Page number 1>
De uitvinding heeft betrekking op een werkwijze ter bereiding van bitumineuze composities, welke bruikbaar zijn bij de aanleg of behandeling van wegen, voetpaden en soortgelijke oppervlakken.
Bij de bouw van wegen van vliegvelden - in het bijzonder van asfalt - bestaat een stijgende behoefte aan betere materialen, welke beter bestand zijn tegen slijtage, oplosmiddelen en warmte en betere anti-slipeigenschappen bezitten.
Zo zullen op onderhoudsterreinen en asfalt startbanen voor straalvliegtuigen de door de motoren afgegeven warmte en de brandstoffen gemakkelijk asfaltoppervlak- ken aantasten. Verder verkrijgen betonnen en asfalt wegdekken en onbedekt metaal op wegen, bruggen of scheepsdekken over het algemeen gladde oppervlakken, waardoor slip- en glijgevaar ontstaat ; slipvrije toplaag met een goede hecting op der- gelijke oppervlakken zou in een behoefte voorzien. In andere gevallen bestaat er behoefte aan een oppervlakte- of slijtlaag op reeds aangelegde betonnen en as- faltwegen of opslagterreinen, welke bovendien bestand is tegen regen, zouten voor het ontdooien van ijs en scheuren als gevolg van bros worden bij koud weer.
Voor de hierboven uiteengezette doelen zijn reeds verschillende com- posities voorgesteld, doch geen hiervan is in alle opzichten bevredigend gebleken.
Men heeft thans gevonden, dat deze en andere nadelen worden onder- vangen door toepassing van bitumineuze composities, welke volgens de uitvinding worden bereid door (1) een polyepoxyde met meer dan één vic-epoxygroep, en bij voorkeur een vloeibare polyglycidylether van een meerwaardig fenol, in het bij- zonder van 2,2-bis-(4-hydroxyfenyl)-propaan, te mengen-met (2) een gepolymeri- seerd onverzadigd zuur met een lange keten en (3) een bitumineus materiaal.
Door kleine inerte deeltjes voor of tijdens het harden aande compo- sities toe te voegen, bezitten de geharde oppervlakte- of slijtlagen uitstekende anti-slip-eigenschappen. Dergelijke toplagen zijn bijzonder aantrekkelijk om te worden toegepast op wegen en startbanen, daar zij gemakkelijk op grote oppervlak- ken kunnen worden aangebracht en snel harden zonder dat speciale hardingsomstan- digheden vereist zijn. De genoemde composities zijn even waardevol voor de be- handeling van haventerreinen, pakhuisvloeren, trottoirs, tennisbanen, scheepsdek- ken, en dergelijke, waarbij slijtvastheid en bestendigheid tegen het weer gewen- ste eigenschappen zijn.
Tot nu toe meende men, dat de meeste bitumineuze materialen, zoals door directe destillatie verkregen asfalt, niet compatibel waren met polyepoxy- den, zoals polyglycidyl-ethers. Bovendien was bekend, dat bitumineuze materialen over het algemeen brosse lagen opleverden die bij verhitting zacht worden. Met polyepoxyden worden eveneens betrekkelijk brosse deklagen verkregen.Het was der- halve verrassend, dat in volgens de uitvinding bereide composities het polyepoxy- de wel compatibel was met het bitumineuze materiaal, en dat deklagen vervaardigd uit dergelijke composities niet bros, doch soepel en hittebestendig zijn.
De volgens de uitvinding gebezigde bitumineuze materialen zijn bij- voorbeeld natuurlijk of pyrogeen bitumen, pyrogene destillaten en teer, pyrogene was en pyrogene residuen (pek en pyrogeen asfaltbitumen). Dit zijn in hoofdzaak koolwaterstoffen, die zekere hoeveelheden zwavel, stikstof en zuurstof bevatten- de materialen kunnen bevatten. Ook zijn zij bij voorkeur smeltbaar en groten- deels oplosbaar in zwavelkoolstof. Een aantal bitumineuze materialen wordt uit- voeriger beschreven in het boek (Asphalts and Allied Substances" van Abraham, Deel I, pagina 57, 5e Druk.
Bij voorkeur gebruikt men asfaltbitumina, bijvoorbeeld geblazen as- faltbitumen, kraakasfaltbitumen en al of niet katalytisch gepolymeriseerd asfalt- bitumen, in het bijzonder echter door directe destillatie verkregen asfaltbitumen, dat normaal wordt toegepast voor wegdekken, zoals die met een penetratie van 40 - 300 en een verwekingspunt van ongeveer 35 - 65 C Geblazen asfaltbitumen wordt gewoonlijk al of niet in aanwezigheid van katalysatoren bereid door bij verhoogde temperaturen asfaltbitumen, eventueel in aanwezigheid van een verdunningsolie,
<Desc/Clms Page number 2>
te blazen met een zuurstof bevattend gas, zoals lucht. Een typisch voorbeeld van een geblazen asfaltbitumen heeft een verwekingspunt tussen ongeveer 49 C en 150 C en een penetratie tussen ongeveer 0 en 100.
Aromatische asfaltbitumina, zoals de bodemprodukten, verkregen bij destillatie van katalytisch gekraakte gasolie, zijn eveneens zeer geschikt.
Andere, bij voorkeur toegepaste, bitumineuze materialen zijn hoogko- kende extracten van aardolie (fracties), zoals die, verkregen door extractie met selectieve oplosmiddelen, zoals vloeibaar SO2' fenol en furfural. Met voordeel past men hierbij twee, onderling nagenoeg niet mengbare oplosmiddelen toe, zoals kresol en propaan. De bijzondere voorkeur genieten de Edeleanu- en furfuralextrac- ten. De extracten zijn normaliter viskeuze vloeistoffen tot teerachtige stoffen met bij voorkeur een kookpunt van ten minste 300 C bij 760 mm Eg.
Andere bij voorkeur toegepaste bitumineuze materialen zijn residuale stookoliën, zoals die met een viscositeit bij 3800 tussen 10 cs en 1500 cs
Andere zeer geschikte bitumineuze materialen zijn de van kool afge- leide produkten, zoals koolteer, geraffineerde koolteer en koolteerpek, in het bijzonder die met een verwekingspunt van ten hoogste 88 C en een oplosbaarheid in zwavelkoolstof van ten minste 50% Onder "teer" verstaat men het produkt, ver- kregen bij de destructieve destillatie van kool (incl. turf, bruinkool e.d.).
Indien een deel van de vluchtige stof wordt verwijderd wordt het residu met een smeltpunt van minder dan 32 C "geraffineerde koolteer" genoemd. Wanneer een ver- dere hoeveelheid van de vluchtige stof wordt verwijderd, wordt het residu met een smeltpunt van 32 C of hoger "koolteerpek" genoemd. Het hier bedoelde "verwekings- punt" of "smeltpunt" wordt bepaald met de blokmethode als beschreven in Deel 11 van "Asphalts and Allied Substances" door Abraham, 5e Druk. De koolteerprodukten dienen een oplosbaarheid in CS2 van ten minste 50% en bij voorkeur 75% te bezit- ten. De koolteer, geraffineerde koolteer en koolteerpek kunnen zuur, basisch of neutraal zijn. Een beschrijving van verschillende koolteren vindt men op blad- zijde 384 t/m 405 van het boek "Asphalts and Allied Substances" door Abraham.
De bijzondere voorkeur geniet geraffineerde koolteer met een smelt- punt van ten hoogste 21 C, een oplosbaarheid in CS2 van ten minste 75% en een soortelijk gewicht van 1,10- 1,50, alsmede laagsmeltende koolteerpek met een smeltpunt van ten hoogste 49 C en een oplosbaarheid in CS2 van ten minste 75% Het polyepoxyde bezit een epoxyequivalentie van meer dan 1,0, d.w.z. gemiddeld meer dan 1,0 vicinale epoxygroep (een C-C- groep ) in het gemiddelde molekuul van het polyepoxyde. Deze verbindingen kunnen al of niet verzadigd, ali- fatisch, cyclo-alifatisch, aromatisch of heterocyclisch en monomeer of polymeer zijn en kunnen gesubstitueerd zijn met bijvoorbeeld chloor, hydroxylgroepen, etherradicalen en dergelijke.
Verschillende voorbeelden van polyepoxyden die bij de werkwijze vol- gens de uitvinding kunnen worden toegepast, worden gegeven in het Amerikaanse octrooischrift 2.633.458. Andere voorbeelden zijn de geëpoxydeerde esters, zoals geëpoxydeerde lijn- en soyabonenolie en di(2,3-epoxybutyl)adipaat.
Bij voorkeur worden polyglycidylethers van meerwaardige fenolen, in het bijzonder difenylolpropaan, of van meerwaardige alcoholen, zoals glycerine en butaantriol, toegepast, welke glycidylethers bij voorkeur een molekuulgewicht tussen 200 en 900 bezitten. De in het Amerikaanse octrooischrift 2.633.458 ver- melde Polyethers A en B zijn goede voorbeelden van bij voorkeur toegepaste poly- epoxyden.
De volgens de uitvinding toe te passen zuren kunnen op bekende wijze worden verkregen door polymerisatie onder invloed van warmte, peroxyden en der- gelijke van onverzadigde zuren met een lange keten, bijvoorbeeld die met ten minste 10 koolstofatomen, bij voorkeur met meer dan 14 koolstof atomen, zoals
EMI2.1
dodeceendicarbonzuur,-10,12-eicosadieendicarbonzuur, tetradeceencarbonzuur, linol-
<Desc/Clms Page number 3>
zuur, linoleenzusr en eleostearinezuur.
Gewoonlijk wordt de polymerisatie uitgevoerd via esters van de onver- zadigde zuren en van lagere alifatische alcoholen, ten einde decarboxylering tij- dens het verhitten te voorkomen, waarna de estergroepen door hydrolyse worden ver- wijderd. Deze werkwijze wordt toegelicht door het artikel op bladzijde 1139 van Deel 28 (1946) van "Industrial and Engineering Chemistry". De structuur van enige van de gepolymeriseerde zuren is vermeld in "Industrial and Engineering Chemis- try", Deel 33, bladzijde 89 (1941).
Speciaal geschikt zijn getrimeriseerde zuren verkregen uit ethylenisch onverzadigde vetzuren, afgeleid van semi-dr ogende en drogende oliën, in het bij- zonder uit geconjugeerde vetzuren met 12-20 koolstof atomen. Een ander bij voorkeur toegepast zuur is gedimeriseerd soyabonenolievetzuur. Verondersteld wordt, dat de verkregen getrimeriseerde zuren de volgende algemene structuurformule bezitten
EMI3.1
waarin R1' R en R alkyleenradicalen voorstellen met elk tussen 4 en 10 koolstofatomen9 terwijl R49 R en R6 alkylradicalen zijn met elk tussen 4 en 10 koolstof atomen.
Gewoonlijk zullen de produkten de volgende algemene formule bezitten:
EMI3.2
Wanneer de composities bestemd zijn om te worden gebruikt voor het aanbrengen van oppervlaktelagen die bij verhoogde temperaturen worden gehard, verdient het over het algemeen de voorkeur het hete bitumineuze materiaal te
<Desc/Clms Page number 4>
mengen met de gepolymeriseerde zuren en vervolgens dit hete mengsel onmiddellijk vóór het aanbrengen te mengen met het polyepoxyde en (desgewenst) de katalysator,' en eventueel met aggregaat. Het is ook mogelijk alle drie de bestanddelen tege- lijk te mengen, bijvoorbeeld in een betonmolen (desgewenst met katalysator en ag- gregaat), waarna het mengsel korte tijd op het gewenste oppervlak dient te worden aangebracht.
Deze methode blijkt de voorkeur te verdienen voor toplagen op brede wegen of vliegvelden.Het is mogelijk de drie bestanddelen koud met elkaar te mengen, doch hierdoor wordt het mengen en verwerken soms bemoeilijkt.
Indien de volgens de uitvinding bereide composities bijvoorbeeld wor- den gebruikt voor vervaardiging ven gelaagd papier, of voor toepassingen waarbij aanvankelijk een hoge viscositeit wenselijk is en waarbij de harding moet worden uitgevoerd bij lagere temperaturen, zoals kamertemperatuur, is het zeer gewenst bij het mengen eerst het gepolymeriseerde zuur en het polyepoxyde in hete toe- stand gedurende een bepaalde tijd met elkaar te combineren om een soort voorcon- densatie te verkrijgen en vervolgens het bitumineuze materiaal en andere gewenste toevoegsels toe te voegen. Ook kan tijdens deze voorcondensatieperiode een gedeel- te van het of al het bitumineuze materiaal aanwezig zijn.
Het polyepoxyde en het gepolymeriseerde zuur worden bij voorkeur met elkaar gemengd in ongeveer chemisch equivalente hoeveelheden, d.w.z. in een vol- doende hoeveelheid om voor iedere carboxylgroep één epoxy'groep te verschaffen.
Een overmaat van ten hoogste 30% van elk van de beide reactiecomponenten kan ech- ter worden toegepast.
De toe te passen hoeveelheid van het polyepoxyde en de gepolymeriseer- de zuren, ten opzichte van de hoeveelheid van bitumineus materiaal, varieert ge- woonlijk van ongeveer 0,5 tot ongeveer 85 gew% Indien een nagenoeg onsmeltbare compositie wordt verlangd, dient de hoeveelheid polyepoxyde en zuur meer dan 15%, en bij voorkeur 20 - 65% te bedragen. Indien men anderzijds slechts het verwe- kingspunt van het bitumineuze materiaal enigermate wil verhogen of de penetratie in beperkte mate wil verlagen, wordt een opvallend goed resultaat verkregen door de aanwezigheid van 0,5 - 10 gew.% van het polyepoxyde en het zuur.
De temperatuur tijdens het mengen ligt bij voorkeur tussen 93 en
204 C, in het bijzonder tussen 121.en 177 Co
Indien polyepoxyde en gepolymeriseerd zuur worden geprecondenseerd9 dient het mengsel afhankelijk van de omstandigheden langer te worden verwarmd, als regel tussen 50 en 250 C, bij voorkeur tussen 100 en 170 C, gedurende bijvoor- beeld 5 - 120 minuten en bij voorkeur 10 - 30 minuten.
Bij een voorcondensatie- temperatuur van 75 - 150 C zal de voorcóndensatietijd gewoonlijk tussen 15 en 60 minuten liggen als de zuren zijn getrimeriseerd en ongeveer 3 - 10 uren als de zuren zijn gedimeriseerdo
Bij voorkeur bevat de compositie, bereid volgens de uitvinding, tevens ten minste 50 gew.% (berekend op het gezamenlijke gewicht van het polyepoxyde, het gepolymeriseerde zuur en het bitumineuze materiaal) inerte deeltjes zoals aggregaat, zand, enz. Bij aanleg van nieuwe wegen, vliegvelden en voetpaden, kan het verwarmde aggregaat als laatste component voor het aanbrengen van de compo- sitie worden toegevoegd. Het mengsel kan in een dikte van bijvoorbeeld 15 - 150 mm worden aangebracht.
Indien de compositie als deklaag wordt toegepast ter verkrijging van een slipvrije toplaag, bijvoorbeeld op wegen en voetpaden in een dikte van 1,6 - 6,4 mm, kan het aggregaat ook tijdens of na het aanbrengen van de compositie worden toegevoegd, bij voorkeur echter uitgestrooid nadat de top- laag is aangebracht. Ook is het in sommige gevallen gewenst een gedeelte van de deeltjes tijdens de bereiding toe te voegen en vervolgens de rest van de deeltjes op de toplaag uit te spreideno Na het harden kunnen in overmaat gebezigde deel- tjes worden verwijderd.
De inerte deeltjes bezitten bij voorkeur een grootte van 0,05 tot
4,8 mm. Bij voorkeur toegepaste materialen zijn fijn verdeelde schelpen, gebroken
<Desc/Clms Page number 5>
kwarts, aluminiumcyde, fijn verdeelde harsdeeltjes en dergelijke, speciaal ech- ter zand en gemalen gesteente.
Onder invloed van warmte, gewoonlijk bij 100-250 C, hardt de composi- tie, bereid volgens de uitvinding. Deze warmte kan worden toegevoerd door voor- verwarming van de componenten of van het aggregaat, eventueel van buiten af door elektrische of andere verwarmingsinrichtingen.
De in asfaltbitumina aanwezige basische stikstofverbindingen versnel- len de harding van het polyepoxyde. Indien andere bitumineuze materialen worden toegepast is het gewenst een hardingsmiddel toe te voegen om de harding te ver- snellen, in het bijzonder bij harding bij lagere temperaturen.
Geschikte hardingsmiddelen zijn bijvoorbeeld alkaliën, ftaalzuuranhy- dride, aluminiumchloride, boriumtriflupride, alsmede aminoverbindingen, zoals di- ethyleentriamine en pyridine. De hoeveelheden aan de compositie toe te voegen hardingsmiddel variëren aanzienlijk al naar gelang het gebezigde middel.De amino- verbindingen worden bij voorkeur toegepast in hoeveelheden van ongeveer 5-15%
De volgens de uitvinding bereide composities kunnen eveneens worden toegepast bij het inbedden van elektrische apparaten, de vervaardiging van giet- stukken, het afsluiten van pakkingen, dakbedekking en dergelijke.
Tenzij anders aangegeven worden met de in de voorbeelden vermelde delen gewichtsdelen bedoeld. De polyetherharsen die in de voorbeelden zijn aan- geduid door letters zijn die, welke zijn beschreven in het Amerikaanse octrooi- schrift 2.633.458. Het in de voorbeelden gebruikte beton was bereid uit Portland cement, aggregaat, zand en water.
VOORBEELD I
61,2 gewichtsdelen getrimeriseerd 9,11-octade-cadieencarbonzuur en 38,6 gewichtsdelen Polyether A werden gedurende ongeveer 30 minuten tezamen op .100 C verhit, waarna het vóór-gecondenseerde produkt gemengd werd met een gelijke gewichtshoeveelheid van een bodemprodukt verkregen door destillatie van een ka- talytisch gekraakte gasolie (penetratie = 0 (bij 25 C) en verwekingspunt van 72 C). Aan dit mengsel werden 0,77 delen alfamethylbenzyldimethylamine toegevoegd, waarna één uur op 100 C werd verhit. Er werd een geharde, buitengewoon soepele en taaie compositie verkregen die niet smolt op een hete plaat bij 370 Co
Toen dit produkt gedurende één dag bij kamertemperatuur in kerosine werd gedompeld, verloor het slechts 0,35 gew.%.
Indien het ongemodificesrde bodem- produkt van katalytisch gekraakte gasolie echter gedurende één dag bij kamertem- peratuur in kerosine werd gedompeld verloor het 3,7 gew.%.
VOORBEELD II
Op dezelfde wijze als in Voorbeeld I werd een vóór-condensaat van polyether A en getrimeriseerd 9,11-octadecadieencarbonzuur bereid.
39 gewichtsdelen van het voorgecondenseerde produkt werden gemengd met 61 gewichtsdelen van een door directe destillatie verkregen asfaltbitumen, waarbij 2,6 gewichtsdelen van hetzelfde hardingsmiddel, berekend op polyether A, werden gebruikt. Vervolgens werd de compositie gemengd met vóórverwarmd (149 C) mineraal aggregaat (90 gewichtsdelen aggregaat op 10 delen van het bindmiddel).
Dit mengsel werd uitgespreid en samengeperst door middel van een wals, waardoor een 10 cm dik bed werd verkregen. Het bed hardde tot een taaie, soepele weg met een goede bestendigheid tegen oplosmiddelen en warmte.
Het op de bovenbeschreven wijze bereide bindmiddel werd eveneens als een 1,6 mm dikke toplaag aangebracht op een asfalt wegdek, waarna men het liet . harden. De verkregen toplaag werd tweemaal daags bespoten met brandstof voor straalmotoren, waarbij een hoeveelheid van 108 cc/m2 werd toegepast. Vervolgens liet men vrachtauto- en personenauto-verkeer over het bespoten wegdek rijden. Na
<Desc/Clms Page number 6>
6 weken werd geen verandering in de conditie van het wegdek waargenomen. Tijdens een gelijke gebruiks- en behandelingsperiode werd het niet gemodificeerde asfalt- bitumen, aangebracht op een wegdek, zacht en begon tijdens dezelfde periode uiteen te vallen.
Ook werden metalen panelen met het bovenbeschreven bindmiddel bedekt, waarna men het liet harden. De deklagen bleven nagenoeg onbeschadigd na meer dan 200 cycli van een standaard regen en zonneschijn weermeterproef (weatherometer), terwijl een deklaag van ongemodificeerd, door directe destillatie verkregen asfalt- bitumen na 2 cycli onder dezelfde omstandigheden duidelijke tekenen van desinte- gratie en achteruitgang in kwaliteit vertoonde.
VOORBEELD III
Het effect van de samenstelling van de compositie bereid volgens de uitvinding op de penetratie en het verwekingspunt van een door directe destilla- tie verkregen asfaltbitumen wordt aangetoond door de figuur. Een door directe destillatie verkregen asfaltbitumen met een penetratie van 90 en een verwekings- punt van 49 C werd gemodificeerd met 1-50 gew. van het in Voorbeeld I beschreven voorgecondenseerde produkt, waarna de compositie gedurende 30 minuten bij 100 C werd gehard in aanwezigheid van het hardingsmiddel gebruikt in Voorbeeld I. Uit de figuur blijkt, dat de compositie snel hard werd, in het bijzonder wanneer deze ten minste 10 gew.% van precondensaat bevatte.
Evenzo nam de penetratie van de compositie snel af, waarbij een onsmeltbaar produkt werd verkregen, indien meer dan 12,5 gew.% van het precondensaat aanwezig was.
VOORBEELD IV
62,5 delen van een door directe destillatie verkregen asfaltbitumen voor aanleg van wegen werd tot 149 C verhit en vervolgens gemengd met 22,5 delen getrimeriseerd linolzuur. Daarna werd dit mengsel bij ongeveer 121 C gemengd met 15 delen polyether A en vervolgens met 2,6 delen alfamethylbenzyldimethylamine.
Hierna werd het mengsel op beton uitgespreid, waarna men het onder afkoeling liet harden. In ongeveer 60 minuten was het mengsel gehard tot een taaie, soepele toplaag.
Bij een overeenkomstige proef werden 95 delen zand gemengd met 5 delen van het bovenbeschreven bindmiddel en het mengsel op een betonnen weg uit- gespreid, samengeperst door walsen, waarna men het van 121 C tot omgevingstempe- ratuur liet afkoelen. De verkregen toplaag was taai en bestendig tegen oplosmid- delen, terwijl het goede anti-slip eigenschappen bezat.
VOORBEELD V
62 delen van een door directe destillatie verkregen asfaltbitumen voor aanleg van wegen werd tot 149 C verhit en gemengd met 23 delen gedimeriseerd 8, 12-eicosaandieendicarbonzuur 1,20. Hierna werd dit mengsel gemengd met 15 delen polyether A en vervolgens liet men het mengsel harden bij 121 Co Het ver- kregen produkt is een taai en zeer soepel gietstuk.
Bij een overeenkomstige proef werden 100 delen zand gemengd met 100 delen bindmiddel, waarna het mengsel werd uitgespreid op een betonnen weg ; liet het mengsel harden onder afkoeling van 121 C tot omgevingstemperatuur. De verkregen toplaag was hard en soepel en bezat een goede bestendigheid tegen op- losmiddelen en goede anti-slip eigenschappen.
Overeenkomstige resultaten worden verkregen door het bovenstaande gepolymeriseerde zuur te vervangen door 8,12-tetra-decadieendicarbonzuur en 8,10-
EMI6.1
octa ecadieen-dicarbonzuur.
VOORBEELD VI
65 delen geraffineerde koolteer werden tot 116 C verhit en vervolgens gemengd met 21 delen getrimeriseerd linolzuur. Hierna werd dit mengsel gemengd met 15 delen polyether A en 2,6 delen alfamethylbenzyldimethylamineo Men liet
<Desc/Clms Page number 7>
het mengsel harder ander afkoeling van 121 C tot omgevingstemperatuur. Het ver- kregen produkt was een taaie, soepele compositie die geschikt was om als deklaag te worden aangebracht.
Bij een overeenkomstige proef werd de compositie uitgespreid over betonnen en asfaltstroken, waarna over de bovenzijde voor de harding zand werd ge- strooide De verkregen toplaag was hard, taai en slipvrij.
VOORBEELD VII
Dit voorbeeld illustreert de toepassing als bitumineus materiaal van een aromatisch extract van een aardoliedestillaat (Dutrex 20) met de volgende eigenschappen Soortelijk gewicht, API 5,8; Vlampunt (Cleaveland open cup) 213 C; Visoositeit, SSU bij 99 C 9611; Anilinepunt 27,2 C; zuurgetal 0,05; en Joodgetal 69.
62,5 delen van het extract werden verhit tot 150 C en vervolgens ge- mengd met 22,5 delen getrimeriseerd linolzuur. Hierna werd dit mengsel gemengd met 15 delen polyether A, waarna men het mengsel bij 100 C liet harden. Het ver- kregen produkt is een soepele, rubberachtige, taaie, tegen oplosmiddelen besten- dige compositie die geschikt is voor deklagen.
Bij een overeenkomstige proef werd de compositie uitgespreid op be- tonnen en asfaltstroken, waarna zand voor de harding op de bovenzijde werd ge- strooid. De verkregen toplagen zijn soepel, taai en slipvrij.
VOORBEELD VIII
Voorbeeld VII wordt herhaald, waarbij als extract echter een extract van een aardoliedestillaat (Dutrex 22) werd toegepast met de volgende eigenschap- pen: Soortelijk gewicht API 3,3; Vlampunt 274 C; Viscositeit SSF bij 99 C 261 ; en Anilinepunt 29,4 VOORBEELD IX
Het bovenstaande voorbeeld werd herhaald, behoudens dat het aardolie- extract werd vervangen door:
(1) Thermisch gekraakt residu met een verwekingspunt van 66 C, pre- cipitatie-index van 71,5 en een penetratie van 8 bij 25 C (2) Aardolieresidu ("oil-gas pitch") met een verwekingspunt van 166 C een precipitatie-index van 91 en een penetratie van 0 bij 25 C (3) Een hoogkokende fractie van een recirculatie-olie, verkregen door het verkooksen van het bodemprodukt van de flashvacuümkolonne waarin een Mid-Continent olie aan flashverdamping wordt onderworpen (coking cycle stock) met een viscositeit SSU bij 25 C van 5000, een beginkookpunt van 347 C en een molekuulgewicht van ongeveer 250.
VOORBEELD X
Het hier toegepaste koolteerpek had een smeltpunt van 25 C, een soor- telijk gewicht van 1,25 (25 /25 C) en een oplosbaarheid in CS2 van 86,5%.
60 delen van de koolteerpek werden verhit tot 149 C en vervolgens gemengd met 23 delen getrimeriseerd linolzuur. Vervolgens werd dit mengsel bij ongeveer 121 C gemengd met 17 delen polyether A en 2,6 delen diethyleentriamine, waarna het mengsel bij 121 C werd gemengd met aggregaat (90 delen aggregaat op 10 delen bindmiddel) en uitgespreid en gewalst op een stenen onderlaag, waardoor een weg werd verkregen van ongeveer 15 cm dikte. De verkregen weg was taai en soepel en was goed bestendig tegen warmte en oplosmiddelen.
Bij een andere proef werd het bovenbeschreven bindemiddel op stukken beton uitgespreid en hierop voor het harden zand gestrooid. De verkrgen top- laag die ongeveer 6,3 cm dik was bezat een goede bestendigheid tegen oplosmidde-
<Desc/Clms Page number 8>
len en goede anti-slip eigenschappen.
VOORBEELD XI
50 delen residuale stookolie (soortelijk gewicht API 8,0; Vlampunt 82 C (Pensky-Martens closed cup); Druppelpunt 1,7 C; Viscositeit 370 centistokes; Zwavel 1,84 gew.%; Koolstofresidu 19,0 gew.% ) werden gemengd met 30 delen getri- meriseerd linolzuur en 20 delen polyether A. De componenten werden gemengd en verhit tot 121 C, vervolgens gemengd met tot 121 C verhitte gebroken steen (85 delen aggregaat op 15 delen bindmiddel) en het mengsel uitgespreid en gewalst op een stenen onderlaag, waardoor een weg werd verkregen van ongeveer 12,6 cm dikte.
Na het harden was de weg soepel en rubberachtig en bezat een goede bestendigheid tegen warmte en oplosmiddelen.
Bij een andere proef werd het bovenbeschreven bindmiddel op stukken asfalt uitgespreid en hierop voor het harden zand gestrooid. De verkregen top- laag die ongeveer 6,3 cm dik was bezat een goede bestendigheid tegen oplosmiddelen en goede anti-slip eigenschappen.
VOORBEELD XII
Voorbeeld XI werd herhaald, behoudens dat de stookolie werd vervan- gen door een lichte stookolie met de volgende eigenschappen : gewicht API 17,0; Vlampunt 80 C (Pensky-Martens closed cup); Druppelpunt -23,3 C; Vis- cositeit 52 centistokes ; Zwavel1,64 gew.%; Koolstofresidu 9,0 gew.%. Er werden overeenkomstige resultaten verkregen.