<Desc/Clms Page number 1>
" Slot ".
De uitvinding betreft een slot dat een slotkast bevat alsook minstens een schieter, minstens en element dat @ de schieter verbonden is en dat verschuifbaar in de slotkast opge- steld is en minstens een orgaan dat dit element kan verschuiven.
Bij dergelijke gekende sloten is de schieter meestal on- wrikbaar verbonden met het verschuifbaar element.
Dergelijke sloten bestaan uit een mechanisme dat gewoon-
<Desc/Clms Page number 2>
lijk opgesteld is tussen twee aan elkaar evenwijdige platen die loodrecht op een langwerpige plaat komen. In deze langwerpige plaat zijn een of meer openingen aangebracht waardoor een schieter steekt. Het geheel van platen vormt de slotkast. Deze wordt in een gleuf in de rand van een deur aangebracht zodanig dat de lang- werpige plaat samenvalt met het vlak van de opstaande smalle dwars- wand van de deur. De schieter die door een opening in de langwerpi- ge plaat steekt, is beweegbaar in een richting die loodrecht op die langwerpige plaat staat. In de deuromlijsting waartegenover de langwerpige plaat komt wanneer de deur toe is, is ter hoogte van de schieter een uitholling aangebracht waarin de schieter vol- ledig kan.
Bovenop deze uitholling komt de opening van een slot- plaat. Meestal is het buiten de slotkast uitstekende deel van de schieter niet balkvormig maar nagenoeg prismatisch. Volgens een doorsnede door een vlak dat loodrecht op de langwerpige plaat staat, vertoont dit uiteinde van de schieter nagenoeg de vorm van een rechthoekige driehoek. Het uiterste begrenzingsvlak van de schie- ter staat dus schuin ten opzichte van de bewegingsrichting van deze schieter. Wanneer de schieter met zijn schuin begrenzingsvlak tegen een hindernis komt dan zal bij het duwen van de hindernis tegen de schieter of omgekeerd deze schieter in de slotkast schui- ven.
Wanneer de schieter echter met zijn loodrecht op het vlak van de langwerpige plaat staande zijkant tegen een hindernis komt dan zal ookbij het duwen van die hindernis op de schieter deze schie- ter buiten de schletkast blijven.
Sloten met een dergelijke schieter worden veel gebruikt bij deuren die men door gewoon duwen kan dichtmaken, maar die men slechts door een sleutel, klink of ander hulpmiddel kan openen.
Wanneer men een deur voorzien van een slot met dergelijke schieter toedoet, komt op zeker ogenblik deze schieter tegen de deuromlijs- ting. Wanneer de schuine zijde van de schieter naar deze omlijsting gericht is, zal,wanneer men de deur verder dicht duwt, de schieter
<Desc/Clms Page number 3>
in de slotkast schuiven. Hierdoor lan de deur een weinig verder bewegen tot de schieter in de b.-ite in de deuromlijsting springt.
Door de vorm van deze deuromlijsting kan de deur dan meestal niet verder in dezelfde zin draaien. Wanneer de schieter in de holte in de deuromlijsting zit, kan men de deur niet zonder hulpmidde- len openmaken. Wanneer men die deur wil openduwen zal de loodrecht op de langwerpige plaat van de slotkast staande zijde van de schie- ter tegen de wand van de uitholling in de deuromlijsting aandruk- ken. De schieter zal hierdoor geen neiging vertonen in do slotkast te schuiven. Naar gelang de deur naar binnen of naar buiten open- gaat moet de schuine zijde van de schieter respectievelijk naar buiten of naar binnen gericht zijn.
Bij een deur die in een be- paalde richting opengaat zal de schuine zijde van de schieter naar de ene zijde of naar de andere zijde van het slot moeten gericht zijn naar gelang de scharnieren rechts of links van die deur voor- komen. Bij het. monteren van een gekend slot met een dergelijke schieter moet men hiermee dus rekening houden. Anderzijds is de fabricage van twee typen sloten nodig. Bij het ene type moet de schuine zijde van de schieter naar de ene zijde en bij het andere type naar de andere zijde gericht zijn.
De uitvinding heeft tot doel een slot te verschaffen waarbij de schieter instelbaar is. Bij het gebruik-van een schieter met afschuining kan men bij een zelfde slot deze afschuining zowel naar de ene zijde als naar de andere zijde van het slot richten.
Tot dit doel is de schieter aan het verschuifbare element verbonden door een stang die met een uiteinde aan de schieter ver- bonden is en die in minstens een uitsparing in het element komt, waarbij minstens een middel voorzien is dat minstens tijdelijk uitschakelbaar is en dat het geheel gevormd door de schieter en de stang in een stand houdt waarbij een naar de binnenkant van de slotkast gericht deel van dit geheel komt tegen een ten opzichte
<Desc/Clms Page number 4>
van het element minstens volgens de langsrichting van de stang on- beweegbaar stuk en waarbij die stang bij uitschakeling van het hoger vermelde middel ten opzichte van het element heen en weer verschuifbaar is uitgaande van hoger vermelde stand minstens tot in een stand waarbij de schieter voor minstens een stand van het verschuifbare element volledig buiten de slotk:
ast komt, terwijl de schieter in die laatste uitgeschoven stand draaibaar is rond een as die samenvalt met deze van de stang.
In een bijzondere uitvoeringsvorm van de uitvinding is het tijdelijk uitschakelbare middel gevormd door een stuk dat ten op- zichte van het verschuifbare element in een richting die nagenoeg loodrecht staat op de langsrichting van de stang verschuifbaar ia en dat wanneer het middel ingeschakeld is met een deel nagenoeg tegen een op de langsrichting van de stang staande naar de schie- ter gerichte wand van die stang komt.
Bij voorkeur bezit het slot dan een verend element dat dit stuk tegen de stang duwt.
In een merkwaardige uitvoeringsvorm van de uitvinding bezit de stang een cirkelvormige doorsnede.
Doelmatig is in dit geval de op de langsrichting van d e stang staande wand waartegen het stuk van het uitschakelbare middel komt gevormd door een plotse toename van de diameter van de stang.
In een voordelige uitvoeringsvorm van de uitvinding is het in de slotkast verschuifbaar opgestelde element een nagenoeg L- vormig stuk dat met een been nagenoeg loodrecht op de langsrichting van de stang komt en waarbij dit been minstens ter hoogte van de uitsparing waarin de stang komt loodrecht op zijn langsrichting een U-vormige doorsnede bezit.
Andere bijzonderheden en voordelen van de uitvinding zullen blijken uit de hier volgende beschrijving van een slot volgens de uitvinding; deze beschrijving wordt enkel als voorbeeld gegeven
<Desc/Clms Page number 5>
en beperkt de uitvinding niet; de verwijzingscijfers betreffen de hieraan toegevoegde tekeningen.
Figuur 1 is een zij aanzicht van een slot volgens de uitvin- ding, waarbij de dichtst bij gelegen zijwand van de slotkast weg- genomen werd en waarbij andere delen van de slotkast weggesneden werden.
Figuur 2 is een doorsnede volgens de lijn II-II uit figuur 1.
Figuur 3 is een zijaanzicht analoog aan dit uit figuur 1 van een deel van het slot maar bij een andere stand van de schieter,
Figuur 4 is een zijaanzicht van het slot uit figuur 1 met echter de zijwanden getekend.
In de verschillende figuren hebben dezelfde verwijzingscij- fers betrekking op dezelfde elementen.
Het slot waarop de figuren 1 tot 4 betrekking hebben, bevat een slotkast die bestaat uit twee evenwijdig aan elkaar lopende wandplaten 1 en een loodrecht erop staande langwerpige plaat 2.
De twee platen 1 zijn nagenoeg rechthoekig. In de figuren 1 en 3 is slechts een plaat gedeeltelijk voorgesteld. Deze voorgestelde plaat 1 is door een omgeplooide rand aan het langwerpige stuk 2 vastgemaakt. De andere plaat 1, namelijk deze die in figuur 4 zichtbaar is, is aan de eerste door klinknageltjes vastgemaakt. De plaat 2 heeft de vorm van een rechthoek waarvan de uiteinden afge- rond zijn. Deze plaat bezit een opening waardoor een schieter 3 juist kan. De platen 1 en 2 zijn bij voorbeeld van staal vervaar- digd. De schieter 3 is bi j voorbeeld van messing verva rdigd.
Hij bezit de vorm van een stuk van een cilinder dat tussen twee aan elkaar evenwijdige vlakken gelegen is die evenwijdig aan d e langs- as van deze cilinder en symmetrisch ten opzichte van deze as lopen, waarbij van dit stuk een hoek afgesneden is d or een vlak dat schuin staat op de vermelde langsas. Dit laatste vlak loopt zodanig dat het een van de evenwijdig aan deze langsas lopende vlakken
<Desc/Clms Page number 6>
snijdt nabij het loodrecht op deze langsas staande uiterste vlak van het stuk volgens een rechte evenwijdig aan dit vlak, en het andere uiterste vlak dat loodrecht op deze as staat snijdt volgens een rechte die nabij het andere evenwijdig aan deze as lopende vlak gelegen is en evenwijdig aan dit vlak loopt.
Die eerste afstand tussen de snijlijn in het evenwijdig aan de langsas liggende vlak en het uiteinde is een weinig gro- ter dan de dikte van de langwerpige plaat 2. De 'opening in die plaat 2 is ook nagenoeg gelijk in vorm en grootte aan het lood- recht op hoger vermelde langsas staande grootste begrenzingsvlak van het stuk. De langsas van deze opening, dus deze die evenwij- dig loopt aan de aan elkaar evenwijdige wanden van de opening valt samen met de langsrichting van de plaat 2. In de wand van de schieter 3 die overeenkomt met het niet gesneden uiteinde van het hoger vermelde stuk, dus in die wand die de vorm heeft van de opening in de plaat 2, is een uitholling voorzien waarin het uiteinde van een stang steekt. Deze stang bezit een cirkelvormi- ge doorsnede. Het deel van die stang dat buiten de schieter steekt bestaat uit twee delen van verschillende diameter.
Het op de schie- ter aansluitende deel 4 bezit een kleinere diameter dan het vrije uiteinde 5 van de stang. De langsrichting van de stang staat lood- recht op het zoeven vermelde vlak dat in vorm gelijk is aan de ope- ning in de plaat 2. Deze as valt dus samen met de langsas van hoger vermelde cilinder waarvan de schieter als n deel kan aanzien worden. Door deze stang 4, 5 is de schieter verbonden met een in de slotkast verschuifbaar element.
Dit verschuifbaar element is nagenoeg L-vormig. Het is ge- vormd door een nagenoeg L-vormige platte plaat 6 waarvan op sommige delen van de rand een loodrecht op het vlak van de plaat staande opstaande rand staat. De vlakke plaat 6 van het verschuifbare ele- ment loopt evenwijdig aan de platen 1 en rust nagenoeg volledig
<Desc/Clms Page number 7>
tegen de in de figuren 1 tot 3 voorgestelde plaat 1. De hoogte
EMI7.1
. < slc , j ' in bez1t van de op dit vlak staande randen, gemeten vanaf de onderkant van ¯ /:. :\1' ad de-!.. =+r 1 w-- het vlak 6, is een weinig kleiner dan de afstand tussen de twee
EMI7.2
o.:reC''., t" I. het platen 1. Het vlak 6 van dit verschuifbare element bezit twee
EMI7.3
Id;'t.. 1 . irr 17 j t loodrecht op elkaar staande benen.
De langsrichting van een been el but eer loopt evenwijdig aan de langsrichting van de plaat 2. De langgrich- ting van het andere been van deze L komt loodrecht op de langsrich- ting van deze plaat 2. Dwars door dit laatste been is een langwer- ¯ pige gleuf 7 aangebracht. De langsrichting van deze gleuf valt samen met deze van het been. Door deze gleuf steekt een rijnagel 8. Deze rijnagel 8 geleidt de beweging van het verschuifbare element.
Dit verschuifbare element kan dus bewegen in een richting loodrecht op de langsrichting van de plaat 2. De rijnagel 8 doet tevens dienst als klinknagel die de twee zijwanden 1 aan elken @ evenwijdig aan delangwenrdge piaar 2 lopende been van de plaat
EMI7.4
6 die deel uitmaakt van het verschuifbaelent be.z1t op- evewijdig aan de plaat 2 lopende randen twee opstaande randen 9 en 10. Deze opstaande randen 9 en 10 lopen van aan het andere been tot an het vrije uiteinde van het been waarop zij staan. In deze opstaande ruiden zijn uitsparingen voorzien waardoor de stang 4, 5 kan steken.
De dichtst bij de plaat 2 gelegen opstaande rand 9 be- zit ter hoogte van het midden van de opening in deze plat 2 waar- door de schieter steekt een.rechthoekige gleuf 11 die over gans de hoogte van het boven de plaat 6 gelegen deel van de opstande rand 9 loopt. De breedte van deze gleuf 11 is nagenoeg gelijk &in de diameter van het deel 4 van de stang. Tegenover deze gleuf is in de andere opstaande rand 10 eveneens een uitsparing 12 anngebracht.
Deze uitsparing heeft de vorm van een halve cirkel die naar de plaat 6 toe overgaat in een rechthoekige opening met breedte gelijk aan twee maal de straal van de halve cirkel. Deze opening 12 loopt van nabij de bovenste rand van de opstaande rand 10 tot aan de on-
<Desc/Clms Page number 8>
derkant van het deel 6 van het verschuifbare element en loopt zelfs door tot in dit deel 6, tot nagenoeg halverwege tussen de opstaande randen 9 en 10. De breedte van het rechthoekige deel van de opening 12 dat gedeeltelijk in de rand 10 en in de plaat 6 komt, is gelijk aan de diameter van het deel 5 van de stang* De loodrechte afstand tussen de bovenkant van de opening 12 en de bovenkant van.het deel 6 is echter kleiner dan deze diameter van het stuk 5.
Het stuk 5 komt dus, wanneer het in de uitsparing 12 zit, met een gedeelte in het deel van die uitsparing 12 dat in de plaat 6 van het verschuifbare element aangebracht is. De lengte van het deel 5 van de stang is echter groter dan de helft van de afstand tussen de twee randen 9 en 10 en dus groter dan het deel van de opening 12 in het deel 6. Het uiteinde 5 van de stang kan dus in de uitsparing 12 verschuiven in een richting volgens de langsrichting van de stang tot de naar de schieter gerichte ring- vormige wand die loodrecht op de langsrichting van de stang staat ter plaatse van de diametertoename tussen de stukken 4 en 5 tegen het deel 6 komt. Het middelpunt van de halve cirkel van de opening
12 komt op een afstand boven de bodem 6 die gelijk is aan de straal van het deel 4 van de stang.
Wanneer de stang met het deel 5 in de opening 12 zit komt het deel 4 van deze stang juist op de bodem
6 terecht. De lengte van het deel 4 van de stang is gelijk aun de afstand tussen de naar de plaat 2 gerichte zijden van de opstaande randen 9 en 10. Wanneer de schieter dus met zijn naar de stang ge- richte zijkant tegen de opstaande rand 9 komt, komt het ringvormige vlak ter hoogte van de verdikking tussen de stukken 4 en 5 van de stang juist ter hoogte van de naar de plaat 2 gerichte zijde van de rand 10. Deze stand voor de schieter en stang is in figuur 1 voorgesteld. De schieter en stang komen bij normaal gebruik van het slot voor in deze stand ten opzichte van het verschuifbare element. Ze worden in deze stand gehouden door een hulpstuk 13.
Dit stuk 13 is een nagenoeg rechthoekig plaatje waarvan een
<Desc/Clms Page number 9>
deel van de randen omgeplooid is, zodanig dat dit deel loodrecht op het'vlak van het plaatje komt. Het stuk 13 is nagenoeg in twee delen verdeeld door een gleuf die evenwijdig loopt aan de langs- randen van het stuk en die van de ene dwarsrand tot op een kleine afstand van de andere dwarsrand loopt. Het stuk 13 komt met zijn gleuf over een deel van de opstaande rand 10. Het deel van het stuk 13 dat ten opzichte van die gleuf aan de zijde van de plaat 2 ligt komt met zijn vlak op het deel 6 van het verschuifbare ele- ment gedeeltelijk tussen de opstaande randen 9 en 10. Dit deel bezit zelfs aan de zijde van de rand 9 een opstaande rand die tegen deze rand 9 komt.
Het tussen de randen 9 en 10 komende deel van het stuk 13 bezit een breedte die nagenoeg gelijk is aan de afstand tussen de twee opstaande randen 9 en 10. Aan zijn vrij uiteinde bezit dit deel eveneens een opstaande rand die over een breedte loopt die gelijk is aan de afstand tussen de randen 9 en 10. Deze opstaande rand komt tegen de stang 4, 5. Voor een stand van de stang zoals in figuur 1 voorgesteld komt deze opstaande rand tegen het deel 4 van de stang, terwijl voor een stand van die stang zoals in figuur 3 voorgesteld deze opstaande rond tegen het deel 5 van de stang komt. Het deel van het stuk 13 dat aan de andere zijde van de gleuf ligt komt grotendeels een weinig lager dan het eerste deel.
Het vlak van dit laatste deel kont dan grotendeels tegen de plaat 1 waartegen het deel 6 van het verschuifbare element ook komt. Dit laatste deel bezit een naar de plaat 2 toe gebogen einde datter plaatse van de opening @ die in de rand 10 en het deel 6 aange- bracht is, komt. Op dit uiteinde va@@dit deel van het stuk 13 rust dus het deel 5 van de stang. De dikte @ dit deel, en overigens de dikte van het ganse stuk 13, is gelijk van het verschil tussen de dikte van het deel 6 van het verschuifbare e@@tent en de toename van straal tussen het deel 5 en het deel 4 van de .tang. Op de rand van het stuk 13 die evenwijdig loopt aan de andere @@@nd van het stuk
<Desc/Clms Page number 10>
13 die tegen de stang komt, staat eveneens een opstaande rand.
Tegen deze opstaande rand drukt een been van een veer 14. Deze veer 14 bestaat uit een fijn staafje dat meerdere malen rond een uitsteeksel 15 gedraaid is dat op het element 6 staat. Met zijn uiteinden vormt dit staafje twee uit elkaar lopende benen. Het uitsteeksel 15 komt voor op het been van het verschuifbare element dat loodrecht gericht is op de plaat 2. Het staat nagenoeg in het verlengde van de opstaan- de wand 10, Dit uitsteeksel 15 is gevormd door een klein deeltje van het vlak 6 dat naar omhoog geduwd werd zodanig dat het loodrecht op het vlak 6 komt. De veer 14 zit zodanig op dit uitsteeksel 15 dat haar beide benen naar de plaat 2 toe gericht zijn. Het verst van de opstaande randen 9 en 10 verwijderde been van die veer 14 loopt langs het deel 6 nagenoeg tegen dit deel.
Dit been komt ook tegen een uitstekende rand 16 die loodrecht op dit deel 6 staat.
Deze opstaande rand 16 heeft de vorm van een L waarvan een been evenwijdig aan het vlak 6 en tevens aan de plaat 2 loopt. Het ande- re been van die L staat op de dichtst bij de plaat 2 gelegen rand van het verschuifbare element. Het staat ook nabij het uiteinde van het evenwijdig aan de plaat 2 lopende been van dit element dat het verst van de goot, gevormd door de randen 9 en 10, verwijderd is.
Het andere been van de veer 14 komt, zoals reeds vermeld, tegen een opstaande rand van het stuk 13. Dit been van de veer komt even- eens boven een deeltje van het vlak van het stuk 13 dat buiten die opstaande rand uitsteekt. Op die manier wordt het stuk 13 door die veer 14 tegen het deel 6 van het verschuifbare element geduwd. Die veer 14 duwt het stuk 13 tegen de stang 4, 5.
Tussen de twee platen 1 van de slotkast zijn nog enkele andere elementen opgesteld die op het verschuifbare element inwerken. Zo is er een tuimelaar 17 die draaibaar tussen de twee platen 1 zit.
Deze tuimelaar 17 is draaibaar volgens een as die loodrecht op de platen 1 staat. Hij kan langs ronde openingen in de platen 1 van
<Desc/Clms Page number 11>
buiten de slotkast uit verdraaid worden. Hij bezit een langwerpig uitstekend deel dat evenwijdig aan de platen 1 loopt en dat op het loodrecht op de plaat 2 staande been van het verschuifbare ele- ment komt. Dit uitsteeksel van de tuimelaar 17 komt, wanneer de schieter buiten de schietkast steekt, tegen een opstaande rand 18 van dit been. Deze rand komt voor op het verst van de plaat 2 verwijderde uiteinde van dit been van het verschuifbare element. In- die stand is de tuimelaar in de figuren 1 en 3 voorgesteld. Een veer 19 duwt het uitsteeksel van de tuimelaar 17 naar de plaat 2 toe. Dit uitstekende deel is echter tegengehouden door de rijnagel 8.
De veer 19 duwt met een uiteinde tegen het uitstekende deel van de tuimelaar 17 en loopt rond een d eel van het lichaam van deze tuimelaar. Het andere uiteinde van deze veer 19 vormt een lus die over een balkvormig uitsteeksel 20 geschoven is. Dit uitsteek- sel 20 loopt tussen de twee platen 1. Wanneer menuitgaande van
EMI11.1
de stand die, 111 f4 =jj= -"'--"'6'1;.r- :"y:! 4 Q, %nwp +'>4r'ni af + -- - ,-xi',5 draait, schuift door het uitsteeksel van die tuimelaar het ver- schuifbare element eveneens naar rechts. Van zodra een de tuimelaar terug loslaat zal door de veer 19 deze tuimelaar 17 terug naar zijn beginstand, dit is met zijn uitsteeksel tegen de rijnagel 8,sprin- gen. Opdat het verschuifbare element eveneens naar zijn beginstand, dit is tegen de plaat 2, zou springen duwt op dit verschuifbare element een veer 21.
Deze veer 21 is een langwerpig plaatje van veerstaal dat met een uiteinde tegen de opstaande rand 9 duwt. Dit plaatje loopt verder gedeeltelijk rond een uitsteeksel 22 dat lood- recht op de plat 1 staat en duwt met zijn andere uiteinde tegen een element dat in de figuren niet voorgesteld is. Eet staafje 22 dient tevens als klinknagel die de twee platen 1 bij elkaar houdt.
In de plaat 1, die in de figuren 1 tot 3 niet voorgesteld werd, dit is op de plcat 1 die evenwijdig loopt aan deze plaat 1 waartegen het deel 6 van het verschuifbare element komt, is op de
<Desc/Clms Page number 12>
plaats die boven de uitsparingen 11 en 12 komt een uitsnijding 23 aangebracht. Zoals blijkt uit figuur 4 heeft deze uitsnijding de vorm van een vierkant waarvan de zijden nagenoeg even lang zijn als de afstand tussen de twee opstaande randen 9 en 10. Ter hoogte van de plaats waar de stang 4,5 komt, maken beide wanden 1 ook een kleine uitsprong.
Om nu, uitgaande van de stand in figuur 1. de schieter 3 te wentelen, gaat men als volgt te werk. Langs de opening 23 in de plaat 1 duwt men met een of ander voorwerp de tegen het deel 4 van de stang komende opstaande rand van het stuk 13 van dit deel 4 van de stang weg. Men duwt dit stuk 13 zover van de stang weg dat de naar de schieter 3 gerichte wand ter plaatse van de diameter- toename van de stang tussen de delen 4 en 5 nu niet meer tegen dit stuk 13 komt. De stang kan nu in de gleuf 11 en in de opening 12 verschuiven over een afstand die gelijk is aan de lengte van het deel van de opening 12 die in het deel 6 van het verschuifbare ele- ment voorkomt. Deze afstand is voldoende opdat de schieter 3 volle- dig buiten de slotkast zou kunnen komen.
Men kan de stang niet volledig uit de slotkast trekken doordat, terwijl het uiteinde van het deel 5 van de stang nog in het deel van de opening 12 in de rand 10 zit, de buiten het deel 4 uitstekende wand van het deel
5 tegen het deel 6 van het verschuifbare element komt ter plaatse van het naar de schieter gekeerde uiteinde van het deel van de opening 12 dat in het deel 6 komt. Wanneer men aldus de schieter uit de schietkast getrokken heeft kan men deze wentelen rond een , as die samenvalt met deze van de stang. Het stuk 13 dat men intus- sen losgelaten heeft drukt nu onder invloed van de veer 14 tegen het deel 5 van de stang, Figuur 3 heeft betrekking op deze stand van de schieter. Wa wentelen van de schieter kan men deze terug in de opening in de plaat 2 duwen.
Van zodra hot deel 5 van de stang buiten de ruimte komt tussen de twee randen 9 en 10 zal het
<Desc/Clms Page number 13>
stuk 13 terug tegen het deel 4 van de stang duwen, De schieter zit weer vast ten opzichte van het verschuifbare element. Hij kan nu samen met dit verschuifbare element terug heen en weer verschuiven.
De uitvinding is geenszins beperkt tot de hiervoor beschre- ven uitvoeringsvorm en binnen het raam van de octrooiaanvrage kunnen aan de beschreven uitvoeringsvorc vele veranderingen aan.- gebracht worden onder meer wat betreft de vorm, de samenstelling, de schikking en het aantal van de onderdelen die voor het verwe- zenlijken van de uitvinding gebruikt worden.
In het bijzonder kan in de slotkast benevens het hierboven beschreven mechanisme ook nog een ander mechanisme aanwezig zijn dat bij voorbeeld een nachtschoot bevat en dat door een sleutel bediend is.