<Desc/Clms Page number 1>
"Toestel, voor het regelen van de snelheid van een houder met een edelsteen tijdens het zagen van deze edelsteen".
De uitvinding heeft betrekking op een toestel voor het regelen van de snelheid van een houder met een edelsteen tijdens het zagen van data edelsteen, waarbij de houder ten minste een ten opzichte van de zaag wentelbare arm bevat,
<Desc/Clms Page number 2>
Dergelijke toestellen worden in het bijzonder gebruikt bij het zagen van diamant. De edelsteen, in het bijzonder de diamant, mag slechte met een kleine, zo constant mogelijke druk op de draaiende zaag duwen. Om dit te bekomen, wordt de snelheid waarmee de houder met de edelsteen ten opzichte van do zaag, eenmaal deze edelsteen tegen de zaag komt, zo constant mogelijk gehouden.
De houder is meestal gevormd duor een rond een as wentelbare tang die twee armen bevat, tussen het uiteinde waarvan de edelsteen geklemd zit.
De snelheid van het wentelen van deze houder, wordt steeds geregeld door middel van een toestel.
Dergelijke bekende toestellen bestaan uit een pin die op de houder aangebracht is en uit een blokje rubber van een speciale samenstelling. De lengte van deze pin of de plaats van het blokje kan gewijzigd worden. Voor het zagen brengt men de edelsteen juist tegen de draaiende zaag, terwijl men de pin en/of het blokje zo plaatst dat deze pin juist op het blokje rust. Men laat nu de houder los, Door het gewicht van deze houder, dringt de pin langzaam in het rubber blokje.
De houder wentelt op deze manier langzaam, zodat de zaag langszaam dieper in de edelsteen komt.
Deze bekende toestellen bezitten echter verschil- lende nadelen. De snelheid waarmee de,houder wentelt, en dus de druk die door de edelsteen op de zaag uitgeoefend wordt, is niet zeer constant. In het begin zal de pin immers sneller in het rubber blokje dringen en zal de houder dus sneller wentelen dan wanneer de pin reeds over een zekere diepte in het rubber zit. Na een bepaalde wenteling van de houder
<Desc/Clms Page number 3>
EMI3.1
echter zit d* pin aan zo diep in h rubber blokje dat ze niet meer dieper il dit blokje dr!11o t. Men moet dan deze pin terug op een andere plaats op loet 1: k je plaatsen. Dit laatpt- vergt natuurlijk een onderbreking inzet zagen en is ook tijdverlies. De .ne1b.eid van het indingen van de pin in het rubber blokje hangt uiteraard f van het blokje zelf.
Hoe saieas3.r:, de mbber hoe snell'r en ook hoe dieper, bij een welfde bel..tin9, do pin erin x n dringen. Deze in- dringing8snelneid et ook door proberen bepaald worden.
Op de eene plaats van het blokje kan de p4 ook sneller indringen dan op een andere plaats. In het 'bijzonder is
EMI3.2
aan de ene zijde van het blokje de rubber oi; soepeler.' dan aan de andere zijde. Het gevolg hiervan i. dat, wanneer teen zager voor de eterate saai een blokje gebrokt, hi j een tijd moet proberen ci aan St blokje gewoon te 4,rden. Een zager gebruikt daarenboven ook steeds hetzelfde l.okje. Tijdens het zagen kan <*en ook moeilijk de snelheid van het wentelen van de houder veranderen zonder dit zagen te onderbraken.
De uitvinding heeft'tot doel deze nadelen te ver- helpen en een toestel voor het regelen van de snelheid van een houder met een edelsteen te verschaffen waarvan de con- structie eenvoudig is en dat toelaat op eenvoudige en snelle manier deze snelheid nauwkeurig in te stellen, en zelfs tijdens het zagen te veranderen, terwijl eenmaal ingesteld, deze snelheid zeer gelijkmatig is.
Tot dit doel bevat het toestel een gesloten recipiënt waarvan een gedeelte van de wand, ten opzichte van de rest van de wand, verplaatsbaar is, waarbij de houder met zijn arm op dit verplaatsbare gedeelte kan rusten, en een tweede gesloten
<Desc/Clms Page number 4>
EMI4.1
recipiënt die ten minste gedeeltelij gevuld is met een fluïdum 1/ en die door ten minste een leiding verbonden is met de eerst- - genoemde reoipiënt, terwijl op deze leiding ten minste een ) regelbare kraan staat.
EMI4.2
In een bijzondere uitvoeringsvorm van de uitvinding (' . bezit de wand van de tweede recipiënt die ten minste gedeeltelij '"Ï met een fluïdum gevuld is, een gedeelte dat t.en opdehte van ') de rest van de wand verplaatsbaar is, Bij voorkeur is dan deze tweede recipiënt van een soepele kunststof vervaardigd,
EMI4.3
In een voordelige uitvoeringsvorm van de uitvinding jq is het beweegbare gedeelte van de wand van de eeratgenoemde 1' recipiënt waarop de houder met zijn arm kan rusten, ten minste een gedeelte van een elastisch membraan,
EMI4.4
Bij voorkeur 18 aan de buitenkant op dit mewbx4an .
een plaat vastgemaakt waarop de houder met jij arm kan tast'et..' In een makwaardige uitvoeringsvorm van de uitvinding zizi bevat het toestel een veer die het beweegbare gedeelte van dq * wand van de eerstgenoemde recipiënt waarop de houder met zijn arm kan rusten, ten opzichte van de rest van de wand van deze recipiënt, in een stand duwt,
EMI4.5
In een bij voorkeur toegepaste uitvoeringsvorm van ¯J' de uitvinding bezit de regelbare kraan ep de leiding een hal 1'" stuk dat in de leiding geschakeld ia en waarin een verplaatsbare f stift komt die met een uiteinde de opening waarlangs de leiding aan een zi jde op het holle stuk aansluit, kan afsluiten.
<Desc/Clms Page number 5>
EMI5.1
Tn ' ee1 doelmatige uitvoeringsvorm van de uitvinding bevat het toestel een omloopleiding die ten minste het deel waarin de regelbare kraan komt van de leiding die de twee Xocipibnten met elkaar verbindt, ten minste tijdelijk kan vervangen, waarbij in deze omloopleiding een afsluitmiddel aangebracht is.
Bi j voorkeur is dit afsluitmiddel een terugslagklep die enkel fluïdum van de laatstgenoemde recipiënt naar de eerstgenoemde op een gedeelte waarvan de houder met zijn arm kan rusten, toelaat,
Andere bijzonderheden en voordelen van de uitvinding zullen blijken uit de kier volgende beschrijving van een toestel voor het regelen van de snelheid van een houder met een edel-
EMI5.2
steen tijdens het zagen van deze edelsteen, volgens de uitvind3 deze beschrijving wordt enkel als voorbeeld gegeven en bepe.:' de uitvinding niet} de verwijzingsoijfr8 betreffen de h4F aan toegevoegde tekening.
De figuur stelt een doorsnede voor van e'r toestel volgens de uitvinding.
Het toestel waarop de figuur betrekk-r, heeft bevat vooreerst den gesloten nagenoeg cilindervormir recipiënt 1.
Deze recipiënt 1 is, wanneer het toestel in 1 iruik is, gevuld met olie. 1 inhoud van deie recipiënt s f.hter gemakkelijk veranderbaar. Hiertoe is deze recipiënt 1 .,mer8 van soepele kunststof vervaardigd. Door deze o-p . ='-""en te drukken kan men een hoeveelheid ¯:, .1, - .4- e reo.?iënt 1 wegduwen. Om het - ..=,.ux3cen van de recipiënt te v /:qemakkelijken, zijn in de wand, over gans de omtrek van deze :ecipiént, vouwen aange-
<Desc/Clms Page number 6>
met het elastische membraan 7 een gesloten recipiënt waarvan de inhoud veranderlijk is. Het deel 6 van de leiding loopt dwars door de bodem 8 en mondt, ter hoogte van de hoger ge- noemde cirkelvormige uitholling. in deze recipiënt uit.
Op de buitenkant van deze recipiënt komt op het membraan 7 nog een metalen plaat 10. Dese plaat 10 is cirkelvormig en bezit een diameter die een heel weinig kleiner is dan de binnenste diameter van de doos gevormd door de rand 9 en de bodem 8. In haar midden is de plaat 10 vastgemaakt op een as 11.
Deze as 11 strekt zich ten opzichte van de plaat10 uit aan de zijde waarlangs de bodem 8 voorkomt. Deze as 11 loopt dwars door het membraan 7. Aan de binnenkant van de recipiënt gevormd door het membraan 7 en de bodem 8, zit op de as 11 nog een cirkelvormig metalen schijfje 12. Tussen dit schijfje 12 en de plaat 10 zit het membraan 7 geklemd. Het schijfje 12 komt met zijn van de plaat 10 afgekeerde zijde tegen een ver- dikking van de as 11. Op haar van de plaat 10 afgekeerde uiteinde bezit de as 11 een tweede verdikking. Met deze tweede verdikking steekt de as 11 in een opening 13 die in net midden dwars door de bodem 8 loopt.
Deze opening 13 bezit een cirkel- vormige doorsnede. De diameter van deze opening 13 is vanaf haar verst van de plaat 10 verwijderde uiteinde tot op een kleine afstand van haar andere uiteinde een heel weinig groter dan de diameter van de laatstgenoemde verdikking op het vrije uit- einde van de as 11. De diameter van de opening 13 ter plaatse van haar naar de plaat 10 toegekeerde uiteinde is echter kleiner dan de diametex van deze verdikking en slechts een heel weinig groter dan de diameter van de as 11 tussen de twee verdikkingen,.
<Desc/Clms Page number 7>
EMI7.1
op deze as. De opening 13 is nog aan haar van de plaat 10 "H: x,;' verwijderde uiteinde afgesloten door een stop 14.
Deze stop j7:.r ,\' is in het uiteinde van' de opening gekleumd, Deze stop 14 '
EMI7.2
sluit de opening 13 volledig af, Rond het in de opening 13 ,It' komende gedeelte Van de a. 11 komt nog aan veer 15. Deze 'c' i veer 15 komt met een uiteinde tegen de verdikking op het
EMI7.3
vrije uiteinde van de's 11 en met zijn andere uiteinde tegen .
EMI7.4
het vernauwende, naar de plaat 10 gerichte uiteinde van de . " , opening 13. Deze veer 15 duwt, loor tussenkomst van de as 11, . a het membraan met de plaat 10 en het tsh.e 12 naar de M' -"f opening 13, en dus naar de bodem 8 tG-é. Della veer 15 tracht dus de inhoud van de recipiënt gevormd door het Membraan . ,4
EMI7.5
en de bodem 8, .xo klein mogelijk te maken.
De verdikking op .r' . de as 11 waartegen het schijfje 12 komt, kan echter niet in
EMI7.6
de opening 13. De plaat 10 en het rneïabraan 7 kunnen dan slecht . naar de bodem 8 toe bewegen tot deze verdikking waartegen het # ' schijfje 12 komt tegen deze bodem 8 komt, Da baedts, evenwijdig aan de as 11 gemeten van deze laatsoemde verdikking en de . lengte van deze as 11 zelf, is zodanig dat, wanneer deze ver- ,
EMI7.7
dikking tegen de bodem 8 komt, de verdikking op hetáxi e uiteinde van de as 11 nog op een heel kleine afstand komt van de stop 14.
De recipiënt gevormd door het Membraan 7 en de bodem 8. is, wanneer het toestel in gebruik is, evenals het deel 6 van de leiding, gevuld met olie. Naargelang deze hoeveelheid olie kunnen het membraan 7 en de plaat 10 zich in hun dichtst bij de bodem 8 gelegen stand of in een verder van de bodem 8 gelegen stand bevinden. Het membraan 7 en de plaat 10 zijn in deze laatstgenoemde stand in de figuur voorgesteld.
<Desc/Clms Page number 8>
De regelbare kraan die op de leiding 4 voorkomt, bevat hoofdzakelijk een hol stuk 16 dat in deze leiding 4 geschakeld is en een stift 17 die gedeelteli jk in heft holle suk steekt. Het holle stuk 16 heeft de vorm van een holle' cilinder. Het op het deel 6 aansluitende gedeelte van het - deel 4 van de leiding mondt in het stuk 16 uit ter plaatse van de cilindermantel van dit Stuk 16. Het andere gedeelte van het deel 4 van de leiding daarentegen mondt uit op een kanaaltje 18 dat dwars door een uiteinde van het eilindrisch ,' holle stuk 16 loopt. De diameter van het kanaaltje 18 is merkelijk kleiner dan de diameter van het deel 4 van de lading.
De diameter van het kanaaltje 18 is van de orde van één mm.
De stift 17 is gedeeltelijk van schroefdraad voorzien en is geschroefd in een van schroefdraad voorziene opening die door het tegenover het kanaaltje 18 gelegen uiteinde van het cilinder- vormig holle stuk 16 loopt. Deze stift 17 komt dus met een uit- einde tegenover het kanaaltje 18. Dit laatste uiteinde is conisch.
Op het buiten het stuk 16 uitstekende uiteinde van de stift 17 is een knop 19 aangebracht. Deze.knop 19 beweegt tegenover een schaal 20 die op het stuk 16 vastgemaakt is en waardoor de stift 17 steekt. Door het verdraaien van de stift 17 door middel van de knop 19, verplaatst deze stift zich ten opzichte van het kanaaltje 18. Voor een bepaalde stand van de knop 19 tegenover de schaal 20, luit de stift 17 met haar conisch uit- einde het kanaalt je 18 volledig af.
De olieafvoer door het kanaaltje 18 is dus regelbaar tussen nul en een bepaalde waarde.' De figuur heeft betrekking op een stand van de stift waarbij het kanaaltje 18 volledig open is,
<Desc/Clms Page number 9>
De terugslagklep die op het deel 5 van de leiding voorkomt, bestaat hoofdzakelijk uit een holle recipiënt 21 die afgesloten ia door een atop 22 en waarin een klep 23 voor- komt. De recipiënt 21 is gevormd door een cilindervormig stuk waarin een cilindervormige uitholling aangebracht is.
De dikte van de wanden van deze recipiënt is van de or.e van grootte van de diameter van deze cilindervormige uitholling,.
De dikte van de bodem van de recipiënt is van de orde van grootte van de diepte van deze uitholling. Aan zijn van zijn: \, bodem verwi jderde uiteinde is de recipiënt 21 inwendig van ..; schroefdraad voorzien. De stop 22 is gedeeltelijk in deze recipiënt geschroefd. Op zijn naar de boden van de recipiënt 21 gerichte zijde bezit de stop 22 een uitholling, Het deel 5 van de leiding loopt in de bodem van deze recipiënt 21 en mondt in de uitholling van deze recipiënt uit, tegenover de stop 22. Rond de uitmonding van dit deel 5 is op de binnenkant van de bodem van de recipiënt 4 een kraag aangebracht die een zitting vormt voor de eigenlijke klep 23.
Het deel 5 van de leiding sluit op het deel 3 aan in de bodem van de recipiënt 21 zelf. Het deel 4 sluit dus eveneens op de leiding 3 aan in deze bodem van de recipiënt 21. De eigenlijke klep 23 die zich in de @itholling van de recipiënt bevindt, is een .. zeshoekig prisma. De as van dit prisma valt samen met de as van de cilindervormige recipiënt 21, Loodrecht op deze as heeft de klep 23 de vorm van een zeshoek waarvan de zijde naga. noeg gelijk is aan de straal van de cilindervormige uitholling ' van de recipiënt 4.
De hoogte van dit prisma is zodanig dat de klep 23 tussen de bodem van de uitholling in de recipiënt 21 en de stop 22 zich over een afstand kan verplaatsen. Op haar
<Desc/Clms Page number 10>
naar dese bodem van de uitholling gericht uiteinde, dus op haar uiteinde dat het deel 5 van de leiding kan afsluiten, bezit deze klep 2$ een stukje elastische stof. Hierdoor, en door de hoger gen@emde gevormde kraag rond de uitmonding van het deel 5, kan een goede afsluiting van dit deel5 bekomen worden.
Op haar naar de stop 22 gericht uiteinde bezit de klep 23 een uitholling. In deze uitholling en in de hoger genoemde uitholling in de stop 22 steken de uiteinden van een veer 24. Deze veer 24 duwt de klep 23 van de stop 22 weg, of met andere woorden tracht de klep 23 tegen haar zitting die, rond de uitmonding van het deel 5, door de bodem van de
21 recipiënt/gevormd is, te duwen. Bij de in de figuur voorgestelde stand komt de klep 23 tegen haar zitting en sluit het deel 5 van de leiding volledig af. Op de binnenkant van de recipiënt 21 sluit, juist boven de bodem van deze recipiënt, het deel 6 van de leiding aan.
Op de binnenkant van de recipiënt 21 sluit, ten opzichte van de bodem van deze recipiënt, juist boven het deel 6 van de leiding, ook het deel 4 van de leiding aan. Dit deel 4 en dit deel 6 staan echter steeds met elkaar in verbinding.
Inderdaad, tussen een zijde van de prismatische klep 23 en een gedeelte van de cilindrische binnenwand van de recipiënt 21 ontstaat uiteraard steeds een ruimte. Doordat de delen 4 en 6 ten opzichte van de bodem van deze recipiënt 21 juist boven elkaar voorkomen geven beide delen steeds op een of twee van deze ruimten uit.. Het deel 3 van de leiding staat echter slechts rechtstreeks met het deel 6 van de leiding in verbinding indien de klep 23 opgelicht is.
<Desc/Clms Page number 11>
EMI11.1
Bij het in werking stellen yap het tpa4t-el, vult men de recipiënt 1, de delen z 5 en 6 van de leiding, de ,,1 recipiënt gevormd door het membraan 7 en de bo4cm 01 de recipiënt 21 en het stuk 16 met olie, De werking van het j< /. hierboven beschreven toestel is dan alw volgt. Men draait eerst de stift 17 van de regelbare kraan die in het deel 4 van de leiding voorkomt, zodanig dat deze stift met haar conisch uiteinde het kanaaltje 18 volledig afsluit. Door een druk uit te oefenen op de verst van het mondstuk
EMI11.2
verwijderde wand van de recipiënt 1, duwt men dee ï?esipi8nt 1 samen en duwt men een zekere hoeveelheid olie in het deel 3
EMI11.3
van de leiding.
Dit laatste samendrukken kapbij voorbeeld ""', gebeuren door tussenkomst van een hefboom. De olie onder druk kan langs het deel 4 van de leiding niet weg, aangezien deze leiding door een regelbare kraan gesloten is, Deze olie
EMI11.4
onder druk stroomt dan in het daal 5 van due leiding en duwt >j de klep 23 naar de stop 22 toe. De olie stroomt 'nu in do recipiënt 21. Hierdoor stroomt vanuit deze recipiënt 21
EMI11.5
nu olie langs het deel 6 van de leiding naar do ripiSnt gevormd door het membraan 7 en de sa;snn 8, Deze olie duwt dan het membraan 7 van dobodem 8 weg, tegen de werking van de veer 15 in.
Wanneer dit membraan 7 en de erop komende plaat 10 zich niet verder meer van de bodem 8 kunnen verwijderen, dit is wanneer ze in de stand komen die in de figuur voorgesteld is, houdt men op de recipiënt 1 samen te drukken. Alhoewel het deel 4 van de leiding eveneens op de recipiënt 21 uitgeeft, stroomt er nagenoeg geen olie vanuit deze recipiënt 21 in de leiding 4, aangezien het kanaaltje 18 afgesloten is en het,
<Desc/Clms Page number 12>
stuk 16 en het deel 4 van de leiding volledig met olie gevuld zijn.
Zelfz zou, indien dit kanaaltje 18 niet moest afgesloten zijn, een hoeveelheid olie langs de leiding 4 naar de recipiënt 21 vloeien. Door olie uit de recipiënt 1 te duwen zou een kleine hoeveelheid olie uit het deel 3 van de leiding of uit deze recipiënt 1 in het deel 4 van de leiding komen en dus olie uit het deel 4 of uit het stuk 16 van de regelbare kraan wegduwen. De langs het deel 4 van de leiding stromende hoeveel- heid olie is echter in alle geval klein, aangezien de diameter van het kanaaltje 18 kleiner is dan de diameter van de delen 4, 5 en 6 van de leiding.
Van zodra men ophoudt de recipiënt 1 samen te drukken, wordt er door de olie in het deel 3 en het deel 5 @van de leiding geen druk meer uitgeoefend op de klep 23. Deze klep 23 komt dan door de veer 24 ogenblikkelijk in haar beginstand, dit is in de stand die in de figuur voorgesteld is. Deze klep 23 sluit dan het deel 5 van de leiding af.
De olie die zich onder druk in de recipiënt gevormd door de bodem 8 en het membraan 7, in het deel 6 van de leiding, in het op de recipiënt 21 aansluitende gedeelte van het deel 4 van de leiding, in deze reciptiënt 21 zelf en in het holle stuk 16 van de afsluit- kraan bevindt, kan nu niet weg, aangezien zowel het kanaaltje 12 als het deel 5 van de leiding afgesloten is.
Alhoewel het dus niet absoluut noodzakelijk was het kanaaltje 18 af te sluiten om een hoeveelheid olie in de recipiënt gevormd door het membraan 7 en de bodem 8 te duwen, is het wel nodig dit kanaaltje af te sluiten om te beletten dat deze olie terug uit de laatstgenoemde recipiënt wegvloeit. Men wentelt nu de houder met de edelsteen zodanig dat deze edelsteen juist tegen de zaag komt.
Men verplaatst de recipiënt gevormd door het membraan 7 en de bodem 8 zodanig dat de plaat 10 juist de armen van
<Desc/Clms Page number 13>
de houder ondersteunt. Men doet de schijf zaag nu draaienl, Door de stift 17 door middel van de knop 19 te draaien, . verplaatst men deze stift ten opzichte van het kanaaltje 18 en opent men dit kanaaltje gedeeltelijk of volledig. Langs het kanaaltje 18 kan nu, zoals reeds vermeld, olie uit het ' holle stuk 16 langs een gedeelte van het deel 4 en langs het deel 3 van de leiding terug naar de recipiënt 1 vloeien. De snelheid van dit wegvloeien van de olie hangt af van de atand van de stift 17.
Het toestel is in de figuur voorgesteld in die stand die men bekomt juist na het hoger genoemde openen van het kanaaltje 18. De recipiënt gevormd door het membraan 7 en de bodem 8 bezit dan nog zijn grootst mogelijke inhoud, terwi. de klep 23 het deel 5 van de leiding afsluit, Vooral door de werking van de veer 15 en door het gewicht Van de houder die op de plaat 10 komt, wordt nu ook de olie uit de recipiënt gevormd door het membraan 7 en de bodem 8, 14ng4 het deel 6 van de leiding en het ermee verbonden gedeelte van het deel 4 van de leiding naar het holle stuk 16 van de regelkraan geduwd die vandaar op de hierboven beschreven wijze terug naar de recipiënt..! vloeit.
Het afvoeren van de olie uit de eerstgenoemde recipiënt naar de laatstgenoemde recipiënt 1 kan echter niet zeer snel gebeuren, aangezien het kan@aaltje 18 een kleine diameter bezit en eventueel nog ge- deeltel i jk door de stift 17 kan afgesloten zijn. Door het wegstromen van de olie uit deze recipiënt gevormd door het membraan 7 en de bodem 8, door de werking van de veer 15 die op de verdikking op het vrije uiteinde van de aan de plaat 10 verbonden as 11 duwt, en door het gewicht van de houder die op deze plaat 10 rust, verplaatsen dit membraan en de erop komende plaat 10 zich langzaam naar de bodem 8 toe.
De
<Desc/Clms Page number 14>
snelheid waarmee de plaat 10 zich tijdene het wegvloeien van de olie in de recipiënt gevormd door het membraan7 en de bodem 8 verplaatst, en dus de snelheid van het wentelen van de houder met edelsteen die op deze plaat 10 rust, hangt a van de snelheid van afvoeren van deze olie.
Deze snelheid nu is bepaald door de grootte van de doorlastopening ter hoogte van het kanaaltje 18 in de regelbare ]traan. pe bewegingssnelheid van het plaatje 10 hangt bijgevolg af van de stand van de stift 17. Op de schaal 20 tegenover de knop 19 die aan de stift 17 vast is, kunnen dus deze bewegingssnel@eden van de plaat 10 aangeduid worden. Tijdens de laatstgenoemde beweging van het plaatje 10 kan men de stand van de stift 17 veranderen waardoor de grootte van de opening van het kanaalt@a 18 verandert, wat toelaat de snelheid waarmee de houder, \1 dus ook de edel- steen, ten opzichte van de zaag bewegen, ka@gewijzigd worden.
Zolang de stift 17 in dezelfde stand blijft, s de afvoer van olie door het kanaaltje 18 hetzelfde, en de bewegings- snelheid van de plaat 10 ook dezelfde. De zaag :ringt dan met constante snelheid in de edelsteen.
Na het zagen van de edelsteen kan men dor de recipiënt 1 samen te drukken terug op de hierboven beschrever. ianier olie naar ue recipiënt gevormd door de bodem 8 en het mem aan 7 stuwen. De hierboven beschreven cyclus kan nu opnieuw linnen.
De uitvinding is geenszins beperkt tot de hi@voor beschreven uitvoeringsvorm en binnen het raam van de oct@@i- aanvrage kunnen aan de beschreven uitvoeringsvorm vele ver- anderingen aangebracht worden, onder meer wat betreft de vorn. de samenstelling, de schikking en het aantal van de onderdelen die voor het verwezenlijken van de uitvinding gebruikt worden.
<Desc/Clms Page number 15>
In het bijzonder kan de samendrukbare recipiënt ' vervangen worden door een cilinder met beweegbare zuiger.
Het deel van de leiding tussen de recipiënt waarop de houder met een arm kan rusten en de regelbare kraan moet ook niet noodzakelijk langs de recipiënt die deel uitmaakt van de terug@lagklep van de omloopleiding die deze regelkraan kan uitschakelen, lopen,
De as die door het membraan steekt en waarop de plaat vastgemaakt is, moet o@@ niet noodzakelijk uit een stuk ver- vaardigd zijn.
In het bijzonder kan om de constructie te ver- gemakkelijken de verdikking op het vrije uiteinde van deze as uit een afzonderlijk stukje bestaan dat, na het gedeeltelijk inbrengen van deze as .in de opging door de bodem van de recipiënt waarvan het membraan de, uitmaakt, op deze as vaat- gemaakt wordt.