BE876046A - Inrichting voor het strooien van korrel- en/of poedervormig materiaal - Google Patents
Inrichting voor het strooien van korrel- en/of poedervormig materiaalInfo
- Publication number
- BE876046A BE876046A BE0/194998A BE194998A BE876046A BE 876046 A BE876046 A BE 876046A BE 0/194998 A BE0/194998 A BE 0/194998A BE 194998 A BE194998 A BE 194998A BE 876046 A BE876046 A BE 876046A
- Authority
- BE
- Belgium
- Prior art keywords
- spreading
- emi
- members
- requirement
- rotation
- Prior art date
Links
- 230000007480 spreading Effects 0.000 claims description 196
- 238000003892 spreading Methods 0.000 claims description 196
- 239000000463 material Substances 0.000 claims description 101
- 230000005540 biological transmission Effects 0.000 claims description 14
- 238000009826 distribution Methods 0.000 claims description 14
- 230000008859 change Effects 0.000 claims description 9
- 230000008878 coupling Effects 0.000 claims description 9
- 238000010168 coupling process Methods 0.000 claims description 9
- 238000005859 coupling reaction Methods 0.000 claims description 9
- 230000007246 mechanism Effects 0.000 claims description 6
- 238000003860 storage Methods 0.000 claims description 4
- 210000000056 organ Anatomy 0.000 claims description 3
- 239000008187 granular material Substances 0.000 description 6
- 230000002349 favourable effect Effects 0.000 description 4
- 238000010276 construction Methods 0.000 description 3
- 239000003337 fertilizer Substances 0.000 description 3
- 230000008901 benefit Effects 0.000 description 2
- 241000234282 Allium Species 0.000 description 1
- 235000002732 Allium cepa var. cepa Nutrition 0.000 description 1
- RYYVLZVUVIJVGH-UHFFFAOYSA-N caffeine Chemical compound CN1C(=O)N(C)C(=O)C2=C1N=CN2C RYYVLZVUVIJVGH-UHFFFAOYSA-N 0.000 description 1
- 239000000969 carrier Substances 0.000 description 1
- 238000005266 casting Methods 0.000 description 1
- 238000009434 installation Methods 0.000 description 1
- 230000001788 irregular Effects 0.000 description 1
- 238000000034 method Methods 0.000 description 1
- 239000002420 orchard Substances 0.000 description 1
- 238000005192 partition Methods 0.000 description 1
- 230000008569 process Effects 0.000 description 1
- 238000007789 sealing Methods 0.000 description 1
- 238000003079 width control Methods 0.000 description 1
Classifications
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01C—PLANTING; SOWING; FERTILISING
- A01C17/00—Fertilisers or seeders with centrifugal wheels
Landscapes
- Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- Soil Sciences (AREA)
- Environmental Sciences (AREA)
- Fertilizing (AREA)
- Catching Or Destruction (AREA)
Description
Inrichting voor het strooien van korrel- en/of poedervormig materiaal. De uitvinding heeft betrekking op een inrichting voor het strooien van korrel- en/of poedervormig materiaal, voorzien van ten minste twee, om zich in hoogterichting uit- strekkende draaiingsassen, in tegengestelde richting ten op4 zichte van elkaar roterende aandrijfbare verspreidorganen en voorzien van toevoermiddelen, via welke materiaal vanuit een voorraadruimte aan de verspreidorganen kan worden toegevoerd, zodanig, dat aan ieder van de beide verspreidor- <EMI ID=1.1> ingsas wordt toegevoerd. Een doel van de uitvinding is een gelijkmatige verspreiding van het materiaal meer zeker te stellen. Volgens de uitvinding kan dit worden bereikt wanneer de verapreidorganex zodanig aandrijfbaar zijn, dat de naar elkaar toegekeerde zijden in een richting bewegen, die tegengesteld is aan de gemiddelde richting waarin het materiaal tijdens bedrijf van de inrichting wordt verspreid, terwijl de toevoermiddelen zodanig zijn aangebracht en/of uitgevoerd, dat de toevoer aan de verspreidorganen tijdens bedrijf zodanig is, dat de twee verspreidorganen het materiaal over althans in hoofdzaak samenvallende sectoren uit- <EMI ID=2.1> over dezelfde sector uitstrooien, zullen eventueel optredende onregelmatigheden in de gelijkmatige uitstrooiing door de beide verspreidorganen elkaar opheffen, zodanig, dat in totaal een gelijkmatiger strooibeeld wordt verkregen. Hierdoor zal de inrichting bij voorbeeld ook minder gevoelig zijn voor invloeden van wind. Ook zal hierdoor materiaal van een meer onregelmatige structuur gelijkmatiger kunnen worden uitgestrooid. Verder heeft de inrichting volgens de uitvinding het voordeel dat meerdere materiaalsoorten gelijkmatiger uitgestrooid kunnen worden, zonder dat daarvoor bijzondere maatregelen genomen behoeven te worden, zoals bij voorbeeld het aanbrengen van verstelinrichtingen, die inge- <EMI ID=3.1> volgens de uitvinding wordt verkregen wanneer nabi j het verspreidorgaan twee afvoeropeningen zi jn aangebracht, die op <EMI ID=4.1> gen over een hoek van ongeveer 60[deg.] om de draaiingsas van het verspreidorgaan. Hierdoor wordt een gelijkmatige verspreiding van het materiaal over een brede strook tijdens bedrijf van de inrichting gunstig beïnvloed. Volgens een verdere uitvoeringsvorm van de inrichting volgens de uitvinding omvatten de verspreidorganen werpschoepen, die althans nagenoeg gelijk aan elkaar zijn uitgevoerd. Hierdoor kan de inrichting eenvoudig gehouden worden, terwijl de verspreiding van de beide verspreidorganen gelijk aan elkaar is. Een gunstige uitvoeringsvorm wordt hierbij verkregen wanneer de werpschoepen van ieder van de verspreidorganen in hoofdzaak gootvormig zijn uitgevoerd, waarbij de bodem van de gootvorm wordt gevormd door een vlak gebogen plaatdeel, dat met een vlakke zijde in een gebogen vlak is gelegen, dat evenwijdig ligt aan de draai- <EMI ID=5.1> van dit plaatdeel een zich in de draairichting van het verspreidorgaan uitstrekkende bovenrand is aangebracht. Hierdoor zal het vlakke plaatdeel van het gootvormige werporgaan het materiaal over een zekere hoogte steunen en het materiaal in een laag van een zekere dikte uitstrooien. Hierdoor wordt de gelijkmatigheid van het uitstrooien gunstig beïnvloed, terwijl het uitgestrooide materiaal van het ene verspreidorgaan praktisch niet in aanraking kan komen met het uit-gestrooide materiaal van het andere verspreidorgaan. <EMI ID=6.1> verspreidorganen van de inrichting gekoppeld met aandrijf- <EMI ID=7.1> verspreidorganen mogelijk maakt, Op deze wijze is door het regelen van het toerental van de verspreidorganen de breedte waarover het materiaal uitgestrooid wordt op eenvoudige wijze in te stellen. In het bijzonder bij de constructie, waarbij twee. verspreidorganen ieder het materiaal over dezelfde sector uitstrooien, kan de breedteregeling, waarover het materiaal uitgestrooid wordt op eenvoudige wijze ingesteld worden door het regelen van het toerental.. Volgens een verdere uitvoeringsvorm is de afstand waarover het materiaal door een verspreidorgaan wordt uitgestrooid op gunstige wijze te beïnvloeden, doordat het verspreidorgaan is voorzien van werpschoepen, die in hun ligging ten opzichte van de draaiingsas van het verspreidorgaan verstelbaar en naar keuze in een van ten minste twee verschillende standen vastzetbaar is. Een gunstig uitvoeringsvoorbeeld wordt volgens een verdere constructie van de uitvinding verkregen wanneer het verspreidorgaan is ver- <EMI ID=8.1> afvoeropening van het reservoir opent en afsluit ti jdens rotatie van het verspreidorgaan. De uitvinding zal nader worden toegelicht aan de <EMI ID=9.1> de uitvinding, Fig. 2 geeft een bovenaanzicht weer van een gedeelte van de inrichting volgens fig. 1, gezien volgens de pijl II in fig. 1, waarbi j het reservoir is weggelaten. <EMI ID=10.1> zicht weer van de samenvallende sectoren, waarover de verspre idorganen het materiaal verspreiden, Fig. 4 geeft op schematische wijze een toepassingsmogelijkheid van de inrichting weer, waarbij ieder van de verspreidorganen het materiaal naar opzij van de inrichting uitstrooit, <EMI ID=11.1> van een werpschoep van een verspreidorgaan, gezien volgens <EMI ID=12.1> <EMI ID=13.1> <EMI ID=14.1> Fig. 7 geeft op schematische wijze een ander uitvoeringsvoorbeeld weer van de aandrijving van de verspreidorganen bij een �inrichting volgens fig. 1, Fig. 8 is een aanzicht van de overbrengingsorganen van de inrichting volgens fig. 7, gezien volgens de lijn VIII-VIII in fig. 7, <EMI ID=15.1> brengingsorganen voor de aandrijving van de verspreidorganen, gezien in een aanzicht overeenkomend met het aanzicht volgens fig. 8, Fig. 10 geeft weer een ander uitvoeringsvoorbeeld weer van de aandrijving van de verspreidorganen in een richting overeenkomend met de fig. 1 en 2, Fig..11 geeft op schematische wijze een bovenaanzicht weer van de overbrengingsorganen volgens fig. 10, <EMI ID=16.1> weer van een andere uitvoeringsvorm van de twee verspreid-organen, waarbij het bovenaanzicht volgens deze figuur over- <EMI ID=17.1> Fig. 13 is een bovenaanzicht van weer een andere uitvoeringsvorm van een verspreidorgaan volgens de inrichting volgens de fig. 12, Fig. 14 geeft op vergrote schaal een met fig. 2 overeenkomend bovenaanzicht van een gedeelte van de inrichting weer, waarbij in de onderzijde van het reservoir een afvoerorgaan is weergegeven, Fig. 15 geeft op vergrote schaal een bovenaanzicht van. een andere uitvoeringsvorm van een verspreidorgaan van de inrichting volgens de uitvinding weer, waarbij dit aanzicht overeenkomt met het aanzicht volgens fig..2. In de fig. 1 en 2 is een uitvoeringsvoorbeeld van een inrichting voor het strooien van korrel- en/of poedervormig materiaal, in dit geval een kunstmeststrooier, volgens de uitvinding weergegeven. Deze kunstmeststrooier bezit een gestel 1, dat een, dwars op de, voor het normale gebruik bestemde, voorwaartse richting V liggende, onderste gestelbalk 2 omvat. Zoals uit het bovenaanzicht volgens fig. 2 blijkt, is deze gestelbalk 2 nabij zi jn beide uiteinden verbonden met een tweetal V-vormig gevormde draaggestellen 3 en 4, waarbij de punt van deze draagge stellen, ten opzichte van de rijrichting V naar achteren is gericht. Beide draaggestellen 3 en 4 zijn door middel van een gestelbalk 5 met elkaar verbonden, die ter hoogte van de gestelbalk 2 en in de rijrichting gerekend achter deze gestelbalk 2 is gelegen. De gestelbalk 5 loopt parallel aan de gestelbalk 2 en bevindt zich op een afstand 70 van de gestelbalk 2, die ongeveer 2/3 van de afstand 71 van de punt van de draagge stellen 3 en 4 tot deze gestelbalk 2 bedraagt. De draaggestellen 3 en 4 hebben nabi j hun bevestiging aan de ge stelbalk 2 een breedte 72 die ongeveer overeenkomt met 1/3 van de lengte 73 van de gestelbalk 2. Tassen de V-vormige benen van ieder <EMI ID=18.1> van de Vwormige draaggestellen 3 en 4 met elkaar verbindt. De gestelbalk 2 is verbonden met een tweetal gesteldelen 8 en 9, waarvan de ondereinden rechthoekig en de boveneinden driehoekig zijn uitgevoerd. Verticaal gelegen benen van de gesteldelen 8 en 9 zijn aan de balk 2 bevestigd ter plaatse van de beve stiging van de draagge stellen 3 en 4 aan deze gestelbalk 2. De zich in hoofdzaak verticaal uitstrekkende gesteldelen 8 en 9 bezitten aan hun bovenzijde driehoekige gesteldelen 10 en 11, die door een gestelbalk 12 met elkaar zijn verbonden. De gestelbalk 12 bevindt zich van boven- <EMI ID=19.1> en nabij de einden van de gestelbalk 12 bevinden zich een tweetal steunen 13 en 14, die ieder een horizontale strip 15 resp. 16 dragen. Het gestel 1 bezit aansluitpunten waarmee het gestel aan de driepuntshefinrichting van een trekker kan worden gekoppeld. Hiertoe is aan de gestelbalk 2 een tweetal aankoppelpunten 17 aangebracht en aan de gestelbalk 12 een aankoppelpunt 18. Het gestel 1 draagt op een niet nader aangegeven wijze een voorraadbak of reservoir 19, dat twee trechtervormige delen 20 en 21 bezit. De gestelbalken 6 en 7 dragen ieder een tandwielkast 22 resp 23. Iedere tandwielkast 22 en 23 heeft een ingaan- de as 24, respo 25 die zich horizontaal uitstrekt en in hoofdzaak in de rijrichting V is gelegen. De tandwielkasten 22 en 23 bezitten een verticale uitgaande as 26 resp. 27. Op de uitgaande assen 26 en 27 zijn verspreidorganen 28 resp. 29 aangebracht. Op de ingaande assen 24 resp 25 zijn snaarschijven 30 resp 31 bevestigd. Deze snaarschijven kunnen door middel van snaren 32 resp 33 in draaiing worden gebracht. Hiertoe bezit het gestel 1 een op een steun 34 aangebrachte overbrengingsorganen, die een toerenvariator 35 omvatten. De overbrengingsorganen omvatten twee aan,de toe- <EMI ID=20.1> renvariator of overbrengingskast 35 bezit een ingaande as 38, die via een tussenas met de aftakas van een trekker gekoppeld kan worden, waaraan de inrichting door middel van de aankoppelpunten 17 en 18 is te bevestigen. De ingaande as 38 kan aldus op op zichzelf bekende wijze door de trekker worden aangedreven. De snaren 32 resp 33 zijn om de snaarschijven 30 en 36 resp. 31 en 37 aangebracht, en wel zodanig dat de verspreidorganen 28 en 29 in tegengestelde richtingen volgens de pijlen A en B in fig. 2 worden aangedreven. De strooischijven worden hierbij zodanig aangedreven dat de naar elkaar toegekeerde zijden in een richting bewegen die tegengesteld is aan de gemiddelde richting waarin het materiaal wordt verspreid. Deze gemiddelde richting V is met de pijl C aangegeven. Met andere woorden, de strooi- <EMI ID=21.1> middelen omvatten de in dit uitvoeringsvoorbeeld niet nader weergegeven toerenvariator 35 om het toerental van de snaarschijven 36 en 37 en daarmede het toerental van de verspreidorganen 28 en 29 te kunnen wijzigen. Elk deel 20 resp 21 van het reservoir 19 bezit een bodem 39, resp. 40 die van twee afvoeropeningen 41 resp. 42 en een hulpafvoeropening 80 resp. 81 zijn voorzien. Deze afvoeropeningen kunnen door middel van onder de bodems 39 en 40 zich bevindende schuiven 43 en 44 meer of minder <EMI ID=22.1> bodems 39 en 40 gevormd door ronde platen, waarbij zij ieder zijn voorzien van twee openingen 91 resp 92, die :.wat betreft grootte en ligging overeenstemmen <EMI ID=23.1> om de hartlijnen 83 en 84 van de assen 26 en 27. De afvoeropeningen 41 en 42 zi jn zodanig gelegen dat het te verspreiden materiaal door de verspreidorganen wordt uitgestrooid over twee in hoofdzaak samenvallende sectoren. Dat betekend dat de ligging van de openingen zodaig zi jn gekozen, dat, in de rijrichting gerekend, de linker begrenzing van de door het linker verspreidorgaan 29 gevormde strooisector in grote trekken overeenkomt met de linker begrenzing van de door het rechter verspreidorgaan gevormde strooisector en omgekeerd de rechter begrenzing van de rechter strooisector, in rijrichting gerekend, in hoofdzaak 1/ overeenstemt met de rechter begrenzing van de linker strooisector, Opgemerkt wordt dat hierbij de beide verspreidorganen op dezelfde hoogte zijn gelegen. Het is mogelijk om de schuiven 43 en 44 door middel van een verstelmechanisme te verschuiven zodanig dat de afvoeropeningen 41 en 42 gelijktijdig meer of minder gesloten worden. Hierbij worden de schuiven 43 en 44 gelijktijdig over dezelfde hoeken, doch tegengesteld aan elkaar, verdraaid om de assen 26 en 27. Hiertoe bezit iedere schuif een oor 47 resp. 48 dat een opening 49 resp. 50 bezit. In deze opening is een <EMI ID=24.1> 55 resp. 56 verbonden zijn. De assen 55 resp 56 zijn draai.baar aangebracht aan de gesteldelen 8 en 9 en de strippen <EMI ID=25.1> zijde een hefboom 57 resp. 58 die scharnierend met de stangen 59 resp. 60 zijn verbonden. De stangen 59 resp. 60 zijn aangebracht aan een bedieningsarm 61 die verdraaibaar is om een horizontale as 62. De stang 59 is hierbij boven de as 62 en de stang 60 onder de as 62 scharnierend aan de arm 61 aangebracht. De afstanden 74 en 75 van de scharnierpunten tot de as 62 zijn aan elkaar gelijk. Nabij de hefbomen 57 en 58 bezitten de strippen 15 en 16 segmenten 63 resp. 64 waarmee aangegeven kan worden hoe de stand van <EMI ID=26.1> 41 resp. 42. De onderdelen 51 - 62 vormen gezamenlijk het verstelmechanisme voor de schuiven 43 en 44. De bodems 39 en 40 met de schuiven 43 en 44 vormen met de daarin aangebrachte openingen 41, 80 en 91 resp. 42, 81 en 92 toe- <EMI ID=27.1> inrichting uit het reservoir aan de verspreidorganen kan worden toegevoerd. Deze middelen liggen hierbij boven de verspreidorganen zoals uit de figuren blijkt.Ieder ver- <EMI ID=28.1> voorzien van een vierkante vlakke plaat 65 resp. 66, waarop een viertal werpschoepen 67 resp 68 is aangebracht. <EMI ID=29.1> en 84 uit. De bodem van elke gootvormige scheep wordt gevormd door een wand 76 in de\orm van een gebogen plaatdeel dat loodrecht op de plaat 65 of 66 is aangebracht. Hierbij liggen de zijden van deze gebogen plaatdelen in vlakken die <EMI ID=30.1> bovenzijde van de plaatdelen 76 is een in de draairichting A of B zich uitstrekkende rand 77 aangebracht. Het is gebleken dat de inrichting volgens de uitvinding zich bijzonder goed leent voor het verstrooien van korrels, in het bijzonder van korrels van een tamelijk harde consistentie. Het is gebleken dat tijdens bedrijf van de inrichting, door de constructie volgens de uitvinding een gelijkmatig strooibeeld wordt verkregen. Bovendien is gebleken dat een bijzonder fraai strooibeeld wordt verkregen hoewel de verspreidorganen op dezelfde hoogte zijn gelegen en de strooisegmenten elkaar in zeer belangrijke mate <EMI ID=31.1> beide verspreidorganen uitgestrooide korrels tegen elkaar <EMI ID=32.1> beeld zou optreden. Aldus wordt tegen de verwachting in een bijzonder mooi strooibeeld verkregen. De breedte van het strooibeeld kan op eenvoudige wijze worden ingesteld, door het toerental van de strooischijven te veranderen. Het is gewenst dat het toerental van de strooischijven maximaal ca. 750 omwentelingen per minuut bedraagt, terwijl het minimaal ongeveer 300 omwentelingen per minuut bedraagt. De totale strooisector waarover het materiaal door de beide verspreidorganen 28 en 29 wordt uitgestrooid kan iets in breedte wijzigen <EMI ID=33.1> uitgestrooid wordt zal het materiaal steeds gelijkmatig over de totale bestrooide breedte verdeeld worden daar de verandering in strooibeeld van de verschillende soorten materiaal uitgestrooid door het ene verspreidorgaan gecompenseerd zal worden door verandering in atrooibeeld van het materiaal uitgestrooid door het andere verspreidorgaan. Hierdoor is de inrichting heel goed te gebruiken voor het uitstrooien van verschillende soorten materiaal, bijvoorbeeld van verschillende soorten kunstmest. De totale breedte waarover het materiaal uitgestrooid wordt kan geregeld worden door het regelen van het toerental van de beide verspreidorganen 28 en 29. Hiervoor kan de overbrenging in de overbreningsorganen door de toerenvariator veranderd worden. Hiervoor is aan de toerenregelaar- <EMI ID=34.1> het gewenst is dat. bij het uitstrooien van een ander sooxt materiaal het materiaal over dezelfde breedte uitgestrooid wordt bi j het voortbewegen van de inrichting dan kan hiervoor het toerental van de beide verspreidorganen worden aangepast. Om het materiaal gunstig te kunnen uitstrooien is het van voordeel dat de twee openingen 41 resp 42 over <EMI ID=35.1> verdeeld liggen . Bij voorkeur is deze hoek, bijv. bij het gebruik van slechts één afvoeropening in de bodem 39 <EMI ID=36.1> 80 en 81 liggen aan de naar elkaar toegekeerde zi jden van de assen 83 en 84 en nabij het vertikale vlak 82 dat de <EMI ID=37.1> dit vlak 82, gerekend in de normale voortbewegingsrichting V. De openingen 41 en 42 liggen in hoofdzaak aan de van elkaar afgekeerde zijden van de vertikale vlakken 94 en 95 die zich in de voortbewegingsrichting V uitstrekken en de assen 83 resp. 84 bevatten. Hierbij ligt één van elke twee openingen 41 resp. 42 nabij het vlak 94 resp. 95. De verspreiding van het materiaal door de twee verspreidorganen over samenvallende sectoren. wordt gunstig beïnvloed wanneer de afstand 96 kleiner isdan 2, 5: maal de <EMI ID=38.1> 28 en 29 zi jn gelegen. In het uitvoeringsvoorbeeld- volgens de fig. 1 - 3 is de afstand 96 ongeveer 1,5 maal de diameter 97. <EMI ID=39.1> verspreidorganen 28 en 29 is zodanig dat de kans dat materiaalkorrels door het ene verspreidorgaan in aanraking komen met materiaalkorrels uitgeworpen door het andere verspreidorgaan tot een minimum wordt beperkt. Hiervoor is <EMI ID=40.1> 3 cm. Het materiaal dat uit de afvoeropeningen op de verspreidorganen terecht komt zal door de werpschoepen van elk van de verspreidorganen aangevat worden. Hierbij zal het materiaal zich over de hoogte van de werpschoepen verdelen zodat door elk verspreidorgaan een laag materiaal uitgestrooid wordt die, in hoogterichting gemeten, een dikte heeft afhankelijk van de hoogte 79 van de verspreidorganen. Doordat het materiaal dat door elk van de verspreidorganen wordt weggeworpen, wordt weggeworpen over een bepaalde laagdikte zullen de korrels meer ruimte hebben en in een geringere dichtheid de verspreidorganen verlaten. Doordat de materiaalkorrels in een dikkere laag met mindere dichtheid van materiaal weggeworpen worden zal de kans groter zijn dat de korrels die door de verspreidorganen worden weggeworpen elkaar passeren zonder met elkaar in aanraking te komen. In elk van de bodems 39 en 40 van de reservoirgedeelten 20 en 21 is een hulpafvoeropening 80 resp 81 aangebracht. Deze openingen 80 en 81 liggen in boven- <EMI ID=41.1> rijrichting V, juist achter het vertikale vlak 82 dat <EMI ID=42.1> van de assen 83 en 84 gelegen die naar elkaar toe zijn gekeerd. De schuiven 43 resp. 44 kunnen op niet nader aangegeven wijze zodanig om de assen 26 resp..27 versteld worden dat deze samenwerken met de openingen 80 resp. 81 waarbij de openingen 41 resp. 42 ge sloten bli jven. Het materiaal komt hierdoor ten opzichte van de as 83 resp. 84 op een andere plaats op de plaat 65 of 66 van het verspreidorgaan 28 resp. 29 en wordt hierdoor in een andere richting uitgestrooid door elk van de verspreidorganen. <EMI ID=43.1> openingen 80 en 81 het materiaal naar de buitenzijden van de inrichting uitstrooien zoals schematisch in fig. 4 is weergegeven. Hierdoor wordt het materiaal van elk van de verspreidorganen over een aparte sector uitgestrooid bij het voortbewegen van de inrichting. Op deze wijze kan met de inrichting materiaal over gescheiden banen uitgestrooid worden wat bijv. van belang is in rijencultures, zoals bi jv. boomgaarden. De afstand waarop de beide banen liggen ten opzichte van het vertikale vlak 90 dat de langshartlijn van de inrichting bevat kan hierbi j ingesteld worden door het regelen van de tcerentallen van de <EMI ID=44.1> organen wordt vergroot zal het materiaal iets verder weggestrooid worden, zodat het materiaal over banen wordt uitgespreid die verder van elkaar liggen dan wanneer de <EMI ID=45.1> gehouden. <EMI ID=46.1> 35 zodanig dat bij instelling daarvan omwentelingssnelheden van de beide verspreidorganen worden gewijzigd, echter zodanig dat de omwentelingssnelheden van de verspreidorganen aan elkaar gelijk blijven. Het is echter <EMI ID=47.1> drijving voor elk van de verspreidorganen aan te brengen dat de verspreidorganen indien dit gewenst is met ongelijke omwentelingssnelheden worden aangedreven. Dit kan dan van nut zijn om bijv. met het ene verspreidorgaan met materiaal verder weg te werpen dan met het andere verspreidorgaan. Op deze wijze zal bijv. me-t het ene verspreidorgaan een strook <EMI ID=48.1> van de inrichting dichter bij het vlak 90 door de langshartlijn ligt dan een aan de aidere zijde van het vlak 90 gelegen strook die met materiaal wordt bestrooid door het andere verspreidorgaan. Afgezien van bijzondere omstandigheden zal het echter gewoonlijk wenselijk zijn de verspreidorganen met gelijke omwentelingssnelheden te laten draaien wanneer zij beide materiaal over dezelfde sector uitstrooien opdat met de inrichting een brede strook wordt voorzien van materiaal, een en ander zoals schematisch in fig. 3 is weergegeven. De inrichting is in het bijzonder geschikt voor het uitstrooien van korrelvormig materiaal. Om de bakinhoud zo groot mogelijk te doen zijn zodat zo min mogelijk bijgevuld behoeft te worden bij het gebruik van de inrichting zijn de wanden 85 zodanig gelegen dat zij een zo klein mogelijke hoek 86 met een horizontaal vlak insluiten waarbij toestro-ming van het korrelvormige materiaal uit het reservoir naar de afvoeropeningen toe nog steeds gewaarborgd blijft. De aan elkaar aansluitende warlden 87 en 88 kunnen onder een iets kleinere hoek 89 met een horizontaal vlak aangebracht <EMI ID=49.1> 30[deg.] terwijl de hoek 86 ongeveer 40[deg.] is. Om de schuiven 43 en 44 zodanig te kunnen instellen dat de twee openingen 91 en 92 daarin zowel kunnen samenwerken met de twee afvoeropeningen 41 resp. 42 als dat een van de openingen in de schuiven 43 en 44 kan samenwerken met de hulpafvoeropeningen 80 resp. 81 is elk van de schuiven voorzien van twee van openingen 49 resp. 50 voorziene <EMI ID=50.1> twee verschillende st anden rond de assen 83 en 84 met de koppelingsstaven 51 en 52 verbonden worden. In de stand volgens fig. 2 zijn de twee openingen 91 en 92 in de schuiven 43 en 44 in samenwerking met de openingen 41 en 42 terwijl de hulpafvoeropeningen 80 en 81 zijn afgesloten door de schuiven. Het te verspreiden materiaal wordt in het reservoir 19 tijdens bedrijf meegevoerd en van daaruit aan de verspreidorganen toegevoerd. Het boven de trechtervormige gedeelten 20 en 21 gelegen deel van het reservoir kan gedeeld worden door een losneembare tussenwand 98. Bi j het uitstrooien van materiaal kan dit als voordeel hebben dat bij het leegraken van het reservoir 19 nagegaan kan worden of de linker en rechter helft van het reservoir gelijktijdig leeg zijn. Dit is dan een idicatie dat door elk van de verspreidorganen evenveel materiaal is uitge-v strooid wat gewoonlijk gewenst is. De wand 98 kan verder <EMI ID=51.1> materiaal aan het ene verspreidorgaan worden toegevoerd, terwijl vanuit het andere reservoir-deel een ander soort materiaal aan het andere verspreidorgaan is toe te voeren. In de fig. 7 en 8 is een ander uitvoeringsvoorbeeld van een aandrijving voor de verspreidorganen 28 en 29 in een inrichting volgens de fig. 1 en 2 weergegeven. Hierom zijn in de fig. 7 en 8 slechts de betreffende onderdelen <EMI ID=52.1> overeenkomende onderdelen zijn met dezelfde verwijzingscijfers aangegeven. In het uitvoeringsvoorbeeld volgens de fig. 7 en 8 zijn de verspreidorganen 28 en 29 aangebracht <EMI ID=53.1> zijn met elkaar gekoppeld door een aandrijfas 104 waarop een conisch tandwiel 105 is bevestigd, dat in een tandwielkast 110 is aangebracht. De tandwielkast 110 kan bijv. aangebracht zijn op de steun 34. Het tandwiel 105 is in samenwerking met een tandwiel 106 dat is aangebracht op een in de tandwielbak 110 gelegerde as 107. Op de as 107 is een recht tandwiel 108 aangebracht, dat een wisseltandwiel vormt en in aanraking is met een wisseltandwiel 109 op een as 111 die in de tandwielkast 110 is gelegerd. <EMI ID=54.1> is vergelijkbaar met de as 38 in de fig. 1 en 2. De as 111 is dan ook via een tussenas met de aftakas van een trekker of dergelijk voertuig te koppelen waaraan de inrichting aangebracht kan worden. De tandwielkast 110 heeft een afsluitplaat 112 die door vleugelmoeren 113 aan de kast <EMI ID=55.1> vleugelmoeren van de kast 110 afgenomen worden voor het wisselen van de tandwielen 108 en 109 met elkaar resp. met andere op elkaar passende tandwielen. De aandrijving van de verspreidorganen door middel van tandwielaandrijvingen heeft <EMI ID=56.1> organen 28 en 29 en gewoonlijk toerentallen van de verspreidorganen gelijk aan elkaar, is van voordeel voor het verkrijgen van een�lijkmatig strooibeeld. Door het verwisselen tegen over elkaar van het stel tandwielen 108 en 109 of het aanbrengen van een ander stel tandwielen is het toerental van de verspreidorganen bij een gelijk toerental van de ingaande as 111 gemakkelijk te regelen. In fig. 9 is een ander uitvoeringsvoorbeeld van een tandwielbak weergegeven waarmede het toerental van de verspreidorganen 28 en 29 kan worden gewijzigd. In fig. 9 is <EMI ID=57.1> van de tandwielkast een as 117 is gelegerd die vergelijkbaar is met de as 111. Nabij de onderzijde is een as 118 aangebracht die vergelijkbaar is met de as 107 uit het voorgaande uitvoeringsvoorbeeld. De as 118 is voorzien van een conisch tandwiel 106 dat samenwerkt met het conische tandwiel 105 op de as 104. Op de as 117 zi jn drie tand- V <EMI ID=58.1> 122, 123 en 124 die eveneens van verschillende diameter zijn en aansluiten op de tandwielen 119 - 121 een en ander zoals in fig. 9 is weergegeven. De tandwielen 119 - 121 zijn vast aan de as 117 aangebracht, terwijl de tandwielen 122 - 124 verdraaibaar om de as 118 zijn gelegerd. Door middel van <EMI ID=59.1> naar keuze een van de drie tandwielen 122 - 124 met de as 118 worden gekoppeld. De spie 125 is te verstellen door een hefboom 126 die scharnierbaar is aangebracht aan een steun 127 en via een koppeling 128 met een spiedrager 129 is verbonden. Voor het instellen resp. veranderen van het toerental van de as 118 en daarmede van de verspreidorganen 28 en 29 kan naar keuze de koppeling tot stand worden gebracht tussen een van de tandwielen 122 en 124 met de as 118. Hierbij zal de aandrijving vanaf de as 117 geschieden via dat wiel van de tandwielen 119 - 121 die in aanraking is met het tandwiel van de tandwielen 122 - 124, die door de spie 125 gekoppeld is met de as 118. In de fig. 10 en 11 is weer een ander uitvoeringsvoorbeeld weergegeven voor de aan-drijving van de verspreidorganen 28 en 29. In dit uitvoeringsvoorbeeld zijn de verspreidorganen 28 en 29 aangebracht op vertikale assen 135 <EMI ID=60.1> is bevestigd op een as 140 die vergelijkbaar is met de as <EMI ID=61.1> nen ten opzichte van elkaar axiaal over de as 140 bewogen worden door een niet nader weergegeven verstelmechanisme 143. Door het veranderen van de afstand van de delen 141 en 142 ten opzichte van elkaar wordt de werkzame diameter <EMI ID=62.1> . 145, die via geleidingsrollen 146 en 147 met de snaarschij- <EMI ID=63.1> met eenzelfde toerental, de snaarschijven 137 en 138 met verschillende toerentallen kunnen aandrijven. Om de ver- <EMI ID=64.1> zichte van de lengte van de snaar 145 te compenseren zijn de geleidingsrollen 146 en 147 aan armen 151 resp. 152 aangebracht, die scharnierbaar om een as 148 zijn en verbonden zijn met veren 149 en 150. De geleidingsrollen 146 en 147 vormen aldus spanxollen die de aandrijf snaar 145 steeds gespannen houden. Met de aandrijving volgens de fig. 9 en 10 <EMI ID=65.1> de verspreidorganen 28 en 29. mogelijk. Hierdoor is de toerenregeling van de verspreidorganen 28 en 29 zeer zuiver in te stellen waardoor de breedte waarover het materiaal uitgestrooid wordt ook zuiver en min of meer traploos binnen bepaalde grenzen is te houden resp. te verstellen. In fig. 12 zi jn de met de in de fig. 1 en 2 weergegeven overeenkomende onderdelen met de zelfde verwijzingsci jfers aangegeven. Bi j het uitvoeringsvoorbeeld volgens fig. 12 zijn, twee verspreidorganen 160 en 161 aangebracht die zijn bevestigd aan de verticale assen 26 en 27. De verspreidorgsnen 160 en 161 bezitten ieder een vierkante plaat <EMI ID=66.1> 163 zijn aangebracht. De schoepen liggen met hun van de as 26 resp 27 afgekeerde uiteinde in de hoekpunten van de platen 162. Elk van de schoepen 163 is om een scharnieras <EMI ID=67.1> as 164 ligt hierbij:nabij het uiteinde van de schoepen 163 en nabij de hoekpunten van de platen 162. Elk van de schoe- . pen 163 heeft ten opzichte van de draairichting A resp. B aan zijn achterzi jde een lip 165, waaraan een pen 166 is aangebracht. Deze pen is beweegbaar in een sleufgat 167 in de plaat 162 en een sleufgat 168 in een ring 169. De ring 169 is aan de onderzijde van de plaat 162 aangebracht en ten opzichte van de plaat 162 verdraaibaar om de hartlijn 83 van de as 26 resp. de hartli jn 84 van de as 27. De aan de <EMI ID=68.1> ten opzichte van de platen 162 vastzetbaar door een vastzetorgaan 170 dat een vleugelmoer 171 omvat. Door het verdraaien van de schoepen 163 om de scharnierassen 164 kan de stand van de schoepen 163 op de platen 162 veranderd worden, zodanig dat de stand van de schoepen 163 ten op- <EMI ID=69.1> organen verandert. Door deze verandering van de stand van de schoepen kan de strooirichting enigszins verander wor- <EMI ID=70.1> het verspreidorgaan veroorzaken, waardoor de uitstrooirich- V <EMI ID=71.1> versteld en in een bepaalde stand ten opzichte van de draai� ingsas van het verspreidorgaan vastgezet kunnen worden, zcdat elke schoep het materiaal op dezelfde wijze verwerkt. Voor een gezamenlijke verandering van de stand van de schoepen behoeft slechts de ring 169 om de as 83 resp. 84 verdraaied te worden en in een andere stand te worden vastgezet <EMI ID=72.1> de ring 169 zijn zodanig aangebracht, dat verdraaiing van de ring 169 een verandering van de stand van de pennen 166 <EMI ID=73.1> verdraaiing van de schoepen om de scharnieras 164 wordt bereikt. De ringen 169 zijn ieder door middel van vier spaken 172 met een naaf 173 verbonden die om de as 26 verdraaibaar is gelegerd. In fig. 12 zijn de verspreidorganen 160 en 161 ten opzichte van het verticale vlak 90 niet spiegelbeeldig ten opzichte van elkaar aangebracht zoals in fig. 2 voor de ver- <EMI ID=74.1> voorbeeld.volgens fig. 12 zijn de verspreidorganen 160 en 161 wel gelijkvormig aan elkaar doch, zoals uit de figuur blijkt, is het verspreidorgaan 160 met de schoepen 45[deg.] verdraaid aangebracht ten opzichte van het verspreidorgaan <EMI ID=75.1> spreidorgaan 160 het materiaal in ongeveer de richting C uitwerpen op andere momenten dan waarop de schoepen 163 van het verspreidorgaan 161 het materiaal wegwerpen. Op deze wijze wordt in hoofdzaak afwisselend een hoeveelheid materiaal door achtereenvolgens een schoep van het ene verspreidorgaan en dan van het andere verspreidorgaan weggeworpen. Hierdoor kan de gelijkmatigheid van het versprei- <EMI ID=76.1> Hoewel in fig. 12 de stand van de schoepen op de platen van de verspreidorganen ten opzichte van de rotatieas versteld kan worden door het verdraaien van de schoepen om een scharnieras, die nabij de uiteinden van de schoepen is gelegen, kan ook op andere wijze een verandering van de <EMI ID=77.1> het verspreidorgaan worden verkregen. In fig. 13 is een uitvoeringsvoorbeeld weergegeven aan de hand van verspreidorganen 176 die aan de as 26 resp. 27 aangebracht kunnen zi jn. In dit uitvoeringsvoorbeeld is het verspreidorgaan 176 voorzien van een ronde plaat 177, waaraan vier schoepen 178 zijn aangebracht. De schoepen 178 zijn scharnierbaar om scharnierassen 179, welke scharnier- <EMI ID=78.1> die het dichtst bij de as van het verspreidorgaan zijn gelegen. Evenals in het uitvoeringsvoorbeeld volgens fig. 12 zijn de schoepen voorzien van lippen en pennen die samenwerken met sleufgaten in de plaat 177 en de ring. De lippen en pennen aan de schoepen en de sleufgaten in de .plaat van de werpschijf en de verstelring zijn in dit uitvoeringsvoorbeeld gelijk aan het voorgaande uitvoeringsvoorbeeld en hierom met dezelfde verwijzingscijfers aangegeven. Bij <EMI ID=79.1> desbetreffende verspreidorgaan zijn gelegen, kan de instelling van de schoepen ten opzichte van de as van het verspreidorgaan zodanig plaats vinden, dat vooral het uiteinde van een schoep versteld wordt. Het veranderen van de stand van de schoepen ten opzichte van de rotatieas van het verspreidorgaan is in het bijzonder van nut bij een inrichting voor het verspreiden van materiaal, waarbij twee verspreidorganen het materiaal ov-er dezelfde sector uitstrooien zoals in de weergegeven uitvoeringsvoorbeelden is aangegeven. In fig. 14 is een uitvoeringsvoorbeeld weergegeven dat nagenoeg overeenkomt met het uitvoeringsvoorbeeld volgens fig. 2. In het uitvoeringsvoorbeeld volgens fig. 14 is aan de as 26 en de as 27 van de verspreidorganen 28 resp. 29 een afvoerongaan in de vorm van een stuwschoep 180 resp. 181 aangebracht. Deze stuwschoepen 180 en 181 bevinden zich in de ondereinden van de reservoirgedeelten 20 en 21 en strekken zich vanaf de assen 26 en 27 uit tot nabij de omtrek van de ondereinden van de reservoirgedeelten 20 en 21. De stuwschoepen 180 en 181 liggen hierbi j op korte afstand van bijvoorbeeld één millimeter boven de bodems 39 en 40. De stuwschoepen 180 en 181 zijn vast verbonden met de assen 26 resp 27 en roteren met deze assen en ver- <EMI ID=80.1> om de rotatieassen 83 resp 84. De stuwschoepen 180 en 181 zi jn zodanig aangebracht, dat zi j over een hoek 182 van ongeveer 50[deg.] vóór liggen op een werpschoep, gerekend in de draairichting A resp. B. De hoek 182 is gemeten tussen de hartlijn van de stuwschoep en het einde van de betreffende werpschoep dat het di.chtst nabij de draaiingsas van het betreffende verspreidorgaan is gelegen, een en ander zoals aangegeven is in fig. 14. De schoep 180 ligt, gezien in bovenaanzicht (fig. 14), over 180[deg.] verdraaid ten opzichte van de schoep 181, zodat deze stuwschoepen 180 en 181 afwisselend het dichtst bij het verticale vlak 90 zijn gelegen, Bij het verspreiden van het materiaal zullen de stuwschoepen bij hun beweging het materiaal langs de bodem loswoelen zodat na het passeren van een stuwschoep het materiaal gemakkelijker en sneller door de: afvoeropeningen 41 resp 42 zal stromen. Door deze gemakkelijkere uitstroming van het materiaal uit het reservoir door de afvoeropening zal de schoep die over de hoek 182 na de stuwschoep 180 de afvoeropening passeert en het materiaal dat door de afvoeropening is ge stroomd opneemt, meer materiaal toegevoerd krijgen dan werpschoepen van het verspreidorgaan die nie-t naijlen over een hoek 182 na een stuwschoep. De stuwschoepen <EMI ID=81.1> ene en het andere verspreidorgaan meer materiaal uitstrooit, waardoor een gelijkmatig strooibeeld wordt verkregen door de verspreiding via de beide verspreidorganen 28 en 29. Bij inrichtingen met twee verspreidorganen die het materiaal over eenzelfde sector uitstrooien kan de stuwschoep dan ook in het bijzonder met succes toegepast worden. Hoewel in dit uitvoeringsvoorbeeld ieder van de verspreidorganen 28 en 29 is voorzien van vier werpschoepen, kan elk van de verspreidorganen ook zijn voorzien van een ander aantal werpschoepen. In het bijzonder bij het gebruik van de stuwschoepen zoals de stuwschoepen 180 en 181 is het mogelijk het verspreidorgaan slechts te voorzien van één werpschoep die over de hoek 182 naijlt op de stuwschoep. De hoek 182 is bij voorkeur ongeveer 50[deg.]. De hoek 182 is, afhankelijk van de vorm van het verspreidorgaan, de ligging van de afvoeropeningen en het materiaal dat uitgestrooid moet worden, niet groter dan ongeveer 90[deg.] en niet kleiner dan ongeveer 30[deg.]. Bij het gebruik van een stuwschoep en een verspreidorgaan met geen al te grote diameter en al te lange werpschoepen zal het van voordeel kunnen zijn om ten minste twee werpschoepen toe te passen, waarbij de tweede werpschoep over 1800 ten opzichte van de met de stuwschoep samenwerkende werpschoep is gelegen. Ook is het mogelijk het verspreidorgaan op andere wijze uit te voeren; Bijvoorbeeld kan het verspreidorgaan voorzien zijn van één enkele uitwerptuit die samenwerkt met een stuwschoep. Deze uitwerptuit kan dan aangesloten zijn aan een centraal komvormig gedeelte van het verspreidorgaan dat het materiaal uit een afvoeropening van het verspreidorgaan opvangt. In fig. 15 is een uitvoeringsvoorbeeld weergegeven, waarbij twee verspreidorganen zijn toegepast die ieder zijn voorzien van een werptuit. In dit uitvoeringsvoorbeeld wer- <EMI ID=82.1> zoals volgens het uitvoeringsvoorbeeld volgens fig. 14, doch samen met een afsluitmechanisme volgens een verder idee van de uitvinding. De -in fig. 15 weergegeven en met de in fig. 2 weergegeven overeenkomende onderdelen van de inrichting zi jn weer met dezelfde verwijzingscijfers aangegeven als in V <EMI ID=83.1> <EMI ID=84.1> <EMI ID=85.1> ieder een niet nader weergegeven komvormig gedeelte 187 resp. 188, waarvan de diameter passend aansluit op de dia- <EMI ID=86.1> deze komvormige gedeelten 187 resp.188 is een werptuit 189 resp. 190 aangebracht. In het uitvoeringsvoorbeeld volgens fig. 15 zijn aan de assen 26 en 27 afsluitplaten 191 resp. 192 aangebracht. Deze afsluitplaten 191 werken zodanig samen met de afvoeropeningen 41 resp 42 dat slechts mate- <EMI ID=87.1> treffende verspreidorgaan 185 resp. 186 stroomt wanneer dit uitstromende materiaal min of meer direct aan de werptuiten kan toestromen om te worden uitgestrooid over sectoren, die overeenkomen met de in fig. 3 aangegeven secto- <EMI ID=88.1> kan uistrooien. De afsluitorganen 191 en 192 strekken zich ieder over een hoek 193 van 180[deg.] om de draaiingsas 83 resp. 84 van de verspreidorganen 185 resp. 186 uit. De afsluitplaten 191 en 192 strekken zich, gezien in bovenaanzicht en gerekend in de draairichting A resp. B, aansluitend aan de achterzijde van de werptuiten 189 resp. 190 en vanaf deze naar achteren uit. Hierdoor zullen na het passeren van een werptuit langs de afvoeropeningen 41 resp. 42 deze openingen afgesloten worden. In dit uitvoeringsvoor- <EMI ID=89.1> om de draaiingsassen van de verspreidorganen uitstrekken, zijn de afvoeropeningen over de helft van een omwenteling van een verspreidorgaan afgesloten. Na het passeren van de <EMI ID=90.1> door deze openingen kunnen uistromen naar het verspreidorgaan. Het uitstromende materiaal kan dan zodanig aan het verspreidorgaan toestromen dat een regelmatige doorstroming naar de werptuit plaats vindt en het materiaal regelmatig over de gewenste sector 194 resp. 195 uitgestrooid kan <EMI ID=91.1> ren van een werptuit wordt voorkomen dat zich materiaal in het komvormige centraal gelegen gedeelte van het verspreidorgaan 185 resp. 186 ophoopt, waardoor de doorstroming van het materiaal naar de afvoertuit belemmerd zou kunnen worden. Verder wordt hiermede bereikt dat het materiaal slechts over die sector, in dit uitvoeringsvoorbeeld 194 resp. 195, uitgestrooid wordt waarheen uitstrooiing van het materiaal gewenst wordt. De werptuiten 189 en 190 van de verspreidorganen 185 resp. 186 zijn, zoals uit fig. 15 blijkt, 180[deg.] ten opzichte van elkaar opgesteld, zodanig dat zij afwisselend het materiaal over de sector 194 resp. 195 uitstrooien bij hun omwentelingen. Op deze wijze wordt een gelijkmatig strooibeeld verkregen. Het toepassen van een op de werptuit naijlend af- <EMI ID=92.1> <EMI ID=93.1> of andere werporganen zoals werpschoepen. Hierbij zal dan de desbetreffende afsluiter naijlend op het desbetreffende werporgaan zich uitstrekken over een hoek om de draaiingsas van het verspreidorgaan die kleiner is dan 180[deg.]. Bij het toepassen van twee werptuiten zal bijvoorbeeld samenwerkend <EMI ID=94.1> werptuit of werpschoep van een verspreidorgaan naijlende afsluiter -voor één of meer afvoeropeningen kan bijvoorbeeld ook toegepast worden bij een verspreidorgaan met een vlakke plaat waarop één of meerdere werpschoepen zijn aangebracht, zoals in de voorgaande uitvoeringsvoorbeelden is weergegeven. <EMI ID=95.1> en <EMI ID=96.1> van de afvoeropeningen, anders gekozen worden dan in het <EMI ID=97.1> voorkeur zal echter een afsluiter, in bovenaanzicht gezien, aansluiten aan het begineinde van een werptuit of schoep dat het dichtst bij de draaiingsas van het verspreidorgaan is gelegen, een en ander zoals in fig. 15 voor de afsluiters 191 en 192 ten opzichte van de werptuiten 189 en 190 is weergegeven. Bij het weergegeven uitvoeringsvoorbeeld volgens fig. 15 zal de werptuit 189 het ontvangen materiaal reeds over de sector 194 uitgeworpen hebben bij de stand, waarin het is gekomen zoals in de figuur is weergegeven. In deze stand zal na een korte verdraaiing in de richting volgens de pijl A het afsluitorgaan 191 de openingen 41 weer vrijgeven, zodat materiaal uit het reservoir kan gaan stromen, waarbij dit materiaal opgevangen kan gaan worden door de <EMI ID=98.1> <EMI ID=99.1> gaan worden vanaf de lijn 196 van de begrenzing van de sector 194. De afvoertuit zal hierbi j zo lang materiaal ontv angen, dat door de ze werptuit materiaal weg-geworpen kan <EMI ID=100.1> uitvoeringsvoorbeeld volgens fig. 15 is de werptuit 190 in de stand gekomen, waarbij de afsluiter de afvoeropeningen 42 gaat afsluiten bi j een verder verdraaien van de werptuit in de richting volgens de pijl B om de draaiingsas 84, een en ander zodanig dat de werptuit het materiaal over de sector 195 kan uitstrooien binnen de begrenzingslijnen 198 en 199. Door de verdraaiing van de werptuiten 189 en 190 ten opzichte van elkaar zullen zij afwisselend materiaal uitstrooien zodat een gelijkmatig strooibeeld wordt verkregen. De uitvinding is niet beperkt tot datgene wat hiervoor is beschreven ten aanzien van de figuren doch <EMI ID=101.1> de figuren zijn weergegeven of daaruit blijken.
Claims (1)
- Eisen:Inrichting voor het strooien van korrel- en/of poedervormig materiaal, voorzien van tenminste twee, om zich in hoogterichting uitstrekkende draaiingsassenin tegengestelde richting ten opzichte van elkaar roterend aandrijfbare verspreidorganen en voorzien van toevoermiddelen, via welke materiaal vanuit een voorraadruimte aan de verspreidorganen kan worden toegevoerd, zodanigdat aan ieder van de beide verspreidorganen het materiaal excentrisch ten opzichte van hun draaiingsas wordt toegevoerd, met het kenmerk, dat de verspreidorganen zodanig aandrijfbaar zijn, dat de naar elkaar toegekeerde zijdenin een richting bewegen die tegengesteld is aan de gemiddelde richting waari n het materiaal tijdens bedrijf van de inrichting wordt verspreid, terwijl de toevoermiddelen zodanig zijn aangebracht en/of uitgevoerd, dat de toevoer aan de verspreidorganen tijdens bedrijf zodanig is, dat de twee verspreidorganen het materiaal over althans in hoofdzaak samenvallende sectoren uitstrooien. <EMI ID=102.1>de draairichting van de verspreidorganen tijdens bedrijf zodanig is, dat de naar elkaar toegekeerde zijden van de verspreidorganen bewegen in een richting die althans nagenoeg samenvalt met de voortbewegingsrichting van de inrichting.3. Inrichting volgens eis 1 of 2, met het kenmerk, dat de toevoermiddelen zodanig zijn gelegen dat het materiaal tijdens bedrijf aan de verspreidorganen wordt toegevoerd aan die zijde van een vertikaal vlak dat de draaiingsassen van de verspreidorganen omvat, die ten<EMI ID=103.1>4. Inrichting volgens een der voorgaande eisen, met het kenmerk, dat tijdens bedrijf van de inrichting de toe-<EMI ID=104.1>vindt aan althans nagenoeg van elkaar af gelegen zijden van twee vertikale vlakken, die ieder de draaiingsas van een verspreidorgaan omvatten en zich in de rijrichting uitstrekken.5. Inrichting volgens een der voorgaande eisen, met het kenmerk, dat de toevoermiddelen voor elk verspreidorgaan één of meerdere afvoeropeningen omvatten die zich over een sector ten opzichte van de as van het desbetreffende verspreidorgaan uitstrekken die groter is dan<EMI ID=105.1>6. Inrichting volgens eis 5, met het kenmerk,<EMI ID=106.1>aangebracht die op korte afstand van elkaar zijn gelegen en samen verdeeld liggen over een hoek om de draaiingsas van<EMI ID=107.1><EMI ID=108.1>merk, dat, rond de draaiingsas gerekend, althans een einde van een opening of een opening van meerdere afvoeropeningen nabij het vertikale vlak is gelegen dat zich in de rijrichting uitstrekt en de draaiingsas van het desbetreffende verspreidorgaan omvat.8. Inrichting volgens een der voorgaande eisen, methet kenmerk, dat de toevoermiddelen voor elk van de <EMI ID=109.1>verspreidorgaan een vaste ligging hebben in de inrichting.9. Inrichting volgens een der voorgaande eisen, met het kenmerk, dat de toevoermiddelen een doseermechanisme omvatten, zodanig dat de hoeveelheid materiaal die p er tijdseenheid aan ieder van de verspreidorganen kan worden toegevoerd instelbaar is.<EMI ID=110.1>het kenmerk, dat ieder van de verspreidorganen is aangebracht onder een afvoergedeelte van een voorraadruimte, die van één of meer afvoeropeningen is voorzien die boven de verspreidorganen uitmonden.11. Inrichting volgens een der voorgaande eisen, met het kenmerk, dat de toeveermiddelen nabij elk van de verspreidorganen een hulpafvoeropening bezitten die ver-<EMI ID=111.1>orgaan ten opzichte van de eerder genoemde afvoeropeningen nabij het verspreidorgaan.12. Inrichting volgens eis 11, met het kenmerk, datde hulpafvoeropening nabij ieder van de verspreidorganen is:.-gelegen nabij het vertikale vlak dat de<EMI ID=112.1>13. Inrichting volgens eis 11 of 12, met het kenmerk, dat de hulpafvoeropeningen zijn aangebracht aan naar elkaar toegekeerde zijden van vertikale vlakken, die zich in de rijrichting uitstrekken en de assen van de verspreidorganen omvatten.14. Inrichting volgens een der voorgaande eisen, met het kenmerk, dat de verspreidorganen op gelijke hoogte r zijn gelegen.15. Inrichting volgens een der voorgaande eisen, met het kenmerk, dat ieder van de verspreidorganen een zich in hoofdzaak althans nagenoeg loodrecht op de draaiingsas van het verspreidorgaan uitstrekkende plaat omvat, waarop één of meer werpschoepen zijn aangebracht.16. Inrichting volgens eis 15, met het kenmerk, datde plaat van ieder van de verspreidorganen wordtgevormd door een althans nagenoeg vlakke plaat diezich loodrecht op de draaiingsas van het desbetreffende verspr�idorgaan uitstrekt.17. Inrichting volgens eis 15 of 16, met het kenmerk, dat de platen van de beide verspreidorganen met hun bovenzijden in hetzelfde vlak zijn gelegen.18. Inrichting volgens een der voorgaande eisen,met het kenmerk, dat de verspreidorganen werpschoepen omvatten die althans nagenoeg gelijk aan elkaar zijn uitgevoerd.19. Inrichting volgens eis 18, met het kenmerk,<EMI ID=113.1>hoofdzaak gootvormig zijn uitgevoerd, waarbij de bodem van de gootvorm wordt gevormd door een vlak gebogen plaatdeel dat met een vlakke zijde in een gebogen vlak is gelegen,<EMI ID=114.1>orgaan en waarbij aan de bovenzijde van dit plaatdeel een<EMI ID=115.1>strekkende bovenrand is aangebracht.20. Inrichting volgens een der eisen 15 - 19,met het kenmerk, dat de werpschoepen van ieder van de <EMI ID=116.1>holle kromming van deze werpschoepen, in de draairichting van het verspreidorgaan gezien, naar voren zijn gericht.21. Inrichting volgens een der eisen 17 - 20,met het kenmerk, dat de werpschoepen van ieder van de verspreidorganen zich vanaf hun einde dat het dichtst nabij de draaiingsas van het desbetreffende verspreidorgaan is gelegen, naar achteren toe uitstrekken ten opzichte van de draairichting van het verspreidorgaan.-22. Inrichting volgens een der eisen 15 - 21,met het kenmerk, dat de plaat van ieder van de verspreidorganen althans nagenoeg vierhoekig is.23. Inrichting volgens eis 22, met het kenmerk,dat nabij iedere hoek van de plaat een werpschoep aan het verspreidorgaan is aangebracht.24. Inrichting volgens een der voorgaande eisen,met het kenmerk, dat de beide verspreidorganen op een<EMI ID=117.1>van de draaiingsassen van deze verspreidorganen bij voor-<EMI ID=118.1>de op de grootste afstand van de draaiingsas van het verspreidorgaan gelegen delen van dit verspreidorgaan zijn gelegen.25. Inrichting volgens eis 24, met het kenmerk, dat de afstand tussen de draaiingsassen van de verspreidorganen kleiner is dan ongeveer 2,5 maal de diameter van het verspreidorgaan.26. Inrichting volgens eis 24 of 25, met het ken-<EMI ID=119.1> �<EMI ID=120.1>als de diameter van een verspreidorgaan.'27. Inrichting volgens een der voorgaande eisen,met het kenmerk, dat de draaiingsassen van de beide verspreidorganen in een vertikaal vlak zijn gelegen dat althans nagenoeg loodrecht op de normale voortbewegingsrichting van de inrichting staat.28. Inrichting volgens een der eisen 5 - 27,met het kennerk, dat nabij ieder van de afvoeropeningen voor een verspreidorgaan een verstelbare schuif is aangebrach�, die is gekoppeld met een verstelmechanisme dat een om een vertikale as verdraaibare verstelarm omvat.29. Inrichting volgens eis 28, met het kenmerk,dat de verstelarmen zijn gekoppeld met een bedieningsarm die verdraaibaar is om een zich althans nagenoeg horizontaal uitstrekkende scharnieras.30. Inrichting volgens eis 28 of 29, met hetkenmerk, dat de verstelarmen voor de beide verstelbare schuiven met elkaar zijn gekoppeld.31. Inrichting volgens eis 30, met het kenmerk,dat de schuiven door middel van koppelstangen met de verstelarm zijn gekoppeld waarbij, in bovenaanzicht gezien, de koppelstangen en de verstelarm aan tegenover elkaar<EMI ID=121.1>32. Inrichting volgens een der voorgaande eisen,met het kenmerk, dat de verspreidorganen van de inrichting zijn gekoppeld met aandrijfbare overbrengingsorganen, die een toerenregeling van de verspreidorganen mogelijk maken.33. Inrichting volgens eis 32, met het kenmerk, <EMI ID=122.1>34. Inrichting volgens eis 33, met het kenmerk,dat de overbrengingsorganen voor de verspreidorganen een<EMI ID=123.1>35. Inrichting volgens een der eisen 32 - 34,met het kenmerk, dat de overbrengingsorganen zijn gekoppeld met aankoppelingsmiddelen die met de aftakas van een de inrichting voortbewegende trekker of dergelijk voertuig koppelbaar zijn.36. Inrichting volgens een der eisen 33 - 35,met het kenmerk, dat de overbrengingsorganen een toerenvariator omvatten, die' een uit twee delen bestaande snaar-<EMI ID=124.1>door het verplaatsen van de beide�delen ten opzichte van elkaar.<EMI ID=125.1>schijven is gelegen die zijn verbonden met de verspreidorganen.38. Inrichting volgens eis 37, met het kenmerk,dat ten minste één geleidingsrol verend in het gestel van de inrichting is aangebracht, zodanig dat de snaar strak gespannen blijft en zich kan aanpassen aan de verandering van de diameter van de snaarschijf.39. Inrichting volgens eis 32, met het kenmerk,<EMI ID=126.1>of meer wisselwielen omvatten.40. Inrichting volgens eis 39, met het kenmerk, V<EMI ID=127.1>41. Inrichting volgens eis 39 of 40, met hetkenmerk, dat de beide verspreidorganen zijn aangebracht boven tandwielkasten. die met elkaar zijn gekoppeld door een tussenas die via een tandwieloverbrenging is gekoppeld. met de overbrenging�organen..42. Inrichting volgens eis 41, met het kenmerk,dat de ovérbrengingsorganen twee of meer tandwielen omvatten, die vast op een as zijn aangebracht, terwijl ieder<EMI ID=128.1>keuze gekoppeld respectievelijk ontkoppeld kan worden aan van een aangedreven of aandrijvende as.43. Inrichting volgens een der voorgaande eisen, met het kenmerk, dat ieder van de verspreidorganen is voorzien van ten minste één werpschoep waarvan de ligging ten opzichte van de draaiingsas van het verspreidorgaan verstellbaar en naar keuze in één van ten minste twee verschillende standen vastzetbaar is.44. Inrichting volgens eis 43, met het kenmerk,dat de werpschoep verstelbaar aan een plaatvormig deel van het verspreidorgaan is aangebracht.45. Inrichting volgens eis 43 of 44, met het ken-merk, dat de werpschoep verdraaibaar om een scharnieras is aangebracht.46. Inrichting volgens eis 45, met het kenmerk,dat de scharnieras nabij het einde van de w erpschoep is aangebracht dat zich het verst van de draaiingsas van het<EMI ID=129.1>47. Inrichting volgens eis 46, met het kenmerk,dat de scharnieras nabij een hoekpunt van het plaatvormig gedeelte van het verspreidorgaan is gelegen.48. Inrichting volgens eis 43, 44 of 45, met het kenmerk, dat de scharnieras nabij het einde van de werpschoep is gelegen dat zich het dichtst bij de draaiingsas van het verspreidorgaan bevindt.49. Inrichting volgens een der eisen 43 - 48, met het kenmerk, dat de verspreidorganen ieder twee of meerdere werpschoepen heeft, die verstelbaar zijn aangebracht, waarbij de werpschoepen zodanig met elkaar zijn gekoppeld dat zij gezamenlijk verstelbaar en naar keuze in één van ten minste twee standen vastzetbaar zijn.50. Inrichting volgens eis 49, met het kenmerk,dat de schoepen verbonden zijn met een verstelring die<EMI ID=130.1>waarbij deze ring naar keuze in één van ten minste twee standen vastzetbaar is voor het verstellen en vastzetten van de werpschoepen van het verspreidorgaan.51. Inrichting volgens eis 50, met het kenmerk,dat de ring onder een plaat van het verspreidorgaan is gelegen waarop de w erps cho ep en zijn aangebracht.52. Inrichting volgens eis 50 of 51, met hetkenmerk, dat de werpschoepen zijn voorzien van pennen die door sleufgaten in de plaat en de ring met de ring zijn verbonden.53. Inrichting volgens een der voorgaande eisen, met het kenmerk, dat de verspreidorganen zijn verbonden met een in de onderzijde van het reservoir aangebracht afvoerorgaan dat in de draairichting van het verspreidorgaan gerekend, over een hoek voorligt op een uitwerporgaan van het verspreidorgaan, een en ander zodanig, dat de door het afvoerorgaan beinvloede afvoer van het materiaal door een afvoeropening van het reservoir tijdens bedrijf van de inrichting gelijkmatig toestroomt aan het betreffende werporgaan en gelijkmatig wordt uigestrooid.54. Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal, voorzien van een om aan draaiingsas roteerbaar verspreidorgaan, waarbij de inrichting is voorzien van een reservoir waarin een afvoerorgaan is aangebracht, dat is verbonden met het verspreidorgaan, met het kenmerk, dat het afvoerorgaan ten opzichte van de draairichting van het verspreidorgaan over een hoekvóór ligt op een werporgaan van het verspreidorgaan, zodanig dat de door het afvoerorgaan beinvloede afvoer van het materiaal door een afvoeropening van het reservoir tijdens bedrijf van de inrichting gelijkmatig toestroomt aan het verspreidorgaan.55. Inrichting volgens eis 53 of 54, met hetkenmerk, dat het afvoerorgaan als een stuwschoep is uitgevoerd die zich vanaf de rotatieas van het verspreidorgaan tot nabij de -wand van het reservoir uitstrekt.56. Inrichting volgens eis 53, 54 of 55, methet kenmerk, dat slechts één afvoerorgaan is aangebracht.57. Inrichting volgens eis 55 of 56, met het kenmerk,dat een stuwschoep zich vanaf de rotatieas van een verspreidorgaan recht uitstrekt.58. Inrichting volgens een der eisen 53 - 57,<EMI ID=131.1><EMI ID=132.1>59. Inrichting volgens een der eisen 53 - 58,met het kenmerk, dat de afvoerorgaan zich over een hoek van ongeveer 50[deg.] ten opzichte van het dichtst nabij de<EMI ID=133.1><EMI ID=134.1>60. Inrichting volgens een der eisen 1 - 52, methet kenmerk, dat ieder van de verspreidorganen is verbonden met ten minste één afsluiter die afwisselend de afvoeropening van het reservoir opent en afsluit tijdens de rotatie van het verspreidorgaan.61. Inrichting voor het strooien van korrel- en/of poedervormig materiaal voorzien van een van ten minste één afvoeropening voorzien reservoir en ten minste één om een draaiingsas roteerbaar verspreidorgaan dat is voorzien vaneen werporgaan, met het kenmerk, dat het verspreidorgaanis verbonden met een afsluiter die tijdens rotatie van het verspreidorgaan de afvoeropening van het reservoir afwisselend opent en sluit.62. Inrichting volgens eis 60 of 61, met het kenmerk,dat de afsluiter ten opzichte van de draairichting<EMI ID=135.1>63. Inrichting volgens eis 60, 61 of 62, met het kenmerk, dat de afsluiter met een einde, gezien even <EMI ID=136.1>wijdig aan de draaiingsas van het verspreidorgaan, nabijhet einde van het werporgaan is gelegen dat zich het dichtst nabij de draaiingsas bevindt.64. Inrichting volgens een der eisen 60 - 63,het het kenmerk, dat de afsluiter zich uitstrekt over een hoek om de draaiingsas van het verspreidorgaan die althans nagenoeg ongeveer de helft is van de hoek tussen twee op dkaar volgende werporganen van het verspreidorgaan.<EMI ID=137.1>met het kenmerk, dat het afsluitorgaan zich over ongeveer 180[deg.] uitstrekt.66. Inrichting volgens een der eisen 60 - 65,met het kenmerk, dat de afsluiter zich uitstrekt boven de bodem van het xeservoir waarin één of meerdere afvoeropeningen zijn aangebracht.<EMI ID=138.1>met het kenmerk, dat de afsluiter zich in radiale richting ten opzichte van de draaiingsas van het verspreidorgaan gerekend uitstrekt over een breedte die althans nagenoeg gelijk is aan de in deze richting gemeten breedte van de<EMI ID=139.1>68. Inrichting volgens een der eisen 60 - 67,met het kenmerk, dat de inrichting is voorzien van twee of meerdere verspreidorganen waarbij, evenwijdig aan de draaiingsassen van het verspreidorgaan gezien, de afsluiters versprongen ten opzichte van elkaar zijn aangebracht, eenen ander zodanig .'dat naast elkaar gelegen verspreidorganen afwisselend het materiaal uitstrooien.69. Inrichting volgens een der eisen 60 - 68, <EMI ID=140.1>werptuit die is aangebracht aan een centraal kom-vormig gedeelte van het verspreidorgaan dat aan het afvoergedeelte van het reservoir aansluit.70. Inrichting volgens een der voorgaande eisen,met het kenmerk, dat de inrichting is voorzien van twee<EMI ID=141.1>ieder van één of meerdere werporganen is voorzien en deze werporganen, gezien evenwijdig aan de draaiingsassen van de verspreidorganen, versprongen ten opzichte van elkaar zijn aangebracht, een en ander zodanig dat afwisselend een werporgaan van het ene en het andere verspreidorgaan het materiaal uitstrooien.71. Inrichting zoals hiervoor is beschreven en in de tekeningen is weergegeven.
Applications Claiming Priority (1)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL7804824 | 1978-05-05 |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| BE876046A true BE876046A (fr) | 1979-11-05 |
Family
ID=19830783
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| BE0/194998A BE876046A (fr) | 1978-05-05 | 1979-05-04 | Inrichting voor het strooien van korrel- en/of poedervormig materiaal |
Country Status (2)
| Country | Link |
|---|---|
| BE (1) | BE876046A (nl) |
| ZA (1) | ZA792096B (nl) |
-
1979
- 1979-05-01 ZA ZA792096A patent/ZA792096B/xx unknown
- 1979-05-04 BE BE0/194998A patent/BE876046A/nl not_active IP Right Cessation
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| ZA792096B (en) | 1980-05-28 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| US5018669A (en) | Spreader for spreading granular and/or powdery material | |
| CN113348281B (zh) | 用于旋转式撒布机的分流器 | |
| NL8801774A (nl) | Inrichting voor het behandelen van zaaigoed. | |
| US4836456A (en) | Agricultural spreader having multiple distribution members broadcasting material simultaneously to generally the same area | |
| NL8103896A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. | |
| US10306826B2 (en) | Spinner for a particulate material spreader | |
| NL7810805A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. | |
| US6116526A (en) | Implement for spreading granular and/or pulverulent material | |
| NL8304183A (nl) | Inrichting voor het over een oppervlak verspreiden van materiaal. | |
| EP0176117B1 (en) | Device for spreading granular and/or powdery material | |
| NL8403183A (nl) | Werkwijze voor het strooien van meststoffen. | |
| BE876046A (fr) | Inrichting voor het strooien van korrel- en/of poedervormig materiaal | |
| NL192240C (nl) | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. | |
| US4141508A (en) | Spreader | |
| NL8902184A (nl) | Inrichting voor het behandelen van zaden. | |
| NL8301973A (nl) | Inrichting en werkwijze voor het over een oppervlak verspreiden van materiaal. | |
| EP0438823A1 (en) | Device and method for spreading granular or powdered material | |
| NL9002317A (nl) | Inrichting voor het strooien van korrel- en/of poedervormig materiaal. | |
| NL1005981C2 (nl) | Inrichting voor het verspreiden van poeder- en/of korrelvormig materiaal. | |
| NL9002318A (nl) | Inrichting voor het strooien van korrel- en/of poedervormig materiaal. | |
| NL8105284A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. | |
| NL9201689A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van materiaal. | |
| NL8104119A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. | |
| NL8500759A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van korrelen/of poedervormig materiaal. | |
| NL8402526A (nl) | Landbouwmachine voor het verspreiden van materiaal. |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| RE20 | Patent expired |
Owner name: C. VAN DER LELY N.V. Effective date: 19990504 |