NL1002392C2 - Railsysteem voor een traplift. - Google Patents
Railsysteem voor een traplift. Download PDFInfo
- Publication number
- NL1002392C2 NL1002392C2 NL1002392A NL1002392A NL1002392C2 NL 1002392 C2 NL1002392 C2 NL 1002392C2 NL 1002392 A NL1002392 A NL 1002392A NL 1002392 A NL1002392 A NL 1002392A NL 1002392 C2 NL1002392 C2 NL 1002392C2
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- rail
- fixed
- rail system
- tubes
- rail part
- Prior art date
Links
- 238000000034 method Methods 0.000 claims description 4
- 238000010276 construction Methods 0.000 description 4
- 230000008878 coupling Effects 0.000 description 2
- 238000010168 coupling process Methods 0.000 description 2
- 238000005859 coupling reaction Methods 0.000 description 2
- 238000006073 displacement reaction Methods 0.000 description 2
- 230000000694 effects Effects 0.000 description 2
- 230000002349 favourable effect Effects 0.000 description 2
- 230000002950 deficient Effects 0.000 description 1
- 230000005611 electricity Effects 0.000 description 1
Classifications
-
- B—PERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
- B66—HOISTING; LIFTING; HAULING
- B66B—ELEVATORS; ESCALATORS OR MOVING WALKWAYS
- B66B9/00—Kinds or types of lifts in, or associated with, buildings or other structures
- B66B9/06—Kinds or types of lifts in, or associated with, buildings or other structures inclined, e.g. serving blast furnaces
- B66B9/08—Kinds or types of lifts in, or associated with, buildings or other structures inclined, e.g. serving blast furnaces associated with stairways, e.g. for transporting disabled persons
- B66B9/0846—Guide rail
Landscapes
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Mechanical Engineering (AREA)
- Transportation (AREA)
- Automation & Control Theory (AREA)
- Structural Engineering (AREA)
- Types And Forms Of Lifts (AREA)
Description
RAILSYSTEEM VOOR EEN TRAPLIFT
5 De uitvinding heeft betrekking op een railsysteem voor een traplift, waarvan de rail twee in hoofdzaak boven elkaar en op afstand van elkaar aangebrachte buizen met een in hoofdzaak ronde dwarsdoorsnede omvat, welk railsysteem is voorzien van een vast ten opzichte van de trap monteerbare 10 rail. Een dergelijk railsysteem is bekend uit NL-A-9402200.
Een traplift die een dergelijk railsysteem omvat, kan voorzien zijn van een lift in de vorm van een stoel, waarop een invalide persoon zich zittend langs een trap naar boven 15 en naar beneden kan verplaatsen. Teneinde een dergelijke lift tot aan de vloer aan de onderzijde van de trap te kunnen verplaatsen, is het noodzakelijk dat de rail van het railsysteem zich aan de onderzijde van de trap uitstrekt tot voorbij die trap, en wel boven de genoemde vloer.
20
De rail van een dergelijk railsysteem kan aan de onderzijde van de trap de doorgang belemmeren of anderszins in de weg zitten en het is daarom gebruikelijk om het ondereinde van de rail uit te voeren in de vorm van een raildeel dat kan 25 worden weggeklapt of weggeschoven. Dit wegklappen kan in bovenwaartse of in zijwaartse richting gebeuren, bijvoorbeeld zoals is beschreven in EP-B-0408716.
Ook is reeds een constructie toegepast waarbij het onderste 30 raildeel van een rail, die bestaat uit een enkelvoudige profielbalk, wordt weggeschoven naar een positie vlak onder het onderste gedeelte van de vaste rail, zodat twee pro-fielbalken vlak onder elkaar komen te liggen.
35 De uitvinding beoogt een railsysteem met een rail die bestaat uit twee boven elkaar en op afstand van elkaar aangebrachte buizen, waarbij een raildeel dat zich aan de onderkant van het railsysteem bevindt, op efficiënte wijze 1002392 2 kan worden verplaatst naar een positie waarin het de doorgang niet belemmert.
Hiertoe is volgens de uitvinding het railsysteem voorzien 5 van een raildeel dat door middel van geleidingsmiddelen verplaatsbaar is tussen een eerste positie waarin elk van de buizen van het raildeel aansluit op het ondereinde van de corresponderende buis van de vaste rail en een ingeschoven positie waarbij beide buizen van het raildeel zich, 10 althans gedeeltelijk, onder beide buizen van de vaste rail bevinden. Daardoor komen beide buizen van het beweegbare raildeel onder de onderste buis van de vaste rail te liggen, zodat de onderlinge dwarsverbinding tussen de twee buizen van het beweegbare raildeel het wegschuiven niet 15 kunnen belemmeren.
De geleidingsmiddelen voor het wegschuiven van het raildeel kunnen zijn voorzien van een geleidingsbaan waarmee de bovenkant van het raildeel langs een gewenste baan wordt 20 verplaatst. Een dergelijke geleidingsbaan zal nader worden toegelicht aan de hand van een uitvoeringsvoorbeeld.
Volgens een nader kenmerk van de uitvinding omvatten de geleidingsmiddelen voorts een verbindingselement dat ener-25 zijds scharnierbaar is verbonden met het raildeel nabij het ondereinde ervan en anderzijds scharnierbaar op een vaste plaats ten opzichte van de trap is bevestigd, welk verbindingselement een eerste deel en een tweede deel omvat, welke delen onderling scharnierbaar zijn verbonden. Een 30 scharnierbaar verbindingselement is een eenvoudige constructie om het ondereinde van het raildeel te geleiden. Door dit verbindingselement uit te voeren met twee, onderling scharnierbaar verbonden delen, kan het ondereinde van het raildeel worden geleid in een baan die afwijkt van een 35 cirkelbaan, hetgeen in de praktijk een gunstige beweging van het raildeel mogelijk maakt.
1002392 3
In een voorkeursuitvoeringsvorm heeft het verbindingselement drie onderling evenwijdige, horizontale scharnieras-sen, een eerste scharnieras aan het ene uiteinde van het eerste deel, welke scharnieras zich op een vaste plaats ten 5 opzichte van de trap bevindt, een tweede scharnieras aan het uiteinde van het eerste deel, om welke scharnieras tevens het tweede deel kan roteren en een derde scharnieras aan het uiteinde van het tweede deel, welke scharnieras zich op een vaste plaats van het raildeel bevindt. Bij 10 voorkeur liggen, in de genoemde eerste positie van het verplaatsbare raildeel, de drie scharnierassen niet in één vlak, doch ligt de tweede scharnieras op afstand onder het vlak waarin de eerste en de derde scharnierassen liggen.
Dit zal nog nader worden toegelicht aan de hand van een 15 uitvoeringsvoorbeeld.
Voorts kan volgens de uitvinding een instelbare aanslag aanwezig zijn voor het instellen van de laagste stand van het eerste deel van het verbindingselement.
20
Verder kan volgens de uitvinding het verbindingselement aan de onderste buis van het raildeel zijn bevestigd, waarbij de twee buizen van het raildeel onderling zijn verbonden, zodat zij gezamenlijk verplaatsbaar zijn. Voorts blijft bij 25 voorkeur het railsysteem, in elke stand van het raildeel, op afstand van de vloer aan de onderzijde van de trap, zodat de vloer van elke gewenste vloerbedekking kan worden voorzien.
30 In een voorkeursuitvoeringsvorm is elke buis van de vaste rail aan zijn ondereinde voorzien van een bevestigingsor-gaan dat kan aangrijpen in een corresponderend bevesti-gingsorgaan dat is aangebracht aan het boveneinde van elk van de buizen van het verplaatsbare raildeel, zodat in 35 genoemde eerste positie de bovenste buis van het raildeel is verbonden met de bovenste buis van de vaste rail en de onderste buis van het raildeel is verbonden met de onderste 1002392 4 buis van de vaste rail. Door de onderlinge verbinding van de vaste rail met het verplaatsbare raildeel op deze wijze uit te voeren, ondersteunen de onderling verbonden buizen elkaar en is een doeltreffende verbinding tot stand ge-5 bracht die ook in stand blijft wanneer de lift passeert en waarbij enige vervorming van de rail optreedt.
Volgens een nader kenmerk van de uitvinding heeft het bevestigingsorgaan een gedeelte met een ronde dwarsdoorsne-10 de, welk gedeelte in een buis van het railsysteem kan worden vastgezet, en een gedeelte dat tezamen met het corresponderende bevestigingsorgaan in hoofdzaak een cilindrisch buitenoppervlak heeft dat overeenkomt met het buitenoppervlak van de betreffende buis. Daardoor kan een 15 ononderbroken aansluiting worden verkregen van twee op elkaar aansluitende buisdelen, waardoor de lift zonder problemen de onderlinge verbinding kan passeren.
Volgens een ander kenmerk van de uitvinding kan elk van de 20 paren in elkaar grijpende bevestigingsorganen zijn voorzien van een vergrendeling die de in elkaar grijpende bevestigingsorganen onderling vergrendelt nadat de aangrijping tot stand is gebracht, zodat zowel de verbinding van de bovenste buizen als van de onderste buizen kan worden vergren-25 deld.
Bij voorkeur omvat de vergrendeling een axiaal in een bevestigingsorgaan verschuifbare coaxiale pen, die tot in een coaxiaal gat in het corresponderende bevestigingsorgaan 30 kan worden geschoven. Op deze wijze wordt een onderlinge koppeling van de buizen verkregen waarbij in alle radiale richtingen grote krachten kunnen worden overgedragen.
Volgens een ander kenmerk van de uitvinding omvatten de 35 geleidingsmiddelen een geleidingsorgaan dat is verbonden met het raildeel nabij het boveneinde er van en dat verplaatst kan worden langs een geleidingsbaan. Door 1002392 5 toepassing van een geleidingsbaan waarlangs een geleidingsorgaan kan verplaatsen is het mogelijk om elke gewenste beweging van het boveneinde van het raildeel te bewerkstelligen. Bij voorkeur is daarbij het 5 geleidingsorgaan scharnierbaar bevestigd aan het raildeel, zodat het geleidingsorgaan zich zwenkend langs de geleidingsbaan kan verplaatsen.
Het geleidingsorgaan kan daarbij met het raildeel zijn 10 verbonden via een steunplaat die verplaatsbaar aan het raildeel is bevestigd, waarbij door verplaatsing van de steunplaat ten opzichte van het raildeel de vergrendeling tot stand kan worden gebracht tussen elk van de buizen van het raildeel met de corresponderende buis van de vaste 15 rail. Daardoor is het mogelijk dat door verplaatsing van het geleidingsorgaan zowel het boveneinde van het raildeel wordt verplaatst als een vergrendeling tot stand wordt gebracht wanneer de buizen van het railsysteem onderling in eikaars verlengde liggen.
20
Volgens een nader kenmerk van de uitvinding omvat het geleidingsorgaan een deel dat door middel van een eindloos aandrijfmiddel verplaatst kan worden in een gleuf van de geleidingsbaan, welk aandrijfmiddel wordt aangedreven door 25 een stationair aangebrachte elektromotor. Het eindloos aandrijfmiddel is een eenvoudige methode om het geleidingsorgaan langs de geleidingsbaan te verplaatsen, terwijl het daarbij mogelijk is dat de motor die het aandrijfmiddel aandrijft stationair is aangebracht en zich 30 bijvoorbeeld niet op het raildeel bevindt waardoor het raildeel extra gewicht moet dragen.
In een voorkeursuitvoering is het aandrijfmiddel een eindloze ketting, bij voorkeur een rollerketting. Deze 35 ketting kan over kettingwielen worden geleid, waarvan er één is aangedreven door de elektromotor. De ketting kan daarbij bovendien langs een geleidingsvlak worden geleid, 1002392 6 zodat de ketting in de gewenste baan ligt. Daarbij kan een één van de kettingwielen verbonden zijn met een handwiel, zodat het eindloze aandrijfmiddel ook aangedreven kan worden wanneer de elektriciteitsvoorziening is 5 uitgeschakeld of de elektromotor defect is. Bij voorkeur bevindt het handwiel zich op de as van het aangedreven kettingwiel. Tussen de elektromotor en het aangedreven kettingwiel kan bovendien een slipkoppeling zijn aangebracht, zodat de aandrijving wordt onderbroken wanneer 10 het raildeel bij het bewegen een weerstand ondervindt. Door het raildeel licht uit te voeren, bijvoorbeeld doordat geen elektromotor op het raildeel is aangebracht, kan het raildeel met een relatief kleine kracht worden verplaatst, zodat de slipkoppeling zodanig kan zijn afgesteld dat 15 slechts een gering koppel kan worden overgebracht.
De uitvinding heeft voorts betrekking op een werkwijze voor het wegschuiven van een verplaatsbaar raildeel van een railsysteem voor een traplift, zoals nader omschreven in de 20 conclusies.
Verdere kenmerken van de uitvinding die zowel afzonderlijk als in combinatie kunnen worden toegepast zijn omschreven in de figuurbeschrijving en zijn vermeld in de conclusies. 25
Ter verduidelijking van de uitvinding zullen, onder verwijzing naar de tekening, enkele uitvoeringsvoorbeelden van een railsysteem worden toegelicht.
30 Figuren 1 tot 4 tonen het onderste gedeelte van een railsysteem met verschillende standen van een verplaatsbaar raildeel;
Figuur 5 toont in detail een verbindingselement; 35
Figuur 6 toont een ander detail van het railsysteem; 1002392 7
Figuren 7 en 8 tonen in detail een aangesloten raildeel;
Figuren 9 en 10 een tonen een verbindingsorgaan voor een buis ; 5
Figuren 11 - 14 tonen bevestigingsorganen van het railsysteem die voorzien zijn van een vergrendeling;
Figuren 15 en 16 tonen het onderste gedeelte van een 10 railsysteem met alternatieve geleidingsmiddelen;
Figuren 17 - 20 tonen de werking van de geleidingsmiddelen van het uitvoeringsvoorbeeld van figuren 15 en 16; 15 Figuur 21 toont details van de geleidingsmiddelen, en
Figuur 22 toont een detail van de aandrijving van de geleidingsmiddelen.
20 De figuren zijn slechts schematische weergaven van het uitvoeringsvoorbeeld, waarbij overeenkomende onderdelen met gelijke verwijzingscijfers zijn aangegeven. Voorts zijn in een aantal figuren achter elkaar gelegen delen ononderbroken weergegeven, alsof de delen transparant zijn.
25
De Figuren 1 tot 4 tonen een trap met treden 1 en aan de onderzijde een vloer 2. Aan de zijkant van de trap, bijvoorbeeld nabij een muur waarlangs de trap is aangebracht, is een staander 3 aangebracht waaraan de rail van het 30 railsysteem is bevestigd. Staander 3 bestaat uit een U- vormig gebogen buis en staat met één poot op vloer 2 en met een andere poot op de eerste tree 1 van de trap.
Langs de trap is een vaste rail aangebracht die voorzien is 35 van een bovenste buis 4 en een onderste buis 5. Langs onderste buis 5 is een tandheugel 6 aangebracht die kan samenwerken met een aangedreven tandwiel van de lift, zodat 1002392 8 de lift zich kan verplaatsen langs de rail.
Het railsysteem is voorzien van een verplaatsbaar raildeel met een bovenste buis 7 en een onderste buis 8, waarbij 5 onderste buis 8 eveneens voorzien is van de eerder genoemde tandheugel 6.
Uit de Figuren 2 en 3 blijkt op welke wijze het raildeel 7.8 kan worden geschoven tussen de eerdergenoemde eerste 10 positie die is weergegeven in Fig. 1, waarbij het raildeel 7.8 aansluit op de vaste rail 4,5, en de ingeschoven positie die is weergegeven in Fig. 4 en waarbij het verplaatsbare raildeel 7,8 zich onder de vaste rail 4,5 bevindt.
Voor het uitvoeren van deze verplaatsing is het raildeel 15 7,8 voorzien van geleidingsmiddelen die enerzijds bestaan uit een geleidingsbaanconstructie 9 die de bovenkant van raildeel 7,8 in een bepaalde baan geleidt en een verbindingselement 10 die de onderkant van het raildeel 7,8 geleidt.
20
Geleidingsbaanconstructie 9 is voorzien van een vast ten opzichte van de trap aangebrachte geleidingsgleuf 11 die langs één rand voorzien is van een tandheugel waarlangs een tandwiel 12 kan bewegen. Daarbij wordt tandwiel 12 aange-25 dreven door middel van elektromotor 13 die zich op een basisplaat 14 bevindt die zich langs geleidingsgleuf 11 kan bewegen. Bij deze beweging wordt het boveneinde van het raildeel 7,8 meegenomen, zodat dit bovendeel vanuit de eerste positie, waarbij het raildeel 7,8 aansluit op de 30 vaste rail 4,5 (Fig. 1) zich eerst schuin naar beneden verplaatst om vervolgens naar een ingeschoven positie (Fig.
4) te bewegen.
Nabij het onderuiteinde wordt het raildeel geleidt door 35 middel van verbindingselement 10 dat bestaat uit twee delen, een eerste deel 15 dat om een vaste eerste schar-nieras 16 ten opzichte van staander 3 kan roteren en dat 1002392 9 met zijn andere einde scharnierbaar om een tweede schar-nieras 17 kan roteren ten opzichte van het tweede deel 18 van het bevestigingselement 10. Het tweede deel 18 is scharnierbaar om derde scharnieras 19 verbonden met buis 8 5 van het verplaatsbare raildeel 7,8.
De buizen 7 en 8 van het verplaatsbare raildeel zijn onderling verbonden door dwarsverbinding 20 nabij hun ondereinde en verbindingsplaat 21 nabij hun boveneinde.
10
Zoals uit de Figuren 1 tot 4 blijkt wordt bij het inschuiven van het raildeel 7,8 het ondereinde daarvan geleidt doordat eerst het tweede deel 18 van het verbindingselement 10 roteert om scharnieras 17 totdat dit tweede deel 18 15 tegen een overigens niet weergegeven aanslag van het raildeel 7,8 stuit, waarna het eerste deel 15 van het verbindingselement 10 roteert om de eerste scharnieras 16, tot uiteindelijk de in Fig. 4 weergegeven stand wordt bereikt. Het terugbrengen van het raildeel 7,8 naar de eerste posi-20 tie gebeurt op gelijke wijze in omgekeerde volgorde.
Doordat het verbindingselement 10 is uitgevoerd met twee onderling scharnierbaar verbonden delen 15,18, wordt voorkomen dat het ondereinde van het raildeel 7,8 een cirkel-25 beweging om een vast punt (eerste scharnieras 16) maakt, waarbij het zodanig ver omhoog wordt bewogen dat het niet onder de onderste buis 5 van de vaste rail kan worden gebracht omdat het te schuin zou kunnen staan ten opzichte van die buis.
30
Vooral als de twee buizen van de rail onderling een grotere afstand hebben, hetgeen voor de lift een gunstige krachtenverdeling tot gevolg heeft, is er minder ruimte onder de vaste rail aanwezig om het raildeel, dat dan ook hoger is, 35 weg te schuiven.
Het zal duidelijk zijn dat de gewenste beweging van het 1002392 10 ondereinde van het raildeel 7,8 wordt verkregen doordat bij het verplaatsen van het raildeel 7,8 eerst de twee delen 15,17 van het verbindingselement 10 ten opzichte van elkaar roteren, zodat tijdens het verplaatsen de afstand tussen de 5 eerste scharnieras 16 en de derde scharnieras 19 tijdelijk wordt verkleind.
Fig. 5 toont het verbindingselement 10, waarbij het eerste deel 15 gedeeltelijk opengewerkt is weergegeven. Daarbij is 10 getoond hoe het eerste deel 15 van verbindingselement 10 is voorzien van een door middel van schroef 22 instelbare aanslag 23 die tegen een nok 24 van de staander (3} rust.
Op deze wijze kan de onderste stand van het eerste deel 15 nauwkeurig worden ingesteld en wel zodanig dat het raildeel 15 7,8 exact in het verlengde ligt van de vaste rail 4,5.
Fig. 6 toont de aansluiting tussen het boveneinde van het raildeel 7,8 met het ondereinde van de vaste rail 4,5. De vier uiteinden van de buizen 4,5,7,8 zijn elk voorzien van 20 een bevestigingsorgaan ofwel grijporgaan 25 die per paar in elkaar kunnen grijpen. De vorm van deze grijporganen is zodanig dat zijn per paar een in hoofdzaak cilindervormig buitenoppervlak vormen wanneer zij in aangrijping zijn.
25 Nadat de buizen 7,4 respectievelijk 8,5 vanuit de in Fig. 6 weergegeven positie in aangrijping met elkaar zijn gebracht (zie Fig. 7) beweegt het tandwiel 12 zich verder door de geleidingsgleuf 11 waarbij de verbindingsplaat 21 zich schuin naar beneden verplaatst zoals in Fig. 8 is weergege-30 ven. Daarbij schuift verbindingsplaat 21 een zodanige vergrendeling in de onderlinge in aangrijping staande paren buizen 4,7 respectievelijk 5,8 dat deze zich niet meer in dwarsrichting ten opzichte van elkaar kunnen verplaatsen.
35 Fig. 9 en 10 tonen het grijporgaan 25 (verbindingsorgaan) in detail. Het grijporgaan is voorzien van een cilindrisch deel 26 dat in een buis 4,5,7,8 kan worden geschoven en 100239^ 11 daarin worden vastgezet, bijvoorbeeld door middel van een niet weergegeven bevestigingsbout. Het buiten de buis 4,5,7,8 uitstekende deel van het grijporgaan 25 heeft dezelfde buitendiameter als de buis, zodat een goede aan-5 sluiting wordt verkregen. Dit gedeelte van het grijporgaan is voorzien van een haakvormig deel 27 dat zodanig gevormd is dat twee haakvormige delen die in elkaar grijpen een in hoofdzaak cilindervormig buitenoppervlak hebben.
10 Zoals uit Fig. 10 blijkt heeft het grijporgaan een vlakke zijde 28 die voorzien is van een schroefgat 29 waarmee het aan verbindingsplaat dan wel aan de eerder genoemde ver-grendelingsmiddelen kan worden bevestigd. Centraal en coaxiaal in het grijporgaan is een uitsparing 30 uitge-15 bracht waarin een ronde as kan worden geplaatst. Door in één van de twee grijporganen van een paar grijporganen een dergelijke ronde as te bevestigen wordt een goede zijdelingse fixatie van de twee grijporganen tot stand gebracht.
20 Figuur 11 toont twee corresponderende bevestigingsorganen die onderling in aangrijping kunnen worden gebracht zoals weergegeven in figuur 13. Elk bevestigingsorgaan bestaat uit een grijporgaan 25 dat dezelfde buitendiameter heeft als de buis 7,8. Het cilindrische deel 26 van het 25 grijporgaan 25 is in de buis 7,8 bevestigd.
In figuur 11 is het linker verbindingsorgaan voorzien van een axiaal verplaatsbare pen 31 en is het rechter verbindingsorgaan voorzien van een coaxiale uitsparing 30 30 waarin de pen 31 kan worden geschoven wanneer de verbindingsorganen onderling in aangrijping zijn, zoals in figuur 13 is weergegeven.
Figuur 12 toont het verbindingsorgaan dat overeenkomt met 35 het linker verbindingsorgaan volgens figuur 11, echter in een doorsnede loodrecht op de doorsnede van figuur 11. Figuur 12 toont een bedieningshefboom 32 die scharnierbaar 1002392 12 is om as 33 en door middel waarvan de pen 31 axiaal kan worden verplaatst. Figuur 14 toont de axiaal verplaatste pen, zoals die ook is weergegeven in figuur 13, waarbij de pen 31 in de uitsparing 30 is geschoven door het zwenken 5 van hefboom 32.
Op de in de figuren 11-14 weergegeven wijze kan een zeer betrouwbare vergrendeling worden verkregen waarbij tussen de onderling verbonden buizen in alle radiale richtingen 10 grote krachten kunnen worden overgebracht, terwijl de buizen onderling exact in eikaars verlengde blijven liggen.
Figuur 15 en figuur 16 tonen de onderzijde van een railsysteem, op de wijze zoals weergegeven in de eerder 15 besproken figuren 1 en 4. Het railsysteem zoals weergegeven in de figuren 15 en 16 verschilt met het railsysteem volgens de figuren 1-4 doordat alternatieve geleidingsmiddelen aanwezig zijn voor het geleiden van het boveneinde van het beweegbare raildeel. De figuren 15 en 16 20 tonen een vooraanzicht, zodat de buizen 4,5,7,8 voor de staander 3 zijn weergegeven en de tandheugel 6 niet zichtbaar is, omdat die achter de buizen 5,8 is aangebracht.
25 Figuur 15 toont het railsysteem waarbij het beweegbare raildeel 7,8 aansluit op de vaste rail 4,5 en figuur 16 toont de situatie waarbij het beweegbare raildeel is weggeschoven tot onder de vaste rail 4,5.
30 De geleidingsmiddelen aan de ondereinden van het raildeel zijn gelijk aan de geleidingsmiddelen die zijn weergegeven in de figuren 1-4. Aan het boveneinde van het raildeel is zwenkbaar een geleidingsorgaan 34 aangebracht, welk geleidingsorgaan een deel heeft dat zich kan verplaatsen in 35 de gleuf 48 die de geleidingsbaan van de geleidingsmiddelen vormt. Het geleidingsorgaan 34 wordt langs de gleuf verplaatst door middel van een eindloze ketting waarvan het 1002392 13 aandrijvende kettingwiel zich bevindt op de plaats die aangegeven is met verwijzingscijfer 36.
Figuren 17 - 20 tonen de wijze waarop het boveneinde van 5 het raildeel 7,8 wordt verplaatst. Daarbij zijn sommige onderdelen weer transparant weergegeven, zodat de werking duidelijker tot uiting komt.
Figuur 17A toont de situatie waarbij de vaste rail 4,5 in 10 het verlengde ligt van het beweegbare raildeel 7,8. Daarbij zijn de corresponderende verbindingsorganen 25 met elkaar in aangrijping en bevindt het geleidingsorgaan 34 zich in de uiterste stand van de geleidingsbaan waarlangs het geleidingsorgaan 34 kan worden verplaatst. Het 15 geleidingsorgaan 34 heeft twee pennen 35,36 die zich in de geleidingsgleuf 48 bevinden. Daardoor bepaalt de gleuf 48 niet alleen de baan waarin geleidingsorgaan 34 kan bewegen, doch ook de zwenkbewegingen die tijdens het verplaatsen van geleidingsorgaan 34 worden uitgevoerd.
20
Het geleidingsorgaan 34 is ter plaatse van pen 36 bevestigd aan een eindloze ketting 37 die is geleid over een aandrijvend kettingwiel 38, een niet aangedreven kettingwiel 39 en een geleidingsplaat 40.
25
De elektromotor 41 die het kettingwiel 38 aandrijft is loodrecht op de as van dat kettingwiel 38 aangebracht.
Figuur 17B toont de inrichting volgens figuur 17A in 30 bovenaanzicht. Daarbij is weergegeven hoe pen 31 door middel van hefboom 32 in de vergrendelde positie is geschoven. Daarbij vindt het zwenken van hefboom 32 plaats door het verschuiven van steunplaat 42 in axiale richting ten opzichte van de rail. Om te kunnen verschuiven is 35 steunplaat 42 met sleufgaten verbonden met het raildeel 7,8.
1 o 0 L 3 a L
14
Figuur 17B toont bovendien de twee platen 43, 44 waartussen de ketting 37 is aangebracht. Ook toont figuur 17B dat geleidingsorgaan 34 tot buiten deze platen 43,44 reikt zodat de pennen 35,36 door deze platen 43,44, die voorzien 5 zijn van de geleidingsgleuf 48, kunnen reiken.
Figuur 18A toont de situatie waarin de ketting 37 het geleidingsorgaan 34 enigszins heeft verplaatst, waarbij de pen 45 van geleidingsorgaan 34, waarmee het 10 geleidingsorgaan 34 aan de steunplaat 42 is bevestigd, zich slechts in axiale richting ten opzichte van de rail heeft verplaatst. Door deze verplaatsing is de pen 31 (figuur 18B) naar links verplaatst door zwenking van hefboom 32, zodat de onderling in elkaar grijpende verbindingsorganen 15 niet langer ten opzichte van elkaar zijn vergrendeld.
Figuur 19 toont de situatie waarbij geleidingsorgaan 34 verder is verplaatst langs de geleidingsbaan waarbij het boveneinde van het raildeel 7,8 zich in hoofdzaak naar 20 beneden verplaatst om vervolgens onder de vaste rail 4,5 te worden weggeschoven (figuur 20).
De figuren 21A,21B en 21C tonen onderdelen van de geleidingsbaan en wel de twee platen 43,44 waarin 25 geleidingsgleuven 48 zijn aangebracht en een onderdeel 46 dat zich in gemonteerde toestand tussen de twee platen 43,44 bevindt. Voorts is het kettingwiel 39 weergegeven en de geleidingsplaat 40. Bij beide onderdelen is aangegeven waar zij op plaat 43 worden aangebracht.
30
Figuur 22 toont een detail van de aandrijving waarbij elektromotor 41 is weergegeven, welke elektromotor loodrecht staat op de as van het kettingwiel 38 dat de ketting 37 aandrijft. Aan het kettingwiel 38 is een 35 handwiel 46 aangebracht teneinde het kettingwiel 38 te kunnen draaien wanneer de elektromotor 41 defect is geraakt of wanneer de stroomvoorziening is uitgevallen.
1002392 15
De weergegeven en toegelichte uitvoeringsvorm moet slechts als uitvoeringsvoorbeeld van de uitvinding worden gezien.
Λ 0 0 2 3 9 2
Claims (19)
1. Railsysteem voor een traplift, waarvan de rail twee 5 in hoofdzaak boven elkaar en op afstand van elkaar aangebrachte buizen met een in hoofdzaak ronde dwarsdoorsnede omvat, welk railsysteem is voorzien van een vast ten opzichte van een trap monteerbare rail en een raildeel dat door middel van geleidings-10 middelen verplaatsbaar is tussen een eerste positie waarin elk van de buizen van het raildeel aansluit op het ondereinde van de corresponderende buis van de vaste rail en een ingeschoven positie waarbij beide buizen van het raildeel zich, althans gedeel-15 telijk, onder beide buizen van de vaste rail bevin den.
2. Railsysteem volgens conclusie 1, met het kenmerk dat de geleidingsmiddelen een verbindingselement omvat- 20 ten dat enerzijds scharnierbaar is verbonden met het raildeel nabij het ondereinde ervan en anderzijds scharnierbaar op een vaste plaats ten opzichte van de trap is bevestigd, welk verbindingselement een eerste deel en een tweede deel omvat, welke delen 25 onderling scharnierbaar zijn verbonden.
3. Railsysteem volgens conclusie 2, met het kenmerk dat het verbindingselement drie onderling evenwijdige, horizontale scharnierassen heeft, een eerste schar- 30 nieras aan het ene uiteinde van het eerste deel, welke scharnieras zich op een vaste plaats ten opzichte van de trap bevindt, een tweede scharnieras aan het andere uiteinde van het eerste deel, om welke scharnieras het tweede deel kan roteren en een 35 derde scharnieras aan het uiteinde van het tweede deel, welke scharnieras zich op een vast plaats van het raildeel bevindt. 1002392
4. Railsysteem volgens conclusie 2 of 3, met het kenmerk dat in de genoemde eerste positie van het verplaatsbare raildeel de tweede scharnieras zich op afstand van, en onder het vlak ligt waarin de eerste 5 en de derde scharnierassen zijn gelegen.
5. Railsysteem volgens één der conclusies 2-4, met het kenmerk dat een instelbare aanslag aanwezig is voor het instellen van de laagste stand van het eerste 10 deel bij het zwenken van dat eerste deel om een scharnieras die vast ten opzichte van de trap is gelegen.
6. Railsysteem volgens één der conclusies 2-5, met het 15 kenmerk dat het verbindingselement aan de onderste buis van het raildeel is bevestigd en dat de twee buizen van het raildeel onderling zijn verbonden zodat bij verplaatsing van de onderste buis de bovenste buis meebeweegt. 20
7. Railsysteem volgens één der conclusies 2-6, met het kenmerk dat het verbindingselement en het raildeel in elke stand, inclusief de genoemde eerste positie, op afstand zijn gelegen van de vloer aan de onder- 25 zijde van de trap.
8. Railsysteem volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk dat elk van de buizen van de vaste rail aan hun ondereinde zijn voorzien van een beves- 30 tigingsorgaan dat kan aangrijpen in een corresponde rend bevestigingsorgaan dat is aangebracht aan het boveneinde van elk van de buizen van het verplaatsbare raildeel, zodat in genoemde eerste positie de bovenste buis van het raildeel is verbonden met de 35 bovenste buis van de vaste rail en de onderste buis van het raildeel is verbonden met de onderste buis van de vaste rail. 1002392
9. Railsysteem volgens conclusie 8, met het kenmerk dat het bevestigingsorgaan een gedeelte heeft met een ronde dwarsdoorsnede, welk gedeelte in een buis kan worden vastgezet, en een gedeelte heeft, dat teza-5 men met het corresponderende bevestigingsorgaan in hoofdzaak een cilindrisch buitenoppervlak heeft dat overeenkomt met het buitenoppervlak van de betreffende buis.
10. Railsysteem volgens conclusie 8 of 9, met het ken merk dat beide paren in elkaar grijpende bevesti-gingsorganen zijn voorzien van een vergrendeling, zodat zowel de verbinding van de bovenste buizen als van de onderste buizen kunnen worden vergrendeld. 15
11. Railsysteem volgens een der conclusies 8-10, met het kenmerk, dat de vergrendeling een axiaal in een bevestigingsorgaan verschuifbare coaxiale pen omvat die tot in een coaxiaal gat in het corresponderende 20 bevestigingsorgaan kan worden geschoven.
12. Railsysteem volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de geleidingsmiddelen een geleidingsorgaan omvatten dat is verbonden met het 25 raildeel nabij het boveneinde ervan en dat verplaatst kan worden langs een geleidingsbaan.
13. Railsysteem volgens conclusie 12, met het kenmerk, dat het geleidingsorgaan scharnierbaar is bevestigd 30 aan het raildeel.
14. Railsysteem volgens conclusie 12 of 13, met het kenmerk, dat het geleidingsorgaan met het raildeel is verbonden via een steunplaat die verplaatsbaar 35 aan het raildeel is bevestigd, waarbij door verplaatsing van de steunplaat ten opzichte van het raildeel een vergrendeling tot stand kan worden 1. o 'L 3 9 2 gebracht tussen elk van de buizen van het raildeel met de corresponderende buis van de vaste rail.
15. Railsysteem volgens een der conclusies 12-14, met 5 het kenmerk, dat het geleidingsorgaan een deel omvat dat door middel van een eindloos aandrijfmiddel verplaatst kan worden in een gleuf van de geleidingsbaan, welk aandrijfmiddel wordt aangedreven door een stationair aangebrachte 10 elektromotor.
16. Railsysteem volgens conclusie 15, met het kenmerk, dat het aandrijfmiddel een ketting, bij voorkeur een rollerketting is. 15
17. Railsysteem volgens conclusie 15 of 16, gekenmerkt door een handwiel waarmee het eindloze aandrijfmiddel met de hand kan worden aangedreven.
18. Werkwijze voor het wegschuiven van een verplaatsbaar raildeel van een railsysteem voor een traplift, waarvan de rail twee in hoofdzaak boven elkaar aangebrachte buizen met een in hoofdzaak ronde dwarsdoorsnede omvat, met het kenmerk, dat beide 25 buizen van het raildeel gezamenlijk onder beide buizen van de vaste rail van het railsysteem worden geschoven.
19. Werkwijze volgens conclusie 18, gekenmerkt door het 30 toepassen van een of meer kenmerken van de voorgaande conclusies. 1002392
Priority Applications (5)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL1002392A NL1002392C2 (nl) | 1996-02-20 | 1996-02-20 | Railsysteem voor een traplift. |
| EP97900804A EP0874778B1 (en) | 1996-01-17 | 1997-01-14 | Rail system for a staircase elevator |
| DE69712310T DE69712310T2 (de) | 1996-01-17 | 1997-01-14 | Schienenanordnung für einen treppenaufzug |
| AT97900804T ATE216977T1 (de) | 1996-01-17 | 1997-01-14 | Schienenanordnung für einen treppenaufzug |
| PCT/NL1997/000013 WO1997026207A1 (nl) | 1996-01-17 | 1997-01-14 | Railsysteem voor een traplift |
Applications Claiming Priority (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL1002392 | 1996-02-20 | ||
| NL1002392A NL1002392C2 (nl) | 1996-02-20 | 1996-02-20 | Railsysteem voor een traplift. |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL1002392C2 true NL1002392C2 (nl) | 1997-08-21 |
Family
ID=19762348
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL1002392A NL1002392C2 (nl) | 1996-01-17 | 1996-02-20 | Railsysteem voor een traplift. |
Country Status (1)
| Country | Link |
|---|---|
| NL (1) | NL1002392C2 (nl) |
Citations (2)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| WO1990008091A1 (en) * | 1989-01-10 | 1990-07-26 | Thyssen De Reus B.V. | A railsystem for a chair lift or the like, which is mounted on or along a flight of stairs |
| EP0450858A2 (en) * | 1990-03-31 | 1991-10-09 | Raymond John Holden | Stairlift |
-
1996
- 1996-02-20 NL NL1002392A patent/NL1002392C2/nl not_active IP Right Cessation
Patent Citations (2)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| WO1990008091A1 (en) * | 1989-01-10 | 1990-07-26 | Thyssen De Reus B.V. | A railsystem for a chair lift or the like, which is mounted on or along a flight of stairs |
| EP0450858A2 (en) * | 1990-03-31 | 1991-10-09 | Raymond John Holden | Stairlift |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| US7052227B2 (en) | Drive mechanism for a vehicle access system | |
| DE68925368T2 (de) | Fahrzeuge und ladebordwände | |
| US5090555A (en) | Conveyor of connected carriages | |
| US5457836A (en) | Deployable bridge and apparatus for laying the same | |
| US8375496B1 (en) | Fold out ramp | |
| EP2483180B1 (en) | Belt conveyor with a modular intermediate drive belt | |
| US8533884B1 (en) | Fold out ramp | |
| US20070245921A1 (en) | Apparatus and method of railroad tie replacement | |
| EP2058264A1 (en) | Moving walkway | |
| NL1002392C2 (nl) | Railsysteem voor een traplift. | |
| NL9100972A (nl) | Hef-schuifdak voor een voertuig. | |
| EP0874778B1 (en) | Rail system for a staircase elevator | |
| EP0333952A1 (en) | Transferring apparatus | |
| CA2327881A1 (en) | A ramp assembly | |
| EP0115087B2 (de) | Rolladenartige Abdeckung für Montagegruben | |
| CA3037061C (en) | Rail vehicle, method for producing a rail vehicle, and use of a scissor mechanism in a boarding arrangement | |
| CN1124218A (zh) | 多个高度动力驱动的第五轮牵引挂接装置 | |
| NL9001686A (nl) | Dakpaneelsamenstel voor een motorvoertuig. | |
| US7600628B2 (en) | Carriage for driving handrails of walkways and moving stairs | |
| CZ297114B6 (cs) | Dopravní zarízení | |
| CN105082956A (zh) | 用于车辆的敞开车顶结构 | |
| EP0451581B1 (de) | Schlachthof- oder Fleischkühlhaus-Förderer | |
| DE4220803A1 (de) | Rolltreppeneinrichtung | |
| WO2018047043A1 (en) | Escalator system with vertical step risers and side flanges | |
| WO1995029312A1 (de) | Aufzug für parkplattformen von kraftfahrzeug-parkieranlagen |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| PD2B | A search report has been drawn up | ||
| VD1 | Lapsed due to non-payment of the annual fee |
Effective date: 20070901 |