NL1004669C2 - Transducer. - Google Patents
Transducer. Download PDFInfo
- Publication number
- NL1004669C2 NL1004669C2 NL1004669A NL1004669A NL1004669C2 NL 1004669 C2 NL1004669 C2 NL 1004669C2 NL 1004669 A NL1004669 A NL 1004669A NL 1004669 A NL1004669 A NL 1004669A NL 1004669 C2 NL1004669 C2 NL 1004669C2
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- coil
- anchor leg
- air gap
- centering
- axis
- Prior art date
Links
Classifications
-
- H—ELECTRICITY
- H04—ELECTRIC COMMUNICATION TECHNIQUE
- H04R—LOUDSPEAKERS, MICROPHONES, GRAMOPHONE PICK-UPS OR LIKE ACOUSTIC ELECTROMECHANICAL TRANSDUCERS; ELECTRIC HEARING AIDS; PUBLIC ADDRESS SYSTEMS
- H04R11/00—Transducers of moving-armature or moving-core type
-
- Y—GENERAL TAGGING OF NEW TECHNOLOGICAL DEVELOPMENTS; GENERAL TAGGING OF CROSS-SECTIONAL TECHNOLOGIES SPANNING OVER SEVERAL SECTIONS OF THE IPC; TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC CROSS-REFERENCE ART COLLECTIONS [XRACs] AND DIGESTS
- Y10—TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC
- Y10T—TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER US CLASSIFICATION
- Y10T29/00—Metal working
- Y10T29/49—Method of mechanical manufacture
- Y10T29/49002—Electrical device making
- Y10T29/49007—Indicating transducer
Landscapes
- Physics & Mathematics (AREA)
- Electromagnetism (AREA)
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Acoustics & Sound (AREA)
- Signal Processing (AREA)
- Electromagnets (AREA)
- Reciprocating, Oscillating Or Vibrating Motors (AREA)
Description
Titel: Transducer
De uitvinding heeft betrekking op een transducer, in het bijzonder geschikt voor hoorapparaten, omvattende een spoel met een eerste luchtspleet, een magneetorgaan met een tweede luchtspleet, en een anker, waarbij de eerste en de tweede 5 luchtspleten in eikaars verlengde zijn gelegen, en waarbij het anker een ankerbeen omvat dat zich door beide luchtspleten uitstrekt.
Dergelijke transducenten zijn op zich bekend. Daarbij is het genoemde ankerbeen verbonden met een membraan. Trillingen 10 van het membraan worden overgedragen op het ankerbeen, en het trillende ankerbeen veroorzaakt een elektrische wisselspanning in de spoel. Omgekeerd veroorzaakt een aan de spoel aangelegde wisselspanning een trilling van het ankerbeen, die wordt overgedragen aan het membraan.
15 Bij de onder normale omstandigheden optredende trillingen van het genoemde ankerbeen zijn de verplaatsingen daarvan relatief klein. In extreme gevallen kan het ankerbeen echter de magneet raken.
Transducers van het genoemde type hebben het probleem 20 dat, wanneer op de transducer een schok of stootbelasting wordt uitgeoefend, zoals bijvoorbeeld wanneer de transducer valt, het ankerbeen dermate ver doorbuigt, dat zich plastische vervormingen kunnen voordoen in het ankerbeen, hetgeen ongewenst is.
25 Een transducer van het genoemde type is bijvoorbeeld beschreven in de internationale octrooiaanvrage WO 94/10817.
In deze publicatie is het genoemde schok-probleem reeds onderkend, en de publicatie beschrijft diverse begrenzings-middelen om de schokbestendigheid van een transducent te 30 verhogen. Die middelen zijn gebaseerd op het beperken van de bewegingsvrijheid van het genoemde ankerbeen bij een centrale positie daarvan.
1 η n a « c π 2
In een uitvoeringsvorm betreffen die begrenzingsmiddelen een als vervorming aan het ankerbeen gevormd uitsteeksel.
In een andere uitvoeringsvorm betreffen die begrenzingsmiddelen een als stootkussen fungerend, afzonderlijk aanslag-5 orgaan, dat kan zijn aangebracht aan het ankerbeen of aan de magneet.
In weer een andere uitvoeringsvorm betreffen die begrenzingsmiddelen een afzonderlijk afstandorgaan met een beperkte luchtspleet, die is opgesteld tussen de spoel en de 10 magneet.
In weer een andere uitvoeringsvorm stelt de publicatie voor om het inwendige van het spoellichaam een specifieke vorm te geven.
Al deze voorstellen hebben echter als nadeel, dat het 15 niet mogelijk is om gebruik te maken van standaard onderdelen, en/of dat extra onderdelen moeten worden toegevoegd. Dit verhoogt de met een dergelijke transducer geassocieerde kosten.
Een ander nadeel van de genoemde voorstellen is, dat het 20 niet mogelijk is om de beschermingsmiddelen af te stellen, in het algemeen wordt de spoel gewikkeld op een spoellichaam dat als spuitgietproduct gevormd is en derhalve een zekere tolerantie bezit. Wanneer men het inwendige van een spoel gebruikt als aanslag op de wijze zoals voorgesteld in de 25 genoemde publicatie, verkrijgt men een vrij grote spreiding van de schokbestendigheid van de individuele transducers, welke spreiding niet door een afstelprocedure kan worden verkleind.
Een ander nadeel van de genoemde voorstellen betreft het 30 feit dat het voor een goede en betrouwbare werking van de transducer gewenst is, dat het ankerbeen zich symmetrisch in het magneethuis bevindt, en dat de beschermingsmiddelen in de beide trillingsrichtingen van het ankerbeen een symmetrische werking hebben. Dit impliceert, dat de door genoemde 35 publicatie voorgestelde onderdelen met vrij hoge nauwkeurigheid moeten worden vervaardigd.
1004669 3
Het is een algemeen doel van de onderhavige uitvinding om de genoemde problemen op te lossen.
Meer in het bijzonder beoogt de onderhavige uitvinding om een transducer te verschaffen die kan worden geassembleerd van 5 standaard onderdelen, en waarin met vrij grote nauwkeurigheid een voorafbepaalde, gewenste trillingsvrijheid van het anker-been kan worden ingesteld, zonder dat de onderdelen een dermate geringe tolerantie dienen te hebben dat het uitvalpercentage en/of de kosten toenemen.
10 Volgens een eerste aspect van de onderhavige uitvinding is de spoel ten opzichte van zijn lengteas geroteerd bevestigd aan het magneethuis.
Volgens een ander aspect van de onderhavige uitvinding wordt een werkwijze voor het aan elkaar bevestigen van een 15 spoel en een magneetorgaan verschaft, waarbij een hulpstuk wordt gebruikt dat de gewenste trillingsvrijheid van het ankerbeen definieert, waarbij de spoel en het magneetorgaan om dat hulpstuk worden geschoven en ten opzichte van elkaar verdraaid tot dat zij dat hulpstuk raken.
20 Deze en andere aspecten, kenmerken en voordelen van de onderhavige uitvinding zullen verduidelijkt worden door de hiernavolgende beschrijving van een voorkeursuitvoeringsvorm van een transducer volgens de uitvinding, onder verwijzing naar de tekening, waarin gelijke of vergelijkbare onderdelen 25 worden aangeduid door gelijke verwijzingscijfers, en waarin: figuur 1 een schematische dwarsdoorsnede van een transducent toont; figuur 2 een schematisch perspectiefaanzicht toont van een anker; 30 de figuren 3A-C met figuur 1 vergelijkbare dwarsdoorsneden zijn die de vervorming van het anker illustreren; de figuren 4A en 4B dwarsdoorsneden zijn volgens respectievelijk de lijnen A-A en B-B in figuur 1 voor een conventionele transducent; 35 figuur 5 een met figuur 4B vergelijkbare dwarsdoorsnede is van een transducent volgens de onderhavige uitvinding; figuur 6A een schematisch perspectiefaanzicht toont van een jt /, "* ^ 1 4 hulpstuk, voor gebruik bij een werkwijze voor het assembleren van een transducent volgens de onderhavige uitvinding; en figuur 6B een schematische dwarsdoorsnede van genoemd hulpstuk toont.
5
Figuur 1 toont een schematische dwarsdoorsnede van een in zijn algemeenheid met het verwijzingscijfer 1 aangeduide transducent. De transducent 1 omvat een magneetorgaan 2 en een spoel 3. Het magneetorgaan 2 omvat in de weergegeven 10 uitvoeringsvorm een magneethuis 9 en twee daarin op afstand van elkaar opgestelde magneetelementen 5, 7. De spoel 3 heeft een eerste luchtspleet 4 waarvan de dwarsdoorsnede in hoofdzaak rechthoekig kan zijn. De twee magneetelementen 5, 7 definiëren tussen elkaar een tweede luchtspleet 6 waarvan de 15 dwarsdoorsnede eveneens in hoofdzaak rechthoekig kan zijn. De twee luchtspleten 4 en 6 zijn in eikaars verlengde opgesteld.
De transducent 1 omvat voorts een anker 10, dat in het weergegeven voorbeeld een E-vormig anker is. Een dergelijk E-vormig anker 10 heeft in zijn algemeenheid drie evenwijdig 20 aan elkaar opgestelde benen 11, 12, 13, zoals schematisch getoond in het perspectiefaanzicht van figuur 2, welke benen bij een uiteinde (het rechter uiteinde in de figuren 1 en 2) met elkaar zijn verbonden door een beenverbindingsdeel 14. Het middelste ankerbeen 12 is gepositioneerd binnen de twee in 25 eikaars verlengde gelegen luchtspleten 4 en 6, waarbij het beenverbindingsdeel 14 zich bevindt aan de kant van de spoel 3. De twee buitenste ankerbenen 11 en 13 reiken aan de buitenzijde langs de spoel 3 en het magneethuis 9 en zijn aan het magneethuis 9 bevestigd, maar dat is ter wille van de 30 eenvoud niet in deze figuren geïllustreerd. Het vrije uiteinde van het middelste ankerbeen 12 is door middel van een verbindingselement 15 verbonden met een ter wille van de eenvoud in de figuren niet weergegeven membraan.
De werking van een dergelijke transducent 1 is als volgt. 35 indien aan de spoel 3 een elektrisch signaal wordt aangeboden, afkomstig van een niet weergegeven versterker, wordt het middelste ankerbeen 12 in samenwerking met het permanente : * ‘ 5 magneetveld van het magneetorgaan 2 in trilling gebracht. De trillingsbeweging van het middelste ankerbeen 12 wordt via het verbindingselement 15 overgedragen op het genoemde membraan, waardoor geluidtrillingen worden veroorzaakt. Omgekeerd kunnen 5 geluidstrillingen het genoemde membraan in trilling brengen, waardoor via het verbindingselement 15 het middelste ankerbeen 12 in trilling wordt gebracht, waardoor in de spoel 3 een elektrisch signaal wordt opgewekt dat kan worden gedetecteerd en verwerkt.
10 De figuren 3A-C, waarin ter wille van de eenvoud alleen het middelste ankerbeen 12, de spoel 3 en de magneetelementen 5 en 7 zijn weergegeven, illustreren op overdreven schaal de behoefte aan middelen ter verhoging van de schokbestendigheid. Tijdens normaal bedrijf zal het vrije uiteinde van het 15 middelste ankerbeen 12 een trilling uitvoeren ten opzichte van een door een stippellijn aangeduide evenwichtsstand, waarbij het middelste ankerbeen 12 over zijn gehele lengte enigszins wordt verbogen. Onder normale omstandigheden blijft het middelste ankerbeen 12 vrij van de spoel 3 en de magneet-20 elementen 5 en 7, maar in extreme gevallen zou het uiteinde van het middelste ankerbeen 12 de magneetelementen 5 en 7 kunnen raken, zoals getoond in figuur 3A. Hoewel een dergelijk raken op zich voor het functioneren van de transducent 1 niet goed is, is dat raken op zich voor de transducent 1 niet 25 schadelijk. In feite kan dat raken zelfs beschouwd worden als een beveiliging, omdat een verdere uitwijking van het middelste ankerbeen 12 ten opzichte van zijn evenwichtsstand wordt voorkomen, zodat de vervorming van het middelste ankerbeen 12 steeds in het elastische gebied blijft.
30 Wanneer echter op het middelste ankerbeen 12 een grote versnelling wordt uitgeoefend, bijvoorbeeld door een schok als gevolg van vallen, kan een centraal gedeelte van het middelste ankerbeen 12 verder uitwijken uit de evenwichtsstand hoewel het vrije uiteinde van het middelste ankerbeen 12 wordt tegen-35 gehouden door een magneetelement, zoals getoond in figuur 3B voor een omlaag gerichte uitwijking. Bij een dergelijke 6 vervorming kan het middelste ankerbeeu 12 plastisch vervormen, hetgeen beschouwd moet worden als schade.
Om de kans op een dergelijke plastische vervorming te verminderen, kunnen worden voorzien in middelen 30 die een 5 centraal gedeelte van het middelste ankerbeen 12 opvangen om aldus een te grote uitwijking van dat centrale gedeelte tegen te gaan, zoals getoond in figuur 3C voor een omlaag gerichte uitwijking.
In de stand der techniek zijn dergelijke opvangmiddelen 10 30 reeds voorgesteld. Zoals in het voorgaande reeds is beschreven, stelt WO-94/10817 voor om een uitstulping aan het middelste ankerbeen 12 te vormen, of om een extra aanslag-onderdeel te bevestigen aan het middelste ankerbeen 12 of aan de spoel en/of de magneet. De nadelen van een dergelijke 15 benadering zijn ook reeds beschreven in het voorgaande.
Daarentegen worden de opvangmiddelen 30 volgens de onderhavige uitvinding gedefinieerd door de standaard onderdelen zelf, zoals in het hiernavolgende zal worden verduidelijkt.
Figuur 4A toont een schematische dwarsdoorsnede volgens 20 de lijn A-A in figuur 1, en figuur 4B toont een schematische dwarsdoorsnede volgens de lijn B-B in figuur 1, geldig voor een conventionele transducent met standaard onderdelen zonder opvangmiddelen 30. Het middelste ankerbeen 12 heeft een in hoofdzaak rechthoekige dwarsdoorsnede met een dikte d en een 25 breedte b. In het hiernavolgende zal worden gerefereerd aan een orthogonaal coördinatenstelsel waarvan de X-as is gericht volgens de breedte-richting van het middelste ankerbeen 12 terwijl de Y-as is gericht volgens de dikte-richting van het middelste ankerbeen 12, dat wil zeggen de trillingsrichting 30 van het middelste ankerbeen 12. De z-as is gericht volgens de lengterichting van het middelste ankerbeen 12 in zijn evenwichtstoestand, dat wil zeggen de stippellijn van de figuren 3A-C.
In figuur 4A is getoond, dat het middelste ankerbeen 12 35 symmetrisch is opgesteld ten opzichte van het magneethuis 9 met de magneetelementen 5, 7. Meer in het bijzonder is de hartlijn van het magneethuis 9 en de magneetelementen 5, 7 7 uitgelijnd met de genoemde Z-as, en bevindt het middelste ankerbeen 12 zich precies in het midden van de tweede lucht-spleet 6. In figuur 4A zijn de naar elkaar toe gerichte oppervlakken 31, 32 van de magneetelementen 5, 7 getoond als 5 platte vlakken die loodrecht staan op de Y-as, zodat de tweede luchtspleet 6 over zijn gehele X-afmeting een gelijke Y-afmeting heeft die zal worden aangeduid als ye. Opgemerkt wordt echter, dat het niet noodzakelijk is dat die naar elkaar toe gerichte oppervlakken 31, 32 van de magneetelementen 5, 7 10 platte vlakken zijn, zoals later zal worden verduidelijkt.
In het kader van de onderhavige uitvinding zal met de term "trillingsvrijheid" van het middelste ankerbeen 12 worden bedoeld de afstand die het middelste ankerbeen 12 in de trillingsrichting, dat wil zeggen de Y-richting, vrij kan 15 afleggen. De trillingsvrijheid ten opzichte van de magneetelementen 5, 7 zal worden aangeduid als "magneet-trillings-vrijheid" FM. Het zal duidelijk zijn dat bij de in figuur 4A geschetste configuratie FM voldoet aan de volgende vergelijking: 20 F„ = f(y6-d) (1)
In figuur 4B, waarin ter wille van de duidelijkheid de magneetelementen 5, 7 niet zijn weergegeven, is de eerste luchtspleet 4 van de spoel 3 weergegeven als een luchtspleet 25 met een in hoofdzaak rechthoekige dwarsdoorsnede, gedefinieerd door eerste spoelbinnenvlakken 33, 34 die zijn uitgevoerd als platte vlakken loodrecht op de Y-as, en tweede spoelbinnenvlakken 35, 36 die zijn uitgevoerd als platte vlakken loodrecht op de x-as. In dat geval heeft de eerste luchtspleet 4 30 van de spoel 3 over zijn gehele X-afmeting een gelijke Y-afmeting die zal worden aangeduid als y4. Opgemerkt wordt echter, dat het niet noodzakelijk is dat de tegenover elkaar opgestelde eerste binnenvlakken 33, 34 platte vlakken zijn, zoals later zal worden verduidelijkt.
35 in de conventionele opstelling kan de spoel 3 zijn uitgelijnd met het middelste ankerbeen 12, dat wil zeggen dat het middelste ankerbeen 12 zich ongeveer in het midden bevindt 1004669 β van de eerste luchtspleet 4. Het anker heeft daarbij voldoende speling ten opzichte van de spoel. Vaak wordt de kern van de spoel groter gekozen dan de kern van het magneethuis om de productie te vergemakkelijken. De trillingsvrijheid ten 5 opzichte van de spoel 3, die zal worden aangeduid als "spoel-trillingsvrijheid" Fs, voldoet dan bij de in figuur 4B geschetste configuratie aan de volgende vergelijking:
Fs = Γ(Υ4 - d) (2) 10 Bij het vervaardigen van de spoel 3 wordt deze gewikkeld op een wikkelkern, die na het wikkelen wordt verwijderd. De contour en de afmetingen van de eerste luchtspleet 4 komen derhalve overeen met de buitencontour en buitenafmetingen van die wikkelkern. Die wikkelkern wordt normaliter vervaardigd 15 als spuitgietproduct, en heeft derhalve een vrij hoge tolerantie, althans een tolerantie die groter is dan de tolerantie van de tweede luchtspleet 6. Daarom is de nominale waarde van de Y-afmeting van de eerste luchtspleet 4 over het algemeen groter gekozen dan die van de tweede luchtspleet 6, 20 zoals getoond in de figuren 1 en 3. In een bepaalde uitvoeringsvorm gelden de volgende afmetingen: b = 1,51 ± 0,02 mm d — 0,2 ± 0,005 mm Y6 = 0,395 ± 0,015 mm 25 y4 = 0,50 ± 0,030 mm
Bij het uitvoeren van een trillingsbeweging zal het middelste ankerbeen 12, zoals eerder vermeld en zoals geïllustreerd in figuur 3A, buigen over zijn gehele lengte. Dit 30 impliceert dat beveiligingsmiddelen die de schokbestendigheid vergroten, voor een centraal gedeelte van het middelste ankerbeen 12 een kleinere trillingsvrijheid moeten definiëren dan voor het vrije uiteinde van het middelste ankerbeen 12. Bij de conventionele opstelling, zoals geïllustreerd in de figuren 3 35 en 4, wordt dat niet bereikt. Men zou een dergelijke kleinere trillingsvrijheid voor een centraal gedeelte van het middelste ankerbeen 12 wel kunnen bereiken door de Y-afmeting van de 1004669 9 eerste luchtspleet 4 van de spoel 3 kleiner te kiezen dan die van de tweede luchtspleet 6 van de magneetelementen 5, 7. Immers, dan zou de trillingsvrijheid van dat centrale gedeelte worden gedefinieerd door de spoel-trillingsvrijheid Fs-5 Vanwege de genoemde tolerantie van de verticale afmeting van de eerste luchtspleet 4 betekent dit echter een grote spreiding in de trillingsvrijheid van dat centrale gedeelte voor de afzonderlijke transducenten ten opzichte van elkaar.
Volgens de uitvindingsgedachte wordt een relatief nauw-10 keurige instelling van de trillingsvrijheid van dat centrale gedeelte mogelijk, zelfs wanneer de Y-afmeting van de eerste luchtspleet 4 van de spoel 3 groter is dan die van de tweede luchtspleet 6 van de magneetelementen 5, 7, hoewel de uitvinding ook toepasbaar is wanneer de Y-afmeting van de 15 eerste luchtspleet 4 van de spoel 3 kleiner is dan die van de tweede luchtspleet 6 van de magneetelementen 5, 7.
Dit wordt volgens de onderhavige uitvinding bereikt doordat de spoel 3 over een hoek α is geroteerd om de genoemde Z-as, zoals geïllustreerd in figuur 5. Figuur 5 toont een met 20 figuur 4B vergelijkbare dwarsdoorsnede door een transducent 1 die geconstrueerd is volgens de onderhavige uitvindingsgedachte, waarbij is uitgegaan van dezelfde conventionele componenten als geïllustreerd in de figuren 4Ά en 4B. Met de spoel 3 is een tweede orthogonaal coördinatenstelsel X'Y'Z' 25 geassocieerd, welk coördinatenstelsel X'Y'Z' de symmetrie van de spoel 3 reflecteert, dat wil zeggen dat, in het weergegeven uitvoeringsvoorbeeld waar de eerste luchtspleet 4 een rechthoekige dwarsdoorsnede heeft, de Z'-as is gericht volgens de lengteas van de eerste luchtspleet 4, de X'-as loodrecht 30 staat op de oppervlakken 35, 36, en de Y'-as loodrecht staat op de oppervlakken 33, 34. De Z'-as van de spoel 3 valt samen met de z-as van de combinatie van het anker 10 en de magneten 5, 7, maar de X'-as sluit met de X-as genoemde hoek α in.
Het zal duidelijk zijn dat nu de spoel-trillingsvrijheid 35 Fg van het middelste ankerbeen 12 afhankelijk is van onder meer genoemde hoek α, en wel volgens de vergelijking 2Fg = Y4 - d - ( b-y4*tan(ja) ) ‘tan(a) (3) ΐ C 0 4 r ' " 10
Meer in het bijzonder zal het duidelijk zijn dat, bij de in figuur 5 geïllustreerde richting van de verdraaiing van de spoel 3 ten opzichte van het magneetorgaan 2, de spoel-trillingsvrijheid aan de bovenzijde van het middelste 5 ankerbeen 12 wordt gedefinieerd door de in Y-richting gemeten afstand tussen het bovenste spoelbinnenvlak 33 en de naar het eerste ankerbeen 11 gerichte zijrand 41 van het middelste ankerbeen 12, terwijl de spoel-trillingsvrijheid aan de onderzijde van het middelste ankerbeen 12 wordt gedefinieerd 10 door de in Y-richting gemeten afstand tussen het onderste spoelbinnenvlak 34 en de naar het tweede ankerbeen 13 gerichte zijrand 43 van het middelste ankerbeen 12.
Voorts zal het duidelijk zijn, dat de spoel-trillingsvrijheid Fs zoals bepaald door formule (3), kleiner kan zijn 15 dan de magneet-trillingsvrijheid FM zoals bepaald door formule (1), zelfs als de Y'-afmeting van de eerste luchtspleet 4 van de spoel 3 groter is dan de Y-afmeting van de tweede luchtspleet 6 van het magneetorgaan 2, simpelweg door α voldoende groot te kiezen, hegeen ook in figuur 5 is geïllustreerd.
20 Het zal dan duidelijk zijn dat het middelste ankerbeen 12, bij steeds groter wordende uitwijking ten opzichte van de evenwichtsstand, het aldus geroteerde spoellichaam 3 het eerst zal raken bij het naar het magneethuis 9 gerichte uiteinde van de spoel 3. Men kan er voor kiezen om α dermate groot te laten 25 zijn, dat het middelste ankerbaan 12 het aldus geroteerde spoellichaam 3 eerder raakt dan dat het uiteinde van het middelste ankerbaan 12 in aanraking komt met een magneet-element 5, 7. Ook kan men er voor kiezen om α minder groot te laten zijn, zodanig dat het uiteinde van het middelste 30 ankerbaan 12 in aanraking komt met een magneetelement 5, 7 voordat het middelste ankerbaan 12 het aldus geroteerde spoellichaam 3 raakt. Bij voorkeur kiest men echter α zodanig, dat het middelste ankerbaan 12 het aldus geroteerde spoellichaam 3 en een magneetelement 5, 7 tegelijkertijd raakt, zodat dan een 35 ondersteuning op twee punten wordt bereikt.
De precieze waarde van α waarmee de spoel 3 wordt bevestigd aan het magneetorgaan 2, zal afhangen van de 11 afmetingen van de luchtspleten 4 en 6 en van het middelste ankerbeen 12. In het algemeen zal het mogelijk zijn om te voorspellen volgens welke kromme het middelste ankerbeen 12 verbuigt, en om op basis daarvan de gewenste hoek α te 5 berekenen. In het algemeen zal α gelegen zijn in het gebied van enkele graden tot ca. 15°.
In het genoemde voorbeeld heeft de spoel 3 een Z-afmeting van 2,48 mm, hebben de magneten 5, 7 een Z-afmeting van 2,04 1 0,05 mm, en bedraagt de genoemde Y-uitwijking 0,098 mm. 10 In een dergelijke uitvoeringsvorm bedraagt genoemde hoek α derhalve ongeveer 8®.
Zoals echter in het voorgaande vermeld, heeft de luchtspleet 4 van de spoel 3 een zekere tolerantie, hetgeen 15 betekent dat genoemde hoek α voor verschillende individuele transducenten op verschillende waarden moet worden ingesteld om dezelfde waarde voor Fs te bereiken. De uitvinding heeft derhalve ook betrekking op een werkwijze voor het bevestigen van de spoel 3 aan het magneetorgaan 2, waarbij het mogelijk 20 is om genoemde hoek α voor verschillende individuele transducenten op een dusdanige waarde in te stellen, dat de gewenste trillingsvrijheid Fs nauwkeurig wordt bereikt, onafhankelijk van onzekerheden in de precieze afmetingen van de luchtspleet 4. Met de volgens de onderhavige uitvinding 25 voorgestelde werkwijze wordt tevens op relatief eenvoudige wijze een uitlijning van de spoel 3 en de magneetelementen 5, 7 bereikt. Die werkwijze zal worden besproken onder verwijzing naar figuur 6Ά, waar schematisch een perspectiefaanzicht is getoond van een voorkeursuitvoeringsvorm van een dergelijk 30 centreerhulpstuk 50. Dat centreerhulpstuk 50 omvat in hoofdzaak twee centreergedeelten 51 en 52 die ten opzichte van elkaar zijn uitgelijnd. Het tweede centreergedeelte 52 kan een contour hebben die overeenkomt met de contour van de tweede luchtspleet 6. In de geïllustreerde voorkeursuitvoeringsvorm 35 heeft het tweede centreergedeelte 52 een in hoofdzaak rechthoekige dwarsdoorsnede, met een Y-afmeting die een weinig kleiner is dan de minimale maat van de tweede luchtspleet 6, 1004669 12 en een X-afmeting die een weinig kleiner is dan de binnenste X-afmeting van het magneetorgaan 2.
Het eerste centreergedeelte 51 heeft een bovenvlak 55 en een ondervlak 56, welke evenwijdig aan elkaar gericht zijn 5 maar ten opzichte van elkaar zijn verplaatst. Ten opzichte van de met C aangeduide, en volgens de Y-as gerichte symmetrielijn heeft het bovenvlak 55 een afmeting in de richting van de +X-as (naar rechts in figuur 6B) die in hoofdzaak gelijk is aan 5b, en een afmeting in de richting van de -X-as (naar 10 links in figuur 6B) die een weinig kleiner is dan |b, waarbij B gelijk is aan de inwendige x-afmeting van de spoel 3. Evenzo heeft het ondervlak 56, gerekend vanaf genoemde symmetrielijn C, een afmeting in de richting van de -X-as die in hoofdzaak gelijk is aan |b, en een afmeting in de richting van de +x-as 15 die een weinig kleiner is dan |b. De Y-afstand tussen het bovenvlak 55 en het ondervlak 58 is in hoofdzaak gelijk aan de dikte d van het middelste ankerbeen 12 plus tweemaal de gewenste spoel-trillingsvrijheid Fs.
Het eerste centreergedeelte 51 heeft twee zijvlakken 57 20 en 58, die in hoofdzaak haaks op respectievelijk het bovenvlak 55 en het ondervlak 58 staan. De x-afstand tussen de twee zijvlakken 57 en 58 bedraagt dus een weinig minder dan B.
Het eerste centreergedeelte 51 heeft een eerste schuin wandgedeelte 59 dat het bovenvlak 55 verbindt met het zijvlak 25 58. Het eerste schuin wandgedeelte 59 ontmoet het bovenvlak 55 bij een rand 53. Het eerste schuin wandgedeelte 59 maakt een hoek p ten opzichte van de X-richting, die groter is dan a. Evenzo heeft het eerste centreergedeelte 51 een tweede schuin wandgedeelte 60 dat het ondervlak 58 verbindt met het zijvlak 30 57. Het tweede schuin wandgedeelte 60 ontmoet het ondervlak 58 bij een rand 54. Het tweede schuin wandgedeelte 60 maakt eveneens een hoek β ten opzichte van de x-richting, die groter is dan α.
Bij het assembleren van de transducent volgens de onder-35 havige uitvinding wordt eerst het magneetorgaan 2 aangebracht op het tweede centreergedeelte 52 van het centreerhulpstuk 50. Vervolgens wordt de spoel 3 aangebracht op het eerste
Ί 00 466S
13 centreergedeelte 51. De spoel wordt dan geroteerd om zijn lengteas, totdat de spoel 3 bij twee punten het eerste centreergedeelte 51 raakt. Dat wil zeggen, de bovenste spoelbinnenwand 33 raakt de zijrand 53 van het bovenvlak 55, 5 en de onderste spoelbinnenwand 34 raakt de zijrand 54 van het ondervlak 56. Op vergelijkbare wijze wordt het xnagneetorgaan 2 in de tegengestelde richting geroteerd om zijn lengteas, totdat het magneetorgaan 2 aanligt tegen het tweede centreergedeelte 52.
10 Omdat de totale X-afmeting van het eerste centreer gedeelte 51 een weinig kleiner is dan de inwendige X-afmeting van de spoel 3, wordt door deze vorm van het eerste centreergedeelte 51 tevens de centrering van de spoel 3 in de X-richting gewaarborgd. De totale X-afmeting van het eerste 15 centreergedeelte 51 moet een weinig kleiner zijn dan de inwendige X-afmeting van de spoel 3, om de rotatie van de spoel 3 toe te laten. Evenzo laten de schuine wandgedeelten 59 en 60 die rotatie toe, doordat hun hoek β groter is dan de maximaal te verwachten hoek a.
20 Het zal duidelijk zijn dat aldus, ongeacht de precieze vorm en afmeting van de eerste luchtspleet 4, de bovenste spoelbinnenwand 33 voor een ankerbeen waarvan de breedte gelijk is aan b, een aanslag met de gewenste trillingsvrijheid naar boven definieert. Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor 25 de onderste spoelbinnenwand 34.
Normaliter worden bij het monteren van een spoel en een magneetorgaan de naar elkaar toe gerichte eindwanden van die spoel en dat magneetorgaan gebruikt als onderlinge referentie. Het is dan noodzakelijk dat die eindwanden precies loodrecht 30 staan op de hartlijnen (Z-as en Z'as) van die spoel en dat magneetorgaan, anders zijn die onderdelen niet precies uitgelijnd. Bij de werkwijze volgens de onderhavige uitvinding is het niet nodig om genoemde eindwanden als referentie te gebruiken. Wanneer volgens de werkwijze volgens de onderhavige 35 uitvinding de spoel 3 en het magneetorgaan 2 ten opzichte van elkaar geroteerd zijn totdat zij alle twee aanliggen tegen het centreerhulpstuk 50, is tevens bereikt dat hun hartlijnen ten < Γ Λ L / ; C ^ fc. ^ 14 opzichte van elkaar precies uitgelijnd zijn. In die toestand wordt de spoel 3 vastgemaakt aan het magneetorgaan 2, bijvoorbeeld met een snel uithardende lijm zoals een acrylaatlijm, zoals op zich bekend.
5 Ten slotte wordt het centreerhulpstuk 50 verwijderd, en is de combinatie van magneetorgaan 2 en spoel 3 gereed voor het ontvangen van het anker 10.
Het zal voor een deskundige duidelijk zijn dat de 10 beschermingsomvang van de onderhavige uitvinding zoals gedefinieerd door de conclusies niet is beperkt tot de in de tekeningen weergegeven en besproken uitvoeringsvormen, maar dat het mogelijk is de weergegeven uitvoeringsvormen van de transducent volgens de uitvinding binnen het kader van de 15 uitvindingsgedachte te veranderen of te modificeren.
Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat het anker een u-vormig anker is, of een andere willekeurig geschikte vorm heeft.
Ook is het mogelijk dat de eerste luchtspleet 4 en/of de tweede luchtspleet 6 een niet-rechthoekige dwarsdoorsnede 20 heeft. Dit kan als volgt worden ingezien. Voor wat betreft de tweede luchtspleet 6 geldt, dat de magneet-trillingsvrijheid naar boven wordt bepaald door het laagste punt van de bovenste magneet 7, terwijl de magneet-trillingsvrijheid naar beneden wordt bepaald door het hoogste punt van de onderste magneet 5, 25 bij het van de spoel 3 af gekeerde uiteinde van het magneetorgaan 2, ongeacht de precieze vorm van de contour van de tweede luchtspleet 6.
Op vergelijkbare wijze geldt steeds voor wat betreft de eerste luchtspleet 4, dat de spoel-trillingsvrijheid naar 30 boven wordt bepaald door de in Y-richting gemeten afstand tussen de naar het eerste ankerbeen 11 gerichte zijrand 41 van het middelste ankerbeen 12 en de bovenste spoelbinnenwand 33, en dat de spoel-trillingsvrijheid naar beneden wordt bepaald door de in Y-richting gemeten afstand tussen de naar het derde 35 ankerbeen 13 gerichte zijrand 43 van het middelste ankerbeen 12 en de onderste spoelbinnenwand 34, ongeacht de precieze vorm van de contour van de eerste luchtspleet 4.
15
Voorts zal het voor een deskundige duidelijk zijn, dat de centreergedeelten 51 en 52 van het centreerhulpmiddel 50 andere contouren mogen hebben. Aangezien van het eerste centreergedeelte 51 alleen de genoemde randen 53 en 54 en 5 zijwanden 57 en 58 betrokken zijn bij de centreerfunctie, zou het middengedeelte van het eerste centreergedeelte 51 bijvoorbeeld dunner mogen zijn, of zelfs geheel worden weggelaten. Ook mogen wandgedeelten en randen zijn afgerond.
Claims (8)
1. O & 6 R 9 gedeelte (51); het roteren van de spoel (3) om zijn Z*-as totdat de spoel-binnenwanden (33, 34) die de Y’-begrenzing van de eerste luchtspleet (4) definiëren, aanliggen tegen respectieve randen 5 (53, 54), waarbij het magneetorgaan (2) in tegengestelde richting wordt geroteerd; het in die stand fixeren van de spoel (3) ten opzichte van het magneetorgaan (2), bijvoorbeeld door middel van snel uithardende lijm; en 10 het wegnemen van het centreerhulpmiddel (50).
1. Transducent, in het bijzonder geschikt voor hoorapparaten, omvattende: een spoel (3) met een eerste luchtspleet (4); een magneetorgaan (2) met een tweede luchtspleet (6); 5 en een anker (10); waarbij de beide genoemde luchtspleten (4, 6) in eikaars verlengde zijn gelegen, en waarbij het anker (10) een ankerbeen (12) omvat dat zich uitstrekt door de beide genoemde luchtspleten (4, 6)? 10 waarbij een eerste orthogonaal coördinatenstelsel (XYZ) wordt gedefinieerd door genoemd ankerbeen (12), waarbij de Z-as is gericht volgens de lengterichting van genoemd ankerbeen (12) in zijn neutrale stand, en waarbij de Y-as is gericht volgens de trillingsrichting van genoemd ankerbeen (12); 15 en waarbij met de spoel (3) een tweede orthogonaal coördinatenstelsel (X'Y’Z') is geassocieerd, waarbij de spoel (3) in hoofdzaak symmetrisch is ten opzichte van dat tweede orthogonaal coördinatenstelsel (X’Y’Z'), waarbij de Z'-as van de spoel (3) in hoofdzaak samenvalt met de hartlijn van de 20 eerste luchtspleet (4) en in hoofdzaak is uitgelijnd met de Z-as van genoemd ankerbeen (12); met het kenmerk: dat het tweede orthogonaal coördinatenstelsel (X'Y'Z’) van de spoel (3) ten opzichte van het eerste orthogonaal 25 coördinatenstelsel (XYZ) is geroteerd over een hoek α die groter is dan nul.
2. Transducent volgens conclusie 1, waarbij genoemde hoek α zodanig groot gekozen is dat, bij een X-coördinaat die 30 correspondeert met een zijrand (41 of 43) van het genoemde ankerbeen (12), en bij een z-coördinaat die correspondeert met het naar het magneetorgaan (2) gerichte uiteinde van de spoel (3), de in Y-richting gemeten afstand tussen het genoemde 1004669 ankerbeen (12) en de spoel (3) kleiner is dan de in Y-richting gemeten afstand tussen het genoemde ankerbeen (12) en het magneetorgaan (2).
3. Transducent volgens conclusie 2, waarbij genoemde hoek α zodanig groot gekozen is dat een trillend ankerbeen (12), bij toenemende trillingsuitwijking, de spoel (3) bij genoemde Z-coördinaat zal raken op in hoofdzaak hetzelfde moment als dat het vrije uiteinde van het ankerbaan (12) in aanraking 10 komt met het magneetorgaan (2).
4. Transducent volgens één der voorgaande conclusies, waarbij genoemde eerste luchtspleet (4) een in hoofdzaak rechthoekige dwarsdoorsnede heeft. 15
5. Transducent volgens één der voorgaande conclusies, waarbij genoemde hoek α is gelegen in het gebied tussen 1° en 15°, met voorkeur in het gebied van 7-10°.
6. Werkwijze voor het assembleren van een transducent volgens één der voorgaande conclusies, waarbij de spoel (3) wordt bevestigd aan een magneethuis (9) dat het magneetorgaan (2) bevat; gekenmerkt door de stappen van: 25 het verschaffen van een centreerhulpmiddel (50) dat een eerste centreergedeelte (51) en een daarmee uitgelijnd tweede cen-treergedeelte (52) omvat, waarbij het tweede centreergedeelte (52) een contour heeft die is aangepast aan de contour van de tweede luchtspleet (6), en waarbij het eerste centreergedeelte 30 (51) twee randen (53, 54) heeft, waarbij de X-afstand tussen die randen (53, 54) gelijk is aan de breedte (b) van een ankerbeen (12), en waarbij de Y-afstand tussen die randen gelijk is aan de dikte (d) van het ankerbeen (12) plus tweemaal de gewenste spoel-trillingsvrijheid (Fg); 35 het plaatsen van het tweede centreergedeelte (52) in de tweede luchtspleet (6) van het magneetorgaan (2); het plaatsen van een spoel (3) over het eerste centreer-
7. Centreerhulpstuk (50) ten gebruike bij een werkwijze volgens conclusie 6, omvattende: een eerste centreergedeelte (51) en een daarmee uitgelijnd 15 tweede centreergedeelte (52), waarbij het tweede centreergedeelte (52) een contour heeft die is aangepast aan de contour van de tweede luchtspleet (6), en waarbij het eerste centreergedeelte (51) twee randen (53, 54) heeft, waarbij de X-afstand tussen die randen (53, 54) gelijk is aan de breedte 20 (b) van een ankerbeen (12), en waarbij de Y-afstand tussen die randen gelijk is aan de dikte (d) van het ankerbeen (12) plus tweemaal de gewenste spoel-trillingsvrijheid (Fs).
8. Centreerhulpstuk volgens conclusie 7, waarbij het eerste 25 centreergedeelte (51) een bovenvlak (55), een ondervlak (56), en zijvlakken (57, 58) heeft, waarbij de X-afstand tussen genoemde zijvlakken (57, 58) een weinig kleiner is dan B, en waarbij het bovenvlak (55) en een eerste zijvlak (58) zijn verbonden door een eerste schuin wandgedeelte (59), en waarbij 30 het ondervlak (56) en een tweede zijvlak (57) zijn verbonden door een tweede schuin wandgedeelte (60). -+-+-+- f 0 01c' '
Priority Applications (3)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL1004669A NL1004669C2 (nl) | 1996-12-02 | 1996-12-02 | Transducer. |
| EP97203760A EP0847226A1 (en) | 1996-12-02 | 1997-12-01 | Transducer, in particular transducer for hearing aids |
| US08/980,835 US6075870A (en) | 1996-12-02 | 1997-12-01 | Electroacoustic transducer with improved shock resistance |
Applications Claiming Priority (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL1004669A NL1004669C2 (nl) | 1996-12-02 | 1996-12-02 | Transducer. |
| NL1004669 | 1996-12-02 |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL1004669C2 true NL1004669C2 (nl) | 1998-06-03 |
Family
ID=19763974
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL1004669A NL1004669C2 (nl) | 1996-12-02 | 1996-12-02 | Transducer. |
Country Status (3)
| Country | Link |
|---|---|
| US (1) | US6075870A (nl) |
| EP (1) | EP0847226A1 (nl) |
| NL (1) | NL1004669C2 (nl) |
Families Citing this family (22)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| US6658134B1 (en) | 1999-08-16 | 2003-12-02 | Sonionmicrotronic Nederland B.V. | Shock improvement for an electroacoustic transducer |
| EP1219135B1 (en) * | 1999-10-07 | 2003-08-13 | Knowles Electronics, Inc. | Electro-acoustic transducer with resistance to shock-waves |
| US7164776B2 (en) * | 2000-01-07 | 2007-01-16 | Knowles Electronics, Llc. | Vibration balanced receiver |
| US7817815B2 (en) * | 2000-05-09 | 2010-10-19 | Knowles Electronics, Llc | Armature for a receiver |
| US20020003890A1 (en) * | 2000-05-09 | 2002-01-10 | Daniel Warren | Armature for a receiver |
| US7050602B2 (en) * | 2000-08-14 | 2006-05-23 | Knowles Electronics Llc. | Low capacitance receiver coil |
| US6526153B2 (en) * | 2001-02-08 | 2003-02-25 | Tibbetts Industries, Inc. | Armature assembly for balanced moving armature magnetic transducer and method of locating and adjusting same |
| US6727789B2 (en) | 2001-06-12 | 2004-04-27 | Tibbetts Industries, Inc. | Magnetic transducers of improved resistance to arbitrary mechanical shock |
| US7072482B2 (en) | 2002-09-06 | 2006-07-04 | Sonion Nederland B.V. | Microphone with improved sound inlet port |
| US8135163B2 (en) * | 2007-08-30 | 2012-03-13 | Klipsch Group, Inc. | Balanced armature with acoustic low pass filter |
| US9497555B2 (en) * | 2008-08-16 | 2016-11-15 | Envoy Medical Corporation | Implantable middle ear transducer having improved frequency response |
| JP5540921B2 (ja) * | 2010-06-17 | 2014-07-02 | ソニー株式会社 | 音響変換装置 |
| JP5598109B2 (ja) * | 2010-06-17 | 2014-10-01 | ソニー株式会社 | 音響変換装置 |
| US8712084B2 (en) | 2010-12-07 | 2014-04-29 | Sonion Nederland Bv | Motor assembly |
| US9485585B2 (en) * | 2013-10-17 | 2016-11-01 | Knowles Electronics, Llc | Shock resistant coil and receiver |
| US9432774B2 (en) * | 2014-04-02 | 2016-08-30 | Sonion Nederland B.V. | Transducer with a bent armature |
| US9888322B2 (en) | 2014-12-05 | 2018-02-06 | Knowles Electronics, Llc | Receiver with coil wound on a stationary ferromagnetic core |
| US9872109B2 (en) | 2014-12-17 | 2018-01-16 | Knowles Electronics, Llc | Shared coil receiver |
| EP3051841B1 (en) * | 2015-01-30 | 2020-10-07 | Sonion Nederland B.V. | A receiver having a suspended motor assembly |
| DE102018221577A1 (de) | 2017-12-30 | 2019-07-04 | Knowles Electronics, Llc | Elektroakustischer wandler mit verbessertem stoss-schutz |
| JP6994429B2 (ja) | 2018-04-27 | 2022-01-14 | リオン株式会社 | 電気機械変換器及び電気音響変換器 |
| US11659337B1 (en) | 2021-12-29 | 2023-05-23 | Knowles Electronics, Llc | Balanced armature receiver having improved shock performance |
Citations (5)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| DE1146542B (de) * | 1961-02-27 | 1963-04-04 | Robert Bosch Elektronik Ges Mi | Elektromagnetischer Schallwandler, insbesondere Hoerer oder Mikrophon |
| US4272654A (en) * | 1979-01-08 | 1981-06-09 | Industrial Research Products, Inc. | Acoustic transducer of improved construction |
| EP0094992A1 (en) * | 1982-05-21 | 1983-11-30 | Knowles Electronics Company | Electroacoustic transducers |
| US4518831A (en) * | 1983-11-04 | 1985-05-21 | Tibbetts Industries, Inc. | Transducer with translationally adjustable armature |
| US4956868A (en) * | 1989-10-26 | 1990-09-11 | Industrial Research Products, Inc. | Magnetically shielded electromagnetic acoustic transducer |
Family Cites Families (43)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| FR551182A (fr) * | 1922-05-09 | 1923-03-29 | Procédé et dispositifs pour la production et l'utilisation d'un mouvement vibratoire créé et entretenu électriquement ou mécaniquement | |
| FR564941A (fr) * | 1923-04-10 | 1924-01-15 | Perfectionnements aux récepteurs et transmetteurs téléphoniques | |
| US1871739A (en) * | 1928-04-05 | 1932-08-16 | Rca Corp | Driving unit for sound reproducers |
| US2143097A (en) * | 1936-04-10 | 1939-01-10 | Control Instr Co Inc | Telephonic unit |
| US2163161A (en) * | 1937-05-20 | 1939-06-20 | Control Instr Co Inc | Magnetic unit |
| US2794862A (en) * | 1952-07-03 | 1957-06-04 | American Danish Oticon Corp | Electro-acoustic apparatus |
| US2912523A (en) * | 1955-10-26 | 1959-11-10 | Industrial Res Prod Inc | Electro-acoustic transducer |
| US2994016A (en) * | 1957-08-28 | 1961-07-25 | Tibbetts Industries | Magnetic translating device |
| NL121669C (nl) * | 1960-05-05 | |||
| US3111563A (en) * | 1960-05-05 | 1963-11-19 | Industrial Res Prod Inc | Electro-mechanical transducer |
| US3005880A (en) * | 1960-05-06 | 1961-10-24 | Elvin D Simshauser | Non-linear transducer armature |
| US3182384A (en) * | 1960-12-27 | 1965-05-11 | Industrial Res Prod Inc | Method of making self-supporting coils and mandrel therefor |
| NL282929A (nl) * | 1961-09-06 | |||
| US3172022A (en) * | 1962-07-06 | 1965-03-02 | Tibbetts Industries | Tapered gap means for magnetic translating device |
| US3163723A (en) * | 1962-07-17 | 1964-12-29 | Tibbetts Industries | Damping means for magnetic translating device |
| NL134298C (nl) * | 1964-03-17 | |||
| US3432622A (en) * | 1965-05-10 | 1969-03-11 | Dyna Magnetic Devices Inc | Sub-miniature sound transducers |
| US3573397A (en) * | 1967-05-16 | 1971-04-06 | Tibbetts Industries | Acoustic diaphragm and translating device utilizing same |
| US3617653A (en) * | 1967-05-16 | 1971-11-02 | Tibbetts Industries | Magnetic reed type acoustic transducer with improved armature |
| US3560667A (en) * | 1968-05-01 | 1971-02-02 | Industrial Research Prod Inc | Transducer having an armature arm split along its length |
| US3531745A (en) * | 1969-10-22 | 1970-09-29 | Tibbetts Industries | Magnetic translating device with armature flux adjustment means |
| US3588383A (en) * | 1970-02-09 | 1971-06-28 | Industrial Research Prod Inc | Miniature acoustic transducer of improved construction |
| US3671684A (en) * | 1970-11-06 | 1972-06-20 | Tibbetts Industries | Magnetic transducer |
| US3766332A (en) * | 1971-05-17 | 1973-10-16 | Industrial Res Prod Inc | Electroacoustic transducer |
| US3935398A (en) * | 1971-07-12 | 1976-01-27 | Industrial Research Products, Inc. | Transducer with improved armature and yoke construction |
| GB1364669A (en) * | 1971-12-23 | 1974-08-29 | Standard Telephones Cables Ltd | Electro acoustic transducers |
| US3885553A (en) * | 1973-10-29 | 1975-05-27 | Luigi Vecchio | Flexible therapeutic pad and vibratory armature therefor |
| US3979566A (en) * | 1973-12-12 | 1976-09-07 | Erazm Alfred Willy | Electromagnetic transducer |
| JPS5137774B2 (nl) * | 1974-02-28 | 1976-10-18 | ||
| US4000381A (en) * | 1975-05-23 | 1976-12-28 | Shure Brothers Inc. | Moving magnet transducer |
| GB2062405B (en) * | 1979-10-20 | 1983-07-20 | Plessey Co Ltd | Acoustic transducer production for telephones |
| GB2085694B (en) * | 1980-10-02 | 1984-02-01 | Standard Telephones Cables Ltd | Balanced armature transducers |
| US4410769A (en) * | 1981-12-09 | 1983-10-18 | Tibbetts Industries, Inc. | Transducer with adjustable armature yoke and method of adjustment |
| US4425482A (en) * | 1982-03-08 | 1984-01-10 | Western Electric Company | Ring armature electroacoustic transducer |
| FR2629662B1 (fr) * | 1988-04-01 | 1991-05-10 | Horlogerie Photograph Fse | Capsule electroacoustique a bobine rapportee |
| GB8928899D0 (en) * | 1989-12-21 | 1990-02-28 | Knowles Electronics Co | Coil assemblies |
| US5068901A (en) * | 1990-05-01 | 1991-11-26 | Knowles Electronics, Inc. | Dual outlet passage hearing aid transducer |
| US5193116A (en) * | 1991-09-13 | 1993-03-09 | Knowles Electronics, Inc. | Hearing and output transducer with self contained amplifier |
| US5299176A (en) * | 1991-12-20 | 1994-03-29 | Tibbetts Industries, Inc. | Balanced armature transducers with transverse gap |
| US5335286A (en) * | 1992-02-18 | 1994-08-02 | Knowles Electronics, Inc. | Electret assembly |
| US5647013C1 (en) * | 1992-10-29 | 2001-05-08 | Knowles Electronics Co | Electroacoustic transducer |
| NL1000880C2 (nl) * | 1995-07-24 | 1997-01-28 | Microtronic Nederland Bv | Transducer. |
| NL1000878C2 (nl) * | 1995-07-24 | 1997-01-28 | Microtronic Nederland Bv | Transducer. |
-
1996
- 1996-12-02 NL NL1004669A patent/NL1004669C2/nl not_active IP Right Cessation
-
1997
- 1997-12-01 EP EP97203760A patent/EP0847226A1/en not_active Withdrawn
- 1997-12-01 US US08/980,835 patent/US6075870A/en not_active Expired - Fee Related
Patent Citations (5)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| DE1146542B (de) * | 1961-02-27 | 1963-04-04 | Robert Bosch Elektronik Ges Mi | Elektromagnetischer Schallwandler, insbesondere Hoerer oder Mikrophon |
| US4272654A (en) * | 1979-01-08 | 1981-06-09 | Industrial Research Products, Inc. | Acoustic transducer of improved construction |
| EP0094992A1 (en) * | 1982-05-21 | 1983-11-30 | Knowles Electronics Company | Electroacoustic transducers |
| US4518831A (en) * | 1983-11-04 | 1985-05-21 | Tibbetts Industries, Inc. | Transducer with translationally adjustable armature |
| US4956868A (en) * | 1989-10-26 | 1990-09-11 | Industrial Research Products, Inc. | Magnetically shielded electromagnetic acoustic transducer |
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| EP0847226A1 (en) | 1998-06-10 |
| US6075870A (en) | 2000-06-13 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| EP0847226A1 (en) | Transducer, in particular transducer for hearing aids | |
| JP6044742B2 (ja) | 容量型マイクロメカニカル加速度センサ | |
| JP4092210B2 (ja) | センサ | |
| JP3822600B2 (ja) | 任意の機械的な衝撃に対して改善した耐性を有する磁気トランスデューサー | |
| KR20170099829A (ko) | 액추에이터 | |
| EP3989604B1 (en) | Mobile device comprising a panel speaker | |
| US11272289B2 (en) | Reinforced actuators for distributed mode loudspeakers | |
| JP2003053265A (ja) | 多機能アクチュエータ | |
| JP2017077153A (ja) | 振動モータ | |
| JP2022169634A (ja) | アクチュエータ及びこれを備えるディスプレイ | |
| JP2019215583A (ja) | 光学デバイス | |
| US20220390737A1 (en) | Mirror device | |
| US5339208A (en) | Assembly for supporting a magnetic head to float relative to a magnetic disk | |
| US6657944B2 (en) | Objective lens driving device | |
| JP3574143B2 (ja) | 対物レンズアクチュエータ | |
| JP2019101234A (ja) | アクチュエータ装置 | |
| JP7780276B2 (ja) | アクチュエータ | |
| JP4761481B2 (ja) | 磁気ヘッドサスペンション | |
| JP2001319355A (ja) | 対物レンズ駆動装置 | |
| CN222827349U (zh) | 一种骨导耳机 | |
| JP7653869B2 (ja) | アクチュエータ | |
| JP2019176688A (ja) | 振動モータ | |
| JP2647288B2 (ja) | 振動子の支持構造 | |
| JPH03287222A (ja) | トラッキングミラーアクチュエータ装置 | |
| JP3926536B2 (ja) | サスペンション機構および対物レンズアクチュエータ |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| PD2B | A search report has been drawn up | ||
| VD1 | Lapsed due to non-payment of the annual fee |
Effective date: 20050701 |