NL1009902C2 - Looftrekker en werkwijze voor het trekken van loof. - Google Patents

Looftrekker en werkwijze voor het trekken van loof. Download PDF

Info

Publication number
NL1009902C2
NL1009902C2 NL1009902A NL1009902A NL1009902C2 NL 1009902 C2 NL1009902 C2 NL 1009902C2 NL 1009902 A NL1009902 A NL 1009902A NL 1009902 A NL1009902 A NL 1009902A NL 1009902 C2 NL1009902 C2 NL 1009902C2
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
haulm
height
pulling
extractor
plants
Prior art date
Application number
NL1009902A
Other languages
English (en)
Inventor
Aries Bouman
Original Assignee
Aries Bouman
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Aries Bouman filed Critical Aries Bouman
Priority to NL1009902A priority Critical patent/NL1009902C2/nl
Priority to AT99202695T priority patent/ATE258369T1/de
Priority to DE69914419T priority patent/DE69914419D1/de
Priority to EP99202695A priority patent/EP0980644B1/en
Application granted granted Critical
Publication of NL1009902C2 publication Critical patent/NL1009902C2/nl

Links

Classifications

    • AHUMAN NECESSITIES
    • A01AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
    • A01DHARVESTING; MOWING
    • A01D33/00Accessories for digging harvesters
    • A01D33/06Haulm-cutting mechanisms
    • AHUMAN NECESSITIES
    • A01AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
    • A01DHARVESTING; MOWING
    • A01D25/00Lifters for beet or like crops
    • A01D25/04Machines with moving or rotating tools
    • A01D25/042Machines with moving or rotating tools with driven tools
    • A01D25/048Machines with moving or rotating tools with driven tools with endless chains

Landscapes

  • Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
  • Environmental Sciences (AREA)
  • Harvesting Machines For Root Crops (AREA)
  • Control And Other Processes For Unpacking Of Materials (AREA)
  • Cultivation Of Plants (AREA)
  • Protection Of Plants (AREA)

Description

Korte aanduiding: Looftrekker en werkwijze voor het trekken van loof
De uitvinding heeft betrekking op een looftrekker volgens de aanhef van de conclusie 1. De uitvinding heeft tevens betrekking op een werkwijze voor het trekken van loof volgens de aanhef van conclusie 12. Een dergelijke looftrek-5 ker en een dergelijke werkwijze zijn bekend uit Nederlands octrooischrift 85179. Ook uit de Nederlandse octrooiaanvrage 9301688 zijn een dergelijke looftrekker en een dergelijke werkwijze bekend.
Bij de aardappelteelt wordt voor het rooien het loof 10 van de aardappelen verwijderd of vernietigd teneinde het rooien en de verdere verwerking te vergemakkelijken. In het geval van de teelt van pootaardappelen dient het verwijderen van het loof bovendien om infectie van de aardappelen via het loof te voorkomen en de groei van de aardappelen te 15 stoppen.
Bekende methoden voor het verwijderen van het loof zijn doodspuiten, loofbranden, groenrooien en onderdekken, en het looftrekken. Doodspuiten heeft plaats door het loof ” volvelds met gif te bespuiten, loofbranden heeft eveneens 20 volvelds plaats door het loof te verbranden. Groenrooien en : onderdekken heeft mechanisch plaats door de aardappelen te rooien en weer toe te dekken met grond. Looftrekken heeft plaats door het loof aan te vatten en los te trekken.
Hoewel effectief, zijn de methoden doodspuiten en 25 loofbranden nogal schadelijk voor het milieu. Groenrooien is L
omslachtig en moeilijk uit te voeren, en niet voor alle _ grondsoorten toepasbaar. Looftrekken is in wezen onschade- l lijk voor het milieu, biedt het voordeel van een beheerste afstopping van de groei van de knollen en brengt een veel 1 30 geringere bezetting van de knollen met lakschurft
(Rhizoctonia solani) met zich mee. Desondanks wordt het I
reeds zeer lang bekende looftrekken nog steeds weinig toegepast .
1009902 -2-
Een reden hiervoor is dat het looftrekken met de bekende looftrekkers langzaam gaat en het zeer moeilijk is om een bevredigend resultaat te verkrijgen. Soms blijft te veel loof aan de knollen zitten, waardoor het loof na het trekken 5 weer gaat groeien en de knollen alsnog besmet kunnen raken . en soms komen de knollen aan het oppervlak, waardoor deze beschadigd en groen worden.
Het is een doel van de uitvinding een looftrekker te verschaffen waarmee betere resultaten kunnen worden bereikt 10 en die bovendien eenvoudiger te bedienen is.
* Hiertoe wordt volgens de uitvinding een looftrekker voorgesteld, die is ingericht overeenkomstig het kenmerkende , deel van conclusie 1 en wordt een looftrekwerkwijze uitge voerd overeenkomstig het kenmerkende deel van conclusie 12. 15 Door de aangrijpingshoogte van het looftreksamenstel tijdens bedrijf automatisch aan te passen aan de hoogte van ; de bodem in het gebied van de rij planten waarvan het loof 5 moet worden getrokken, wordt bereikt dat weinig tot geen loof achterblijft en dat geen of nagenoeg geen knollen aan _ 20 het oppervlak komen. Dankzij de automatische instelling van de hoogte kan zelfs een onervaren bedieningsman deze gewen-= ste resultaten bereiken. Verder kan de snelheid waarmee over het veld wordt gereden worden verhoogd, omdat de hoogte waar het looftreksamenstel op de planten ingrijpt automatisch 25 wordt ingesteld.
De bodem is in het gebied van de rijen planten waarvan het loof moeten worden getrokken (dit kan de bovenzijde van een rug zijn of een gedeelte van een vol bed waar de planten staan) dicht bezet met planten. Hierdoor wordt het bepalen 30 van de hoogte van de bodem bemoeilijkt. Door mechanisch af te tasten met een geschikte druk en een geschikt gevormd af-tastorgaan blijkt het echter mogelijk te zijn op een zeer eenvoudige wijze een zodanig nauwkeurige indicatie van de hoogte van de bodem in het gebied van de rijen planten waar-35 van het loof moeten worden getrokken te verkrijgen, dat bij het looftrekken aanzienlijk betere resultaten worden bereikt ' 1009902 j -3- dan bij looftrekken met een vaste of handbediende instelling van de aangrijpingshoogte.
Enerzijds drukt de aftaster de planten in het gebied waar de hoogte van de bodem moet worden bepaald in geringe 5 mate opzij zodat deze het meetresultaat niet verstoren. Anderzijds verstevigen de planten de bodem in het gebied waar de aftaster overheen loopt zodanig, dat de aftaster niet in de veelal zachte bodem wordt gedrukt. De aftaster kan daarbij , afhankelijk van de soort planten en de bodemgesteld-10 heid, over de bodem of over op de bodem liggende stengels van de planten lopen, waarbij in het laatste geval de stengels waarover de aftaster loopt voor een extra drukverdeling zorgen zonder het meetresultaat wezenlijk te verstoren. Desgewenst kan het meetresultaat of de hoogte-instelling worden 15 gecorrigeerd voor over de stengels lopen van de taster. :
De taster loopt aldus tussen de planten van een rij door en drukt de stengels van de planten iets opzij indien " deze zich in de baan van de taster bevinden en vindt steun 5 tegen de juist in het gebied van de rij door de aanwezigheid 20 van de planten verstevigde bodem. Daardoor wordt op een zeer eenvoudige wijze de gewenste selectiviteit in de waarneming " tussen planten, die buiten beschouwing moeten worden gela- ~ ten, en de bodem, waarvan het niveau moet worden bepaald, " bereikt.
25 Verder kunnen de planten, doordat ook de hoogte van de I
loofheffers boven de bodem in het gebied van de te trekken ” rijen loof beter beheerst wordt, beter opgericht en naar het ü looftreksamenstel geleid worden, waardoor vooral plat liggende stengels betrouwbaarder getrokken kunnen worden.
30 In de afhankelijke conclusies zijn bijzonder voordelige uitvoeringsvormen en uitvoeringswijzen van de uitvinding ^
beschreven. I
De voorgenoemde en andere doelen van de uitvinding alsmede maatregelen, om deze te realiseren worden verduide-35 lijkt aan de hand van de navolgende beschrijving van een = voorbeeld van een inrichting volgens de uitvinding. Daarbij ^ wordt verwezen naar.de tekening, waarin: 1 t009902 -4- fig. 1 een schematisch zijaanzicht van een looftrekker volgens de uitvinding toont, fig. 2 een schematisch bovenaanzicht van een looftrekker toont, 5 fig. 3 een schematische langsdoorsnede van een rug met daarin aardappelplanten toont, en fig. 4 een schematische dwarsdoorsnede van enkele evenwijdige ruggen toont.
: De in de fign. 1 en 2 getoonde looftrekker 2 is opge- ! 10 hangen aan een driepuntsophanging 7 van een landbouwtractor 1. De looftrekker 2 heeft een steunstructuur 3 die wordt ondersteund door een verstelbaar steunwiel 5 en een koppeling 7 van de tractor 1. Verder is de steunstructuur 3 voorzien ^ van een looftreksamenstel 4 en een niveautaster 6. Tijdens 15 bedrijf trekt de tractor 1 de looftrekker 2 voort over het veld en drijft deze het looftreksamenstel 4 via een aftak-as 25 aan.
Het looftreksamenstel 4 is van een op zich bekend type (zie Nederlandse octrooiaanvrage 9301688) en is het duide-20 lijkst zichtbaar in het schematische bovenaanzicht in fig.
2. Dit looftreksamenstel 4 grijpt in bedrijf aan op het te verwijderen loof, trekt het los en voert dit af, terwijl de tractor 1 en de looftrekker 2 zich in de met een pijl 26 aangegeven rijrichting evenwijdig aan de rijen planten 53 25 (zie fign. 3 en 4) waarvan het loof wordt verwijderd over : het veld beweegt. Hoewel de rijen planten in een vol bed kunnen staan is het meer gebruikelijk de aardappelen in rug-' gen te telen. In het hier beschreven voorbeeld wordt verder uitgegaan van het telen van aardappelen in ruggen.
30 Meer in het bijzonder is het looftreksamenstel voor- ; zien van twee naast elkaar gelegen, omlopende trekriemen 10, 20 die elk worden opgespannen door een aandrijfwiel 11, 21 en drie roteerbaar op het subframe 2 aangebrachte geleide-j wielen 12, 13, 14, 22, 23, 24. De aandrijfwielen 11, 21 heb- ! 35 ben dezelfde diameter, evenals de met elkaar corresponderen- ; de geleidewielen 12 en 22, 13 en 23, 14 en 24. De riemen 10, 20 zijn gedeeltelijk met elkaar in contact. De aandrijfwie- 1009902 -5- len 11, 21 worden door middel van een aandrijving aangedreven. In fig. 1 is een gedeelte van deze aandrijving zichtbaar, omvattende een aandrijfas 30 voor het aandrijven van een aandrijfwiel 11 (zie fig. 2), die door middel van een 5 geschikte tandwieloverbrenging wordt aangedreven door aandrijfas 31. Deze aandrijfas 31 is door middel van een tandwielkast 32 gekoppeld met een aandrijfas 33 die door de as 25 van de tractor 1 wordt aangedreven. Het aandrijfwiel 21 wordt op overeenkomstige wijze aangedreven.
10 In bedrijf draaien de aandrijfwielen 11 en 21 met de dezelfde hoeksnelheid in tegengestelde zin, evenals de overige wielen en daarmee de riemen 10, 20 zoals is aangegeven met de pijlen A en B in fig. 1. Hierdoor bewegen de riemen 10, 20 in het contactgedeelte gezamenlijk volgens een zigzag 15 lijn tegen de rijrichting is. Doordat de geleidewielen 14 en 24 op enige afstand van elkaar zijn geplaatst, wijken de riemen uit elkaar en vormden deze een inlaatzone C. In be- : drijf wordt het looftreksamenstel 4 in de met pijl 26 aange- ~ geven richting bewogen met een snelheid die lager is dan de = 20 omloopsnelheid van de trekriemen 10, 20 zodat loof dat zich in de inlaatzone C bevindt door de riemen wordt aangegrepen : en verder naar de uitlaatzone D wordt getransporteerd. Tij- - dens dit transport wordt het loof uit de bodem en van de knollen losgetrokken, van de knollen gescheiden, en achter- = 25 waarts afgevoerd.
Zoals blijkt uit fig. 1 verloopt het looftreksamenstel Γ 4 enigszins onder een hoek ten opzichte van een te bewerken 1 rug 50. Hierdoor wordt onder andere het aangrijpingspunt van r het looftreksamenstel 4 ten opzichte van een bovenvlak 54 30 bepaald, en het lostrekken en afvoeren van het loof bevor- z derd.
De hoogte van het aangrijpingspunt kan worden veran- 2 derd door middel van de hoogte-instelling 40. Deze is volgens dit voorbeeld samengesteld uit een hydraulische cilin- -
35 der 41 waarvan een uiteinde is verbonden met de draagstruc- I
tuur 3 en waarvan het andere uiteinde met een uiteinde van = een hefboom 42 is verbonden. Het andere uiteinde van deze 1009902 -6- hefboom 4 2 draagt de as 27 van het ondersteuningswiel 5. Tussen die as 27 en de plaats waar de cilinder 41 aan de hefboom 42 is gekoppeld is de hefboom is zwenkbaar om een as 28 verbonden met een staander 43 van de draagstructuur 3. De 5 cilinder 41 is verbonden met een hydraulisch besturingssys-I teem 45 dat door middel van hydraulische druk de cilinder 41 kan doen bewegen. Door het bewegen van de cilinder wordt de hefboom 42 gekanteld waardoor de hoogte van de draagstructuur 3 ten opzichte van het van het ondersteuningswiel 5, en 10 derhalve ten opzichte van de ondergrond waarop dit wiel 5 staat, verandert. Op deze wijze kan de hoogte waarop het looftreksamenstel 4 aangrijpt op te trekken loof veranderd ^ worden.
: Verder is op de draagstructuur 3 een niveautaster 6 15 aangebracht. Deze is uitgevoerd met een aftastgedeelte 60 - dat bedoeld is om het niveau van de bovenzijde van een knol len bevattende rug 50, of althans het verloop van niveau van de bodem in het gebied van een rij planten af te tasten.
Het aftastgedeelte 60 is zwenkbaar aangebracht op de 20 draagstructuur 3 door middel van een scharnier 61, en zet zich voort in een detectiedeel 62. Bij variatie in de door het aftastgedeelte 60 gedetecteerde hoogte, scharniert het aftastgedeelte 60 rond het scharnier 61. Hierdoor zwenkt ook het detectiedeel 62 uit. Het detectiedeel 62 is omgeven door 25 een detectie-inrichting voor het omzetten van de beweging van het detectiedeel 62 in een stuursignaal. In dit voorbeeld is de detectie-inrichting uitgevoerd met twee aan weerszijden van het detectiedeel 60 aangebrachte schakelaars 63 en 64. Deze schakelaars 63 en 64 zijn verbonden met het 30 besturingssysteem 45. Indien het detectiedeel 62 door een door het aftastgedeelte 60 gesignaleerde niveauverandering uitslaat en een van de schakelaars 63 en 64 raakt, ontvangt het besturingssysteem 45 een dienovereenkomstig bedienings-signaal, in reactie waarop deze door middel van het bedienen 35 van de cilinder 41 de aangrijpingshoogte van het looftreksa-menstel 4 ten opzichte van het gedetecteerde grondniveau aanpast om deze weer binnen een gewenst bereik te brengen.
i j 1009902 -7-
De gevoeligheid van de detectie-inrichting kan worden aangepast om de nauwkeurigheid van de aanpassing aan het gedetecteerde grondniveau in te stellen en om de ligging van het gewenste hoogtebereik in te stellen. In dit voorbeeld kan 5 dit worden bereikt door de schakelaars 63, 64 ten opzichte van het detectiedeel 62 te verplaatsen.
Het aftastgedeelte 60 is in dit voorbeeld uitgevoerd als een ronde, slanke staaf die zodanig gebogen is dat een in hoofdzaak vlak gedeelte daarvan als een ijzer van een 10 slede contact maakt met de grond en de staaf overgaat in een naar boven naar het scharnier 61 verlopend gedeelte. Een voorlopend gedeelte van het aftastgedeelte 60 dat oploopt vormt een inloopgedeelte 66. Door de ronding en de relatief geringe diameter van de staaf, kan het inloopgedeelte 60 15 langs opstaand gewas worden bewogen zonder het gewas te knakken of door het gewas te worden opgetild. Hierdoor wordt de bepaling van het niveau van de bovenkant van de rug niet wezenlijk verstoord door de aanwezigheid van planten. Hoewel een ronde staaf een zeer eenvoudige en kosteneffectieve uit-20 voering van de uitvinding vormt, zijn ook andere geschikte uitvoeringen en vormgevingen van het aftastgedeelte denk- ί baar. :
Verder is tussen het aftastgedeelte 60 en de Ξ draagstructuur 3 een trekveer 65 aangebracht die een trek- 1 25 kracht uitoefent op het aftastgedeelte 60. Als gevolg hier- 5 van wordt het aftastgedeelte 60 door de veer 65 met kracht naar de af te tasten bodem gedrukt. Hierdoor wordt bereikt dat de aftaster met voldoende kracht naar de bodem toe drukt om niet door planten op te worden getild, maar toch een ge- ^ 30 ringe massa heeft, waardoor deze variaties in hoogte van de rug snel kan volgen. Aldus kan een nauwkeurige, snel reage- - rende meting worden verkregen. De veerdruk is instelbaar. z
In fig. 4 is een schematische dwarsdoorsnede van een 1 gedeelte van een veld met evenwijdige ruggen 50 getekend. De 2 35 ruggen 50 hebben bovenzijden 54, waarbij elke rug grenst aan ^ een voor 51. In deze voren kunnen de wielen van landbouw- - werktuigen lopen, zodat deze de ruggen 50 niet beschadigen. ;z
100990? I
-8-
De hoogte van de ruggen 50 kan, afhankelijk van de grondsoort, de methode van rugopbouw, erosie en de soort geteelde aardappelen verschillen.
De aardappelen 52 zijn in de ruggen 50 aanwezig, en 5 dragen loof 53 dat uit het bovenvlak 54 van de rug 50 omhoog steekt. De aardappelen bevinden zich op een voor de teelt gunstige positie, bij voorkeur hoog in de rug 50, dicht bij : het bovenvlak 54, in het algemeen op een diepte van ca.
2-5 cm onder de bovenkant 54. In een rug 50, zoals getoond 10 in de langsdoorsnede van fig. 4, bevinden zich meerdere planten 53 op onderlinge afstand van elkaar. De afstand tussen de planten 53 onderling is bij voorkeur steeds gelijk, en bedraagt, afhankelijk van de soort gewas, ongeveer 18-33 cm.
- 15 In bedrijf rijden de wielen van de tractor 1 en de steunwielen 5 door loopsporen 51 tussen de ruggen 50. Het looftreksamenstel bevindt zich dan boven het bovenvlak 54 - van een betreffende rug.
Het aftastgedeelte 60 ligt in hoofdzaak vlak aan tegen 20 de bovenzijde 54, over een zodanige lengte dat het telkens tegelijkertijd in het gebied van twee opeenvolgende planten ' op de bodem of althans op de bodem liggende stengels van de planten steunt. Een geschikte lengte daartoe is meer dan 15 cm en bij voorkeur 26-35 cm. Door het uit de grond stekende 25 loof heeft de bodem in een gebied rond dit loof telkens een grotere stevigheid dan in gebieden die centraal tussen twee '* opeenvolgende gewassen zijn gelegen. Door het aftastgedeelte ^ zodanig lang te maken dat deze telkens tenminste door een i verstevigd grondgedeelte wordt ondersteund, wordt tegenge- ] 30 gaan dat het aftasten van de grond wordt verstoord, doordat de aftaster 60 in de grond zakt. Bovendien zijn in feite voornamelijk de niveaus van de door het loof versterkte stukken grond van belang voor de hoogte-instelling, omdat juist het niveau van deze delen van de bodem bepalen op welk 35 niveau het looftreksamenstel 4 op het te trekken loof aan i ‘ moet grijpen om dit zo laag mogelijk aan te vatten, maar I geen grond mee te nemen.
J
1009902 -9-
Tijdens het looftrekken met de hiervoor beschreven inrichting wordt op basis van de door de aftastinrichting afgetaste hoogte de aangrijpingshoogte van het looftreksamen-stel 4 telkens nauwkeurig aangepast aan het niveau van het 5 bovenvlak 54. De aangrijpingshoogte wordt zodoende aangepast aan afwijkingen die ontstaan door onregelmatigheden in de ruggen en/of de loopsporen. Verrassenderwijs wordt het loof zeer effectief en betrouwbaar verwijderd indien de aangrij-ping van het loof telkens binnen een kleine zone dicht rond 10 het bodemniveau plaats heeft. Buiten deze zone blijkt te laag aangrijpen beschadiging van de ruggen en van de aardappelen met zich mee te brengen. Te hoog aangrijpen daarentegen doet het loof afbreken, zodat dit niet geheel verwijderd wordt. In het bijzonder gunstig blijkt het indien de aan-15 grijpingshoogte binnen een gebied van -1 tot +1 centimeter ten opzichte van het niveau van de bovenzijden van de ruggen wordt gehouden.
De inrichting volgens het getoonde voorbeeld is in principe geschikt voor het trekken van loof van een rij 20 planten of van twee rijen planten tegelijk. In het laatste geval beheerst het linker wiel en de linker hoogteverstel- = ling primair de hoogte van het linker looftreksamenstel en beheerst het rechter wiel en de rechter hoogteverstelling primair de hoogte van het rechter looftreksamenstel. Het is - 25 echter ook mogelijk nog meer looftreksamenstellen naast elkaar te gebruiken, zodat nog meer ruggen tegelijk bewerkt r kunnen worden. Naarmate het aantal looftreksamenstellen - naast elkaar groter is en het veld oneffener is, wordt het aantrekkelijker, elk looftreksamenstel of elke subgroep 30 looftreksamenstellen van een eigen aftastinrichting met bijbehorende hoogteregeling te voorzien. De looftreksamenstellen worden dan bij voorkeur ten opzichte van een gemeen- “ schappelijke draagstructuur in hoogte versteld. =
In de figuren 1 en 4 zijn tevens loofheffers 29 weer-35 gegeven, waarbij in fig. 4 alleen de posities van de punten 30 van de loofheffers 29 zijn weergegeven. Doordat bij de voorgestelde loofheffers de hoogte van het looftreksamenstel 1009902 -10- en daardoor ook de hoogte van de punten 30 van de loofhef-fers 29 nauwkeurig beheerst wordt, is het niet nodig, de loofheffers 29 ook in het gebied naast de ruggen, dat wil j zeggen onder het niveau van de bovenzijden van de ruggen, 5 werkzaam te laten zijn om het loof betrouwbaar op te heffen. In plaats daarvan kan reeds een betrouwbare hefwerking worden bereikt, als de loofheffers 29 dicht langs de bovenkanten 54 van de ruggen 50 bewegen. Dat de loofheffer niet , langs de flanken van de ruggen 50 bewegen biedt het voor- 10 deel, dat de looftrekker veel minder gevoelig is voor laterale bewegingen ten opzichte van de ruggen 50. Doordat de aardappelen zich in het bovengebied van de ruggen vaak zeer dicht onder het oppervlak van de flanken bevinden, komen de-I ze bij gebruik van conventionele looftrekkers regelmatig 15 bloot te liggen als de loofheffers door een laterale afwij-^ king van de onderlinge positie van de rug en de loofheffers een deel van de rug meenemen. De loofheffers steken daarom = bij voorkeur niet meer dan ongeveer 6 cm onder de aangrij- ™ pingshoogte van het looftreksamenstel 4 uit.
20 In de praktijk komt het regelmatig voor, dat een rug plaatselijk is onderbroken, bijvoorbeeld doordat een monster van de aardappelen is genomen, doordat dieren daarin hebben gegraven of omdat de rug daar wordt doorsneden door een dwarsvoor. Teneinde te voorkomen, dat in een dergelijk geval 25 de hoogte-instelling reageert met het verlagen van de positie van het looftreksamenstel, welke verlaging na het passe-ren van de onderbreking niet snel genoeg ongedaan kan worden gemaakt om beschadiging van de daarop volgende rug te voorkomen, is erin voorzien, dat de hoogte-instelling een be-30 perkt verstelbereik van bij voorkeur ten hoogte ongeveer 10 cm heeft. Verder is de besturingseenheid 45 ingericht om niet te reageren op gedetecteerde dalingen van het niveau ; van de rug de over een gegeven afstand, bijvoorbeeld 0,5 me- | ter, een gegeven waarde, bijvoorbeeld 4 cm, overschrijden.
35 Gedetecteerde stijgingen worden wel gevolgd, teneinde zoveel mogelijk te vermijden dat het looftreksamenstel 4 of de 1009902 -11- loofheffer 29 tegen op het veld liggende obstakels die de bestuurder van de tractor niet gezien heeft botsen.
De uitvinding kan eveneens succesvol worden toegepast bij andere typen looftreksamenstellen dan het beschreven 5 looftreksamenstel met trekriemen, zoals bijvoorbeeld die met trekwielen of trekrollen.
Hoewel in het voorbeeld is uitgegaan van het looftrek-ken bij pootaardappelen, is de toepassing van de uitvinding daar niet toe beperkt, en kan deze tevens worden toegepast 10 voor het overeenkomstig verwijderen van loof bij andere soorten aardappelen, zoals zetmeelaardappelen en consumptieaardappelen, waar een zeer nauwkeurige beheersing van de hoogte waar de looftrekker op het loof aangrijpt in overeenstemming met de hoogte waar het te trekken loof uit de bodem 15 steekt van bijzonder belang is voor het verkrijgen van een effectieve verwijdering van het loof met weinig beschadiging van de aardappels en de ruggen of althans het bed.
100 99 02

Claims (19)

1. Looftrekker, omvattende: tenminste een looftreksa- menstel (4) voor het gedurende verplaatsing in een bewer-kingsrichting langs een rij planten waarvan het loof moet worden getrokken op een aangrijpingshoogte aanvatten van te ! 5 trekken loof en lostrekken van het aangevatte loof onder achterlating van de knollen en instelmiddelen (40) voor het instellen van de aangrijpingshoogte van het tenminste ene looftreksamenstel (4), gekenmerkt door een niveautaster (6) voor het aftasten van de bodem in het gebied van een rij 10 aardappelplanten, welke niveautaster (6) werkzaam is verbonden met de instelmiddelen (40), waarbij de instelmiddelen ; zijn ingericht voor het in bedrijf actief aanpassen van de aangrijpingshoogte van het tenminste ene looftreksamenstel (4) aan de hoogte van de bodem in reactie op bedieningssig-i 15 nalen van de niveautaster (6).
2. Looftrekker volgens conclusie 1, waarbij de niveautaster (6) in bewerkingsrichting gerekend voor of ter hoogte ~ van het tenminste ene looftreksamenstel (4) is gelegen.
3. Looftrekker volgens conclusie 2, waarbij de niveau- 7 20 taster (6) een langwerpig, slank aftastgedeelte (60) heeft ” waarvan de langsas in hoofdzaak in bewerkingsrichting ver loopt .
4. Looftrekker volgens conclusie 2 of 3, waarbij de niveautaster (6) een aftastgedeelte (60) heeft met een zoda- 25 nige lengte in bewerkingsrichting, dat deze in bedrijf telkens tegelijkertijd op loof van ten minste twee opeenvolgende planten kan steunen.
5. Looftrekker volgens een der conclusies 2-4, verder omvattende een spanner (65) voor het op de af te tasten 30 grond drukken van de niveautaster (6).
6. Looftrekker volgens een der voorgaande conclusies, waarbij het aftastgedeelte (60) aan zijn voorlopende uitein- ! 1009902 j -13- de overgaat in een vloeiend omhoog verlopend een inloopge-deelte (66).
7. Looftrekker volgens een der voorgaande conclusies, waarbij het aftastgedeelte (60) van de niveautaster (6) is 5 uitgevoerd als een slanke stang of buis, en waarbij de niveautaster (6) is voorzien van een aandrukveer (65) die is verbonden met het aftastgedeelte.
8. Looftrekker volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de looftrekker voorzien is van loofheffers die ge- 10 koppeld zijn met het looftreksamenstel voor het met aanpassingen van de hoogte van het looftreksamenstel mee aanpassen van de hoogte van de loofheffers.
9. Looftrekker volgens conclusie 8, waarbij de loofheffers maximaal 6 cm onder het aangrijpingspunt van het 15 looftreksamenstel uitsteken.
10. Looftrekker volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de looftrekker voorzien is van meerdere looftreksa- = menstellen (4) die elk voorzien zijn van bijbehorende ni- : veautasters (6) en daarmee werkzaam verbonden instelmiddelen “ 20 voor het instellen van de aangrijpingshoogte van het betreffende looftreksamenstel (4).
11. Looftrekker volgens een der voorgaande conclusies, 2 waarbij de instelmiddelen (40) zodanig zijn ingericht dat de I aangrijpingshoogte binnen een gebied van -1 tot +1 cm ten I 25 opzichte van het door de niveautaster (6) gedetecteerde ni- = veau wordt gehouden.
12. Werkwijze voor het trekken van aardappelloof, om- = vattende: het gedurende verplaatsing in een bewerkingsrich- - ting langs een rij planten waarvan het loof wordt getrokken I 30 op een aangrijpingshoogte aanvatten van te trekken loof en ” het lostrekken van het aangevatte loof onder achterlating - van de knollen en het, voorafgaand aan het trekken van het loof, instellen van de aangrijpingshoogte, gekenmerkt door | het aftasten van de bodem in het gebied van een rij aardap- 35 pelplanten en het in bedrijf actief aanpassen van de aan- i grijpingshoogte van het tenminste ene looftreksamenstel (4) 1009902 -14- aan de hoogte van de bodem in reactie op bedieningssignalen van de niveautaster (6) .
13. Werkwijze volgens conclusie 12, waarbij de bodem wordt afgetast voordat het loof van de planten in het afge- 5 taste gebied wordt getrokken.
14. Werkwijze volgens conclusie 12 of 13, waarbij de bodem in bedrijf telkens tegelijkertijd in het gebied van ten minste twee opeenvolgende planten wordt afgetast.
15. Werkwijze volgens een der conclusies 12-14, waar- 10 bij de looftrekker voorzien is van loofheffers, waarbij de hoogte van de loofheffers met de hoogte van het looftreksa-menstel mee wordt aangepast aan de afgetaste hoogte van de bodem in het gebied van planten waarvan vervolgens het loof wordt getrokken.
16. Werkwijze volgens conclusie 15, waarbij de planten in een rug staan en de loofheffers zich uitsluitend boven genoemde rug bevinden.
17. Werkwijze volgens een der conclusies 12-16, waarbij de aangrijpingshoogte binnen een gebied van -1 tot +1 cm 20 ten opzichte van het door de niveautaster (6) gedetecteerde niveau van de bodem wordt gehouden.
18. Werkwijze volgens een der conclusies 12-17, waarbij het verstelbereik van de hoogte van het looftreksamen-stel is beperkt tot een traject met een maximum hoogtever- 25 schil van ten hoogste 10 cm.
19. Werkwijze volgens een der conclusies 12-18, waarbij de hoogte van het looftreksamenstel uitsluitend wordt versteld indien afgetaste afnamen in de hoogte van de bodem zich binnen een bepaald steilheidsbereik bevinden. 1009902
NL1009902A 1998-08-19 1998-08-19 Looftrekker en werkwijze voor het trekken van loof. NL1009902C2 (nl)

Priority Applications (4)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL1009902A NL1009902C2 (nl) 1998-08-19 1998-08-19 Looftrekker en werkwijze voor het trekken van loof.
AT99202695T ATE258369T1 (de) 1998-08-19 1999-08-19 Krautrupfer und verfahren um kraut zu ziehen
DE69914419T DE69914419D1 (de) 1998-08-19 1999-08-19 Krautrupfer und Verfahren um Kraut zu ziehen
EP99202695A EP0980644B1 (en) 1998-08-19 1999-08-19 Haulm puller and method for pulling haulm

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL1009902A NL1009902C2 (nl) 1998-08-19 1998-08-19 Looftrekker en werkwijze voor het trekken van loof.
NL1009902 1998-08-19

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL1009902C2 true NL1009902C2 (nl) 2000-02-22

Family

ID=19767679

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL1009902A NL1009902C2 (nl) 1998-08-19 1998-08-19 Looftrekker en werkwijze voor het trekken van loof.

Country Status (4)

Country Link
EP (1) EP0980644B1 (nl)
AT (1) ATE258369T1 (nl)
DE (1) DE69914419D1 (nl)
NL (1) NL1009902C2 (nl)

Citations (6)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
NL85179C (nl) 1900-01-01
FR1132644A (fr) * 1955-09-22 1957-03-13 Machine pour arracher les fanes des plants de pommes de terre ou applications similaires
FR2033592A5 (nl) * 1969-02-28 1970-12-04 Bailly Rene
FR2063924A1 (nl) * 1969-10-02 1971-07-16 Corbeil Etud Const Meca
DE3238056A1 (de) * 1982-10-14 1984-04-19 Wilhelm Stoll Maschinenfabrik Gmbh, 3325 Lengede Ruebenerntemaschine
NL9301688A (nl) 1993-09-30 1995-04-18 Stichting Inst Mech Looftrekker.

Patent Citations (6)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
NL85179C (nl) 1900-01-01
FR1132644A (fr) * 1955-09-22 1957-03-13 Machine pour arracher les fanes des plants de pommes de terre ou applications similaires
FR2033592A5 (nl) * 1969-02-28 1970-12-04 Bailly Rene
FR2063924A1 (nl) * 1969-10-02 1971-07-16 Corbeil Etud Const Meca
DE3238056A1 (de) * 1982-10-14 1984-04-19 Wilhelm Stoll Maschinenfabrik Gmbh, 3325 Lengede Ruebenerntemaschine
NL9301688A (nl) 1993-09-30 1995-04-18 Stichting Inst Mech Looftrekker.

Also Published As

Publication number Publication date
DE69914419D1 (de) 2004-03-04
ATE258369T1 (de) 2004-02-15
EP0980644B1 (en) 2004-01-28
EP0980644A1 (en) 2000-02-23

Similar Documents

Publication Publication Date Title
CA2594225C (en) Potato harvester
AU2020414684B2 (en) Control of a header of a harvester during a non-harvesting mode
EP0765594B1 (en) Apparatus for controlling a position-adjustable implement
US4353201A (en) Crop harvesting apparatus
US10582658B2 (en) Light beam header height control system for an agricultural harvester
US4261163A (en) Method and apparatus for harvesting produce on plastic mulch beds
US4185696A (en) Row crop harvester with adjustable picking heads
EP0505538A1 (en) HARVEST DETECTION APPARATUS.
US5822959A (en) Pick-up for harvesting a lying crop
HU218229B (hu) Tapogatóberendezés önjáró aratógép önálló oldalvezetésére
CA2701399C (en) Windrower and method of windrowing a grown product
JP2019004776A (ja) 苗移植機
EP1258186A1 (fr) Machine pour le ramassage automatique des asperges
EP0023369B1 (en) Tuber, bulb and root lifter
EP0980644B1 (en) Haulm puller and method for pulling haulm
US5203148A (en) Cotton harvester row unit with row finder
US2641099A (en) Beet topper
EP0719495A1 (en) Harvesting device
JP3583038B2 (ja) 作業車の昇降制御装置
NL1018342C2 (nl) Inrichting voor het plaatsen van plantmaterie op of in een bed.
JP2007029034A (ja) 甘藷蔓処理作業機
JP3541150B2 (ja) 作業車の昇降制御装置
US20250017143A1 (en) Pick-up attachment for a harvesting machine
CA3160406C (en) Systems and methods for limiting reel adjustment in an agricultural header
JP2000316344A (ja) 根菜類収穫機

Legal Events

Date Code Title Description
PD2B A search report has been drawn up
VD1 Lapsed due to non-payment of the annual fee

Effective date: 20040301