NL1027095C2 - Werkwijze en kasinrichting voor de teelt van eenmalige snijbloemen. - Google Patents
Werkwijze en kasinrichting voor de teelt van eenmalige snijbloemen. Download PDFInfo
- Publication number
- NL1027095C2 NL1027095C2 NL1027095A NL1027095A NL1027095C2 NL 1027095 C2 NL1027095 C2 NL 1027095C2 NL 1027095 A NL1027095 A NL 1027095A NL 1027095 A NL1027095 A NL 1027095A NL 1027095 C2 NL1027095 C2 NL 1027095C2
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- crop
- holders
- holder
- greenhouse
- growing
- Prior art date
Links
Classifications
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01G—HORTICULTURE; CULTIVATION OF VEGETABLES, FLOWERS, RICE, FRUIT, VINES, HOPS OR SEAWEED; FORESTRY; WATERING
- A01G31/00—Soilless cultivation, e.g. hydroponics
- A01G31/02—Special apparatus therefor
-
- Y—GENERAL TAGGING OF NEW TECHNOLOGICAL DEVELOPMENTS; GENERAL TAGGING OF CROSS-SECTIONAL TECHNOLOGIES SPANNING OVER SEVERAL SECTIONS OF THE IPC; TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC CROSS-REFERENCE ART COLLECTIONS [XRACs] AND DIGESTS
- Y02—TECHNOLOGIES OR APPLICATIONS FOR MITIGATION OR ADAPTATION AGAINST CLIMATE CHANGE
- Y02P—CLIMATE CHANGE MITIGATION TECHNOLOGIES IN THE PRODUCTION OR PROCESSING OF GOODS
- Y02P60/00—Technologies relating to agriculture, livestock or agroalimentary industries
- Y02P60/20—Reduction of greenhouse gas [GHG] emissions in agriculture, e.g. CO2
- Y02P60/21—Dinitrogen oxide [N2O], e.g. using aquaponics, hydroponics or efficiency measures
Landscapes
- Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- Environmental Sciences (AREA)
- Cultivation Receptacles Or Flower-Pots, Or Pots For Seedlings (AREA)
Description
WERKWIJZE EN KASINRICHTING VOOR DE TEELT VAN EENMALIGE SNIJBLOEMEN 5
De onderhavige uitvinding heeft betrekking op een systeem en een kasinrichting voor de teelt van eenmalig oogstbare snijbloemen, zoals weergegeven in het kenmerkend deel van de navolgende conclusie 1.
Dergelijke systemen zijn algemeen bekend. De systemen gaan uit van voor de 10 “volle grondteelf, zij het, althans doorgaans, in een kasklimaat. Ook wordt in de praktijk hiertoe wel eens een afdichtlaag op de kasvloer aangebracht en wordt hier vervolgens substraat op aangebracht. Het bekende teeitsysteem heeft als nadeel dat het gewas niet alleen bewerkelijk is, maar ook een vaste positie heeft en derhalve in elk geval zeer moeizaam te automatiseren zou zijn, zoals dat wel bekend is van 15 overige kasgewassen. Bijgevolg is de teelt van dergelijke gewassen verhoudingsgewijs onvoldoende economisch. Bij de overige kasgewassen staat het gewas op substraat of in potten in zogenaamde gewashouders, welke in de kas gedragen en automatisch voortbewogen kunnen worden met behulp van een systeem van rails waaraan allerhande, doorgaans elektronisch aanstuurbare middelen zijn 20 toegevoegd ten einde de houders en/of de planten te hanteren en/of te sturen. Een voorbeeld van een dergelijke geautomatiseerde mobiele teelt van gewassen is bekend uit het Nederlandse octrooi 1016960 ten name van Aanvraagster.
De bekende mobiele teelt heeft als voordelen dat er minder arbeid benodigd is, dat het gewas sneller groeit doordat het op substraat geteeld dient te worden en dat 25 het doorgaans in overmaat verstrekte water gerecycled kan worden.
De onderhavige uitvinding is er dan ook op gericht een dergelijke, bekende geautomatiseerde en voordelige mobiele teelt ook mogelijk te maken voor eenmalig oogstbare snijbloemen, en wel met optimaal gebruik van de beschikbare kasruimte.
Conform de uitvinding wordt dit doel bereikt door het toepassen van de 30 maatregelen zoals zijn weergegeven in het kenmerkend deel van conclusie 1.
Volgens deze maatregelen is het gewas opgenomen in een mobiele houder welke is opgenomen in een systeem voor geautomatiseerde roulatie van het gewas, welke houder langwerpig is uitgevoerd en in het teeitsysteem dwars op zijn langrichting wordt voortbewogen, en daarbij op een bepaalde aftand ten opzichte van 35 verdere houders in het systeem is opgenomen, waarbij de houders gedurende de 4 Λ n -t λ n c 2 groeiperiode van het gewas op automatische wijze ten minste een keer op een verruimde onderlinge afstand ten opzichte van elkaar worden geplaatst. Hierbij is het gewas bij voorkeur in een, en hoogstens in drie rijen per houder opgenomen, waarbij de rijen in de langsrichting van de houder verlopen. Met een dergelijke maatregel 5 wordt een zeer economisch verantwoorde teeltwijze gerealiseerd, doordat de planten in de eerste delen van hun groeiperiode op een kleinere eindafstand worden neergezet dan tegen het eind van die periode. Dit scheelt aanzienlijk in de benutting van de kas, en de regelmaat waarmee volwassen snijbloemen in een bepaalde teeltruimte kunnen worden geproduceerd. Hierbij is het van belang dat de planten bij 10 voorkeur in een houder ter breedte van een enkele planterij en hooguit van drie planterijen worden geteeld. De planten kunnen dan in het begin van de teeltperiode heel dicht op elkaar worden geplaatst, terwijl ze pas bij volgroeiing op een vergrootte eindafstand worden geplaatst. Het oprekken van deze afstand kan in meerdere fasen gedurende de groeiperiode gebeuren. Door de relatief smalle houders een grote 15 breedte mee te geven wordt volgens de uitvinding de logistiek hantering van de houders beperkt.
Opgemerkt wordt dat uit de franse octrooipublicatie FR2298934 een kweeksysteem voor slaplanten bekend is waarbij deze door een overdekte goot worden getrokken met behulp van een voor de goot intem transportsysteem. De 20 slaplanten kunnen gedurende hun groeifase door aanpassing van het transportsysteem zowel in de goot, en door onderlinge verplaatsing van de goten tevens tussen de goten op een aangepaste afstand worden gebracht. De werkwijze met een interne transportsysteem is niet geschikt om op economische wijze te worden ingepast in de roulatiesystemen voor moderne kassen.
25 Ten einde het principe van de uitvinding verder te perfectioneren worden volgens een verder aspect van de uitvinding de houders in een later stadium van de groeiperiode opgenomen in zogenaamde dragers, welke de houders onder meer de voor relatief grote of hoge planten benodigde stabiliteit verschaffen. Een dergelijke drager kan bijvoorbeeld 10 tot 20 houders bevatten. De snijbloemen kunnen hierbij tot 30 ongeveer een meter hoogte groeien.
In een bijzondere uitvoering wordt de werkwijze gecombineerd met het centraal bespuiten van de gewassen in een daartoe specifiek ontworpen spuitstation. Een dergelijk spuitstation omvat een voor de houders en daarin aanwezig gewas passende tunnel waarin de planten zowel van boven en opzij als vanaf onderen kunnen worden 35 bespoten, en waarbij via het opvangen daarvan, recirculatie van overtollig spuitmiddel 3 plaats vindt. Deze opzet heeft als voordelen dat het gewas met hoge mate van effectiviteit behandeld wordt, dat de hoeveelheid gebruikt middel beperkt blijft, en dat de kasruimten waarin de betreffende planten zijn opgenomen, onbeperkt betreden toegankelijk blijven. De houders worden in hun lengterichting door het spuitstation 5 gevoerd.
In de werkwijze volgens de uitvinding is de kas onderverdeeld in ten minste drie, doch bij voorkeur in vier groeizones, waar het gewas in afzonderlijk regelbare klimaten groeit. Zo wordt onderscheiden een bewortelingsfase, een langedagfase, een kortedagfase, en een bloeifase. In de bewortelingsfase worden de houders op een 10 eerste onderlinge afstand van nul, ofwel tegen elkaar aan gehouden. Gedurende de langedag fase en de kortedagfase worden de houders van het gewas in drie stappen op hun uiteindelijke onderlinge afstand geplaatst. Hierbij heerst een hart op hart afstand in het bereik van 115 tot 125 mm. De totale groeiduur van de eenmalig oogstbare snijbloemen bedraagt 9 a 12 weken. Gedurende een van beide tussenfasen 15 worden de houders middels een daartoe ontworpen overzetinrichting opgenomen in de eerder genoemde dragers.
Voor het automatisch op de drie overige onderlinge afstanden brengen omvat de uitvinding een inrichting met twee elkaar overlappende transporteurs, elk voorzien van een paar omlopende transportelementen zoals transportbandenen -kettingen. De 20 overlappende transporteurs lopen elk op een verschillende snelheid om, waarbij de ovememende transporteur steeds iets sneller loopt dan de afgevende transporteur. Overlappend wil hier zeggen dat de transportelementen voor een deel in eikaars transportgebied steken, en daartoe dan ook versprongen staan opgesteld.
Een specifiek probleem dat zich bij de teelt van eenmalig oogstbare snijbloemen 25 zoals Chrysant, Lisianthus en Matricaria voordoet, is dat de gewassen enerzijds zeer gevoelig zijn voor de toestand van het wortelmilieu, en dat het anderzijds ongewenst is de gewassen regelmatig nat te maken zoals dat bij besproeien en benevelen het geval zou zijn. Dit type gewas vereiste enerzijds stevigheid ten behoeve van zijn groei, anderzijds voldoende lucht en water in het wortelmilieu. De uitvinding heeft dan ook 30 verder ten doel een teeltsysteem en middelen te verschaffen waarmee zowel aan de vereisten van het bekende mobiele teeltsysteem wordt voldaan, als aan de eisen die althans de eenmalige snijbloemgewassen aan het bewortelingsmilieu stellen.
Conform specifieke maatregelen van de uitvinding hiertoe, wordt een dergelijk systeem voor geautomatiseerde teelt van gewassen zoals eenmalige snijbloemen, 35 mogelijk gemaakt indien daarbij gebruik wordt gemaakt van een specifiek daartoe 4 ontworpen gewashouder waarin met behulp van een geperforeerde scheidingswand zoals drainagebuis of een al dan niet gebogen plaat uit kunststof of metaal, een doorstroomruimte voor vocht zoals water met plantenvoeding is aangebracht, en indien deze ruimte wordt toegepast voor het afwisselend zowel irrigeren als draineren 5 van het gewas. Met behulp van de houder kunnen de bedoelde gewassen eenvoudig in een op zich bekend, geautomatiseerd roulatiesysteem worden opgenomen, terwijl met het gelijktijdig gebruik van een separate doorstroomruimte voor irrigatie en drainage kan worden voorkomen dat de gewassen nat hoeven te worden gemaakt. De doorstroomruinte zorgt ervoor dat het bewortelingsmilieu niet wordt overvoerd met een 10 overmaat aan water, in het bijzonder niet indien de doorstroomruimte nabij de onderzijde van het de bewortelingsruimte wordt aangebracht. De uitvinding omvat in een bijzondere uitvoering dan ook tevens een systeem waarbij de doorstroming nabij de onderzijde van de bewortelingsruimte plaats vindt. Op deze wijze kan gebruik worden gemaakt van het principe van capillaire opstijging van het water, zodat op 15 natuurlijke wijze wordt voorkomen dat het bewortelingsmilieu wordt overvoerd door water. Het regelmatig afwisselen van irrigatie en drainage zorgt ervoor dat de water-lucht verhouding in het substraat optimaal blijft.
Opgemerkt wordt dat het systeem welliswaar bij uitstek is ontworpen voor eenmalig oogstbare snijbloemen, maar dat het voor sommige meermalig oogstbare 20 snijbloemen eveneens gunstig kan worden toegepast.
De uitvinding zal thans nader worden toegelicht aan de hand van een voorbeeld waarin.
Figuur 1 een voorbeeld van een geautomatiseerd roulatiesysteem voor het telen van gewassen in een kas.
25 Figuur 2 geeft middels dwarsdoorsneden daarvan een drietal voorbeelden van mogelijke gewashouders voor het systeem volgens de uitvinding.
Figuur 3 illustreert de hierboven beschreven fasering in onderlinge afstand van de houders voor gewas;
Figuur 4 is een schematische weergave van het hierboven beschreven middel 30 voor het op afstand brengen van de houders. Ter vereenvoudiging van de weergave zijn de transporteurs niet overlappend doch achter elkaar opgesteld, hetgeen in principe eveneens een mogelijke uitvoeringsvorm van dit deel van de inrichting is.
In de figuren zijn overeenkomstige constructieve delen met gelijke verwijzingstekens aangeduid.
5
De in figuur 1 weergegeven plattegrond van een op zicht bekend warenhuis, in casu een kas, toont een kweekruimte 1, op de ondergrond 2 waarvan naaste elkaar geplaatste paren 4 van telkens twee rails 3 zich uitstrekken. De rails 3 bezitten elk twee einden 5 en 6. Elk van die einden kan fungeren als toevoereind en afvoereind.
5 Op de ondergrond 2 is een kasconstructie gebouwd die verder niet is weergegeven. In deze kasconstructie bevinden zich de railparen 4.
De plattegrond van figuur 1 toont een behandelingsruimte 7, waarin houders 8 gevuld kunnen worden met planten, dan wel gelost kunnen worden of bijvoorbeeld op een grotere afstand geplaatst kunnen worden. Door middel van transportsystemen 9 10 worden deze houders 8 naar een baan 10 geleid, die zich bevindt aan het toevoereind 5 van de rails 3. In deze baan 10 rijdt een wagen 11 voorzien van een liftsysteem voor houders 8, waarmede houders 8 bijvoorbeeld van de ene rij in de andere geplaatst kunnen worden of vanaf het transportsysteem 9 op de paren 4 uit rails 3 en vice versa geplaatst kunnen worden. Aan het afvoereind 6 van de rails 3 bevind zich een verdere 15 baan 12 waar zich een overeenkomstige wagen 13 kan bevinden.
De houders 8 worden steeds verder over de paren 4 uit de rails 3 verschoven naar het afvoereind 6. Daarbij kunnen, in aanvulling op duworganen die zich op een wagen 11, 13 bevinden, afzonderlijke transportsystemen zorgdragen voor de verplaatsing van de houders 8 tussen de einden 5 en 6. Gedurende de tijd dat de 20 houders 8 zich in de kas 1 bevinden, treedt een gewenste groei op van daarin opgenomen gewas. Het toevoeren van nieuwe houders 8, en het afvoeren van houders 8 met opgekweekte gewas wordt zodanig gekozen dat het gewas gedurende de gewenste tijd zich in de kas bevinden.
De onderhavige uitvinding heeft ten doel ook de teelt van eenmalig oogstbare 25 snijbloemen voor een dergelijke, op zich algemeen bekende mobiele teeltwijze mogelijk te maken. Hiertoe zijn nieuwe, specifieke houders ontwikkeld, welke relatief smal en relatief zeer lang zijn uitgevoerd, en welke in dwarsdoorsnede een vorm zoals is weergegeven in figuur 2 hebben.
De in figuur 2 weergegeven doorsnede van een nieuwe houder 8’ is in 30 hoofdzaak U-vormig, ten gevolge van de relatief geringe breedte van de houder 8’. De nieuwe houder 8’ is bestemd om te worden opgenomen in een systeem waarbij de onderlinge afstand, dat wil zeggen de hart op hart afstand tussen de houders 8’ gedurende de groeiperiode wordt vergroot. Behalve dat een dergelijke opzet en werkwijze de mogelijkheid schept tot roulerende teelt, betekend het in dergelijke 35 smalle houders 8’ plaatsen van het gewas ook nog eens dat het gewas gedurende 6 een belangrijk deel van de groeiperiode relatief weinig ruimte inneemt indien de houders gedurende de periode op grotere afstand worden geplaatst. Een dergeiijke werkwijze impliceert, afgezien van het economische karakter van de roulatieteelt, dat de kasruimte zeer efficiënt wordt benut Om dit additionele voordeel van economisch 5 ruimtegebruik te realiseren zijn de goten uitgevoerd in een breedte van maximaal 50% van de grootst benodigde hart op hart afstand tussen de houders 8, dat wil zeggen bij volgroeid gewas. Deze afstand bedraagt volgens de uitvinding ongeveer 115 a 120 mm, hetgeen een gootbreedte impliceert van tussen de 30 en de 60 mm. De houders hebben hierbij een hoogte in het bereik van 30 tot 60 mm, bij voorkeur circa 45 mm.
10 Om de teelt in dergelijke smalle houders goed mogelijk te maken is een specifiek bewateringssysteem ontwikkeld, waarvan een principiële maatregel eveneens is weergegeven in figuur 2, namelijk in de vorm van een doorstroomruimte 16.. Aangereikt water bevindt zich hierbij aan de onderzijde van een ruimte 15 voor substraat ten behoeve van de beworteling van het gewas. De substraatruimte 15 is 15 gescheiden van de doorstromingsruimte 16 met behulp van een geperforeerde scheidingswand 17. De ruimten 15 en 16 en de scheiding 17 zijn bij wijze van voorbeeld elk op samenhangende wijze weergegeven in drie uitvoeringsvormen met enkelvoudige tot drievoudige accentuering ’ - van de verwijzingscijfers 15-17.
De doorstroomruimte 16 is zowel voor irrigatie als voor drainage bestemd. Het 20 gewas wordt gedurende de dag meerdere malen geïrrigeerd en vervolgens weer gedraineerd, zodat naast een optimale vochtigheid eveneens een optimale balans tussen vocht en beluchting van en substraat wordt verkregen. Het substraat is op zichzelf bekend en bevat een mengsel van ten minste klei, veen en cocosvezels. De perforaties in de scheidingswand zijn bij voorkeur verticaal uitgevoerd. Ten minste een 25 gedeelte van deze sleufvormige perforaties reiken tot de onderzijden van de scheidingswand 17, en daarmede bij voorkeur eveneens tot aan de bodem van dé houder 8’. Bij voorkeur is de doorstroomruimte zo gevormd dat het water langsstromend ten opzichte van de substraatruimte is.
De drie voorbeelden van mogelijke uitvoeringsvormen in figuur 2 omvatten een 30 eerste V-vormig uitgevoerde scheidingswand 17’ welke met de punt naar beneden is gekeerd, en welke via haken aan de bovenste uiteinden over de houder 8’ geplaatst kan worden. In het middelste voorbeeld is de V-vorm omgekeerd, dat wil zeggen met de punt naar boven. De wand 17'’ steunt hierbij op de bodem van de houder af, in het bijzonder in de hoeken daarvan, en maakt het mogelijk twee rijen gewas in de houder 35 op te nemen. In de meest rechtse uitvoering van figuur 2 is de meest fundamentele 7 vorm van een vlakke plaat 17 weergegeven. Hierbij dient voor een optimale functie de ruimte 17 voortdurend geheel te zijn gevuld ten einde contact tussen het water en het substraat te kunnen bewerkstelligen. Het geniet de voorkeur de scheidingswand 17” te doen verlopen langs en tussen de stippellijnen 19, zodat een rechthoekige 5 scheidingswand ontstaat met aan weerszijden substraat. De langsstroming die hiermee mogelijk wordt garandeert volgens de uitvinding de beste capillaire werking. Een verdere uitvoeringsvorm omvat een houder conform de uitvinding met daarin opgenomen een op zich bekende drainagebuis. Drainagebuis is een geperforeerde buis, al dan niet omwikkeld met bijvoorbeeld kokosvezel.
10 De uitvinding heeft behalve op het in het voorgaande beschrevene eveneens betrekking op alle details in de figuren, althans voor zover deze onmiddellijk en eenduidig voor een vakman herleidbaar zijn, en op al hetgeen is beschreven in het navolgende stel conclusies.
1027095
Claims (18)
1. Werkwijze voor het telen van gewassen zoals eenmalig oogstbare snijbloemen zoals Chrysant Lisianthus en Matricaria, met het kenmerk, dat het gewas 5 is opgenomen in een mobiele houder welke is opgenomen in een systeem voor geautomatiseerde roulatie van het gewas, welk systeem is opgezet met meerdere rijen gewashouders, welke houder (8’) langwerpig is uitgevoerd en in het teeltsysteem in de rij dwars op zijn langrichting wordt voortbewogen, en daarbij op een bepaalde afstand ten opzichte van verdere houders in het systeem is opgenomen, en waarbij de houder 10 als onderdeel van de roulatie van de ene rij in de andere rij kan worden overgezet en waarbij de houders (8’) gedurende de groeiperiode van het gewas op automatische wijze ten minste een keer op een verruimde onderlinge afstand ten opzichte van elkaar worden geplaatst, daarbij uitgaande van een kas welke is voorzien van afzonderlijke, althans onderling afgeschermde groeiruimtes voor het gewas, welke 15 zich in elke ruimte in een aizondetlijke groeifase bevinden
2. Werkwijze volgens conclusie 1. met het kenmerk, dat ten minste drie, bij voorkeur vier afzonderlijke ruimten beschikt voor ten minste drie, bij voorkeur vier afzonderlijke groeiperioden van de snijbloemen.
3. Werkwijze volgens conclusie 1 of 2, met het kenmerk, dat de houders 20 gedurende de groeiperiode worden opgenomen in en drager.
4. Werkwijze volgens de voorgaande conclusie, met het kenmerk, dat een drager een aantal houders in het bereik van 10 a 20 omvat.
5. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het gewas gedurende zijn groeiperiode, bij voorkeur wanneer een hoogte van circa 25 cm 25 is bereikt, wordt voorzien van gewasondersteunende middelen, bijvoorbeeld gaas.
6. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het gewas wordt gevormd door eenmalig oogstbare snijbloemen zoals Chrysant, Lisianthus en Matricaria.
7. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de 30 houder in hoofdzaak U-vormig is.
8. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de houders zijn uitgevoerd in een breedte van maximaal 50% van de grootste benodigde hart op hart afstand tussen de houders bij volgroeid gewas. 1027095
9. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de breedte van een houder bestemd is voor opname van ten hoogste drie plantenrijen, bij voorkeur een enkele planterij.
10. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat in 5 een houder telkens slechts een rij planten is opgenomen.
11. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de breedte van een houder zich bevindt in het bereik van 30 tot 60 mm.
12. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de hart op hart afstand tussen twee houders (8’) gedurende het seizoen in een of meer 10 stappen, varieert tussen breedtes met een waarde in het bereik van de breedte van de houder tot 120 mm.
13. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het gewas in vier stappen met onderscheidenlijke tussenafstand naar de maximale onderlinge afstand van 110 a 120 mm wordt gebracht, dan wel tot het bereik van 300 15 a 350 mm, in geval dat de onderhavige werkwijze wordt toegepast voor meermalig oogstbare bloemen zoals asters.
14. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het gewas gedurende het groeiseizoen uit de rij wordt genomen ten behoeve van behandeling in een op zichzelf bekend spuitstation, echter in breedte en hoogte op de 20 maximale afmetingen van het gewas in een houder aangepast, waar de houder in zijn langsrichting daar doorheen wordt gevoerd.
15. Kasinrichting, ingericht voor het uitvoeren van een werkwijze volgens een der voorgaande conclusies.
16. Kasinrichting, in het bijzonder voor het uitvoeren van een werkwijze volgens 25 een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat deze is voorzien van afzonderlijke, althans onderling afgeschermde groeiruimtes voor de teelt van eenmalig oogstbare snijbloemen die zich in elke ruimte in een afzonderlijke groeifase bevinden.
17. Kasinrichtting volgens de voorgaande conclusie, met het kenmerk, dat de kas ten minste drie, bij voorkeur vier afzonderlijke ruimten beschikt voor ten minste drie, bij 30 voorkeur vier afzonderlijke groeiperioden van de snijbloemen.
18. Kasinrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat deze is voorzien van een automatische positioneringinrichting voorzien van transporteurs die elkaar voor een deel van hun omloopinrichting “overlappen”, waarbij een nieuwe onderlinge afstand tussen de houders (8’) wordt ingesteld door het instellen van de omloopsnelheid van elk der transporteurs, en waarbij de ovememende transporteur voor het vergroten van de onderlinge afstand van de 5 houders sneller omloopt dan de afgevende transporteur, en langzamer voor het onderling verkleinen van de onderlinge afstand. 1027095
Priority Applications (1)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL1027095A NL1027095C2 (nl) | 2004-09-23 | 2004-09-23 | Werkwijze en kasinrichting voor de teelt van eenmalige snijbloemen. |
Applications Claiming Priority (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL1027095 | 2004-09-23 | ||
| NL1027095A NL1027095C2 (nl) | 2004-09-23 | 2004-09-23 | Werkwijze en kasinrichting voor de teelt van eenmalige snijbloemen. |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL1027095C2 true NL1027095C2 (nl) | 2006-03-27 |
Family
ID=34955647
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL1027095A NL1027095C2 (nl) | 2004-09-23 | 2004-09-23 | Werkwijze en kasinrichting voor de teelt van eenmalige snijbloemen. |
Country Status (1)
| Country | Link |
|---|---|
| NL (1) | NL1027095C2 (nl) |
Cited By (1)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| CN108901806A (zh) * | 2018-07-11 | 2018-11-30 | 福建省中科生物股份有限公司 | 一种植物水培装置及植物水培方法 |
Citations (3)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| FR2298934A1 (fr) * | 1974-08-13 | 1976-08-27 | Kosan As | Methode pour cultiv |
| GB2077082A (en) * | 1980-05-27 | 1981-12-16 | Morris John Malcolm | Method and apparatus for growing crops |
| NL1016960C2 (nl) | 2000-12-21 | 2002-06-25 | Alcoa Nederland Bv | Systeem voor het kweken van planten. |
-
2004
- 2004-09-23 NL NL1027095A patent/NL1027095C2/nl not_active IP Right Cessation
Patent Citations (3)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| FR2298934A1 (fr) * | 1974-08-13 | 1976-08-27 | Kosan As | Methode pour cultiv |
| GB2077082A (en) * | 1980-05-27 | 1981-12-16 | Morris John Malcolm | Method and apparatus for growing crops |
| NL1016960C2 (nl) | 2000-12-21 | 2002-06-25 | Alcoa Nederland Bv | Systeem voor het kweken van planten. |
Cited By (1)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| CN108901806A (zh) * | 2018-07-11 | 2018-11-30 | 福建省中科生物股份有限公司 | 一种植物水培装置及植物水培方法 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| CA2834933C (en) | Method and apparatus for growing plants along an undulating path | |
| EP3316675B1 (en) | Cultivation system | |
| EP0416008A4 (en) | Method and apparatus for hydroponic gardening | |
| KR101831294B1 (ko) | 딸기 육묘용 장치 | |
| BE1023221B1 (nl) | Teelsysteem | |
| IE41840B1 (en) | Cultivation of plants growing singly in a spearate plant bed | |
| NL1027095C2 (nl) | Werkwijze en kasinrichting voor de teelt van eenmalige snijbloemen. | |
| US20210392832A1 (en) | Apparatus, System and Method for Watering Plants | |
| WO2004066715A1 (en) | Planting arrangement | |
| JP2024059917A (ja) | 上部開放型樋 | |
| US12408603B2 (en) | Vertical farming apparatus and a method of vertical farming | |
| Van Os | Technical and economical consequences and mechanization aspects of soilless growing systems | |
| NL1027094C2 (nl) | Werkwijze, kasinrichting, houder en scheidingselement voor de teelt van eenmalige snijbloemen. | |
| JP3001784U (ja) | 養液栽培装置 | |
| NL8601543A (nl) | Tafel voor planten. | |
| NL1021180C2 (nl) | Kweken van snijbloemen. | |
| KR20260029158A (ko) | 자동 순환 식물 재배 시스템 | |
| KR20240175224A (ko) | 식물재배용 배드의 물 공급 장치 | |
| GB2607019A (en) | Vertical farming apparatus and a method of vertical farming | |
| Giacomelli et al. | A cable supported NFT tomato production system for the greenhouse | |
| JPH07250583A (ja) | 果菜類の栽培方法とその装置 | |
| NZ617010B2 (en) | Method and apparatus for growing plants along an undulating path |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| PD2B | A search report has been drawn up | ||
| V1 | Lapsed because of non-payment of the annual fee |
Effective date: 20100401 |