NL1027372C2 - Weefinrichting. - Google Patents
Weefinrichting. Download PDFInfo
- Publication number
- NL1027372C2 NL1027372C2 NL1027372A NL1027372A NL1027372C2 NL 1027372 C2 NL1027372 C2 NL 1027372C2 NL 1027372 A NL1027372 A NL 1027372A NL 1027372 A NL1027372 A NL 1027372A NL 1027372 C2 NL1027372 C2 NL 1027372C2
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- weft
- weaving device
- thread
- tube
- compartment
- Prior art date
Links
- 238000009941 weaving Methods 0.000 title claims description 52
- 238000003780 insertion Methods 0.000 claims description 77
- 230000037431 insertion Effects 0.000 claims description 77
- 230000008719 thickening Effects 0.000 claims description 17
- 238000006073 displacement reaction Methods 0.000 claims description 3
- 239000000463 material Substances 0.000 claims description 3
- 239000003973 paint Substances 0.000 claims description 2
- 238000007664 blowing Methods 0.000 claims 1
- 239000004744 fabric Substances 0.000 description 6
- 230000000717 retained effect Effects 0.000 description 6
- 239000002699 waste material Substances 0.000 description 6
- 238000004891 communication Methods 0.000 description 3
- 238000010276 construction Methods 0.000 description 2
- CURLTUGMZLYLDI-UHFFFAOYSA-N Carbon dioxide Chemical compound O=C=O CURLTUGMZLYLDI-UHFFFAOYSA-N 0.000 description 1
- 230000001133 acceleration Effects 0.000 description 1
- 235000011089 carbon dioxide Nutrition 0.000 description 1
- 238000001514 detection method Methods 0.000 description 1
- 230000005284 excitation Effects 0.000 description 1
- 239000003292 glue Substances 0.000 description 1
- 230000014759 maintenance of location Effects 0.000 description 1
- 230000007257 malfunction Effects 0.000 description 1
- 238000000034 method Methods 0.000 description 1
Classifications
-
- D—TEXTILES; PAPER
- D03—WEAVING
- D03D—WOVEN FABRICS; METHODS OF WEAVING; LOOMS
- D03D49/00—Details or constructional features not specially adapted for looms of a particular type
- D03D49/24—Mechanisms for inserting shuttle in shed
- D03D49/42—Mechanisms for inserting shuttle in shed whereby the shuttle is propelled by liquid or gas pressure
-
- D—TEXTILES; PAPER
- D03—WEAVING
- D03D—WOVEN FABRICS; METHODS OF WEAVING; LOOMS
- D03D47/00—Looms in which bulk supply of weft does not pass through shed, e.g. shuttleless looms, gripper shuttle looms, dummy shuttle looms
- D03D47/12—Looms in which bulk supply of weft does not pass through shed, e.g. shuttleless looms, gripper shuttle looms, dummy shuttle looms wherein single picks of weft thread are inserted, i.e. with shedding between each pick
- D03D47/24—Looms in which bulk supply of weft does not pass through shed, e.g. shuttleless looms, gripper shuttle looms, dummy shuttle looms wherein single picks of weft thread are inserted, i.e. with shedding between each pick by gripper or dummy shuttle
Landscapes
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Textile Engineering (AREA)
- Looms (AREA)
Description
1 I
Korte aanduiding: Weefinrichting. I
I BESCHRIJVING I
De uitvinding heeft betrekking op een weefinrichting I
5 voorzien van middelen voor het vormen van een inslagvak van ketting- I
draden, waarbij aan één of beide zijden van het inslagvak inbrengmiddelen I
zijn opgesteld voor het inbrengen van een als een samengepakt draadkluwen I
gevormde inslagdraad, welk samengepakt draadkluwen zich tijdens het I
inbrengen in het inslagvak tot een langgerekt inslagdraad uitstrekt en I
10 waarbij de inslagdraad in de inbrengrichting gezien een voorste en een I
achterste draadeinde bezit. I
Een dergelijke weefinrichting wordt bijvoorbeeld I
geopenbaard uit de niet gepubliceerde Nederlandse octrooiaanvrage nr. I
1023943 ten name van de aanvraagster. Bij de hierbij gekozen constructie I
15 valt een gedeelte van de inslagdraad buiten het te vormen weefsel, I
hetgeen afval betekent. I
De onderhavige uitvinding beoogt een verbetering van de in I
de Nederlandse octrooiaanvrage nr. 1023943 beschreven weefinrichting te I
verschaffen en overeenkomstig de uitvinding is de weefinrichting voorzien I
20 van middelen, welke het achterste draadeinde nagenoeg samenvallend met I
een zijde van het inslagvak oriënteren. Zodoende kan de lengte van de in I
te brengen inslagdraden volledig afgestemd worden op de breedte van het inslagvak, waardoor onnodig draadafval wordt vermeden.
Bij een specifieke uitvoeringsvorm omvatten de oriëntatie-25 middelen ten minste één eerste vasthoudelement voor het vasthouden van het nagenoeg samenvallend met een zijde van het inslagvak te oriënteren achterste draadeinde. Daarbij kunnen de oriëntatie middelen een, in de verplaatsingsrichting van de inslagdraad gezien voor het eerste vasthoudelement geplaatst, tweede vasthoudelement omvatten voor het 30 gedurende een bepaalde tijdsperiode tijdens het inbrengen van de inslagdraad vasthouden van het achterste draadeinde.
1027372 2
De eerste dan wel tweede vasthoudelementen kunnen eventueel bekrachtigbaar zijn uitgevoerd.
Bij een functionele uitvoeringsvorm omvatten de oriëntatiemiddelen voorts sensormiddelen voor het detecteren van de positie van het 5 na deze bepaalde tijdsperiode vrij verplaatsende achterste draadeinde en het op basis van de gedetecteerde positie bekrachtigen van het eerste vasthoudelement.
Deze twee specifieke uitvoeringsvormen zijn erop gericht om bij aanvang van het inbrengen van het tot een draadkluwen gevormde 10 inslagdraad het achterste draadeinde vast te houden, hetgeen door de ruimtelijke constructie van de inbrengmiddelen op enige afstand van een zijde van het inslagvak geschiedt. Door nu tijdens het inbrengen van de inslagdraad, welk zich daarbij in het inslagvak uitstrekt tot een langgerekte inslagdraad het achterste draadeinde op tijd los te laten zal 15 het achterste draadeinde zich verplaatsen in de richting van de zijde van het inslagvak.
Door het achterste draadeinde wederom door een ander vasthoudelement vast te houden wordt het achterste draadeinde exact gepositioneerd, waardoor afval wordt gereduceerd en is het ook mogelijk 20 de inslagdraad op de juiste correcte lengte en positie ten opzichte van het te vervaardigen weefsel te positioneren.
Bij één uitvoeringsvorm wordt het achterste draadeinde door het eerste vasthoudelement ingevangen op basis van enkel tijdbasis gebaseerd op de snelheid van het in het weefvak "ingeschoten" draad-25 kluwen, terwijl bij een andere uitvoeringsvorm het invangen van het achterste draadeinde geschiedt door middel van sensoren, die op basis van het detecteren van het langskomende achterste draadeinde het eerste vasthoudelement bekrachtigen.
Doordat bij een specifieke uitvoeringsvorm het achterste 30 draadeinde kan zijn voorzien van een verdikking voor samenwerking met het vasthoudelement, waarbij de verdikking als een knoop in de inslagdraad of 1 027372_ _ 3 als een ingedraaid gareneind is gevormd of waarbij de verdikking door een garenvreemd materiaal is gevormd, bijvoorbeeld was, kunststof, verf, (koolzuur)ijs kan op een effectieve wijze een vasthouden of inklemming van het achterste draadeinde van de inslagdraad worden bewerkstelligd 5 door het bekrachtigen van de pal waarna de verdikking en daarmee de draad wordt tegengehouden c.q. vastgehouden.
Bij een specifieke uitvoeringsvorm omvat het eerste vasthoudelement een naast de zijde van het inslagvak opgesteld plaatvormig deel voorzien van een sleuf met een breedte gelijk aan of 10 groter dan de dikte van de inslagdraad, maar kleiner dan de verdikking.
Meer specifiek is het plaatvormig deel tijdens het inbrengen van de inslagdraad in de inbrengrichting van de inslagdraad brengbaar is. Door meer specifiek het plaatvormig deel te monteren op het bewegingsmechanisme van het inslagvak wordt een optimale synchronisatie 15 verkregen met betrekking op het inbrengen van de inslagdraad en het tijdig "invangen" c.q. vasthouden van het achterste draadeinde.
Meer in het bijzonder omvat het eerste vasthoudelement voorts een direct naast het plaatvormig deel opgestelde en loodrecht op de inbrengrichting en de sleuf uitstrekkende bekrachtigbare pal, welke 20 pal van een eerste, aan de tegenover de sleuf gelegen zijde gelegen, positie naar een tweede, aan de aan de sleuf gelegen zijde gelegen, positie bekrachtigbaar is.
Meer specifiek is de pal van de eerste positie naar de tweede positie brengbaar nadat het samengepakt draadkluwen tijdens het 25 inbrengen het plaatvormig deel is gepasseerd.
Bij een andere functionele uitvoeringsvorm zijn de oriëntatiemiddelen van en naar de zijde van het inslagvak verplaatsbaar. Daarbij zijn de oriëntatiemiddelen geplaatst op een van en naar de zijde van het inslagvak verplaatsbaar steunelement, waarbij in het bijzonder 30 het steunelement deel uitmaakt van de inbrengmiddelen. Deze functionele uitvoeringsvorm maakt het mogelijk om het draadkluwen als het ware het 1027372 4 inslagvak "in te lanceren", waardoor de oriëntatiemiddelen direct naast het inslagvak worden georiënteerd.
Bij een andere functionele uitvoeringsvorm omvatten de inbrengmiddelen tenminste één langwerpige buis, welke buis met één open 5 einde naar het inslagvak is gericht en met het andere einde verbindbaar is met toevoermiddelen voor een medium onder druk. Bij een eerste functionele uitvoeringsvorm hiervan zijn de oriëntatiemiddelen verplaatsbaar in de langwerpige buis opgenomen.
Bij een andere functionele uitvoeringsvorm is het eerste 10 vasthoudelement nabij het open, naar het inslagvak gerichte, bui seinde geplaatst en het achterste draadeinde van de inslagdraad voorafgaand aan het inbrengen van de inslagdraad vasthouden of inklemmen. Daarbij kunnen de plaatsingsmiddelen zijn voorzien voor het via het open, naar het inslagvak gerichte, bui seinde in de buis plaatsen van de in te brengen 15 als een samengepakt draadkluwen gevormde inslagdraad.
Deze uitvoeringsvorm is gericht op het vasthouden of inklemmen van het achterste draadeinde direct naast een zijde van het inslagvak voorafgaand aan het inbrengen van de inslagdraad. Hiertoe wordt de als een draadkluwen gevormde inslagdraad via de uittree-opening in de 20 inbrengbuis geplaatst. Bij een andere uitvoeringsvorm wordt het als een draadkluwen gevormde inslagdraad aan de achterzijde de inbrengbuis ingebracht waarbij vantevoren met behulp van een medium onder druk het vrije achterste draadeinde door de buis wordt verplaatst in de richting voor het eerste vasthoudelement.
25 Om te voorkomen dat bij het inbrengen van het draadkluwen door de buis in de richting van het inslagvak deze vast komt te zitten of anderszins het naar voren gerichte achterste draadeinde beschadigd is overeenkomstig de uitvinding de buis voorzien van een tussen beide einden verlopende langsgerichte sleuf. Meer specifiek is de sleuf daarbij 30 afsluitbaar.
Bij een functionele uitvoeringsvorm is de buis omgeven door 1027372 __ 5 een nauw passende mof, welke mof eveneens is voorzien van een langsgerichte sleuf en waarbij de buis en de mof ten opzichte van elkaar om hun langsgerichte as tijdens het inbrengen van de inslagdraad verplaatsbaar zijn van een eerste positie waarbij de mof de sleuf van de 5 buis afsluit naar een tweede positie waarbij de beide sleuven elkaar overlappen. Zodoende kan het vrije achterste draadeinde tijdens het inbrengen van het als een draadkluwen gevormde inslagdraad in het inslagvak eenvoudig ontwijken zonder dat deze beschadigd raakt of anderszins voor een blokkering en storing zorgt.
10 Bij een andere uitvoeringsvorm van de weefinrichting, waarbij de inbrengmiddelen zijn ingericht voor het vanuit kluwenvormende middelen inbrengen van tot draadkluwen gevormde inslagdraden, welke draadkluwen met behulp van draaddelen met elkaar zijn verbonden, omvatten overeenkomstig de uitvinding de oriëntatiemiddelen een knipelement voor 15 het ter plaatse van de zijde van het inslagvak doorknippen van een draaddeel, daarbij een achterste en een voorste draadeinde vormend, als ook terughaal middel en voor het naar de kluwenvormende middelen terughalen van het voorste draadeinde.
Daarbij kunnen de terughaalmiddel en een doorvoerbuis 20 voorzien van een langsboring omvatten voor het door de langsboring naar de kluwenvormende middelen voeren van de inslagdraad, welke doorvoerbuis voorts is voorzien van tenminste één in de langsboring eindigende opening voor het tot in de langsboring toevoeren van een medium onder druk.
Optioneel kan nabij een einde van de doorvoerbuis een 25 luchtdoorlatende buffer zijn voorzien met een op de lengte van het teruggehaalde voorste draadeinde afgestemde inhoud voor het met behulp van een medium onder druk opslaan van het teruggehaalde voorste draadeinde.
De uitvinding zal nu aan de hand van een tekening nader 30 worden toegelicht, welke tekening achtereenvolgens toont in:
Figuur 1 een eerste uitvoeringsvorm van een weefinrichting _ 1 0 27 372 _ 6 overeenkomstig de uitvinding;
Figuur 2 een nadere uitwerking van de in Figuur 1 getoonde uitvoeringsvorm;
Figuren 3-11 andere uitvoeringsvormen van een 5 weefinrichting overeenkomstig de uitvinding.
Voor een beter begrip van de uitvinding zal in de navolgende figuurbeschrijving overeenkomende onderdelen met identieke referentiecijfers worden aangeduid.
Met het referentiecijfer 3 wordt een weef- of inslagvak van 10 een weefinrichting getoond, welk inslagvak is opgebouwd uit kettingdraden 2, 4. Direct naast een zijde van het weefvak kunnen knip- of snijmiddelen 5 staan opgesteld. De weefinrichting is voorts voorzien van inbreng-middelen 30 voor het inbrengen van een tot een draadkluwen gevormde inslagdraad 20. De inslagdraad 20 bezit een voorste draadeinde 23 en een 15 achterste einde 21. Het draadkluwen 20 is gevat in een drager 24 voorzien van een achterste open einde 24a. Het draadkluwen 20 wordt voorafgaand aan het inbrengen door het inslagvak 2, 4 via het achterste open einde 24a in de holle drager 24 geplaatst, zodanig dat het achterste draadeinde 21 uit het achterste open einde 24a steekt. j 20 Zoals omschreven in de Nederlandse octrooiaanvrage nr. 1023943 wordt het draadkluwen 20 tezamen met de drager 24 door de inbrengmiddelen 30 met hoge snelheid het inslagvak 2, 4 ingebracht waarbij het draadkluwen 20 zich uitstrekt tot een volledige uitgestrekte in het inslagvak 2, 4 gelegen inslagdraad 20. Deze situatie wordt getoond 25 in deel figuur (B) van Figuur 1.
Om het inbrengen mogelijk te maken, bezit de inslagdraad 20 een dusdanige lengte dat deze tenminste groter is dan de breedte van het inslagvak 2, 4. Door een geschikte aansturing van de inbrengmiddelen 30 wordt de drager 24 en de erin opgenomen draadkluwen 20 op een dusdanige 30 snelheid en versnelling door het inslagvak 2, 4 ingebracht dat bij volledige uitstrekking van de inslagdraad 20 vanuit de drager 24, de 1027372 7 draad 20 over het volledige inslagvak komt te liggen. Daarbij steekt het achterste draadeinde 21 over enige afstand uit over de zijde van het inslagvak 2, 4.
Dit extra draadeinde dat uit het te vormen weefsel 3 en/of 5 inslagvak 2, 4 steekt, dient vervolgens door snij- of knipmiddelen 5 te worden verwijderd, hetgeen afval veroorzaakt.
Om dit bezwaar zoveel mogelijk te ondervangen, wordt in de uitvinding voorgesteld om oriëntatiemiddelen toe te passen, welke in het bijzonder het achterste draadeinde 21 van de inslagdraad 20 nagenoeg 10 samenvallend met de zijde van het inslagvak 2, 4 positioneren.
In Figuur 1 worden de oriëntatiemiddelen aangeduid met het referentiecijfer 10 en worden in het bijzonder gevormd door een vast opgesteld vasthoudelement welke het achterste draadeinde 21 tijdens het in het inslagvak 2, 4 inbrengen van de drager 24 en de erin opgenomen tot 15 een draadkluwen gevormde inslagdraad 20 dusdanig vast te houden dan wel in te klemmen dat het draadeinde 21 nauwkeurig op de zijde van het inslagvak wordt georiënteerd.
De inbrengmiddelen zijn bij deze uitvoeringsvorm gevormd door een langwerpige buis 30 voorzien van een open uittree-opening 30a en 20 een intree-opening 30b, waarin een medium onder druk P kan worden ingevoerd. De drager 24 en de erin opgenomen draadkluwen 20 wordt in de buis 30 gebracht en behulp van het medium onder druk P met hoge snelheid het inslagvak "ingeschoten". Hiertoe is het buiseinde 30b aangesloten op een toevoer voor een medium onder druk P.
25 Tijdens het in het inslagvak 2, 4 inbrengen van de houder 24 met inslagdraad 20 strekt de inslagdraad 20 zich volledig in het inslagvak 2, 4 uit. Om ervoor zorg te dragen dat het achterste draadeinde 21 van de inslagdraad 20 precies op de zijde van het inslagvak 2, 4 wordt georiënteerd door de oriëntatiemiddelen 10 is bij deze uitvoeringsvorm 30 een achterste draadeinde 21 eventueel voorzien van een verdikking 22, dat bijvoorbeeld een knoop kan zijn. De verdikking kan ook uitgevoerd zijn _1 027372__ 8 als een in elkaar gedraaid gareneind. Een andere vorm van verdikking kan gevormd worden door een garenvreemd materiaal, zoals was, kunststof, lijm of droog ijs of iets dergelijks.
De verdikking 22 zorgt ervoor dat het achterste 5 gareneinde 21 door de oriëntatiemiddelen 10 worden ingevangen, welke oriëntatiemiddelen 10 zijn uitgevoerd als een vasthoudelement.
Een uitvoeringsvorm van een dergelijk vasthoudelement wordt getoond in de Figuur 2. Hiertoe is het oriëntatiemiddel 10 opgesteld aan de rand van het doek of weefsel 3 (zijde van het inslagvak 2,4). Het 10 oriëntatiemiddel 10 is uitgevoerd als een plaatvormig deel voorzien van een opening 10a, waardoor de drager 24 tijdens het inbrengen door naar het inslagvak 2, 4 geleid kan worden. Nabij het achterste bui seinde 30b is een tweede vasthoudelement 31 opgenomen dat het achterste draadeinde 21 met de verdikking 22 vasthoudt of -klemt, zodat tijdens het inbrengen 15 van de drager 24 en het draadkluwen 20 de inslagdraad 20 zich uitstrekt in het inslagvak 2, 4.
Op het moment dat de drager 24 de opening 10a in het plaatvormig deel is gepasseerd, wordt een pal 10b bekrachtigd welke i vanuit de positie zoals getoond in het deel aanzicht (A) en (B) wordt 20 verplaatst naar de positie zoals getoond in het deel aanzicht (C). Het bekrachtigen van de pal 10b geschiedt door middel van geschikte bekrachtigingsmiddelen (niet weergegeven) welke op basis van signalen de pal bekrachtigt. Deze bekrachtigingssignalen kunnen worden afgegeven door middel van geschikte sensoren 70, welke het door de opening 10a passeren 25 van de drager 24 detecteren.
Het tijdig aansturen van de pal 10b kan bij een andere eveneens in Figuur 2 getoonde uitvoeringsvorm ook op basis van een tijdbasis geschieden, waarbij gebruikt wordt gemaakt van de (initiële) snelheid van het langskomende garen, die bijvoorbeeld bepaald wordt door 30 de pulskarakteristiek van het medium onder druk P. Hierdoor zijn de aanvullende sensoren 70 overbodig.
1027372 9
Het tweede vasthoudelement 31 wordt afgeschakeld (aangeduid met referentiecijfer 31'), zodra de drager 24 de inbrengbuis 30 heeft verlaten, zodat het achterste draadeinde 21 tezamen met de verdikking 22 door de inbrengbuis 30 in de richting van het inslagvak 2, 4 wordt 5 verplaatst.
Beide in de Figuur 2 getoonde uitvoeringsvormen kunnen ook gebruikt worden bij het inbrengen van inslagdraden, waarvan het achterste draadeinde niet is voorzien van een verdikking.
Hoewel niet weergegeven, is het plaatvormig deel 10 10 voorzien van een in de opening 10a reikende sleuf, welke sleuf een diameter bezit welke nagenoeg gelijk is aan de dikte van de inslag-draad 20. Doordat de pal 10b naar de positie in de deel figuren (C) en (D) is gebracht, zal de inslagdraad 20 door de sleuf worden geleid en stil komen te liggen op het moment dat de verdikking 22 door de pal 10b en de 15 sleuf wordt tegengehouden. Op het moment ligt de inslagdraad 20 volledig uitgestrekt in het inslagvak en is het achterste draadeinde 21 nagenoeg gelijk met de zijde van het inslagvak 2, 4 georiënteerd. Restafval wordt hierdoor voorkomen.
Bij een andere uitvoeringsvorm is het plaatvormig deel 10 20 niet voorzien van een opening 10a, maar enkel van een open sleuf, waarin de inslagdraad 20 opneembaar is voor het tot stilstand brengen van de inslagdraad door middel van de verdikking 22 die in de sleuf blijft haken. Meer specifiek is het plaatvormig deel 10 tijdens het inbrengen van de inslagdraad 20 in de inbrengrichting van de inslagdraad 20 25 brengbaar is. Dit houdt in dat de inslagdraad 20 tijdens het inbrengen langs het plaatvormig deel "scheert" en zo het inslagvak 2, 4 wordt ingebracht.
IOp het moment dat de inslagdraad 20 tot stilstand dient te worden gebracht, wordt het plaatvormig deel 10 in de inbrengrichting van 30 de inslagdraad 20 gebracht, waarbij de inslagdraad in de sleuf wordt "ingevangen". Door de verdikking 22 blijft de inslagdraad 20 in de sleuf __ 1027372 10 haken en wordt zo tot stilstand gebracht, waarbij het achterste draadeinde 21 tot op de rand van het inslagvak 2, 4 wordt gepositioneerd.
Een praktische uitvoering hiervan kan bestaan door het plaatvormig deel 10 te monteren op het bewegingsmechanisme van het 5 inslagvak 2, 4, zodat een optimale synchronisatie verkregen wordt met betrekking op het inbrengen van de inslagdraad 20 en het tijdig "invangen" c.q. vasthouden van het achterste draadeinde 21 door de sleuf.
Een andere uitvoeringsvorm wordt getoond in Figuur 3 welke echter grote overeenkomsten toont met de uitvoeringsvorm uit Figuur 2.
10 Ook hier zijn aan weerszijden van de inbrengmiddelen 30 (de langwerpige inbrengbuis 30) eerste respectievelijk tweede vasthoud-elementen 36a-36b opgesteld. Bij het inbrengen van de drager 24 met de erin opgenomen draadkluwen 20 is het eerste vasthoudelement 36a dat bij de open uittreebuiseinde 30a is opgesteld niet bekrachtigd, terwijl het 15 tweede vasthoudelement 36b, dat nabij het achterste bui seinde 30b is opgesteld, bekrachtigd is en het achterste draadeinde 21 vasthouden of inklemt. Bij het inbrengen van de drager 24 en de inslagdraad 20 in het inslagvak 2, 4 zal de inslagdraad 20 zich uitstrekken.
Na een bepaalde tijdsperiode tijdens het inbrengen zal het 20 tweede vasthoudelement 36b worden afgeschakeld, waardoor het vrije einde 21 door de inbrengbuis 30 in de richting van het inslagvak 2, 4 mee verplaatst. Met behulp van een nauwkeurige (tijd)aansturing van het eerste vasthoudelement 36a, eventueel met behulp van sensoren analoog aan de uitvoeringsvormen uit Figuur 2, wordt het achterste draadeinde 21 25 ingevangen en nauwkeurig georiënteerd ten opzichte van de zijde van het inslagvak 2, 4.
Optioneel kan het invangen van het achterste draadeinde 21 worden vereenvoudigd door het draadeinde 21 te voorzien van een verdikking 22, zoals reeds hiervoor toegelicht.
30 In Figuur 4 wordt een derde uitvoeringsvorm van een weefinrichting overeenkomstig de uitvinding getoond waarbij aan de 1 027372_ _ 11 oriëntatiemiddelen 33 voor het samenvallend met een zijde van het inslagvak 2, 4 oriënteren van het achterste draadeinde 21 van de inslagdraad 20 tijdens de inslag een verplaatsing wordt opgedrongen in de richting van het inslagvak 2, 4.
5 Hiertoe zijn de oriëntatiemiddelen 33 uitgevoerd als een vasthoud- of klemelement en geplaatst op een van en naar de zijde van het inslagvak 2, 4 verplaatsbaar steunelement 32. Meer in het bijzonder maakt het steunelement 32 deel uit van de inbrengmiddelen voor het inbrengen van de drager 24 met de erin opgenomen draadkluwen 20.
10 Zoals duidelijk getoond in het deel aanzicht (B) van
Figuur 4 is het van de inbrengmiddelen deel uitmakende steunelement 32 naar het inslagvak 2, 4 toe verplaatst zodat het achterste draadeinde 21 door het vasthoudelement 33 ten opzichte van de zijde van het inslagvak 2, 4 is georiënteerd.
15 Door het vasthoudelement 33 te deactiveren en tezamen met het steunelement 32 weer terug te verplaatsen naar de positie zoals getoond in het deel aanzicht (A) kan de weefinrichting gereed worden gemaakt voor een volgend "schot" voor het inbrengen van een volgende drager 24 met een tot een draadkluwengevormde inslagdraad 20.
20 In Figuur 5 wordt een andere uitvoeringsvorm getoond van de weefinrichting overeenkomstig de uitvinding, waarbij de oriëntatiemiddelen voor het nauwkeurig ten opzichte van een zijde van het inslagvak 2, 4 oriënteren van het achterste draadeinde 21 van en naar het inslagvak 2, 4 verplaatsbaar zijn. Bij deze uitvoeringsvorm zijn de inbrengmiddelen 25 wederom uitgevoerd in de vorm van een langwerpige buis 30 voorzien van een naar het inslagvak 2, 4 gerichte open bui seinde 30a en een achterste bui seinde 30b. In de buis 30 wordt telkens een in te brengen drager 24 met een tot een draadkluwengevormde inslagdraad 20 gevoerd.
In de inbrengbuis 30 zijn nabij het achterste bui seinde 30b 30 de oriëntatiemiddelen 35 opgenomen die hier als een vasthoudelement zijn uitgevoerd. Het vasthoudelement 35 houdt of klemt het uit de drager 24 _1 027372 12 stekende draadeinde 21 vast. Bij aanvang van het inbrengen van de drager 24 en de inslagdraad 20 bevindt de drager 24 zich tussen de oriëntatiemiddelen 35 en het voorste bui seinde 30a.
Het inbrengen van de drager 24 geschiedt door middel van 5 een puls van een medium onder druk P, die via het achterste bui seinde 30b de buis 30 wordt ingeleid. De oriëntatiemiddelen 35 worden tezamen met de drager 24 (en de inslagdraad 20) door de inbrengbuis 30 in de richting van het voorste bui seinde 30a verplaatst. De drager 24 verlaat de inbrengbuis 30 en wordt het inslagvak 2, 4 "ingeschoten", terwijl de 10 oriëntatiemiddelen 35 nabij het voorste bui seinde 30a in de inbrengbuis 30 worden gestuit door stuitmiddelen 34, bijvoorbeeld uitgevoerd als aan de binnenzijde van de inbrengbuis 30 aangebrachte nokken.
Daar de inslagdraad door de oriëntatiemiddelen 35 wordt vastgehouden strekt de inslagdraad 20 zich in het inslagvak 2, 4 uit.
15 Vervolgens worden oriëntatiemiddelen 35 afgeschakeld en weer terug verplaatst naar het achterste bui seinde 30b ten behoeve van het volgende "schot".
In Figuur 6 wordt een vijfde uitvoeringsvorm van een weefinrichting overeenkomstig de uitvinding getoond. Hierbij is direct 20 naast een zijde van het inslagvak 2, 4 een vasthoudelement 36 opgenomen voor het vasthouden van het achterste einde 21 van de inslagdraad 20. Het vasthouden van het achterste draadeinde 21 geschiedt voorafgaand aan het inbrengen van de drager 24 met de tot een draadkluwengevormde inslagdraad 20 in de inbrengbuis 30. Bij deze uitvoeringsvorm wordt de drager 24 met 25 de inslagdraad 20 via de voorste naar het inslagvak 2, 4 gerichte open bui seinde 30a in de buis 30 geplaatst.
Hierdoor strekt het achterste draadeinde 21 zich vanuit het vasthoudelement 36 in de buis 30 uit tot naar het achterste open einde 24a van de drager 24. De drager 24 wordt door het via het achterste 30 bui seinde 30b toevoeren van een puls van een medium onder druk P uit de buis 30 "gelanceerd" en in het inslagvak 2, 4 ingebracht. Het achterste 1 0 27372_ _ 13 draad-einde 21 is daarbij direct nauwkeurig georiënteerd ten opzichte van de zijde van het inslagvak 2, 4.
In Figuur 7 wordt een zesde uitvoeringsvorm van een weefinrichting overeenkomstig de uitvinding getoond. Deze uitvoeringsvorm 5 is een variant op de in de Figuur 6 getoond uitvoeringsvorm waarbij het achterste draadeinde 21 voorafgaand aan elk "schot" door de oriëntatiemiddelen 37 (hier uitgevoerd als een vasthoudelement 37) vastgehouden c.q. ingeklemd.
Hiertoe wordt het achterste draadeinde 21 vanuit de 10 achterste drageropening 24a met behulp van een puls medium onder druk P door de buis 30 geleid in de richting van het vasthoudelement 37. Vervolgens wordt de drager 24 tezamen met de tot een draadkluwengevormde inslagdraad 20 via de achterste buiszijde 30b in de inbrengbuis 30 geleid. Het inbrengen van de drager 24 en de inslagdraad 20 geschiedt 15 vervolgens op een identieke wijze zoals getoond in de Figuur 6.
Figuur 8 openbaart een zevende uitvoeringsvorm van de weefinrichting overeenkomstig de uitvinding. Ook deze uitvoeringsvorm is een variant op de uitvoeringsvormen zoals getoond in de Figuren 6 en 7. Tijdens het inbrengen van de drager 24 met de inslagdraad 20 is het 20 achterste draadeinde 21 buiten de buis 30 om naar de zijde van het inslagvak 2, 4 geleid en aldaar voorafgaand aan het inbrengen van de inslagdraad 20 vastgehouden door een vasthoudelement 37. Om tijdens het "schot" de doorgang van de inslagdraad 20 door de buis 30 mogelijk te maken, is de buis 30 voorzien van een langsgerichte sleuf 30f.
25 Dit heeft met name voordeel bij die uitvoeringsvormen waarbij de buitendiameter van de drager 24 nagenoeg gelijk is aan de binnendiameter van de holle inbrengbuis 30 waardoor de naar het inslagvak 2, 4 door de buis geleide en door het vasthoudelement 37 vastgehouden achterste draadeinde 21 tussen de drager 24 en de buis 30 wordt 30 vastgehouden. Bij een bijzondere niet getoonde uitvoeringsvorm is de buis 30 omgeven door een nauw passende mof, welke mof eveneens is voorzien van 1027372 14 een langsgerichte sleuf en waarbij de buis 30 en de mof ten opzichte van elkaar op een langsgerichte as tijdens het inbrengen van de inslagdraad 20 verplaatsbaar zijn van een eerste positie, waarbij de mof de sleuf 30f van de buis 30 afsluit naar een tweede positie, waarbij de beide sleuven 5 elkaar overlappen.
In Figuur 9 wordt een alternatieve uitvoeringsvorm van de in de Figuren 6-8 getoonde uitvoeringsvormen van een weefinrichting overeenkomstig de uitvinding weergegeven. Bij deze uitvoeringsvorm is de buis 30 voorzien van een aanvullende boring 40, die enerzijds met één 10 einde 40a in verbinding staat met het open bui seinde 30b en met het andere einde 40b nabij het eerste vasthoudelement 37 is georiënteerd. De buis 40 dient voor het doorleiden van het achterste vrij uitstekende draadeinde 21 in de richting van het eerste vasthoudelement 37.
Dit doorleiden van het vrije achterste draadeinde 21 kan 15 geschieden door middel van een medium onder druk dat voorafgaand aan elk "schot" door de boring 40 wordt geleid en zo het vrije achterste draadeinde 21 in de richting van het vasthoudelement 37 verplaatst alwaar het wordt ingeklemd. De boring 40 staat over zijn volledige lengte in verbinding met de in de buis 30 aangebrachte langsgerichte en door een 20 mof afsluitbare sleuf, zoals reeds beschreven in combinatie met Figuur 8.
Op het moment dat de drager 24 met het draadkluwen 20 door de inbrengbuis 30 het inslagvak 2, 4 wordt "ingeschoten" wordt op de reeds hierboven toegelichte wijze de langsgerichte sleuf in open verbinding gebracht met de boring 40, zodat het achterste draadeinde 21 25 vanaf het open bui seinde 30b tot aan het andere open bui seinde 30a door de sleuf en de ermee in verbinding staande boring 40 wordt gevoerd, zodanig dat, zoals in het deelaanzicht (B) van Figuur 9 getoond, het achterste draadeinde exact georiënteerd is door het vasthoudelement 37 op de rand van het inslagvak 2, 4.
30 In Figuur 10 wordt een negende uitvoeringsvorm van een weefinrichting overeenkomstig de uitvinding getoond. Deze uitvoeringsvorm 1027372 15 is met name functioneel indien de weefinrichting gebruik maakt van kluwenvormende middelen 45 welke voorafgaand aan elk "schot" een draadkluwen 20 vormen in een drager 24. Hiertoe wordt de inslagdraad 20 afgenomen van een voorraadspoel 6 waarvan telkens een bepaalde lengte van 5 de inslagdraad 20 gelijk aan de breedte van het inslagvak 2, 4 wordt afgenomen en met behulp van de kluwenvormende middelen 45 in de holle drager 24 gebracht. Vervolgens werd met behulp van de inbrengbuis 30 de drager 24 met het draadkluwen 20 het inslagvak 2, 4 "ingeschoten". Na het "schot" wordt de inslagdraad 20 aan de rand van het weefsel 3 geknipt.
10 Het in de inbrengbuis 3 aanwezige hoeveelheid inslagdraad 20 zal vervolgens met terughaalmiddelen 50 door de inbrengbuis 30 worden teruggevoerd in de richting van de kluwenvormende middelen 45. De terughaalmiddelen zijn uitgevoerd als een door middel van een aanstuureenheid 51 bekrachtigbare pal 52 die op en neer verplaatsbaar is 15 en de inslagdraad 20 over een bepaalde, instelbare afstand terughalen totdat het doorgesneden draadeinde van de inslagdraad 20 aangeboden kan worden aan de kl uwenvormende middelen 45. Het doorgesneden achterste draadeinde 21 vormt het voorste draadeinde 23 voor de volgende, in het inslagvak 2, 4 in te brengen draadkluwen 20.
20 In Figuur 11 wordt een tiende uitvoeringsvorm van een weefinrichting overeenkomstig de uitvinding getoond, die als alternatief voor de in Figuur 10 beschreven uitvoeringsvorm kan dienen. Bij de in de figuur 11 getoonde uitvoeringsvorm zijn de terughaalmiddelen gevormd als een doorvoerbuis 60 voorzien van een langsboring 61 en een voorste 25 bui seinde 61b en een achterste bui seinde 60a (gezien in de inbrengrichting van de inslagdraad 21). Op het moment dat een drager 24 door middel van de inbrengbuis 30 het inslagvak 2, 4 is ingebracht wordt het achterste draadeinde 23 door het knipelement 5 doorgeknipt.
Om vervolgens het in de inbrengbuis 30 aanwezige achterste 30 draadeinde 23 (dat het voorste draadeinde voor de nieuw in te brengen draadkluwen vormt) terug te brengen ten behoeve van het volgende "schot" 1 0 27372 16 is de doorvoerbuis 60 voorzien van althans 1, maar bij deze uitvoeringsvorm 2 openingen 63 die in open verbinding staan met de langsboring 61. Meer specifiek zijn de openingen 23 onder een hoek ten opzichte van de langsboring 61 aangebracht waarbij ze een 5 gemeenschappelijk, convergerend punt in de langsboring 61 bezitten. Door het op een geschikte manier toevoeren van een medium onder druk via de openingen 63 wordt het vrije draadeinde dat ter plaatse van het knipelement 5 is losgeknipt door de inbrengbuis 30 teruggeblazen in de richting van de kluwen vormende middelen 45. Het teruggevoerde draadeinde 10 wordt daarbij als een kluwen 65 opgevangen in een luchtdoorlatend buffer 64. Vervolgens kan een nieuwe lege drager 24 voor het invoerbuiseinde 30b worden geplaatst, waarna via de toevoeropening 62 een medium onder druk de langsboring 61 wordt ingeleid, zodat met behulp van de kluwen vormende middelen 45 de drager 24 weer wordt gevuld met een 15 hoeveelheid inslagdraad gelijk aan althans de breedte van het inslagvak 2, 4.
Ook bij deze uitvoeringsvorm kan op een efficiënte wijze garenafval worden gereduceerd.
20 1 027372___
Claims (27)
1. Weefinrichting voorzien van middelen voor het vormen van een inslagvak van kettingdraden, waarbij aan één of beide zijden van het 5 inslagvak inbrengmiddelen zijn opgesteld voor het inbrengen van een als een samengepakt draadkluwen gevormde inslagdraad, welk samengepakt draadkluwen zich tijdens het inbrengen in het inslagvak tot een langgerekt inslagdraad uitstrekt en waarbij de inslagdraad in de inbrengrichting gezien een voorste en een achterste draadeinde bezit, met 10 het kenmerk, dat de weefinrichting is voorzien van middelen, welke het achterste draadeinde nagenoeg samenvallend met een zijde van het inslagvak oriënteren.
2. Weefinrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de oriëntatie middelen tenminste één eerste vasthoudelement omvatten voor 15 het vasthouden van het nagenoeg samenvallend met een zijde van het inslagvak te oriënteren achterste draadeinde.
3. Weefinrichting volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat de oriëntatie-middelen een, in de verplaatsingsrichting van de inslagdraad gezien voor het eerste vasthoudelement geplaatst, tweede vasthoudelement 20 omvatten voor het gedurende een bepaalde tijdsperiode tijdens het inbrengen van de inslagdraad vastgehouden van het achterste draadeinde.
4. Weefinrichting volgens conclusie 2 of 3, met het kenmerk, dat het eerste en/of tweede vasthoudelement bekrachtigbaar zijn.
5. Weefinrichting volgens conclusie 2, 3 of 4, met het 25 kenmerk, dat de oriëntatie-middelen voorts sensormiddelen omvatten voor het detecteren van de positie van het na deze bepaalde tijdsperiode vrij verplaatsende achterste draadeinde en het op basis van de gedetecteerde positie bekrachtigen van het eerste vasthoudelement.
6. Weefinrichting volgens één of meer van de conclusies 2-5, 30 met het kenmerk, dat het achterste draadeinde is voorzien van een verdikking voor samenwerking met het vasthoudelement. 1027372
7. Weefinrichting volgens conclusie 6, met het kenmerk, dat de verdikking als een knoop of een ingedraaid gareneind in de inslagdraad is gevormd.
8. Weefinrichting volgens conclusie 6, met het kenmerk, dat de 5 verdikking door een garenvreemd materiaal is gevormd, bijvoorbeeld was, kunststof, verf, (koolzuur)ijs.
9. Weefinrichting volgens één of meer van de conclusies 2-8, met het kenmerk, dat het eerste vasthoudelement een naast de zijde van het inslagvak opgesteld plaatvormig deel omvat voorzien van sleuf met een 10 breedte nagenoeg gelijk aan de dikte van de inslagdraad, maar kleiner dan de verdikking.
10. Weefinrichting volgens conclusie 9, met het kenmerk, dat tijdens het inbrengen van de inslagdraad het plaatvormig deel in de inbrengrichting van de inslagdraad brengbaar is.
11. Weefinrichting volgens conclusie 9 of 10, met het kenmerk, dat het eerste vasthoudelement voorts een direct naast het plaatvormig deel opgestelde en loodrecht op de inbrengrichting en de sleuf uitstrekkende bekrachtigbare pal omvat, welke pal van een eerste, aan de tegenover de sleuf gelegen zijde gelegen, positie naar een tweede, aan de 20 aan de sleuf gelegen zijde gelegen, positie bekrachtigbaar is.
12. Weefinrichting volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat de pal van de eerste positie naar de tweede positie brengbaar is nadat het samengepakt draadkluwen tijdens het inbrengen het plaatvormig deel is gepasseerd.
13. Weefinrichting volgens conclusie 1 of 2, met het kenmerk, dat de oriëntatie middelen van en naar de zijde van het inslagvak verplaatsbaar zijn.
14. Weefinrichting volgens conclusie 13, met het kenmerk, dat de oriëntatie middelen geplaatst zijn op een van en naar de zijde van het 30 inslagvak verplaatsbaar steunelement.
15. Weefinrichting volgens conclusie 14, met het kenmerk, dat 1 0 27 372___ het steunelement deel uitmaakt van de inbrengmiddelen.
16. Weefinrichting volgens één of meer van de conclusies 1-13, met het kenmerk, dat de inbrengmiddelen tenminste één langwerpige buis omvatten, welke buis met één open einde naar het inslagvak is gericht en 5 met het andere einde verbindbaar is met toevoermiddelen voor een medium onder druk.
17. Weefinrichting volgens conclusie 16, met het kenmerk, dat de oriëntatie-middelen verplaatsbaar in de langwerpige buis zijn opgenomen.
18. Weefinrichting volgens conclusie 16, met het kenmerk, dat het eerste vasthoudelement nabij het open, naar het inslagvak gerichte, bui seinde is geplaatst en het achterste draadeinde van de inslagdraad voorafgaand aan het inbrengen van de inslagdraad vasthouden.
19. Weefinrichting volgens conclusie 18, met het kenmerk, dat 15 plaatsingsmiddelen zijn voorzien voor het via het open, naar het inslagvak gerichte, bui seinde in de buis plaatsen van de in te brengen als een samengepakt draadkluwen gevormde inslagdraad.
20. Weefinrichting volgens conclusie 18, met het kenmerk, dat blaasmiddelen zijn voorzien voor het met behulp van een medium onder druk 20 door de buis in de richting van het eerste vasthoudelement verplaatsen van het achterste draadeinde.
21. Weefinrichting volgens één of meer van de conclusie 17-20, met het kenmerk, dat de buis is voorzien van een tussen beide einden verlopende langsgerichte sleuf.
22. Weefinrichting volgens conclusie 21, met het kenmerk, dat de sleuf afsluitbaar is.
23. Weefinrichting volgens conclusie 22, met het kenmerk, dat de buis is omgeven door een nauw passende mof, welke mof eveneens is voorzien van een langsgerichte sleuf en waarbij de buis en de mof ten 30 opzichte van elkaar om hun langsgerichte as tijdens het inbrengen van de inslagdraad verplaatsbaar zijn van een eerste positie waarbij de mof de 1027372 sleuf van de buis afsluit naar een tweede positie waarbij de beide sleuven elkaar overlappen.
24. Weefinrichting volgens één of meer van de conclusies 20-23, met het kenmerk, dat de buis is voorzien van een boring voor het opnemen 5 van het achterste draadeinde, welke boring met een eerste einde in verbinding staat met het andere einde van de buis en met een tweede einde nabij het eerste vasthoudelement is georiënteerd.
25. Weefinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, waarbij de inbrengmiddelen zijn ingericht voor het vanuit 10 kluwenvormende middelen inbrengen van tot draadkluwen gevormde inslagdraden, welke draadkluwen met behulp van draaddelen met elkaar zijn verbonden, met het kenmerk, dat de oriëntatie middelen een knipelement omvatten voor het ter plaatse van de zijde van het inslagvak doorknippen van een draaddeel, daarbij een achterste en een voorste draadeinde 15 vormend, als ook terughaalmiddel en voor het naar de kluwenvormende middelen terughalen van het voorste draadeinde.
26. Weefinrichting volgens conclusie 25, met het kenmerk, dat de terughaal middel en een doorvoerbuis voorzien van een langsboring omvatten voor het door de langsboring naar de kluwenvormende middelen 20 voeren van de inslagdraad, welke doorvoerbuis voorts is voorzien van tenminste één in de langsboring eindigende opening voor het tot in de langsboring toevoeren van een medium onder druk.
27. Weefinrichting volgens conclusie 26, met het kenmerk, dat nabij een einde van de doorvoerbuis een luchtdoorlatende buffer is 25 voorzien met een op de lengte van het teruggehaalde voorste draadeinde afgestemde inhoud voor het met behulp van het medium onder druk opslaan van het teruggehaalde voorste draadeinde. 30 1027372
Priority Applications (4)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL1027372A NL1027372C2 (nl) | 2004-10-29 | 2004-10-29 | Weefinrichting. |
| CNA2005800373345A CN101048541A (zh) | 2004-10-29 | 2005-10-14 | 纺织设备 |
| EP05794265A EP1805359A1 (en) | 2004-10-29 | 2005-10-14 | Weaving device |
| PCT/NL2005/000740 WO2006046856A1 (en) | 2004-10-29 | 2005-10-14 | Weaving device |
Applications Claiming Priority (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL1027372 | 2004-10-29 | ||
| NL1027372A NL1027372C2 (nl) | 2004-10-29 | 2004-10-29 | Weefinrichting. |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL1027372C2 true NL1027372C2 (nl) | 2006-05-03 |
Family
ID=34974303
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL1027372A NL1027372C2 (nl) | 2004-10-29 | 2004-10-29 | Weefinrichting. |
Country Status (4)
| Country | Link |
|---|---|
| EP (1) | EP1805359A1 (nl) |
| CN (1) | CN101048541A (nl) |
| NL (1) | NL1027372C2 (nl) |
| WO (1) | WO2006046856A1 (nl) |
Citations (5)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| US2982315A (en) * | 1956-09-05 | 1961-05-02 | Wille Rudolf | Pneumatic weaving method |
| US4046174A (en) * | 1976-02-25 | 1977-09-06 | Weuger Karl W | Pneumatic loom |
| US4527598A (en) * | 1982-11-08 | 1985-07-09 | Sulzer Brothers Limited | Control apparatus for a weaving machine |
| US5224521A (en) * | 1991-04-30 | 1993-07-06 | Sulzer Brothers Limited | Weft catcher with gripping device |
| JPH06287837A (ja) * | 1993-04-02 | 1994-10-11 | Tsudakoma Corp | 織機における緯糸の制御装置 |
Family Cites Families (2)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| US3831640A (en) * | 1972-07-24 | 1974-08-27 | Crompton & Knowles Corp | Pneumatic loom |
| NL1023943C2 (nl) * | 2003-07-17 | 2005-01-18 | Te Strake Textile B V | Weefinrichting. |
-
2004
- 2004-10-29 NL NL1027372A patent/NL1027372C2/nl not_active IP Right Cessation
-
2005
- 2005-10-14 WO PCT/NL2005/000740 patent/WO2006046856A1/en not_active Ceased
- 2005-10-14 EP EP05794265A patent/EP1805359A1/en not_active Withdrawn
- 2005-10-14 CN CNA2005800373345A patent/CN101048541A/zh active Pending
Patent Citations (5)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| US2982315A (en) * | 1956-09-05 | 1961-05-02 | Wille Rudolf | Pneumatic weaving method |
| US4046174A (en) * | 1976-02-25 | 1977-09-06 | Weuger Karl W | Pneumatic loom |
| US4527598A (en) * | 1982-11-08 | 1985-07-09 | Sulzer Brothers Limited | Control apparatus for a weaving machine |
| US5224521A (en) * | 1991-04-30 | 1993-07-06 | Sulzer Brothers Limited | Weft catcher with gripping device |
| JPH06287837A (ja) * | 1993-04-02 | 1994-10-11 | Tsudakoma Corp | 織機における緯糸の制御装置 |
Non-Patent Citations (1)
| Title |
|---|
| PATENT ABSTRACTS OF JAPAN vol. 1995, no. 01 28 February 1995 (1995-02-28) * |
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| CN101048541A (zh) | 2007-10-03 |
| EP1805359A1 (en) | 2007-07-11 |
| WO2006046856A1 (en) | 2006-05-04 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| US6719013B1 (en) | Bead-weaving system | |
| JP2547492B2 (ja) | 筒状部材の搬送方法、位置付け方法、設置装置、移送装置、取り扱い装置及び搬送装置 | |
| US20030057248A1 (en) | Automatic washer feeder for automatic nailer | |
| RU98105517A (ru) | Двухшпиндельный намоточный станок для оптического волокна с автоматической заправкой и намоткой | |
| BE1019614A3 (nl) | Inrichting en werkwijze voor het vangen en strekken van inslagdraden bij weefmachines. | |
| NL1027372C2 (nl) | Weefinrichting. | |
| NO853203L (no) | Fremgangsmaate og innretning for aa feste opphengningselementer til poelser. | |
| JPH02145833A (ja) | 織機用糸通し装置 | |
| EP2695514B1 (en) | A combination of a tag application device and a cartridge | |
| CS209408B2 (en) | Pneumatic device for loading the weft | |
| NL1023943C2 (nl) | Weefinrichting. | |
| JPS6215355A (ja) | よこ糸插入方法および無ひ織機 | |
| US4461112A (en) | Apparatus for use in fishing | |
| US5082030A (en) | Pneumatic threading-in tubes for repairing warp yarn breaks in a weaving machine | |
| EP0534633B1 (en) | Method of forming transfer tail and apparatus thereof | |
| US20030065852A1 (en) | System and method to implement a cost-effective remote system management mechanism using a serial communication controller and interrupts | |
| US4264402A (en) | Automatic tape winding machine | |
| US5551827A (en) | Device for loading and unloading cops in textile winding apparatus | |
| NL8101091A (nl) | Inrichting voor het vervaardigen van geweven ritssluitingdraagbanden. | |
| BE1021814B1 (nl) | Gevergrijperkop, gevergrijper, grijperweefmachine en werkwijze voor het inbrengen van een inslagdraad met een dergelijke gevergrijperkop in een dergelijke grijperweefmachine | |
| JP2561085B2 (ja) | 糸案内装置 | |
| CS221958B2 (en) | Picking and catching mechanism of the loom | |
| JPS59144653A (ja) | 平型織機 | |
| KR20060095766A (ko) | 셔틀 내로 삽입하기 위한 보빈의 준비 장치 | |
| HU212012B (en) | Automatic fibre drawing-in shuttle to cane weaver machine |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| PD2B | A search report has been drawn up | ||
| VD1 | Lapsed due to non-payment of the annual fee |
Effective date: 20090501 |