NL1040596C2 - Pottenvulmachine en pottenhouder daarvoor. - Google Patents

Pottenvulmachine en pottenhouder daarvoor. Download PDF

Info

Publication number
NL1040596C2
NL1040596C2 NL1040596A NL1040596A NL1040596C2 NL 1040596 C2 NL1040596 C2 NL 1040596C2 NL 1040596 A NL1040596 A NL 1040596A NL 1040596 A NL1040596 A NL 1040596A NL 1040596 C2 NL1040596 C2 NL 1040596C2
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
pot
bracket
pots
filling machine
support
Prior art date
Application number
NL1040596A
Other languages
English (en)
Inventor
Martin Stolze
Original Assignee
Handelsonderneming Martin Stolze B V
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Handelsonderneming Martin Stolze B V filed Critical Handelsonderneming Martin Stolze B V
Priority to NL1040596A priority Critical patent/NL1040596C2/nl
Application granted granted Critical
Publication of NL1040596C2 publication Critical patent/NL1040596C2/nl

Links

Classifications

    • AHUMAN NECESSITIES
    • A01AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
    • A01GHORTICULTURE; CULTIVATION OF VEGETABLES, FLOWERS, RICE, FRUIT, VINES, HOPS OR SEAWEED; FORESTRY; WATERING
    • A01G9/00Cultivation in receptacles, forcing-frames or greenhouses; Edging for beds, lawn or the like
    • A01G9/08Devices for filling-up flower-pots or pots for seedlings; Devices for setting plants or seeds in pots
    • A01G9/081Devices for filling-up pots

Landscapes

  • Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
  • Environmental Sciences (AREA)
  • Basic Packing Technique (AREA)

Description

Pottenvulmachine en pottenhouder daarvoor
ACHTERGROND VAN DE UITVINDING
De uitvinding heeft betrekking op een machine voor het vullen van potten met grond. De uitvinding heeft in het bijzonder betrekking op een oppotmachine. De uitvinding heeft voorts betrekking op een pottenhouder.
Oppotmachines zijn ingericht om -doorgaans kunststof- potten te vullen met potgrond of iets dergelijks. In veel gevallen wordt vervolgens de potgrond voorzien van een gat en wordt daarin een stek van een plant geplaatst, met de hand of op gemechaniseerde wijze.
De oppotmachine omvat een aanvoer van potten, een station voor afgifte van de potgrond aan de potten, een aanvoer van potgrond naar het afgiftestation, in veel gevallen een voorraadhouder van potgrond, al dan niet in baalvorm, een uitvoerstation voor de gevulde potten en een pottentransporteur voor de potten van de aanvoer langs het afgiftestation, naar de uitvoer.
De pottentransporteur kan een in een omlopende baan aangedreven ketting of iets dergelijks omvatten, waarop een reeks pottenhouders is aangebracht, met tussen de pottenhouders tussenruimtes voor het kunnen doorlopen van bochten in de omloopbaan, doorgaans op van de ketting losneembare wijze. Bekend zijn pottenhouders met een U-vormige, dwars op de ketting buitenwaarts openende beugel waarin één pot of twee, in dwarsrichting achter elkaar gelegen potten passen. De beugel grijpt om de pot nabij de bovenrand daarvan. De pottenhouders omvatten voorts een steunstrip waarop de potbodems ondersteund worden. De potten kunnen een cirkelvormige doorsnede hebben en aan de bovenrand een diameter hebben van in het bereik van bijvoorbeeld 6-12 cm.
Bekend zijn oppotmachines met pottenhouders voor enkele, respectievelijk dubbele potten welke een op zich aanzienlijke capaciteit halen van 4000 potten per uur respectievelijk 8000 potten per uur. De wens bestaat echter om nog hogere capaciteiten te kunnen halen.
SAMENVATTING VAN DE UITVINDING
Een doel van de uitvinding is een pottenvulmachine van de in de aanhef genoemde soort te verschaffen, waarmee een hoge capaciteit bereikbaar is.
Een doel van de uitvinding is een pottenvulmachine van de in de aanhef genoemde soort te verschaffen, waarmee met minder of evenveel onderdelen een hogere capaciteit behaald kan worden.
Voor het bereiken van althans één van deze doelen voorziet de uitvinding in een pottenvulmachine, in het bijzonder oppotmachine, omvattend een gestel met een volgens een omloopbaan aangedreven transporteur waarop een reeks pottenhouders is aangebracht, een eerste station voor het afgeven van potten aan de pottenhouders, een tweede station voor het afgeven van potgrond of iets dergelijks aan de potten en een derde station voor het afvoeren van de gevulde potten, waarbij de pottenhouders elk een beugel voor het steunen van de zijwand van de potten, in het bijzonder nabij de potrand, omvatten, waarbij de beugel een in hoofdzaak U-vormige opneemruimte bepaalt welke in een pottenafgeefzijde daarvan opent, bij voorkeur in buitenwaartse richting, dwars op de omloopbaan ter plaatse, alsmede een steun voor ondersteuning van de bodem van de potten in de opneemruimte omvatten, waarbij de opneemruimte door één of meer op de pottenhouder bevestigde schelders gedeeld is in twee of meer naast elkaar gelegen subopneemruimtes die elk twee of meer potten kunnen opnemen en bij voorkeur in omlooprichting op elkaar volgen. Hierdoor kunnen op beheerste wijze per pottenhouder telkens minimaal vier potten door de machine gevoerd worden, waardoor bespaard wordt op het aantal pottenhouders en op het aantal pottenhouder-tussenruimtes binnen een bepaalde hoeveelheid potten. Met andere woorden, de potten komen per saldo dichter bij elkaar te liggen, waardoor bij een zelfde transportsnelheid de capaciteit vergroot wordt. De groepsgewijze dichtere opeenvolging van de potten kan voorts bevorderlijk zijn voor het vulproces, wanneer de potgrond van bovenaf in de potten gestort wordt.
In een eenvoudige uitvoering maken de één of meer schelders deel uit van de beugel. De één of meer schelders kunnen daarbij parallel aan de benen van de U reiken, bij voorkeur met het uiteinde althans nagenoeg gelijk aan de uiteinden van de benen van de U, waarbij de uiteinden van de scheider en de benen bij voorkeur teruggelegen zijn ten opzichte van de steun.
Voor het bevorderen van een zo dicht mogelijke opeenvolging van de pottenhouders kan de bodem van de U aansluiten op de benen van de U met schuin, bij voorkeur met een hoek in het bereik van 30-45 graden, op de omlooprichting ter plaatse staande bodemgedeeltes. Hierdoor wordt het doorlopen van bochten in de omloopbaan bevorderd.
In een praktische uitvoering is de beugel symmetrisch en is het aantal subopneemruimtes twee, elk geschikt voor het opnemen van twee potten, in richting van de omloopbaan naast elkaar.
In een uitvoering, welke in dwarsrichting een beperkt ruimtebeslag kan geven, vormt de bodem van de in hoofdzaak U-vormige beugel het verst van de pottenafgeefzijde afgelegen, in het bijzonder het meest binnenwaarts gelegen onderdeel van de pottenhouder.
In een uitvoering, in het bijzonder geschikt voor toepassing met de nog te bespreken duwer, laat de pottenhouder tussen de beugelbodem en de steun een naar de pottenafgeefzijde gerichte, bij voorkeur dwars op de omloopbaan gerichte doorgang vrij met een breedte die groter is dan de breedte van een subopneemruimte, in het bijzonder groter dan de breedte of diameter van de potten, bij voorkeur ongeveer de inwendige breedte van de beugel.
In een uitvoering, in het bijzonder geschikt voor toepassing met de nog te bespreken duwer, zijn de beugel en de steun met elkaar verbonden door verbindingsmiddelen, waarbij de zijde van de pottenhouder die tegengesteld is aan de pottenafgeefzijde vrij is van de verbindingsmiddelen. De verbindingsmiddelen kunnen zich uitstrekken tussen de beugel en de steun aan een zijde die dwars staat op de afgeefzijde, zich in het bijzonder neerwaarts uitstrekken vanaf een been van de in hoofdzaak U-vormige beugel. In een verdere ontwikkeling van de pottenvulmachine volgens de uitvinding omvatten de verbindingsmiddelen een eerste verbinding, welke in omlooprichting/procesrichting beschouwd, benedenstrooms de meest benedenstroomse scheider gelegen is, beschouwd in bovenaanzicht op de pottenhouder en waarbij bovenstrooms van het opstaande been de beugel en de steun in verticale zin een tussenruimte vrijlaten. De eerste verbinding is bij voorkeur bevestigd aan het voorlopende been van de beugel, bij voorkeur in de binnenste helft van dat voorlopende been.
In een eenvoudige uitvoering hiervan is de eerste verbinding gevormd als een hulpbeugel die in hoofdzaak L-vormig is, met een opstaand been en een liggend been, waarbij de steun bevestigd is op het liggende been en het opstaand been aan de beugel. Het liggend been kan zich dan in omlooprichting uitstrekken.
In een verdere ontwikkeling is er in de pottenhouder slechts één verbinding, de eerste verbinding, waarbij bovenstrooms van de eerste verbinding de beugel en de steun in verticale zin een tussenruimte tussen zich vrijlaten. De eerste verbinding in het bijzonder het opstaand been, kan de enige verbinding tussen de beugel en de steun vormen. Hierdoor wordt veel ruimte verschaft voor een bewegend middel dat de potten aangrijpt en uit de opneemruimte schuift. In het bijzonder wanneer een duwer wordt gebruikt, zie hierna.
In een andere verdere ontwikkeling omvatten de verbindingsmiddelen een tweede verbinding, welke bevestigd is aan de beugel en in omlooprichting/procesrichting beschouwd, bovenstrooms de meest bovenstroomse scheider gelegen is, beschouwd in bovenaanzicht op de pottenhouder. Deze pottenhouder kan geheel symmetrisch uitgevoerd zijn, met een verticaal symmetrievlak loodrecht op de omloopbaan ter plaatse. De tweede verbinding kan bevestigd zijn aan het nalopende been van de beugel, bij voorkeur in de binnenste helft van dat been. De tweede verbinding kan uitgevoerd zijn overeenkomstig de eerste verbinding. De eerste en tweede verbindingen, in het bijzonder hulpbeugels, in het bijzonder de opstaande benen daarvan, kunnen de enige verbinding vormen tussen de beugel en de steun, waardoor ruimte verschaft wordt voor een bewegend middel dat de potten aangrijpt en uit de opneemruimte schuift. In het bijzonder wanneer een duwer wordt gebruikt, zie hierna.
In een uitvoering zijn de eerste en tweede verbindingen en de steun als één geheel met elkaar gevormd zijn, bijvoorbeeld uit plaatmateriaal., zodat één steun alle subopneemruimtes voorziet van een steun voor de bodem van een pot.
De steun kan twee langwerpige steunplaten omvatten, die elk onder een subopneemruimte gelegen zijn. De langwerpige steunplaten kunnen met elkaar verbonden zijn door tenminste één verbindingsstrook, welke bij voorkeur als één geheel daarmee gevormd is, bij voorkeur ook uit plaatmateriaal.
Voor montage op de transporteur, die volgens gebruik voorzien zijn van kokers voor neerwaarts uitstekende pennen aan de pottenhouders, kan de pottenhouder onder de verbindingsstrook voorzien zijn van een pen daarvoor.
Bekend is om potten uit de pottenhouders te trekken, met behulp van een haak of, in geval van twee potten, met behulp van een soort van schaar waarbij elke schaararm een pot aangrijpt. De aandrijving daarvoor is opgesteld aan de buitenzijde van de omloopbaan. Deze aandrijving kan daar een obstakel vormen voor personeel en materieel en voorts schaarse ruimte innemen. Voorts vormt de arm van de haak, die dwars op de omlooprichting staat, een obstakel voor de potten, waardoor de pottenhouder tijdens de uithaalbeweging op zijn plaats moet blijven, hetgeen beperking van de capaciteit kan geven. In een verdere ontwikkeling van de pottenvulmachine volgens de uitvinding wordt hierin verbetering verschaft, waartoe de pottenvulinrichting ter plaatse van het derde station een afvoerinrichting omvat, waarbij de afvoerinrichting omvat een duwer en een aandrijving voor de duwer voor het bewegen van de duwer van een paraatstand, aan de binnenzijde van de omloopbaan, naar een afvoerstand nabij de buitenzijde van de omloopbaan, onder het van de steun duwen van de potten. De aandrijving voor de duwer kan dan aan de binnenzijde van de omloopbaan opgesteld zijn. In een eenvoudige uitvoering is de aandrijving van de duwer werkzaam voor het lineair in dwarsrichting bewegen daarvan. Doordat de duwer vanuit de binnenzijde van de omloopbaan werkzaam is en niet om de voorlopende pot(ten hoeft te reiken is er ontwerpvrijheid bij de uitvoering van de de potten aangrijpende gedeelten daarvan. In omlooprichting beschouwd kan de duwer in vergelijking met een haak korter uitgevoerd worden, omdat voldoende is dat de het dichts bij de binnenzijde van de omloopbaan gelegen potten aangegrepen worden op het naar de binnenzijde van de omloopbaan gekeerde oppervlak. Hierdoor kan de massa van de duwer beperkt gehouden worden, hetgeen voordelig is voor de haalbare werksnelheid.
De duwer kan in een uitvoering een enkel vorkvormig duwonderdeel op het einde van een duwstang omvatten, welke in het bijzonder een zuigerstang kan zijn van een cilinder. De duwer kan in een eenvoudige uitvoering voorzien zijn van een enkel duwonderdeel in de vorm van een dwarsstang op het uiteinde van een duwstang, welke in het bijzonder een zuigerstang kan zijn van een cilinder. Het duwonderdeel kan symmetrisch bevestigd zijn op de duwstang, waardoor deze voordeliger wordt belast.
In een verdere ontwikkeling van de pottenvulmachine volgens de uitvinding omvat deze ter plaatse van het eerste station twee of meer potafgevers, welke respectievelijk opgesteld zijn voor afgifte van telkens twee of meer lege potten aan de opneemruimte op verschillende posities daarin en voorzien zijn van bedieningsmiddelen voor opeenvolgende activering, bij voorkeur in register met de verplaatsing over een steek van de pottenhouders. Eén potafgever kan daarbij opgesteld zijn voor afgifte van twee of meer lege potten aan de opneemruimte op posities gelegen aan de binnenzijde daarvan en een andere potafgever opgesteld zijn voor afgifte van twee of meer lege potten aan de opneemruimte op posities gelegen aan de buitenzijde daarvan.
Vanuit een verder aspect voorziet de uitvinding in een pottenvulmachine, in het bijzonder oppotmachine, omvattend een gestel met een volgens een omloopbaan aangedreven transporteur waarop een reeks pottenhouders is aangebracht, een eerste station voor het afgeven van potten aan de pottenhouders, een tweede station voor het afgeven van potgrond of iets dergelijks aan de potten en een derde station voor het afvoeren van de gevulde potten, waarbij de pottenhouders elk een beugel voor het steunen van de zijwand van de potten, in het bijzonder nabij de potrand, omvatten, waarbij de beugel een in hoofdzaak U-vormige opneemruimte bepaalt welke opent in buitenwaartse richting, dwars op de omloopbaan ter plaatse, alsmede een steun voor ondersteuning van de bodem van de potten in de opneemruimte omvatten, waarbij de pottenvulmachine voorts omvat ter plaatse van het derde station een afvoerinrichting, waarbij de afgeefinrichting omvat een duwer en een aandrijving voor de duwer voor het bewegen van de duwer van een paraatstand, aan de binnenzijde van de omloopbaan, naar een afvoerstand nabij de buitenzijde van de omloopbaan, onder het van de steun duwen van de potten. De aandrijving voor de duwer kan dan aan de binnenzijde van de omloopbaan opgesteld zijn. In een eenvoudige uitvoering is de aandrijving van de duwer werkzaam voor het lineair in dwarsrichting bewegen daarvan. De duwer kan in een eenvoudige uitvoering voorzien zijn van een enkel duwonderdeel voor aangrijping van beide het dichts bij de binnenzijde van de omloopbaan gelegen potten.
Vanuit een verder aspect voorziet de uitvinding in een pottenhouder voor een pottenvulmachine, in het bijzonder voor een pottenvulmachine volgens de uitvinding, waarbij de pottenhouder een beugel voor het steunen van de zijwand van de potten, in het bijzonder nabij de potrand, omvat, waarbij de beugel een in hoofdzaak U-vormige opneemruimte bepaalt welke opent in één potafgeefrichting, alsmede een steun voor ondersteuning van de bodem van de potten in de opneemruimte omvat, waarbij de opneemruimte door één of meer op de pottenhouder bevestigde scheiders gedeeld is in twee of meer subopneemruimtes die elk openen in de potafgeefrichting en elk twee of meer potten kunnen opnemen. In toepassing in een pottenvulmachine volgens de uitvinding zal de potafgeefrichting overeen komen met de voornoemde buitenwaartse richting, dwars op de omloopbaan ter plaatse.
Vanuit een verder aspect voorziet de uitvinding in een pottenhouder voor een pottenvulmachine, in het bijzonder voor een pottenvulmachine volgens de uitvinding, waarbij de pottenhouder een beugel voor het steunen van de zijwand van de potten, in het bijzonder nabij de potrand, omvat, waarbij de beugel een in hoofdzaak U-vormige opneemruimte bepaalt welke in een afgeefzijde van de pottenhouder opent in één potafgeefrichting, alsmede een steun voor ondersteuning van de bodem van de potten in de opneemruimte omvat, waarbij de beugel en de steun met elkaar verbonden zijn door verbindingsmiddelen, waarbij de zijde van de pottenhouder die tegengesteld is aan de afgeefzijde vrij is van de verbindingsmiddelen. De verbindingsmiddelen kunnen zich uitstrekken tussen de beugel en de steun aan een zijde die dwars staat op de afgeefzijde, zich in het bijzonder neerwaarts uitstrekken vanaf een been van de beugel die in hoofdzaak U-vormig is.
De pottenhouder volgens de uitvinding kan voorzien zijn van de maatregelen die hiervoor beschreven zijn in verband met de pottenvulmachine volgens de uitvinding, zoals in het bijzonder uitgewerkt in de conclusies 34-63, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd.
Vanuit een verder aspect voorziet de uitvinding in een samenstel van een pottenvulmachine volgens de uitvinding en een aan de buitenzijde van de omloopbaan opgestelde afvoertransporteur voor de gevulde potten, welke opgesteld is voor ontvangst van de potten van de duwer.
De in deze beschrijving en conclusies van de aanvrage beschreven en/of de in de tekeningen van deze aanvrage getoonde aspecten en maatregelen kunnen waar mogelijk ook afzonderlijk van elkaar worden toegepast. Die afzonderlijke aspecten kunnen onderwerp zijn van daarop gerichte afgesplitste octrooiaanvragen. Dit geldt in het bijzonder voor de maatregelen en aspecten welke op zich zijn beschreven in de volgconclusies.
KORTE BESCHRIJVING VAN DE TEKENINGEN
De uitvinding zal worden toegelicht aan de hand van een in de bijgevoegde tekeningen weergegeven voorbeelduitvoering. Getoond wordt in:
Figuur 1 een schematisch bovenaanzicht op een pottenvulmachine volgens de uitvinding;
Figuren 2A-C respectievelijk een schuin aanzicht en een bovenaanzicht op een pottenhouder volgens de uitvinding in het bijzonder voor een pottenvulmachine volgens de uitvinding en een schuin aanzicht op die pottenhouder met potten;
Figuren 3A-D een aantal stadia in het uit de pottenvulmachine van figuur 1 afgeven van gevulde potten; en
Figuren 4A-D een verdere voorbeelduitvoering van een pottenhouder volgens de uitvinding.
GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE TEKENINGEN
De pottenvulmachine 1 van figuur 1 omvat een op een ondergrond te plaatsen gestel 2, dat een transporteur 3 voor pottenhouders 10 ondersteunt. De transporteur 3 omvat een ketting 4 die in een rechthoekige omloopbaan omloopt om vier kettingwielen 5a-d, waarvan er één is aangedreven met niet weergegeven middelen, zodat de ketting 4 omloopt in de richting A, in een horizontaal vlak. De ketting 4 loopt daarbij langs tenminste drie stations, namelijk een eerste station waar lege potten in de pottenhouders worden afgegeven, een tweede station waar potgrond wordt afgegeven aan de potten, en een derde station waar de gevulde potten worden afgevoerd uit de pottenvulmachine.
Het gestel ondersteunt aldus aan een eerste lange zijde, in het eerste station twee potafgevers 7a,7b, die met lege potten gevoed worden door twee hooggelegen bandtransporteurs 6a,6b, die, respectievelijk, lege potten P1,P2 en P3,P4 aanvoeren in de richtingen B1.B2. De potafgevers 7a,b zijn onderling verzet gelegen en in transportrichting A op afstand van elkaar gelegen. Zij zijn opgesteld boven de baan van de pottenhouders 10 en zijn ingericht voor het neerwaarts aan een pottenhouder 10 afgeven van telkens twee potten P1 ,P2 en P3,P4, dat wil zeggen telkens twee potten die in transportrichting A naast elkaar gelegen zijn.
Benedenstrooms van de potafgevers 7a,b is in de eerste korte zijde van de omloopbaan in het tweede station een afgever 8 van potgrond opgesteld, op zich bekend. Deze omvat een voorraadhouder voor potgrond waarin een opvoerder werkzaam is die los gemaakte potgrond naar een positie boven de baan van de pottenhouders 10 brengt. Aldaar wordt de potgrond afgegeven aan de potten, door de potgrond op de potten in de pottenhouders te storten, richting C.
Aan de benedenstroomse kant van de potgrond afgever 8 is een afstrijker (niet weergegeven) opgesteld, waarmee de overmaat potgrond op de potten wordt afgestreken. Benedenstrooms daarvan is een grondaandrukker 9 opgesteld, die tevens een plantgat maakt, op zich bekend.
Aan de daaropvolgende tweede lange zijde van de transporteur 3 is een traject beschikbaar voor personen of plantmachines voor het in de gevulde potten insteken van stekjes. Dat kan geschieden vanaf de buitenzijde van de omloopbaan. Aan de binnenzijde van de omloopbaan is echter ook voldoende ruimte voor dergelijke plantmachines.
Aan de buitenzijde van de tweede korte zijde van de omloopbaan is een bunker 11 voor potgrond opgesteld. De bodem daarvan wordt gevormd door een horizontale bandtransporteur 12, die potgrond van de bunker 11 transporteert naar de eerste korte zijde, naar de voorraadhouder 8. Naast en boven de langsranden van de bandtransporteur 12 zijn schuine schotten op het gestel 2 aangebracht, die van de pottenhouders of andere onderdelen, zoals de ketting 4, en bij de afgever 8 gemorste en door de afstrijker afgestreken potgrond tot op de bandtransporteur 12 geleiden.
Aan het begin van de tweede lange zijde is in het derde station een pottenafvoerinrichting 30 opgesteld. Deze omvat, zie figuur 3A, een pneumatisch cilindersamenstel 13 met een cilinder 14 en een zuigerstang 15. De zuigerstang 15 is aan het eind voorzien van een dwarsstaaf 16, welke een duwer met duwvlak 17 vormt en symmetrisch gelegen is ten opzichte van de duwstang of zuigerstang 15 en daarmee een T-vorm bepaalt. Het cilindersamenstel 13 is opgesteld aan de binnenzijde van de omloopbaan van de transporteur 3, dwars op de transportrichting aldaar. Het cilindersamenstel 13 is voorts zo dicht mogelijk bij de korte zijde van de omloopbaan geplaatst, zodat de ruimte binnen de omloopbaan zo min mogelijk daardoor bezet wordt..
De in figuren 2A en 2B weergegeven pottenhouder 10 omvat een in hoofdzaak U-vormige, horizontale beugel 20 die twee benen 20a,20b heeft en een bodemdeel 20c, dat V-vormig is en waarvan de beide gedeelten 20c1,20c2 onder een hoek α van in dit voorbeeld 30 graden staan met het verticale vlak N, dat parallel is aan de transportrichting A, tijdens gebruik. Midden in de opneemruimte 25 die tussen de benen 20a,b gevormd is reikt vanaf het midden van het bodemdeel 20c een scheider 20d die de ruimte tussen de benen 20a,b verdeelt in twee subopneemruimtes 25a,25b, volgens een symmetrievlak M. De uiteinden 21a,b,d van de benen 20a,b en scheider 20d liggen ongeveer in één verticaal vlak O, zie figuur 2B, en wel zover als nodig is voor een op juiste wijze meevoeren van de buitenste potten. Deze uiteinden liggen daarbij, zoals te zien in figuur 2B, teruggelegen ten opzichte van de steun 23.
Op afstand beneden de beugel 20 is een pottensteun 23 voorzien, welke in hoofdzaak H-vormig is met twee steundelen 23a,23b die getailleerd zijn om een steunvlak voor de potten te verschaffen maar ook vallende grond door te laten. De platte steundelen 23a,b zijn recht onder de subopneemruimtes 25a,25b gelegen en zijn met elkaar verbonden door een daarmee één geheel vormende platte strook 23c en zijn verkregen uit een plaatmateriaal. De steun 23 eindigt op afstand van de beugelbodem 20c, welke het meest binnenwaarts gelegen deel van de pottenhouder 10 vormt.
De (enige) verbinding tussen de steun 23 en de beugel 20 wordt verzorgd door een L-vormige hulpbeugel 22, waarvan het liggend been 22b aan de onderzijde van de steun 23 bevestigd is en waarvan het opstaande been 22a bevestigd is aan de onderrand van het tijdens gebruik voorlopende been 20a van de beugel 20. Zoals te zien in figuur 2B bevindt het opstaand been 22a zich in de binnenste helft van het been 20a, nabij het midden daarvan. Zoals te zien in figuur 2A vormt het opstaand been 22b de enige verbinding tussen de steun 23 en de beugel 20 en is het gebied tussen de beugelbodem 20c en de steun 23 verder vrij van enige verbinding. Bovenstrooms van het opstaand been 22a laten de beugel 20 en de steun 23 een tussenruimte vrij: er is geen andere verbinding daartussen, zodat in dwarsrichting een doorgang tussen steun en beugel vrij is met een breedte van iets meer dan de inwendige beugelbreedte. Opgemerkt wordt dat het opstaand been 22a ook anders uitgevoerd kan zijn, bijvoorbeeld als twee of meer naast elkaar gelegen staafjes.
Het liggend been 22b van de hulpbeugel 22 vormt voorts een bevestigingspunt voor een neerwaarts reikende montagepen 24, waarmee de houder 10 op verwijderbare wijze bevestigd kan worden op de ketting 4, die daartoe op bekende wijze voorzien is van een reeks kokers voor passende opname van de pen 24.
De subopneemruimtes 25a,b zijn in grootte afgestemd op het houden van telkens twee potten, P1,P3 en P2,P4, zie figuur 2C, met binnenste potten P1,P2 en buitenste potten P3,P4. De potranden reiken dan iets boven de beugel 20. Voor potten met een cirkelvormige bovenrand en een diameter van 10,5 cm kan de afstand tussen been 20a en scheider 20d (en dus ook voor de afstand tussen de scheider 20d en been 20b) ongeveer 10 cm zijn. De lengte van de benen 20a,b kan daarbij ongeveer 15 cm bedragen, de lengte van de scheider 20d ongeveer 22 cm. De afstand tussen het bovenoppervlak van de steun 23 en de bovenrand van de benen 20a,b kan iets meer dan 7 cm bedragen.
In bedrijf loopt de transporteur 3 om in richting A. Lege potten worden hoog aangevoerd over bandtransporteurs 6a,6b en in het eerste station opgenomen in magazijnen van de potafgevers 7a,7b, in de vorm van telkens twee stapels potten. In register met de pottenhouders 10 op de transporteur 3 worden door de potafgever 7a twee potten P1,P2 afgegeven aan de binnenste gedeelten van de subopneemruimtes 25a,b, zie figuur 1, pottenhouder 10c. Door middel van een -niet weergegeven- vaste geleider worden de potten P1.P2 tegen de beugel 20 gedwongen. Tegelijk worden door de potafgever 7b twee potten P3,P4 afgegeven aan de buitenste gedeelten van de subopneemruimtes 25a,b van de pottenhouder 10a die zich twee transporteursteken benedenstrooms van pottenhouder 10c bevindt en twee afgiftes eerder voorzien is van de potten P1,P2. Door middel van een -niet weergegeven- vaste geleider worden de potten P3,P4 tegen de potten P1,P2 gedwongen. De pottenhouders 10 worden aldus in twee stappen voorzien van de potten P1-4.
De van potten voorziene pottenhouders 10, zie ook figuur 2C, worden vervolgens in het tweede station onderlangs de potgrondafgever 8 gevoerd en daar gevuld met potgrond. Na het afstrijken wordt de grond aangedrukt door grondaandrukker 9. Daarna of daarbij kunnen één of meer stekgaten gemaakt worden, indien gewenst, en kunnen de potten in de tweede lange zijde voorzien worden van één of meer plantstekjes.
Na het doorlopen en verlaten van de tweede korte zijde komen de pottenhouders 10 in het derde station, zie figuur 3A. De zuigerstang 15 van de pottenafvoerder 13 is ingetrokken, waarbij de dwarsstaaf of duwer 16 op korte afstand van het binnenvlak van de potten P1,P2 paraat gehouden wordt. De ketting 3 wordt stilgehouden zodat de pottenhouder 10a de getekende positie inneemt ten opzichte van de duwer 16. waarin de duwer beide potten P1 en P2 in voldoende mate kan aangrijpen. Vervolgens wordt de cilinder 14 geactiveerd om de zuigerstang 15 uit te zetten, richting D1, waardoor het duwvlak 17 tegen de potten P1,P2 gedwongen wordt en de potten P1,P2 naar buiten worden gedwongen, richting F, zie figuur 3B. De duwer 16 is reeds aanwezig in of beweegt dan door de voornoemde dwarsgerichte doorgang, de vrije ruimte tussen de beugelbodem 20c en de steun 23. Daarbij worden de buitenste potten P3,P4 opgeduwd. De benen 20a,b en de scheider 20d zorgen daarbij voor zijwaartse geleiding en de steunen 23a,b voor een glijvlak voor de potten P1-4. Het benedenstrooms eind 16a van de duwer 16 beweegt hierbij bovenstrooms langs het opstaand been 22a van de hulpbeugel 22.
De potten P1-4 worden hierbij van de steun 23 af geschoven op een bandtransporteur 18 die de potten afvoert in de richting G, zie figuur 1. De transporteur 18 kan alternatief ook parallel aan de eerste lange zijde opgesteld zijn, voor afvoer naar links, op de figuur 1 gezien.
Aldus worden per machineslag, per transporteursteek, vier potten afgegeven aan de afvoertransporteur 18, waarmee een relatief hoge capaciteit wordt gerealiseerd.
Nadat de potten P1-4 zijn overgenomen door de bandtransporteur 18 wordt de cilinder geactiveerd om de zuigerstang 15 in te trekken. De ketting 4 wordt dan ook weer gestart, zodat de nu lege pottenhouder 10a uit het derde station beweegt en de volgende pottenhouder 10b dat station binnenkomt. De duwer 16 wordt op een ten opzichte van het duwen verhoogde snelheid teruggetrokken, zie figuur 3C. Door de ten opzichte van de duwer 16 benedenstroomse ligging van de enige verbinding tussen de steun 23 en de beugel 20, namelijk opstaand been 22a van de hulpbeugel 22, is een grote vrije ruimte is gerealiseerd voor ongehinderde beweging van de duwer 16. Deze ruimte wordt in bovenstroomse richting begrensd door het opstaand been 22b van de volgende pottenhouder 10b en het in benedenstroomse richting gekeerde vlak van de potten P2 en P4 van de pottenhouder 10b, welke althans nagenoeg met elkaar samenvallen. Zoals te zien in figuur 3D kan het bovenstroomse eind 16b van de duwer 16 net voorlangs de pot P2 bewegen, naar de uitgangspositie van figuur 3A.
Eventueel kan althans een deel van de duwbeweging van de duwer 16 samenvallen met verplaatsing van de ketting 3, in het begin van het duwproces.
De schuine gedeelten 20c1 en 20c2 maken een dichte opeenvolging van de pottenhouders 10 mogelijk, zonder dat zij elkaar beroeren in de bochten van de omloopbaan, zie figuren 3A en 3B.
Het is mogelijk de duwer anders uit te voeren. Zo kan de zuigerstang 15 meer benedenstrooms bevestigd zijn aan de duwer, bijvoorbeeld met de duwer een L-vorm bepalen. Alternatief kan de duwer tweedelig zijn, met een duwerdeel voor pot P1 en een duwerdeel voor pot P2, bijvoorbeeld in de vorm van een op het vrije eind van de zuigerstang bevestigde vork.
In de figuren 4A-D is een ander voorbeeld van een pottenhouder weergegeven. De ten opzichte van vlak M geheel symmetrische pottenhouder 110 omvat een in hoofdzaak U-vormige, horizontale beugel 120 die twee benen 120a, 120b heeft en een bodemdeel 120c, dat een rechte bodem 120c3 met eindgedeelten 20c1,20c2 die daarmee onder een hoek α van in dit voorbeeld 30 graden staan, en ook met het verticale vlak N, dat parallel is aan de transportrichting A, tijdens gebruik. Midden in de opneemruimte 125 die tussen de benen 120a,b gevormd is reikt vanaf het midden van het bodemdeel 120c een scheider 120d die de ruimte tussen de benen 120a,b verdeelt in twee subopneemruimtes 125a, 125b, volgens een symmetrievlak M. De uiteinden 121a,b,d van de benen 120a,b en scheider 120d liggen ongeveer in één verticaal vlak O, zie figuur 4B, en wel zover als nodig is voor een op juiste wijze meevoeren van de buitenste potten.
Op afstand beneden de beugel 120 is een pottensteun 123 voorzien, welke twee langwerpige, strookvormige steundelen 123a, 123b omvat die een steunvlak voor de potten verschaffen maar ook ruimte voor vallende grond verschaffen. De steunstroken 123a,b zijn recht onder de subopneemruimtes 125a,25b gelegen en zijn met elkaar verbonden door een daarmee één geheel vormende platte stroken 123c, 123d en zijn daarmee verkregen uit een plaatmateriaal. De steun 123 eindigt op afstand van de beugelbodem 120c, welke het meest binnenwaarts gelegen deel van de pottenhouder 110 vormt.De verbinding tussen de steun 123 en de beugel 120 wordt in dit voorbeeld verzorgd door twee L-vormige hulpbeugels 122a,b, waarvan telkens het liggend been 122ba,122bb één geheel vormt met de steun 23 en waarvan het opstaande been 122aa,122ab bevestigd is aan de onderrand van het been 120a, 120b van de beugel 120. Zoals te zien in figuur 4B bevinden de opstaande benen 122aa,122ab zich in de binnenste helft van het been 120a, 120b, nabij het midden daarvan. Zoals te zien in figuur 4A vormen de opstaande benen 122aa,122ab de enige verbindingen tussen de steun 123 en de beugel 120 en is het gebied tussen de beugelbodem 120c en de steun 123 vrij van enige verbinding, zodat in dwarsrichting een doorgang tussen steun en beugel vrij is met een breedte van de inwendige beugelbreedte. Door de dubbele verbinding kan worden afgezien van een ondersteuning van de steun 123, zoals wel met het doorlopende liggende been 22b in de voorgaande uitvoering het geval is.
De neerwaarts reikende montagepen 124 kan aan de onderzijde van de verbindingsstrook 123c zijn gelast.
Het bedrijf van een pottenvulmachine met pottenhouders 110 zal in hoofdzaak overeen komen met het hiervoor beschreven proces. Door de aanwezigheid van de tweede verbinding 122b is weliswaar minder ruimte beschikbaar voor het terugbewegen van de duwer 16 wanneer men die beweging (deels) zou willen laten samenvallen met verplaatsing van de pottenhouders in procesrichting, doch dat hoeft niet bezwaarlijk te zijn gegeven de overige voordelen die behaald zullen zijn met de pottenvulmachine volgens de uitvinding.
De bovenstaande beschrijving is opgenomen om de werking van voorkeursuitvoeringen van de uitvinding te illustreren, en niet om de reikwijdte van de uitvinding te beperken. Uitgaande van de bovenstaande uiteenzetting zullen voor een vakman vele variaties duidelijk zijn die vallen onder de geest en de reikwijdte van de onderhavige uitvinding. Zo kan de uitvinding ook toepasbaar zijn op pottenvulmachines voor vierkante potten in plaats van cirkelronde potten.

Claims (66)

1. Pottenvulmachine, in het bijzonder oppotmachine, omvattend een gestel met een volgens een omloopbaan aangedreven transporteur waarop een reeks pottenhouders is aangebracht, een eerste station voor het afgeven van potten aan de pottenhouders, een tweede station voor het afgeven van potgrond of iets dergelijks aan de potten en een derde station voor het afvoeren van de gevulde potten, waarbij elke pottenhouder een beugel voor het steunen van de zijwand van de potten, in het bijzonder nabij de potrand, omvat, waarbij de beugel een in hoofdzaak U-vormige opneemruimte bepaalt welke in een pottenafgeefzijde daarvan opent, bij voorkeur in buitenwaartse richting dwars op de omloopbaan ter plaatse, alsmede een steun voor ondersteuning van de bodem van de potten in de opneemruimte omvat, waarbij de opneemruimte door één of meer op de pottenhouder bevestigde scheiders gedeeld is in twee of meer naast elkaar gelegen subopneemruimtes die elk twee of meer potten kunnen opnemen en bij voorkeur in omlooprichting op elkaar volgen..
2. Pottenvulmachine volgens conclusie 1, waarbij de één of meer scheiders deel uitmaken van de beugel, waarbij, bij voorkeur, de één of meer scheiders parallel aan de benen van de U reiken, bij voorkeur met het uiteinde althans nagenoeg gelijk aan de uiteinden van de benen van de U, waarbij de uiteinden van de scheider en de benen bij voorkeur teruggelegen zijn ten opzichte van de steun.
3. Pottenvulmachine volgens conclusie 2, waarbij de bodem van de U aansluit op de benen van de U met schuin, bij voorkeur met een hoek in het bereik van 30-45 graden, op de omlooprichting ter plaatse staande bodemgedeeltes.
4. Pottenvulmachine volgens één der voorgaande conclusies, waarbij de beugel symmetrisch is en het aantal subopneemruimtes twee is, elk geschikt voor het opnemen van twee potten, in richting van de omloopbaan naast elkaar.
5. Pottenvulmachine volgens één der voorgaande conclusies, waarbij de bodem van de in hoofdzaak U-vormige beugel het verst van de pottenafgeefzijde afgelegen, in het bijzonder het meest binnenwaarts gelegen onderdeel van de pottenhouder vormt.
6. Pottenvulmachine volgens één der voorgaande conclusies, waarbij de pottenhouder tussen de beugelbodem en de steun een naar de pottenafgeefzijde gerichte, bij voorkeur dwars op de omloopbaan gerichte doorgang vrijlaten met een breedte die groter is dan de breedte van een subopneemruimte, in het bijzonder groter dan de breedte of diameter van de potten, bij voorkeur ongeveer de inwendige breedte van de beugel.
7. Pottenvulmachine volgens één der voorgaande conclusies, waarbij de beugel en de steun met elkaar verbonden zijn door verbindingsmiddelen, waarbij de zijde van de pottenhouder die tegengesteld is aan de pottenafgeefzijde vrij is van de verbindingsmiddelen.
8. Pottenhouder volgens conclusie 7, waarbij de verbindingsmiddelen zich uitstrekken tussen de beugel en de steun aan een zijde die dwars staat op de pottenafgeefzijde, zich in het bijzonder neerwaarts uitstrekken vanaf een been van de in hoofdzaak U-vormige beugel.
9. Pottenvulmachine volgens conclusie 7 of 8, waarbij de verbindingsmiddelen een eerste verbinding omvatten, welke bevestigd is aan de beugel en neerwaarts reikt, waarbij de eerste verbinding, in omlooprichting/procesrichting beschouwd, benedenstrooms de meest benedenstroomse scheider gelegen is, beschouwd in bovenaanzicht op de pottenhouder, waarbij, bij voorkeur, de eerste verbinding bevestigd is aan het voorlopende been van de beugel, bij voorkeur in de binnenste helft van dat voorlopende been.
10. Pottenvulmachine volgens conclusie 9, waarbij de eerste verbinding gevormd is als een hulpbeugel die hoofdzaak L-vormig is, met een opstaand been en een liggend been, waarbij de steun bevestigd is op het liggend been en het opstaand been aan de beugel, waarbij, bij voorkeur, het liggend been zich in omlooprichting uitstrekt.
11. Pottenvulmachine volgens één der conclusies 6-9, waarbij bovenstrooms van het opstaand been de beugel en de steun in verticale zin een tussenruimte tussen zich vrijlaten.
12. Pottenvulmachine volgens één der conclusies 9-11, waarbij de eerste verbinding de enige verbinding tussen de beugel en de steun vormt.
13. Pottenvulmachine volgens één der conclusies 9-11, waarbij de verbindingsmiddelen een eerste verbinding omvatten, welke bevestigd is aan de beugel en in omlooprichting/procesrichting beschouwd, bovenstrooms de meest bovenstroomse scheider gelegen is, beschouwd in bovenaanzicht op de pottenhouder waarbij, bij voorkeur, de tweede verbinding bevestigd is aan het nalopende been van de beugel, bij voorkeur in de binnenste helft van dat been.
14. Pottenvulmachine volgens conclusie 13, waarbij de eerste en de tweede verbindingen de enige verbinding vormen tussen de beugel en de steun.
15. Pottenvulmachine volgens één der conclusies 9-14, waarbij de eerste en/of tweede verbinding en de steun als één geheel met elkaar gevormd zijn.
16. Pottenvulmachine volgens één der voorgaande conclusies, waarbij de steun twee langwerpige steunplaten omvat, die elk onder een subopneemruimte gelegen zijn.
17. Pottenvulmachine volgens conclusie 16, waarbij de langwerpige steunplaten met elkaar verbonden zijn door tenminste één verbindingsstrook, welke bij voorkeur als één geheel daarmee gevormd is.
18. Pottenvulmachine volgens conclusie 17, waarbij de pottenhouder onder de verbindingsstrook voorzien is van een pen voor montage op de transporteur.
19. Pottenvulmachine volgens één der voorgaande conclusies, omvattend ter plaatse van het derde station een afvoerinrichting, waarbij de afvoerinrichting omvat een duwer en een aandrijving voor de duwer voor het bewegen van de duwer van een paraatstand, aan de binnenzijde van de omloopbaan, naar een afvoerstand nabij de buitenzijde van de omloopbaan, onder het van de steun duwen van de potten.
20. Pottenvulmachine volgens conclusie 19, waarbij de aandrijving voor de duwer aan de binnenzijde van de omloopbaan opgesteld is.
21. Pottenvulmachine volgens conclusie 19 of 20, waarbij de aandrijving van de duwer werkzaam voor het lineair in dwarsrichting bewegen daarvan.
22. Pottenvulmachine volgens conclusie 19, 20 of 21, waarbij de duwer voorzien is van een enkel duwonderdeel voor aangrijping van de het dichts bij de binnenzijde van de omloopbaan gelegen potten.
23. Pottenvulmachine volgens één der conclusies 19-22, waarbij de aandrijving een cilinder is.
24. Pottenvulmachine volgens conclusies 22 en 23, waarbij op het bewegende deel van de cilinder op symmetrische wijze het enkel duwonderdeel bevestigd is, bij voorkeur voor het daarmee bepalen van een T-vorm.
25. Pottenvulmachine volgens één der voorgaande conclusies, omvattend ter plaatse van het eerste station twee of meer potafgevers, welke respectievelijk opgesteld zijn voor afgifte van telkens twee of meer lege potten aan de opneemruimte op verschillende posities daarin en voorzien zijn van bedieningsmiddelen voor opeenvolgende activering, bij voorkeur in register met de verplaatsing over een steek van de pottenhouders.
26. Pottenvulmachine volgens conclusie 25, waarbij één potafgever opgesteld is voor afgifte van lege potten aan de opneemruimte op posities gelegen aan de binnenzijde daarvan en een andere potafgever opgesteld is voor afgifte van lege potten aan de opneemruimte op posities gelegen aan de buitenzijde daarvan.
27. Pottenvulmachine, in het bijzonder oppotmachine, omvattend een gestel met een volgens een omloopbaan aangedreven transporteur waarop een reeks pottenhouders is aangebracht, een eerste station voor het afgeven van potten aan de pottenhouders, een tweede station voor het afgeven van potgrond of iets dergelijks aan de potten en een derde station voor het afvoeren van de gevulde potten, waarbij de pottenhouders elk een beugel voor het steunen van de zijwand van de potten, in het bijzonder nabij de potrand, omvatten, waarbij de beugel een in hoofdzaak U-vormige opneemruimte bepaalt welke opent in buitenwaartse richting, dwars op de omloopbaan ter plaatse, alsmede een steun voor ondersteuning van de bodem van de potten in de opneemruimte omvatten, voorts omvattend ter plaatse van het derde station een afvoerinrichting, waarbij de afgeefinrichting omvat een duwer en een aandrijving voor de duwer voor het bewegen van de duwer van een paraatstand, aan de binnenzijde van de omloopbaan, naar een afvoerstand nabij de buitenzijde van de omloopbaan, onder het van de steun duwen van de potten.
28. Pottenvulmachine volgens conclusie 27, waarbij de aandrijving voor de duwer aan de binnenzijde van de omloopbaan opgesteld is.
29. Pottenvulmachine volgens conclusie 27 of 28, waarbij de aandrijving van de duwer werkzaam voor het lineair in dwarsrichting bewegen daarvan.
30. Pottenvulmachine volgens conclusie 27, 28 of 29, waarbij de duwer voorzien is van een enkel duwonderdeel voor aangrijping van de het dichts bij de binnenzijde van de omloopbaan gelegen potten.
31. Pottenvulmachine volgens één der conclusies 27-30, waarbij de aandrijving een cilinder is.
32. Pottenvulmachine volgens conclusies 30 en 31, waarbij op het bewegende deel van de cilinder op symmetrische wijze het enkel duwonderdeel bevestigd is, bij voorkeur voor het daarmee bepalen van een T-vorm.
33. Pottenvulmachine volgens één der conclusies 27-32, met de kenmerkende maatregelen volgens één der conclusies 1-18.
34. Pottenhouder voor een pottenvulmachine, in het bijzonder voor een pottenvulmachine volgens één der voorgaande conclusies, waarbij de pottenhouder een beugel voor het steunen van de zijwand van de potten, in het bijzonder nabij de potrand, omvat, waarbij de beugel een in hoofdzaak U-vormige opneemruimte bepaalt welke opent in één potgeefvoerrichting, alsmede een steun voor ondersteuning van de bodem van de potten in de opneemruimte omvat, waarbij de opneemruimte door één of meer op de pottenhouder bevestigde schelders gedeeld is in twee of meer subopneemruimtes die elk openen in de potafgeefgeefrichting en elk twee of meer potten kunnen opnemen.
35. Pottenhouder volgens conclusie 34, waarbij de één of meer schelders deel uitmaken van de beugel.
36. Pottenhouder volgens conclusie 35, waarbij de één of meer schelders parallel aan de benen van de U reiken, bij voorkeur met het uiteinde althans nagenoeg gelijk aan de uiteinden van de benen van de U, bij voorkeur met het uiteinde teruggelegen ten opzichte van de steun.
37. Pottenhouder volgens conclusie 36, waarbij de bodem van de U aansluit op de benen van de U met schuin, bij voorkeur met een hoek in het bereik van 30-45 graden, op een richting dwars op de potafgeefrichting staande bodemgedeeltes.
38. Pottenhouder volgens één der conclusies 34-37, waarbij de beugel symmetrisch is en het aantal subopneemruimtes twee is, elk geschikt voor het opnemen van twee potten, in een procesrichting, die dwars op de potafgeefrichting staat, naast elkaar.
39 Pottenhouder volgens één der conclusies 34-38, waarbij de bodem van de in hoofdzaak U-vormige beugel het meest binnenwaartse onderdeel van de pottenhouder vormt.
40 Pottenhouder volgens één der conclusies 34-39, waarbij de pottenhouder tussen de beugelbodem en de steun een dwars op de omloopbaan gerichte doorgang vrijlaten met een breedte die groter is dan de breedte van een subopneemruimte, in het bijzonder groter dan de breedte of diameter van de potten, bij voorkeur ongeveer de inwendige breedte van de beugel.
41. Pottenvulmachine volgens één der conclusies 34-40, waarbij de beugel en de steun met elkaar verbonden zijn door verbindingsmiddelen, waarbij de zijde van de pottenhouder die tegengesteld is aan de pottenafgeefzijde vrij is van de verbindingsmiddelen.
42. Pottenhouder volgens conclusie 41, waarbij de verbindingsmiddelen zich uitstrekken tussen de beugel en de steun aan een zijde die dwars staat op de afgeefzijde, zich in het bijzonder neerwaarts uitstrekken vanaf een been van de in hoofdzaak U-vormige beugel.
43. Pottenhouder volgens één der conclusies 34-42, waarbij de verbindingsmiddelen een eerste verbinding omvatten, welke bevestigd is aan de beugel en neerwaarts reikt, waarbij de eerste verbinding beschouwd in een procesrichting van 90 graden, linksom gemeten, dwars op de potafgeefrichting, vóór de scheider gelegen is, beschouwd in bovenaanzicht op de pottenhouder.
44. Pottenhouder volgens conclusie 43, waarbij de eerste verbinding bevestigd is aan het in procesrichting voorlopende been van de beugel, bij voorkeur in de binnenste helft van dat voorlopende been.
45. Pottenhouder volgens conclusie 43 of 44, waarbij de eerste verbinding gevormd is als een hulpbeugel die in hoofdzaak L-vormig is, met een opstaand been en een liggend been, waarbij de steun bevestigd is op het liggend been en het opstaand been aan de beuge, waarbij, bij voorkeur, het liggend been zich evenwijdig aan de procesrichting uitstrekt.
46. Pottenhouder volgens één der conclusies 39-45, waarbij de eerste verbinding de enige verbinding vormt tussen de beugel en de steun is en waarbij in een richting tegengesteld aan de procesrichting vanaf de eerste verbinding de beugel en de steun in verticale zin een tussenruimte vrijlaten.
47. Pottenhouder volgens één der conclusies 39-46, waarbij de steun en de beugel voorts met elkaar verbonden zijn door een tweede verbinding, die, in procesrichting beschouwd, bovenstrooms de meest bovenstroomse scheider gelegen is, beschouwd in bovenaanzicht op de pottenhouder, waarbij, bij voorkeur, de tweede verbinding bevestigd is aan het in procesrichting nalopende been van de beugel, bij voorkeur in de binnenste helft van dat been.
48. Pottenhouder volgens conclusie 47, waarbij de eerste en tweede verbindingen de enige verbinding vormen tussen de beugel en de steun.
49. Pottenhouder volgens één der conclusies 39-48, waarbij de verbinding(en) en de steun als één geheel met elkaar gevormd zijn.
50. Pottenhouder volgens één der conclusies 34-47, waarbij de steun twee langwerpige steunplaten omvat, die elk onder een subopneemruimte gelegen zijn, waarbij, bij voorkeur, de langwerpige steunplaten met elkaar verbonden zijn door tenminste één verbindingsstrook, welke bij voorkeur als één geheel daarmee gevormd is, waarbij, bij voorkeur, de pottenhouder onder de verbindingsstrook voorzien is van een pen voor montage op de transporteur.
51. Pottenhouder voor een pottenvulmachine, in het bijzonder voor een pottenvulmachine volgens één der conclusies 1-33, waarbij de pottenhouder een beugel voor het steunen van de zijwand van de potten, in het bijzonder nabij de potrand, omvat, waarbij de beugel een in hoofdzaak U-vormige opneemruimte bepaalt welke in een pottenafgeefzijde van de pottenhouder opent in één potafgeefrichting, alsmede een steun voor ondersteuning van de bodem van de potten in de opneemruimte omvat, waarbij de beugel en de steun met elkaar verbonden zijn door verbindingsmiddelen, waarbij de zijde van de pottenhouder die tegengesteld is aan de pottenafgeefzijde vrij is van de verbindingsmiddelen.
52. Pottenhouder volgens conclusie 51, waarbij de verbindingsmiddelen zich uitstrekken tussen de beugel en de steun aan een zijde die dwars staat op de afgeefzijde, zich in het bijzonder neerwaarts uitstrekken vanaf een been van de beugel die in hoofdzaak U-vormig is.
53. Pottenhouder volgens conclusie 52, waarbij de verbindingsmiddelen een eerste verbinding omvatten die gelegen is aan de zijde van de pottenhouder die onder een hoek van ongeveer 90 graden staat van de afgeefzijde, gemeten tegen de klok in.
54. Pottenhouder volgens conclusie 53, waarbij de eerste verbinding zich neerwaarts uitstrekt vanaf het in het pottenvulproces voorlopende beugelbeen, waarbij, bij voorkeur, de eerste verbinding de enige verbinding vormt tussen de beugel en de steun.
55. Pottenhouder volgens conclusie 53 of 54, waarbij de verbindingsmiddelen een tweede verbinding omvatten die gelegen is aan de zijde van de pottenhouder die onder een hoek van ongeveer 270 graden staat van de afgeefzijde, gemeten tegen de klok in.
56. Pottenhouder volgens conclusie 55, waarbij de tweede verbinding zich neerwaarts uitstrekt vanaf het in het pottenvulproces nalopende beugelbeen.
57. Pottenhouder volgens één der conclusies 51-56, waarbij de opneemruimte door één of meer op de pottenhouder bevestigde schelders gedeeld is in twee of meer subopneemruimtes die elk openen in de potafgeefrichting en elk twee of meer potten kunnen opnemen.
58. Pottenhouder volgens conclusie 57, waarbij de één of meer schelders deel uitmaken van de beugel.
59. Pottenhouder volgens conclusie 58, waarbij de één of meer schelders parallel aan de benen van de U reiken, bij voorkeur met het uiteinde althans nagenoeg gelijk aan de uiteinden van de benen van de U.
60. Pottenhouder volgens één der conclusies 51-59, waarbij de beugel symmetrisch is en het aantal subopneemruimtes twee is, elk geschikt voor het opnemen van twee potten, in een procesrichting, die dwars op de potafgeefrichting staat, naast elkaar.
61. Pottenhouder volgens één der conclusies 51-60, waarbij de steun twee langwerpige steunplaten omvat, die elk onder een subopneemruimte gelegen zijn.
62. Pottenhouder volgens conclusie 61, waarbij de langwerpige steunplaten met elkaar verbonden zijn door tenminste één verbindingsstrook, welke bij voorkeur als één geheel daarmee gevormd is.
63. Pottenhouder volgens conclusie 62, waarbij de pottenhouder onder de verbindingsstrook voorzien is van een pen voor montage op de transporteur.
64. Samenstel van een pottenvulmachine volgens één der voorgaande conclusies, en een aan de buitenzijde van de omloopbaan opgestelde afvoertransporteur voor de gevulde potten, welke opgesteld is voor ontvangst van de potten van de duwer.
65. Pottenvulmachine voorzien van een of meer van de in de bijgevoegde beschrijving omschreven en/of in de bijgevoegde tekeningen getoonde kenmerkende maatregelen.
66. Pottenhouder voorzien van een of meer van de in de bijgevoegde beschrijving omschreven en/of in de bijgevoegde tekeningen getoonde kenmerkende maatregelen
NL1040596A 2014-01-10 2014-01-10 Pottenvulmachine en pottenhouder daarvoor. NL1040596C2 (nl)

Priority Applications (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL1040596A NL1040596C2 (nl) 2014-01-10 2014-01-10 Pottenvulmachine en pottenhouder daarvoor.

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL1040596A NL1040596C2 (nl) 2014-01-10 2014-01-10 Pottenvulmachine en pottenhouder daarvoor.
NL1040596 2014-01-10

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL1040596C2 true NL1040596C2 (nl) 2015-07-13

Family

ID=50687552

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL1040596A NL1040596C2 (nl) 2014-01-10 2014-01-10 Pottenvulmachine en pottenhouder daarvoor.

Country Status (1)

Country Link
NL (1) NL1040596C2 (nl)

Citations (7)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US1313301A (en) * 1919-08-19 Filling-machine
US2771709A (en) * 1954-04-09 1956-11-27 Alexander S Ritter Planting and equipment therefor
US3842533A (en) * 1970-07-28 1974-10-22 G Mayer Potting and repotting machine
US5641008A (en) * 1995-02-28 1997-06-24 Ellis; C. Mitchell Potting machine
US20030070352A1 (en) * 2001-10-11 2003-04-17 Ellis C. Mitchell Potting machines and methods
WO2005011363A1 (de) * 2003-07-29 2005-02-10 Udo Siedlaczek Topfmaschine zum eintopfen von blumentöpfen
WO2008063053A1 (en) * 2006-11-23 2008-05-29 Visser's-Gravendeel Holding B.V. Device and method for filling a substrate container such as pots or trays

Patent Citations (7)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US1313301A (en) * 1919-08-19 Filling-machine
US2771709A (en) * 1954-04-09 1956-11-27 Alexander S Ritter Planting and equipment therefor
US3842533A (en) * 1970-07-28 1974-10-22 G Mayer Potting and repotting machine
US5641008A (en) * 1995-02-28 1997-06-24 Ellis; C. Mitchell Potting machine
US20030070352A1 (en) * 2001-10-11 2003-04-17 Ellis C. Mitchell Potting machines and methods
WO2005011363A1 (de) * 2003-07-29 2005-02-10 Udo Siedlaczek Topfmaschine zum eintopfen von blumentöpfen
WO2008063053A1 (en) * 2006-11-23 2008-05-29 Visser's-Gravendeel Holding B.V. Device and method for filling a substrate container such as pots or trays

Similar Documents

Publication Publication Date Title
US20130283731A1 (en) Packaging device
RU2560019C2 (ru) Устройство и способ упаковывания тонкостенных контейнеров и группа загрузки вышеуказанных контейнеров
US9463935B1 (en) Vibratory product conveyor system
US5567104A (en) Apparatus for the transport and stocking of cigarettes
US20040068967A1 (en) Product packaging system
US10207880B2 (en) Device for emptying and then disposing of trays filled with brochures
ES2930101T3 (es) Contención de bolsas y carga de cajas de cartón
RU2704935C2 (ru) Распределительное устройство для порционных пакетиков
EP2940438A1 (en) Method and apparatus for grading food pieces
US2160319A (en) Egg grading and packing machine
US3795344A (en) Bowl or cup dispenser
BR112015004065A8 (pt) Aparelho para embalar quantidades dosadas de porções de droga sólida compreendendo recipientes de coleta móveis e estação de dosagem auxiliar
CN111295336A (zh) 带有翻转和堆叠装置的包装机器
NL1017176C1 (nl) Verpakkingsinrichting.
KR20210103226A (ko) 파이프 다발 밴드 결속장치
KR101594582B1 (ko) 어류 계량 및 포장장치
US3710543A (en) Arrangement for depositing objects in a receptacle
KR100857204B1 (ko) 패키지 포장장치 및 포장방법
NL1040596C2 (nl) Pottenvulmachine en pottenhouder daarvoor.
US3842573A (en) Method and apparatus for packaging coins
EP0330609B1 (de) Verfahren und Anlage zum Transport von Nahrungsmittelscheiben von einer Portioniereinrichtung zu einer Verpackungsmaschine
US1270501A (en) Mechanism for packing cans.
US3027699A (en) Packaging apparatus
US7243479B2 (en) Apparatus and method for loading a packaging station of an insulation batt packager
US20130233677A1 (en) Component feed device and unit comprising such a device

Legal Events

Date Code Title Description
MM Lapsed because of non-payment of the annual fee

Effective date: 20190201