Inrichting en werkwijze voor het verplaatsen van een persoon
De uitvinding heeft betrekking op een inrichting voor het door een verzorger verplaatsen van een persoon, in het bijzonder een patiënt, tussen een op een zij liggende 5 houding en een zittende houding. De uitvinding heeil levens betrekking op een bed voorzien van een dergelijke inrichting. De uitvinding heeft voorts betrekking op een werkwijze voor het door een verzorger verplaatsen van een persoon tussen een op een zij liggende houding en een zittende houding met behulp van een dergelijke inrichting.
10 Voor veel ouderen en minder valide personen is het doorgaans moeilijk om eigenhandig vanuit een liggende positie in bed tot een zittende positie te komen. Veelal is daarbij de hulp van een derde, bijvoorbeeld een zorgverlener, of gebruik van een hulpmiddel vereist om tot de gewenste verplaatsing te kunnen komen. In de internationale octrooiaanvrage WO 97/10792 is een inrichting ter ondersteuning van personen bij het 15 in of uit bed komen is beschreven, met behulp waarvan (minder valide) personen evenwel autonoom in of uit bed kunnen komen. De bekende inrichting omvat een om een verticale as zwenkbare arm die middels aandrijving door een elektromotor verplaatsbaar is tussen een eerste stand, waarin de arm boven een zich in het bed bevindende persoon gepositioneerd is, en een tweede stand, waarin de arm langs een 20 zich (deels) naast het bed bevindende persoon gepositioneerd is. Beide standen sluiten onderling een in hoofdzaak loodrechte hoek in. Met behulp van de bekende inrichting kan een gebruiker, zoals bijvoorbeeld een minder valide persoon, vanuit een dorsaal liggende positie naar een zittende positie op een rand van het bed worden getransporteerd. De bekende inrichting heeft echter meerdere nadelen. Een belangrijk 25 nadeel van de bekende inrichting is dat een gebruiker zich over een relatief lange afstand vast moet klampen aan de arm, waarbij doorgaans aanzienlijke trekbelastingen worden uitgeoefend op de gebruiker, in het bijzonder op de schouders, de nek, en de rug van de gebruiker.
30 Dat probleem is ondervangen door het Nederlandse octrooi NL1024459 van de onderhavige aanvrager, waarin een inrichting wordt voorgesteld voor het verplaatsen van een persoon van een op een zij liggende positie naar een zittende positie, omvattende aangrijpmiddelen die om een in hoofdzaak horizontale as roteerbaar zijn.
2
Echter, deze inrichting kent tevens meerdere nadelen. Allereerst is de inrichting relatief lastig en onpraktisch te hanteren, zowel voor een verpleger die een persoon, doorgaans een patiënt, van een op een zij liggende houding wil verplaatsen naar een zittende houding, en daarbij de inrichting in het bed van de persoon in positie moet brengen, als 5 voor iemand die belast is met het transport van de inrichting, met name vanwege de volumineuze en onhandzame opbouw daarvan. Daarnaast beperken de afmetingen van de aangrijpmiddelen het gebruik van de inrichting tot die persoon waarvoor de maatvoering van de inrichting geschikt is, zodat een verzorger genoodzaakt kan zijn voor meerdere persoon meerdere inrichtingen te gebruiken. Dit geldt in het bijzonder 10 voor de door de inrichting omvatte hoofdsteun, die op een bepaalde lengte ten opzichte van een kantelpunt of roteerpunt van de inrichting gesitueerd is.
De onderhavige uitvinding beoogt derhalve bovengenoemde en andere nadelen althans gedeeltelijk op te heffen, dan wel een bruikbaar alternatief te bieden.
15
De uitvinding verschaft daartoe een inrichting voor het door een verzorger verplaatsen van een persoon, in het bijzonder een patiënt, tussen een op een zij liggende houding en een zittende houding, omvattende een eerste arm en ten minste een tweede arm, die door koppelmiddelen verbonden is met de eerste arm waarbij de koppelmiddelen een 20 eerste toestand kennen waarin zij zijn ingericht voor het overbrengen van een op de eerste arm door een verzorger uitgeoefend krachtmoment naar de tweede arm, voor het van de tweede arm overbrengen van het krachtmoment op de persoon, teneinde de persoon te verplaatsen tussen een op een zij liggende houding en een zittende houding, en waarbij de koppelmiddelen ten minste een tweede toestand kennen waarin de eerste 25 arm en de tweede arm ten opzichte van elkaar beweegbaar zijn. Dankzij de ten opzichte van elkaar beweegbare armen kan de inrichting relatief praktisch en gebruiksvriendelijk worden toegepast, waarbij de inrichting in een relatief niet-werkzame, compacte toestand achter de te verplaatsen persoon wordt aangebracht, waarna de inrichting, en in het bijzonder de armen, in een werkzame toestand kunnen worden geplaatst voor het 30 van een op een zij liggende houding verplaatsen van een persoon naar een zittende houding van die persoon en vice versa. De compacte toestand kan daarbij bijvoorbeeld worden gevormd door een opgevouwen toestand van de inrichting of door een in onderdelen uiteen genomen toestand van de inrichting, zoals in het navolgende nader uiteen zal worden gezet. Bovendien is de inrichting door de constructief eenvoudige 3 opbouw van twee onderling gekoppelde armen doorgaans vlaksymmetrisch opgebouwd, waardoor inrichting overeenkomstig de uitvinding zowel volgens een linksom georiënteerde draaibeweging om de sagittale as van de patent als volgens een rechtsom georiënteerde draaibeweging om de sagittale as van de persoon mogelijk wordt 5 gemaakt. De onderlinge beweegbaarheid of verplaatsbaarheid van de armen dient in deze context relatief breed te worden geïnterpreteerd. De armen kunnen bijvoorbeeld losneembaar zijn gekoppeld, en daarmee aldus worden ontkoppeld, teneinde de tweede toestand te kunnen bereiken. Echter, het is tevens denkbaar dat de armen permanent met elkaar zijn verbonden, waarbij de onderlinge beweegbaarheid wordt gerealiseerd 10 doordat de armen onderling zwenkbaar zijn verbonden door de koppelmiddelen. Een combinatie van beide uitvoeringsmogelijkheden is evenzeer denkbaar. Het overbrengen via de tweede arm overbrengen van het krachtmoment op de persoon kan op directe wijze, waarbij de te verplaatsen persoon direct aangrijpt op de tweede arm (of een mechanisch verlengstuk daarvan) geschieden, doch kan tevens op indirecte wijze 15 geschieden, waarbij de kracht via (een arm van) de verzorger kan worden overgedragen op de te verplaatsen persoon.
In een voorkeursuitvoering zijn de koppelmiddelen ingericht voor het losneembaar koppelen van de armen, waardoor de armen kunnen worden ontkoppeld van elkaar. Het 20 verplaatsen geschiedt daarbij aldus door het althans gedeeltelijk uit elkaar halen van de gekoppelde armen. De koppelmiddelen kunnen daarbij zijn ingericht voor het volgens één of meerdere voorkeursposities onderling verbinden van de armen. Daartoe zijn de koppelmiddelen bij voorkeur voorzien van meerdere onderling samenwerkende koppelclcmenten, waarbij elke arm kan worden verbonden met een separaat 25 koppelelement. Een mogelijke uitvoeringsvorm hiervoor omvat een constructie waarbij een koppelmiddel een eerste arm in gekoppelde toestand in een positie dwingt ten opzichte van een tweede arm, waarbij de eerste arm in een ontkoppelde toestand onverbonden kan zijn met de tweede arm, teneinde los daarvan bewogen of bijvoorbeeld vervoerd te kunnen worden, of waarbij de eerste arm in een ontkoppelde 30 toestand verplaatsbaar verbonden kan zijn met de tweede arm, bijvoorbeeld door middel van een draad- of veerverbinding, welke draad- of veerverbinding verlies van althans één van de armen moet tegengaan.
4
In een andere voorkeursuitvoering omvatten de koppelmiddelen een koppeling voor het ten minste over één rotatieas roteerbaar koppelen van de eerste arm met de tweede arm, zoals een kogelgewrichtkoppeling, voor het verplaatsbaar met de eerste arm koppelen van de tweede arm. Wanneer de armen onlosneembaar met elkaar zijn verbonden biedt 5 deze koppeling het voordeel dat de armen bijeengehouden worden door de koppeling, terwijl deze in elk van de gevallen het voordeel biedt dat de inrichting als opgeklapt geheel getransporteerd en in het bed van de persoon gelegd kan worden, om na plaatsing de armen in een onderlinge oriëntatie te brengen welke het verplaatsen van een persoon van een op een zij liggende houding naar een zittende houding van die 10 persoon en vice versa mogelijk maakt.
In een verdere voorkeursuitvoering, die een eenvoud van constructie en fabricage als voordeel heeft, omvatten de koppelmiddelen een schamierkoppeling, voor het over één rotatieas roteerbaar met de eerste arm koppelen van de tweede arm. Een dergelijke 15 koppeling is bijzonder stabiel, en de koppeling is met behulp van wrijvingskracht goed in een bepaalde positie van de armen te brengen en houden.
De inrichting overeenkomstig de uitvinding omvat bij voorkeur begrenzingsmiddelen voor het begrenzen van een maximale rotatiehoek van de eerste arm ten opzichte van de 20 tweede arm, zodat een verzorger de armen slechts hoeft te beweging tot de begrenzingsmiddelen aangrijpen om ze in de juiste onderlinge oriëntatie te brengen voor gebruik tijdens het verplaatsen van een persoon van een op een zij liggende houding naar een zittende houding. Bij nadere voorkeur zijn de begrenzingsmiddelen ingericht voor het begrenzen van de maximale zwcnkhock tussen 60° en 115°, bij voorkeur 80°.
25 Een praktische uitvoeringsvorm van deze begrenzingsmiddelen omvat bijvoorbeeld een eerste nok verbonden met de eerste arm, ingericht voor samenwerking met de tweede arm, dat eveneens van een nok, of van een sleuf voorzien kan zijn. Het spreekt voor zich dat enig uit de stand van de techniek bekend begrenzingsmiddel voor dat doel toepasbaar is. Voorts kan op op zich bekende wijze een aantal voorkeursoriëntaties van 30 de begrenzingsmiddelen worden vastgelegd in de inrichting, zodat een verzorger de inrichting snel en eenvoudig in gereedheid kan brengen voor het verplaatsen van een persoon.
5
In een alternatieve voorkeursuitvoering omvat de inrichting volgens de onderhavige uitvinding ten minste een derde arm die zich uitstrekt tussen het eerste en de tweede arm, waardoor de eerste en tweede armen beter ten opzichte van elkaar oriënteerbaar zijn. Tevens zullen alsdan bij het verplaatsen van de persoon van een op een zij 5 liggende houding naar een zittende houding en vice versa doorgaans twee of meerdere draaipunten aanwezig zijn, waardoor een voor de persoon natuurlijk aanvoelende bewegingscurve gerealiseerd kan worden, zonder dat de verzorger hiertoe speciale verrichtingen of kennis hoeft aan te wenden. De koppelmiddelen zijn bij voorkeur ingericht voor afsleuning, in het bijzonder afwenteling, op een de inrichting 10 ondersteunende draagstructuur, waardoor de draaipunten de facto ter plaatse van de koppelmiddelen zijn gepositioneerd.
In een verdere uitvoeringsvorm van de inrichting overeenkomstig de uitvinding is ten minste één arm voorzien van middelen voor het ondersteunen van de persoon. Deze 15 middelen kunnen een ondersteuning voor het hoofd of de nek van de persoon omvatten, zoals een hoofdsteun of nekrol, of een draagriem die om het lichaam van de persoon bevestigd kan worden om hem of haar te ondersteunen. Het spreekt voor zich dat ook combinaties van middelen voor het ondersteunen van een persoon onder de uitvindingsgedachte van de onderhavige uitvinding vallen, alsook combinaties van 20 middelen welke elk aan een ander arm bevestigd zijn. Het is tevens denkbaar dat ten minste één arm is voorzien van een al dan niet ten opzichte van de arm uitkragende handgreep waarop de verzorger kan aangrijpen. Deze handgreep zou daarbij tevens kunnen zijn ingericht voor het ondersteunen van de te verplaatsen persoon. De handgreep kan bijvoorbeeld uit kunststof zijn vervaardigd waarop de te verplaatsen 25 persoon kan afsteunen. Teneinde de verzorger op betrouwbare en stabiele wijze te kunnen laten aangrijpen op de handgreep kan de handgreep zijn voorzien van fixeermiddelen voor het in hoofdzaak kunnen fixeren van de hand van de verzorger ten opzichte van de handgreep. De fixeermiddelen kunnen daarbij bijvoorbeeld worden gevormd door een verstelbaar riempje dat op de hand van de verzorger kan aangrijpen. 30
Teneinde de inrichting toepasbaar te maken voor diverse personen met verschillende lichaamsafmetingen is het voordelig ingeval de inrichting volgens de onderhavige uitvinding is voorzien van tenminste één arm waarvan de lengte verstelbaar is, zodat bijvoorbeeld de lengte van de arm kan worden afgestemd op de lengte van een 6 rotatiepunt van een beweging waarmee de persoon van de op een zij liggende houding naar de zittende houding wordt verplaatst tot een punt waarop bijvoorbeeld het hoofd van de persoon wordt ondersteund. Ook kan de lengte van een arm waarop de verzorger tijdens het verplaatsen van de persoon aangrijpt in lengte worden ingesteld, teneinde het 5 aan te passen op de lichaamslengte van de verzorger. Evenzeer kan de mogelijkheid tol instellen van de lengte van ten minste een arm gebruikt worden om de inrichting geschikt te maken voor gebruik bij een persoon die zich op een laaggeplaatste ondergrond, zoals een laag geplaatst bed bevindt. Het instelbaar maken van de lengte van ten minste één arm wordt bij voorkeur gerealiseerd door een arm toe te passen 10 welke ten minste twee telescopisch samenwerkende armsegmenten omvat. Door axiale rotatie kunnen de armsegmenten - na het instellen van een gewenste lengte - onderling worden geklemd, en daarmee worden gefixeerd.
In een alternatieve voorkeursuitvoering van de inrichting volgens de onderhavige 15 uitvinding omvat de inrichting bevestigingsmiddelen voor bevestiging van de inrichting aan een bed, of aan een wand, waardoor de inrichting op gefacilieerde wijze kan worden toegepast.
De uitvinding zal worden verduidelijkt aan de hand van in navolgende figuren 20 weergegeven niet-limitatieve uitvoeringsvoorbeelden. Hierin toont: figuren la en lb een uitvoeringsvorm van een inrichting volgens de onderhavige uitvinding in perspectivisch aanzicht, en figuren 2a-2j het gebruik toont van de uitvoeringsvorm van de inrichting volgens de onderhavige uitvinding uit figuur la,b.
25
Figuur la toont een inrichting 100 volgens de onderhavige uitvinding, in een toestand geschikt voor opslag en transport daarvan. De inrichting omvat een eerste arm 110 en een tweede arm 120, welke zijn gekoppeld door koppelmiddelen 150, welke koppelmiddelen 150 een eerste schamierdeel 130, verbonden met de eerste arm 110 30 omvat, en een tweede schamierdeel 140, verbonden met de tweede arm 120. Het eerste en het tweede schamierdeel kunnen losneembaar gekoppeld zijn, waarbij zij in een richting van de pijl 160 verplaatsbaar en los te nemen zijn, maar zij kunnen evenwel zwenkbaar gekoppeld zijn, waarbij de eerste arm 110 over een rotatieas 170 in de rotatierichting 180 zwenkbaar verplaatsbaar is ten opzichte van het tweede arm 120. De 7 eerste arm 110 is voorzien van een eerste telescopisch uitschuifbaar deel 115 en de tweede arm 120 is voorzien van een tweede telescopisch uitschuifbaar deel 125.
Figuur lb toont de inrichting 100 uit figuur la, waarbij de eerste arm gezwenkt is in een 5 rotatierichting 180, en waarbij het eerste telescopisch uitschuifbare deel 115 in een eerste richting 190 verschoven is ten opzichte van de eerste arm 110 en waarbij het tweede telescopisch uitschuifbare deel 125 in een eerste richting 200 verschoven is ten opzichte van de tweede arm 120.
10 Figuur 2a toont een verzorger 210, staand naast een bed 220 waarop zich een persoon 230 bevindt, die op haar rug ligt. Het bed 220 is zodanig in hoogte ingesteld dat de afstand 240 van de bovenzijde van het matras 260 vanaf de grond 250 in hoofdzaak overeenkomt met de hoogte van een heup van de verzorger 230.
15 Figuur 2b toont de inrichting 100 uit de figuren la, lb, waarvan het eerste telescopisch uitschuifbare deel 115 in een eerste richting 190 ten opzichte van de in figuur la weergegeven toestand door de verzorger verschoven is ten opzichte van de eerste arm 110 en waarbij het tweede telescopisch uitschuifbare deel 125 in een eerste richting 200 verschoven is ten opzichte van de tweede arm 120.
20
Figuur 2c toont de persoon 230 die ten opzichte van het bed 220 in de rotatierichting 230 gedraaid is, teneinde van de houding weergegeven in figuur 2a, waarin zij op haar rug ligt, te geraken in een op een zijwaartse lighouding. Het gezicht 280 van de persoon is daarbij naar de (niet weergegeven) verzorger toegekeerd.
25
Figuur 2d toont een van het gezicht 280 afgekeerde zijde van de persoon 230, en de door de (niet getoonde) verzorger 210 dicht achter haar opgestelde inrichting 100, waarvan het scharnier 150 is opgesteld ter hoogte 290 van de heup van de persoon 230. De inrichting 100 bevindt zich in een uitgeschoven doch niet ontvouwen toestand.
Figuur 2e toont de situatie van de persoon 230 en de inrichting 100 uit figuur 2d, ten opzichte waarvan de tweede arm 120 in een rotatierichting 180 door de (niet getoonde) verzorger 210 is geroteerd ten opzichte van de eerste arm 110.
30 8
Figuur 2f toont hoe de benen 320 van de persoon vervolgens door de verzorger volgens de pijl 310 worden verplaatst, waarbij de inrichting 100 in ongewijzigde positie achter de persoon 230 geplaatst blijft.
5 Figuur 2g toont hoe de verzorger 210 met zijn linkerhand 320 het eerste telescopisch uitschuifbare deel 115 van de inrichting aangrijpt, aldus zijn linkerarm onder het hoofd 280 dan wel de nek van de persoon doorstekend, ter ondersteuning daarvan. De verzorger 210 grijpt met zijn rechterhand 340 het tweede telescopisch uitschuifbare deel 125 van de inrichting aan, om vervolgens zijn linkerhand te bewegen volgens de eerste 10 pijlcurve 330 en zijn rechterhand te bewegen volgens de pijlcurve 350, de persoon aldus rond haar sagittalc as roterend verplaatsend van een op een zij liggende houding tot een zithouding.
Figuur 2h toont de situatie uit figuur 2g van de zijde van het gezicht 280 van de persoon 15 230, voor aanvang van de beweging langs de pijlcurven 330, 350 uit figuur 2g. De verzorger rust daarbij met zijn gewicht op zijn linkervoet 360.
Figuur 2i toont de situatie uit figuur 2g, nadat de persoon 230 onder beweging van de handen 320, 340 van de verzorger langs de respectievelijke pijlcurven 330, 350 is 20 uitgevoerd.
Figuur 2j toont de situatie uit figuur 2i, vanuit een naar het gezicht 280 van de persoon toegekeerde richting, waarbij de verzorger zijn gewicht tijdens het volgen van de pijlcurven 330, 350 uit figuur 2g heeft verplaatst van zijn linkervoet 360 naar zijn 25 rechtervoet 370.
Figuur 2k toont hoe de persoon 230 rechtop op het bed 220 zit, waarbij de verzorger (niet afgebeeld) de inrichting 100 via bevestigingsmiddelen 380 aan het bed 220 heeft bevestigd.
30
Het moge duidelijk zijn dat de uitvinding niet beperkt is tot de hier weergegeven en beschreven uitvoeringsvoorbeelden, maar dat binnen het kader van de bijgaande conclusies legio varianten mogelijk zijn, die voor de vakman op dit gebied voor de hand zullen liggen.
35