NL2002009C - Inrichting en werkwijze voor het afschermen van een van een wanddeelopening voorzien laadperron voor vrachtvoertuigen. - Google Patents

Inrichting en werkwijze voor het afschermen van een van een wanddeelopening voorzien laadperron voor vrachtvoertuigen. Download PDF

Info

Publication number
NL2002009C
NL2002009C NL2002009A NL2002009A NL2002009C NL 2002009 C NL2002009 C NL 2002009C NL 2002009 A NL2002009 A NL 2002009A NL 2002009 A NL2002009 A NL 2002009A NL 2002009 C NL2002009 C NL 2002009C
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
wall
shielding
wall part
foregoing
walls
Prior art date
Application number
NL2002009A
Other languages
English (en)
Inventor
George Johannes Ferdinandus Blom
Original Assignee
Geomar B V
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Geomar B V filed Critical Geomar B V
Priority to NL2002009A priority Critical patent/NL2002009C/nl
Priority to PCT/NL2009/050571 priority patent/WO2010036108A2/en
Application granted granted Critical
Publication of NL2002009C publication Critical patent/NL2002009C/nl

Links

Classifications

    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B65CONVEYING; PACKING; STORING; HANDLING THIN OR FILAMENTARY MATERIAL
    • B65GTRANSPORT OR STORAGE DEVICES, e.g. CONVEYORS FOR LOADING OR TIPPING, SHOP CONVEYOR SYSTEMS OR PNEUMATIC TUBE CONVEYORS
    • B65G69/00Auxiliary measures taken, or devices used, in connection with loading or unloading
    • B65G69/008Dock- or bumper-seals

Landscapes

  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • Mechanical Engineering (AREA)
  • Power-Operated Mechanisms For Wings (AREA)
  • Ladders (AREA)

Description

Inrichting en werkwijze voor het afschermen van een van een wanddeelopening voorzien laadperron voor vrachtvoertuigen
De uitvinding heeft betrekking op een inrichting voor het afschermen van een van een 5 wanddeelopening voorzien laadperron voor vrachtvoertuigen. De uitvinding heeft voorts betrekking op een werkwijze voor het afschermen van een van een wanddeelopening voorzien laadperron voor vrachtvoertuigen onder gebruikmaking van de inrichting volgens de uitvinding.
10 Distributie van producten vindt op grote schaal plaats. Vaak worden hierbij vrachtvoertuigen gebruikt, waarbij de te distribueren producten in het vrachtvocrtuig worden geladen, getransporteerd en vervolgens op een gewenste locatie worden gelost. Het laden vindt veelal plaats daar waar de producten op voorraad worden gehouden, worden geproduceerd en/of worden geassembleerd en het lossen vindt veelal plaats 15 waar de producten verder worden gedistribueerd, worden verwerkt en/of worden verkocht. Bij het laden en lossen wordt vaak gebruik gemaakt van een van een wanddeelopening voorzien laadperron (dockshelter) voor vrachtvoertuigen. Het laadperron kan bijvoorbeeld onderdeel zijn van een bij voorkeur overdekt distributiecentrum, waarbij het wanddeel onderdeel kan vormen van de behuizing van 20 het distributiecentrum. Vaak is tijdens het laden cn lossen het vrachtvocrtuig nabij of gedeeltelijk in de wanddeelopening van het laadperron gepositioneerd, waarbij een afsluitbare opening van het vrachtvoertuig naar het laadperron is gekeerd. In de stand van techniek bestaan voorzieningen om de ruimte tussen het vrachtvoertuig en de wanddeelopening van het laadperron, en daarmee het laadperron als zodanig af te 25 schermen tegen weersinvloeden, hetgeen voordelig kan zijn om zomers de toevoer van warme lucht door de wanddeelopening in een gekoelde mimte in het laadperron te beperken en ’s winters juist de toevoer van koude lucht door de wanddeelopening in een verwarmde ruimte in het laadperron te beperken. Dergelijke voorzieningen worden met name gevormd door luchtzakken die in een opgeblazen toestand zijn ingericht voor 30 aangrijping op een vrachtvoertuig, teneinde het microklimaat binnenin het laadperron en eventueel het vrachtvoertuig zoveel mogelijk te kunnen handhaven. Door de toenemende mate van criminaliteit groeit de behoefte om zich in het vrachtvoertuig en het laadperron bevindende producten op betrouwbare wijze af te schermen van malafide personen, teneinde diefstal en/of vernieling van de producten zo efficiënt mogelijk te 2 kunnen tegen te gaan. De in het voorgaande beschreven luchtzakken, toegepast om het microklimaat waarin de producten zich bevinden zoveel mogelijk te kunnen conserveren, blijken niet in deze behoefte te kunnen voorzien. De luchtzakken zijn relatief eenvoudig deformeerbaar, waardoor personen zich langs de luchtzakken relatief 5 eenvoudig toegang kunnen verschaffen tot het laadperron. Bovendien is gebleken dat de luchtzakken enigszins verslappen in de loop van de tijd, hetgeen het langs de luchtzakken verschaffen van toegang tot het laadperron verder vereenvoudigt.
De uitvinding heeft tot doel het verschaffen van een inrichting voor het op verbeterde 10 wijze afschermen van een van een wanddeelopening voorzien laadperron voor vrachtvocrtuigcn.
De uitvinding verschaft daartoe een inrichting van het in aanhef genoemde type, omvattende: ten minste één verplaatsbaar met het wanddeel verbonden afschermwand, 15 en ten minste één onder tussenkomst van ten minste één krachtoverbrengelement met de afschermwand direct mechanisch gekoppeld aandrijfelement voor het tussen een een nabij de wanddeelopening gepositioneerd vrachtvoertuig in hoofdzaak aangrijpende toestand en een het nabij de wanddeelopening gepositioneerd vrachtvoertuig vrijlatende toestand verplaatsen van de ten minste ene afschermwand. Door deze maatregelen 20 wordt een inrichting verschaft welke ccn van ccn van ccn wanddeelopening voorzien laadperron voor vrachtvoertuigen niet alleen doelmatig kan afschermen tegen weersinvloeden maar tevens tegen diefstal en andere criminele activiteiten. Immers doordat het aandrijfelement onder tussenkomst van een krachtoverbrengelement direct mechanisch is gekoppeld met de afschermwand kan door het aandrijfelement relatief 25 eenvoudig een van tevoren gedefinieerde, voldoende hoge kracht op de afschermwand in de het vrachtvoertuig aangrijpende toestand worden uitgeoefend, waardoor een persoon zich niet langer langs de afschermwand toegang kunnen verschaffen tot het laadperron en een laadruimte van het vrachtvoertuig.. Daar de inrichting overeenkomstig de uitvinding constructief relatief eenvoudig kan worden uitgevoerd, 30 zal de inrichting tevens op relatief goedkope wijze kunnen worden geproduceerd.
Bovendien zal de inrichting, als gevolg van de volledig mechanische koppeling van het aandrijfelement met de ten minste ene afschermwand op relatief betrouwbare en duurzame wijze kunnen functioneren. Met mechanisch gekoppeld wordt hierbij bedoeld dat een beweging van het aandrijfelement onder tussenkomst van het ten minste ene 3 mechanische krachtoverbrengelement direct leidt tot een beweging van het krachtoverbrengelement en de afschermwand. Bij voorkeur is de ten minste ene afschermwand in hoofdzaak star uitgevoerd, teneinde diefstal van producten via de wanddeelopening te bemoeilijken. Een van het wanddeel van het laadperron afgelegen 5 deel van de ten minste ene afschermwand dat is ingericht voor aangrijping op het vrachtvoertuig is bij voorkeur voorzien van flexibele afdichtingsmiddelen, teneinde beschadigingen van het vrachtvoertuig zoveel mogelijk te kunnen voorkomen. Het is tevens denkbaar om de ten minste ene afschermwand te vervaardigen uit een enigszins flexibel, ondoordringbaar materiaal, teneinde de aansluiting van de afschermwand op 10 het vrachtvoertuig te kunnen optimaliseren, zelfs ingeval het vrachtvoertuig helt (slagzij maakt) tijdens het laden cn/of lossen van het vrachtvoertuig. Onder wanddeel wordt overigens zowel een het laadperron begrenzende (buiten )muur verstaan alsook een op deze (buiten)muur bevestigd frame.
15 In een eerste uitvoeringsvorm omvat de inrichting meerdere met het wanddeel verplaatsbaar verbonden afschermwanden. Hierdoor wordt een verbeterde afscherming verkregen, doordat het vrachtvoertuig vanuit meerdere richtingen kan worden aangegrepen. Tevens kan hierbij worden volstaan met een verminderde nauwkeurigheid van de positie van het vrachtvoertuig ten opzichte van de wanddeelopening. Ook is het 20 door deze maatregel mogclijk het wanddeel hierbij te voorzien van een grotere wanddeelopening, wat het laden en lossen vergemakkelijkt. In het bijzonder worden twee zich in hoofdzaak verticale richting uitstrekkende afschermwanden toegepast. Dit kunnen bijvoorbeeld twee aan weerszijden van de wanddeelopening aan het wanddeel verplaatsbaar verbonden afschermwanden zijn. Hierdoor kan het vrachtvoertuig aan 25 weerszijden doelmatig door de afschermwanden worden aangegrepen wat resulteert in een verbeterde afscherming tegen weersinvloeden en diefstal. Het kunnen echter ook twee in hoofdzaak boven elkaar aan het wanddeel verplaatsbaar verbonden afschermwanden zijn. Afhankelijk van de weersomstandigheden en bijvoorbeeld de toegankelijkheid van de het laadperron omringende omgeving kan men er voor kiezen 30 de onderste afschermwand, de bovenste afschermwand of beiden te gebruiken voor het afschermen van het laadperron. In een andere voorkeursuitvoering kunnen de één of meerdere toegepaste afschermwanden elk zijn opgebouwd uit meerdere, onderling zwenkbaar en/of verschuifbaar verbonden afschermwandsegmenten, waardoor de effectieve breedte van de afschermwand(en) kan worden gereguleerd.
4
In een voordelige uitvoeringsvorm is het ten minste ene krachtoverbrengelement ingericht voor het in hoofdzaak gelijktijdig verplaatsen van ten minste twee afschermwanden. Hierdoor wordt een snellere afscherming van de wanddeelopening 5 verkregen, waardoor het risico van diefstal verder wordt verkleind. Indien het laadperron onderdeel uitmaakt van een gebouw, zoals een distributiecentrum, heeft de genoemde maatregel tevens als voordeel het verschil in binnen en buitentemperatuur groter blijft. Hierdoor zal ‘s zomers minder warme lucht het gebouw binnen kunnen vloeien en zal ’s winters minder warme lucht vanuit het gebouw naar buiten kunnen 10 vloeien. De energiebehoefte van bijvoorbeeld een airconditioning of een verwarming zal aldus verminderen. In het bijzonder is het minste cnc krachtoverbrengelement daarbij met ten minste twee afschermwanden verbonden. Dit levert een relatief eenvoudige en daarmee efficiënte en goedkope constmctie op voor het tegelijk verplaatsen van de afschermwanden. Het is ook voordelig indien het ten minste ene 15 aandrijfelement is ingericht voor het in hoofdzaak gelijktijdig verplaatsen van ten minste twee afschermwanden. Hierdoor kunnen met een vergrootte nauwkeurigheid de afschermwanden gelijktijdig worden verplaatst waarmee het tijdsbestek waartussen de afschermwanden het vrachtvoertuig aangrijpen kan worden verkleind. Dit resulteert in een verder verbeterde doelmatigheid van het afschermen van het laadperron. Bovendien 20 zal toepassing van ccn gemeenschappelijk aandrijfelement resulteren in een constructief relatief eenvoudige en compacte constructie, hetgeen vanuit financieel en logistiek oogpunt doorgaans voordelig zal zijn.
In een andere uitvoeringsvorm is ten minste één afschermwand ingericht voor het in 25 hoofdzaak aangrijpen op een zijkant van het vrachtvoertuig. Door het op een, doorgaans in hoofdzaak verticaal georiënteerde, zijkant aangrijpen van het vrachtvoertuig kan een doelmatige afscherming van de wandopening worden verkregen, teneinde diefstal op relatief efficiënte wijze te kunnen tegengaan. Ook is het voordelig indien ten minste één afschermwand is ingericht voor het in hoofdzaak aangrijpen op een bovenkant van het 30 vrachtvoertuig. Niet alleen wordt hierdoor het laadperron moeilijker via de wandopening toegankelijk gemaakt, ook wordt het laadperron op deze wijze beter afgeschermd tegen weersinvloeden, In een bijzondere voorkeursuitvoering zijn de afschermwanden ingericht voor het respectievelijk aangrijpen op zowel één of meerdere zijkanten alsook op de bovenkant van het vrachtvoertuig, teneinde de afscherming van 5 de wandopening te kunnen optimaliseren. Bij voorkeur grijpen de afschermwanden zodanig aan op het vrachtvoertuig dat de afschermwanden de opengeslagen deuren van het vrachtvoertuig omsluiten, teneinde de afdichting van de wanddeelopening te kunnen optimaliseren.
5
De ten minste ene afschermwand kan bijvoorbeeld verschuifbaar zijn verbonden met het wanddeel van het laadperron. Bij voorkeur is de ten minste ene afschermwand zwenkbaar verbonden met het wanddeel. Het is daarnaast tevens denkbaar dat de ten minste ene afschermwand zowel verschuifbaar als zwenkbaar is verbonden met het 10 wanddeel van het laadperron. Het voordeel van een dergelijke verbinding is dat geen verdere geleidingen benodigd zijn, dat het hcrhaaldclijk verplaatsen van de afschermwanden tot weinig slijtage leidt en dat de kinematica eenvoudig is en daarmee ook de aansturing. Dit levert een betrouwbare inrichting met een verder verkleind risico op een onderbreking van het gebruik van de inrichting.
15
De inrichting omvat bij voorkeur een star met een buitenzijde van het wanddeel verbonden afschermdak. Naast een betere afscherming tegen met name diefstal, biedt een dergelijk afschermdak ook verbeterde afscherming tegen externe weersomstandigheden, zoals regen, sneeuw, hagel, wind, et cetera. Het afschermdak 20 schermt daarbij bij voorkeur tevens de bewegende delen van de inrichting overeenkomstig de uitvinding af, teneinde sabotage van deze bewegende delen te kunnen tegengaan. In het bijzonder strekt het afschermdak zich ten minste gedeeltelijk uit tussen het wanddeel en een nabij de wanddeelopening gepositioneerd vrachtvoertuig. Het afschermdak kan zowel een zich in hoofdzaak horizontaal afschermdak zijn, als een 25 afschermdak wat onder een van dwars afwijkende hoek (ook wel bekend als afschot) met het wanddeel is bevestigd, hetgeen tot een verbeterde afwatering kan leiden.
In weer een andere uitvoeringsvorm strekt ten minste één afschermwand zich uit tussen een onder de afschermwand gelegen, doorgaans vlakke, ondergrond, tevens aangeduid 30 als vloer of bodem, en het afschermdak. Deze maatregel leidt tot zowel een verbeterde afscherming tegen weesinvloeden als tegen diefstal. In het bijzonder sluit de tenminste ene afschermwand aan op de ondergrond en/of het afschermdak. Hierbij kan bijvoorbeeld ook gebruik worden gemaakt van een dichting, zoals een met de ondergrond en/of afschermdak en/of afschermwand verbonden elastische strip of 6 borstel. Hiermee kan het laadperron met name worden afgeschermd tegen een door wind optredende hinderlijke luchtstroom.
In nog een uitvoeringsvorm omvat ten minste één krachtoverbrengelement een stang.
5 Een stang kan als krachtoverbrengelement met hoge mechanische stijfheid worden uitgevoerd waardoor een zeer doelmatige verplaatsbaarheid van de afschermwand wordt verkregen. Bij voorkeur is de afschermwand welke in hoofdzaak aangrijpt op een bovenkant van het vrachtvoertuig onder tussenkomst van meerdere stangen zwenkbaar verbonden met het wanddeel. Bij nadere voorkeur vormen de stangen een 10 stangensamenstel waarin de stangen onderling zwenkbaar met elkaar zijn verbonden, welk stangensamenstel bovenste en onderste met het wanddeel verbonden stangen omvat voor het op een van tevoren bekende kinematische baan verplaatsen van de afschermwand. Door deze maatregel wordt een betrouwbare, sterke en duurzame verbinding verkregen van de afschermwand met het wanddeel.
15
In nog weer een uitvoeringsvorm omvat ten minste één krachtoverbrengelement een kabel. Een kabel vormt een relatief sterk krachtoverbrengend element, waarbij een hoge stijfheid kan worden verkregen in langsrichting maar waarbij de kabel goede buigzaamheid in dwarsrichting heeft. Hierdoor kan de kabel eenvoudig van richting 20 worden veranderd, wat voordelig is indien bijvoorbeeld de verbinding van dc kabel met de afschermwand en het aandrijfelement niet in lijn liggen. Voorbeelden van toepasbare kabels zijn staalkabels, touw, kunststof vezels, et cetera. In het bijzonder is dan ook ten minste één kabel onder tussenkomst van ten minste één met ten minste één afschermwand verbonden geleidingselement met het aandrijfelement verbonden.
25 Hierdoor wordt een direct mechanische koppeling van het aandrij felement met de afschermwand verkregen, waarbij de onderlinge positie van het aandrijfelement en de afschermwand ruimer kan worden gekozen. De kabel kan hierbij immers op eenvoudige wijze van richting worden veranderd. Tevens heeft het gebruik van een geleiding als voordeel dat de duurzaamheid van de inrichting verder wordt vergroot. Bij voorkeur 30 wordt het geleidingselement gevormd door een katrol of een als glijgoot uitgevoerde geleiding. Een katrol heeft als voordeel dat de onderlinge verplaatsing van de kabel en de geleiding ten minste gedeeltelijk kan worden verminderd en zelfs kan worden opgeheven.
7
In een voordelige uitvoeringsvorm zijn tenminste twee afschermwanden onder tussenkomst van een kabel met elkaar gekoppeld en is de kabel onder tussenkomst van een geleidingselement met het aandrijfelement verbonden. Hierdoor is het mogelijk de afschermwanden onderling onafhankelijk te verplaatsen en tevens over een onderling 5 verschillende afstand waardoor het vrachtvoertuig minder nauwkeurig nabij de wanddeelopening van het laadperron hoeft te worden gepositioneerd. Immers, indien het vrachtvoertuig dichter bij een van de afschermwanden is gepositioneerd, zal dit dichterbij het vrachtvoertuig gelegen afschermwand eerder op het vrachtvoertuig aangrijpen, waarna een overliggende afschermwand verder kan worden verplaatst naar 10 een het vrachtvoertuig aangrijpende positie. Tevens zal op deze wijze kunnen worden gerealiseerd dat de afschermwanden permanent kunnen blijven aansluiten op het vrachtvoertuig ingeval het vrachtvoertuig bijvoorbeeld zal hellen tijdens het laden en/of lossen van het vrachtvoertuig.
15
In nog een voordelige uitvoeringsvorm omvat het aandrijfelement een met de kabel samenwerkende lier. Door gebruik te maken van een met de kabel samenwerkende lier kan op eenvoudige wijze een kracht op de kabel worden uitgeoefend. In het bijzonder is ten minste één met de afschermwanden verbonden kabel met de lier gekoppeld onder 20 tussenkomst van een met de licrkabcl verbonden geleidingselement. Bij voorkeur is het geleidingselement een katrol of een glijgoot. Door deze maatregel kunnen de afschermwanden op eenvoudige wijze worden verplaatst, waarbij de verplaatsing van de afschermwanden onderling kan verschillen.
In nog een uitvoeringsvorm omvat het aandrijfelement een elektromotor. Een 25 elektromotor is goedkoop, betrouwbaar en kan op eenvoudige wijze worden gekoppeld met de lier voor het efficiënt kunnen oprollen en uitrollen van een krachtoverbrengende kabel voor het kunnen verplaatsen van de één of meerdere afschermwanden.
In nog een andere uitvoeringsvorm omvat de inrichting ten minste één detectie-element 30 voor het detecteren van de door het aandrijfelement op de ten minste ene afschermwand uitgeoefende kracht. De grootte van de op de afschermwand uitgeoefende kracht kan worden vergeleken met een van tevoren gemaximeerde waarde van de op de afschermwand uit te oefenen kracht en aan de hand daarvan kan het aandrijfelement 8 worden aangestuwd zodat de kans op eventuele beschadiging aan het vrachtvoertuig en/of onderdelen van de inrichting zoals de afschermwand te verminderen.
Tn nog weer een andere uitvoeringsvorm omvat de inrichting tevens ten minste één 5 sensor voor het detecteren van voorwerpen en/of personen in althans een zich onder een laadruim van het vrachtvoertuig bevindende vrije ruimte. Hiermee wordt niet alleen het risico van eventuele diefstal, beschadiging van te laden of lossen producten letsel van gebruikers of andere zich in de ruimte bevindende personen verder verkleind maar wordt tevens het risico van het ongewenst blokkeren en daarmee eventuele gepaard 10 gaande beschadiging van de inrichting verkleind. De sensor kan daarbij divers van aard zijn, maar wordt bij voorkeur gevormd door een bewegingssensor, in het bijzonder een camera.
De uitvinding heeft tevens betrekking op een werkwijze voor het afschermen van een 15 van een wanddeelopening voorzien laadperron voor vrachtvoertuigen onder gebruikmaking van de inrichting volgens de uitvinding, omvattende de stappen van: a) het nabij of in de wanddeelopening positioneren van ten minste een deel van het vrachtvoertuig, en b) het naar het vrachtvoertuig in hoofdzaak aangrijpende toestand verplaatsen van ten minste één afschermwand. Bij voorkew worden tijdens stap b) ten 20 minste twee afschcrmwandcn in hoofdzaak gelijktijdig naar dc het vrachtvoertuig in hoofdzaak aangrijpende toestand verplaatst. In een alternatieve voorkeursuitvoering worden tijdens stap b) de ten minste twee afschermwanden over een onderling verschillende afstand verplaatst. Voordelen en uitvoeringsvormen van de werkwijze overeenkomstig de uitvinding zijn reeds in het voorgaande en worden in het navolgende 25 op uitvoerige wijze beschreven.
De uitvinding wordt verduidelijkt aan de hand van in navolgende figuren weergegeven niet-limitatieve uitvoeringsvoorbeelden. Hierin toont: figuur 1 een schematisch aanzicht op een laadperron volgens de stand van de techniek, 30 figuur 2 een schematisch perspectivisch aanzicht op een laadperron, voorzien van een inrichting overeenkomstig de uitvinding, figuur 3 een schematisch bovenaanzicht op een laadperron, voorzien van de inrichting van figuur 2, 9 figuur 4 een schematisch perspectivisch gedetailleerd aanzicht op een laadperron, voorzien van de inrichting van figuur 2, figuur 5 een schematisch zijaanzicht op een laadperron, voorzien van de inrichting van figuur 2, waarbij de inrichting tevens is voorzien een sensor, en 5 figuur 6 een perspectivisch schematisch aanzicht op een laadperron, voorzien van de inrichting van figuur 2, waarbij een vrachtvoertuig is gepositioneerd nabij het laadperron.
Figuur 1 toont een schematisch aanzicht op een in zijn geheel met verwijscijfer 1 10 aangeduid laadperron. Het laadperron 1 maakt deel uit van een gebouw 4, en wordt begrensd door een in ccn wanddccl 3 aangcbrachtc wanddcclopcning 2. Aan een buitenzijde van het wanddeel 3 strekt zich een ondergrond 5 voor vrachtvoertuigen (niet-weergegeven) uit. Boven en in hoofdzaak parallel aan de ondergrond 5 strekt zich een gedeeltelijk weergegeven en hoofdzakelijk binnen het gebouw 4 gelegen laad- en 15 losvloer 6 uit. De laad- en losvloer 6 kan in hoogte verplaatsbaar zijn, veelal aangeduid als een zogenaamde ‘leveIer’, teneinde de laad- en losvloer 6 zo nauwkeurig mogelijk te kunnen laten aansluiten op de laadruimte van het vrachtvoertuig. De wanddeelopening 2 is afsluitbaar door middel van een roldeur 7.
20 Figuur 2 toont ccn schematisch perspectivisch aanzicht op ccn laadperron 20. Het laadperron 20 is voorzien van een wanddeelopening 21, welke is aangebracht in een wanddeel 22, bijvoorbeeld een muur of een op een muur aangebracht frame, van een (niet-weergegeven) gebouw. Aan een buitenzijde van het wanddeel 22 is een ondergrond 23 voor vrachtvoertuigen aangebracht. Boven en in hoofdzaak parallel aan 25 de ondergrond 23 strekt zich een gedeeltelijk weergegeven en hoofdzakelijk binnen het gebouw gelegen laad- en losvloer 24 uit. Voorts is een inrichting 25 weergegeven voor het afschermen van het laadperron 20. De inrichting 25 omvat twee zwenkbaar in de richting van de pijlen PI om scharnieren 26 met het wanddeel 22 verbonden en zich in hoofdzaak in verticale richting uitstrekkende, in hoofdzaak starre afschermwanden 27 30 en een onder tussenkomst van stangen 28 zwenkbaar in de richting P2 om scharnieren 29 met het wanddeel 22 verbonden en zich in hoofdzaak in verticale richting uitstrekkende in hoofdzaak starre afschermwand 30. Aan de buitenzijde van het wanddeel 22 is een in hoofdzaak star afschermdak 31 star verbonden. De afschermwanden 27 strekken zich tussen de ondergrond 23 en het afschermdak 31 uit.
10
De afschermwanden 27 zijn aan een van het wanddeel 22 afgekeerde zijde voorzien van een flexibele rand 32 en de afschermwand 30 is aan de onderzijde voorzien van een flexibele rand 32. De wanddelen 27,30 zijn onder tussenkomst van een (niet-weergegeven) krachtoverbrengelement direct mechanisch gekoppeld met een (niet-5 weergegeven) aandrijfelement. Het aandrijfelement kan onder tussenkomst van het krachtoverbrengelement de afschermwanden 27,30 zwenkbaar naar elkaar toe verplaatsen ten opzichte van het wanddeel 22, zie ook figuur 4. Tevens is de inrichting 25 voorzien van (niet-weergegeven) contragewichten en/of compensatieveren voor het zwenkbaar van elkaar af verplaatsen van de afschermwanden 27 en het omhoog 10 verplaatsen van de afschermwand 30. Door het activeren van het aandrijfelement zullen de afschermwanden 27, 30 in de richting van een door de afschermwanden 27, 30 omsloten deel van een vrachtvoertuig worden verplaatst, totdat de afschermwanden 27, 30 het vrachtvoertuig aangrijpen. Op deze wijze kan de wanddeelopening 21 in hoofdzaak worden afgeschermd, waardoor (malafide) personen zich geen of althans 15 geen eenvoudige toegang kunnen verschaffen tot het laadperron 20. Bovendien kan op deze wijze afkoeling dan wel opwarming het microklimaat in het gebouw worden tegengegaan. Een verdere uitwerking van de inrichting 25 voor afscherming van het laadperron 20 zal in het navolgende worden gegeven.
20 Figuur 3 toont een schematisch bovenaanzicht op het laadperron 20 voorzien van de inrichting 25 van figuur 2. In deze figuur worden identieke onderdelen aangeduid met de overeenkomstige verwijscijfers uit figuur 2. Een vrachtvoertuig 33 is hierbij nabij de wanddeelopening 21 gepositioneerd, waarbij laaddeuren 34 van het vrachtvoertuig 33 geheel geopend zijn. Dit maakt het mogelijk producten vanuit het vrachtvoertuig 33 te 25 lossen richting de laad- en losvloer 24, dan wel producten vanuit de laad- en losvloer te laden in het vrachtvoertuig 33. Voor het afschermen van het laadperron 20 grijpen de afschermwanden 27 onder tussenkomst van randen 32 aan op de zijkant van het vrachtvoertuig 33, waarbij de laaddeuren 34 van het vrachtvoertuig 33 de facto worden omgeven door de afschermwanden 27. In de getoonde toestand is het vrachtvoertuig 33 30 onder het afschermdak 31 gepositioneerd, waarvan in deze figuur slechts de contouren zijn weergegeven, en is de afschermwand 30 dusdanig onder tussenkomst van de stangen 28 zwenkbaar verplaatst dat deze op de bovenkant het vrachtvoertuig 33 aangrijpt, teneinde de afscherming van de wanddeelopening 21 te kunnen optimaliseren.
11
Figuur 4 toont een schematisch perspectivisch aanzicht op de inrichting 25 van figuur 2. Naast de in figuur 2 omschreven elementen toont figuur 4 tevens een kabel 40. De kabel 40 is aan een eerste uiteinde 40a met de ondergrond 23 star verbonden op positie 41. De kabel 40 is achtereenvolgens over met de afschermwanden 27 verbonden katrollen 5 42,43, met het afschermdak 31 verbonden katrol 44 en met de afschermwand 30 verbonden katrollen 45,46 geleid. De kabel 40 is verder achtereenvolgens met de afschermwand 30 verbonden katrollen 47,48, met het afschermdak 31 verbonden katrol 49 en over met de afschermwanden 27 verbonden katrollen 50,51 geleid. De kabel 40 is aan een tweede uiteinde 40b met de ondergrond 23 star verbonden op positie 52. Boven 10 het afschermdak 31 is een elektromotor 53 star met het wanddeel 22 verbonden. Met een niet weergegeven aandrijfas van de elektromotor 53 is een lier 54 verbonden. De kabel 40 wordt tussen katrollen 46,47 om een katrol 55 geleidt, welke katrol 55 onder tussenkomst van een kabel 56 met de lier 54 is verbonden. Tussen de buitenzijde van de afschermwanden 27 en het wanddeel 22 zijn veren 57 verbonden. Met de stangen 28 15 zijn niet weergegeven contragewichten verbonden, welke contragewichten een dusdanige kracht oefenen op de stangen 28, waardoor de afschermwand 30 in opwaartse richting wordt gedrongen.
De werking van de inrichting 25 is als volgt. In ruststand, dat wil zeggen ingeval de elektromotor 53 geen kracht uitoefent op de kabel 40, oefenen de veren 57 een kracht 20 op de afschermwanden 27 richting het wanddeel 22 uit, waardoor de afschermwanden 27 de mimte voor de wanddeelopening 21 vrijlaten. In deze ruststand kan een vrachtvoertuig 33 nabij de wanddeelopening 21 met de vrachtdeuren 34 richting het laadperron 20 worden gepositioneerd. Vervolgens zal de elektromotor 53 worden bediend, waardoor de kabel 56 op de lier 54 zal worden gedraaid. De katrol 55 zal 25 hierdoor eveneens richting de lier worden verplaatst, waarbij de katrol de kabel 40 mee verplaatst richting de lier 54. Aangezien beide uiteinden 40a,40b van de kabel 40 star zijn verbonden met de ondergrond 23 en de katrollen 44 en 49 star met het afschermdak 31 zijn verbonden, zullen de star met de afschermwanden 27 verbonden katrollen 42,43,50,51 de afschermwanden 27 om scharnieren 26 naar elkaar toe en richting de 30 zijkanten van het nabij het laadperron 20 gepositioneerde vrachtvoertuig 33 dringen. Tevens zullen de star met het afschemiwand 30 verbonden katrollen 45,46,47,48 de afschermwand 30 richting de bovenkant van het nabij het laadperron 20 gepositioneerde vrachtvoertuig 33 dringen. De elektromotor 53 werkt hierbij de veerkracht van de veren 57 tegen. Deze situatie is in figuur 4 weergegeven, aangezien de katrollen 42,51 dichtbij 12 de posities 40a en 40b zijn gelegen. Indien de elektromotor 53 wordt uitgeschakeld zullen de veren 57 een kracht uitoefenen waardoor de afschermwanden 27 van het vrachtvoertuig 33 af en richting het wanddeel 22 zullen zwenken, waarbij de afschermwanden 27 doorgaans in hoofdzaak loodrecht ten opzichte van het wanddeel 5 22 zullen worden gepositioneerd. Op deze wijze kan het door de inrichting 25 ingenomen volume zo beperkt mogelijk worden gehouden, zodat meerdere laadperrons op relatief korte afstand van elkaar kunnen worden gepositioneerd. Het is echter tevens denkbaar dat de inrichting 25 vergrendelt ingeval de elektromotor 53 wordt uitgeschakeld, waardoor de afschermwanden 27 en het afschermdak 30 in de het 10 vrachtvoertuig aangrijpende toestand blijven gesitueerd. Na het hernieuwd inschakelen van de elektromotor 53 kunnen de afschermwanden 27 en het afschermdak 30 weer in een van het vrachtvoertuig afgekeerde richting worden verplaatst. Het is tevens denkbaar om de elektromotor 53 permanent ingeschakeld te houden, al zal dit doorgaans vanuit oogpunt van duurzaamheid doorgaans niet de grootste voorkeur 15 genieten. De met de stangen 28 verbonden niet weergegeven contragewichten zullen op de stangen 28 en de afschermwand 30 een dusdanige kracht uitoefenen dat de afschermwand 30 in opwaartse richting en van het vrachtvoertuig 33 af wordt verplaatst.
20 Figuur 5 toont een schematisch zijaanzicht op de inrichting 25 van figuur 2, waarbij de inrichting 25 tevens is voorzien van een sensor 58 voor het detecteren van voorwerpen en/of personen. De sensor 58 is op de ondergrond 23 geplaatst, onder de laadruimte 33a en tussen de wielen 33b van een nabij het laadperron 20 gepositioneerd vrachtvoertuig en het wanddeel 22 in. Echter, het is tevens denkbaar om de sensor 58 op andere 25 posities te monteren, zoals bijvoorbeeld juist onder een laad- en losvloer van het laadperron 20. Op deze wijze kan het niet-afgeschermde deel van het vrachtvoertuig worden geobserveerd. De (optioneel) met het elektriciteitsnet elektrisch geleidend verbonden sensor 58 omvat een camera voor het detecteren van bewegingen van personen en voorwerpen. De sensor 58 detecteert in dit uitvoeringsvoorbeeld in drie 30 orthogonale richtingen F1 ,F2,F3. Het is tevens denkbaar om in plaats van een dergelijke camera andersoortige camera’s of bewegingssensoren 58 toe te passen.
Figuur 6 toont een perspectivisch schematisch aanzicht op de inrichting van figuur 2, waarbij een vrachtvoertuig 33 is gepositioneerd nabij het laadperron 20. Het 13 vrachtvoertuig 33 is dusdanig nabij het laadperron 20 geplaatst, dat de achterzijde van het vrachtvoertuig 33 zich onder het afschermdak 31 uitstrekt. De afschermwanden 27,30 dringen hierbij tegen het vrachtvoertuig 33 aan, onder tussenkomst van de (in deze figuur niet-weergegeven) kabel 40. De door de kabel 40 op de afschermwanden 5 27,30 uitgeoefende kracht is hierbij dusdanig groot om de toegang tot de wanddeelopening 21 van het laadperron 20 praktisch ontoegankelijk te kunnen maken voor (malafide) personen, teneinde diefstal van zich op het laadperron 20 en in het vrachtvoertuig 33 bevindende producten te kunnen tegengaan.
10 Het moge duidelijk zijn dat de uitvinding niet beperkt is tot de hier weergegeven en beschreven uitvoeringsvoorbeelden, maar dat binnen het kader van de bijgaande conclusies een groot aantal varianten mogelijk zijn, die voor de vakman op dit gebied voor de hand zullen liggen.

Claims (24)

1. Inrichting voor het afschermen van een van een wanddeelopening voorzien laadperron voor vrachtvoertuigen, omvattende: 5. ten minste één verplaatsbaar met het wanddeel verbonden afschermwand, en ten minste één onder tussenkomst van ten minste één krachtoverbrengelement met de afschermwand direct mechanisch gekoppeld aandrijfelement voor het tussen een een nabij de wanddeelopening gepositioneerd vrachtvoertuig in hoofdzaak aangrijpende toestand en een het nabij de wanddeelopening 10 gepositioneerd vrachtvoertuig vrijlatende toestand verplaatsen van de ten minste ene afschermwand.
2. Inrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk dat de inrichting meerdere met het wanddeel verplaatsbaar verbonden afschennwanden omvat. 15
3. Inrichting volgens conclusie 2, met het kenmerk dat het ten minste ene krachtoverbrengelement is ingericht voor het in hoofdzaak gelijktijdig verplaatsen van ten minste twee afschermwanden.
4. Inrichting volgens conclusie 3, met het kenmerk dat het ten minste ene krachtoverbrengelement met ten minste twee afschermwanden is verbonden.
5. Inrichting volgens een der conclusies 2-4, met het kenmerk dat het ten minste ene aandrijfelement is ingericht voor het in hoofdzaak gelijktijdig verplaatsen van ten 25 minste twee afschermwanden.
6. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk dat ten minste één afschermwand is ingericht voor het in hoofdzaak aangrijpen op een zijkant van het vrachtvoertuig. 30
7. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk dat ten minste één afschermwand is ingericht voor hel in hoofdzaak aangrijpen op een bovenkant van het vrachtvoertuig.
8. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk dat ten minste één afschermwand zwenkbaar is verbonden met het wanddeel.
9. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk dat ten 5 minste één afschermwand verschuifbaar is verbonden met het wanddeel.
10. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk dat de inrichting een star met een buitenzijde van het wanddeel verbonden afschermdak omvat.
11. Inrichting volgens conclusie 10, met het kenmerk dat ten minste één afschermwand zich tussen een onder de afschermwand gelegen ondergrond cn het afschermdak uitstrekt.
12. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk dat ten 15 minste één krachtoverbrengelement een stang omvat.
13. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk dat ten minste één krachtoverbrengelement een kabel omvat.
14. Inrichting volgens conclusies 13, met het kenmerk dat ten minste één kabel onder tussenkomst van ten minste één met ten minste één afschermwand verbonden geleidingselement met het aandrijfelement is verbonden.
15. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk dat 25 tenminste twee afschermwanden onder tussenkomst van een gemeenschappelijke kabel met elkaar zijn gekoppeld.
16. Inrichting volgens conclusie 15, met het kenmerk dat de kabel onder tussenkomst van een geleidingselement met het aandrijfelement is verbonden. 30
17. Inrichting volgens een der conclusies 14 - 16, met kenmerk dat de inrichting een met de kabel samenwerkende lier omvat,
18. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met kenmerk dat het aandrijfelement een elektromotor omvat.
19. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk dat de 5 inrichting ten minste één detectie-element omvat voor het detecteren van de door het aandrijfelement op de tenminste ene afschermwand uitgeoefende kracht.
20. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk dat de inrichting een besturingseenheid omvat voor reguleren van de door het aandrijfelement 10 op de afschermwand uitgeoefende kracht op basis van de gedetecteerde door het aandrijfelement op dc afschermwand uitgcocfcndc kracht.
21. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk dat de inrichting tevens ten minste één sensor omvat voor het detecteren van voorwerpen en/of 15 personen in althans een zich onder een laadruim van het vrachtvoertuig bevindende vrije ruimte.
22. Werkwijze voor het afschermen van een van een wanddeelopening voorzien laadperron voor vrachtvoertuigen onder gebruikmaking van de inrichting volgens een 20 der conclusies 1-21, omvattende dc stappen van: a) het nabij of in de wanddeelopening positioneren van ten minste een deel van het vrachtvoertuig, en b) het naar het vrachtvoertuig in hoofdzaak aangrijpende toestand verplaatsen van ten minste één afschermwand. 25
23. Werkwijze volgens conclusie 22, met het kenmerk dat tijdens stap b) ten minste twee afschermwanden in hoofdzaak gelijktijdig naar de het vrachtvoertuig in hoofdzaak aangrijpende toestand worden verplaatst.
24. Werkwijze volgens conclusie 23, met het kenmerk dat tijdens stap b) de ten minste twee afschermwanden over een onderling verschillende afstand worden verplaatst,
NL2002009A 2008-09-23 2008-09-23 Inrichting en werkwijze voor het afschermen van een van een wanddeelopening voorzien laadperron voor vrachtvoertuigen. NL2002009C (nl)

Priority Applications (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2002009A NL2002009C (nl) 2008-09-23 2008-09-23 Inrichting en werkwijze voor het afschermen van een van een wanddeelopening voorzien laadperron voor vrachtvoertuigen.
PCT/NL2009/050571 WO2010036108A2 (en) 2008-09-23 2009-09-23 Device and method for screening a dock shelter for trucks provided with a wall part opening

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2002009A NL2002009C (nl) 2008-09-23 2008-09-23 Inrichting en werkwijze voor het afschermen van een van een wanddeelopening voorzien laadperron voor vrachtvoertuigen.
NL2002009 2008-09-23

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL2002009C true NL2002009C (nl) 2010-03-24

Family

ID=40377310

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL2002009A NL2002009C (nl) 2008-09-23 2008-09-23 Inrichting en werkwijze voor het afschermen van een van een wanddeelopening voorzien laadperron voor vrachtvoertuigen.

Country Status (2)

Country Link
NL (1) NL2002009C (nl)
WO (1) WO2010036108A2 (nl)

Citations (6)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE8333949U1 (de) * 1983-11-25 1987-01-29 Marinitsch, Waldemar, 8000 München Be- und Entladestation für Fahrzeuge
DE3630573A1 (de) * 1986-09-09 1988-05-19 Friedrich Freimuth Vorrichtung zum abdichten von verkehrsoeffnungen
US5016391A (en) * 1990-07-20 1991-05-21 Energy Concepts, Inc. Door and dock cover
US5345733A (en) * 1993-04-20 1994-09-13 Fairborn Usa Inc. Truck/trailer gap fill closure for storage terminal dock
US20050102041A1 (en) * 2002-04-18 2005-05-12 Spx Corporation Zone specific remote control panel for loading dock equipment
DE202008004302U1 (de) * 2008-03-27 2008-05-29 Kleinewächter, Stefan Torabdichtung

Family Cites Families (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
CH576580A5 (en) * 1973-12-20 1976-06-15 Frech Gebr Ag Truck loading bay door opening - has side curtains on overhead swivelling arms for mechanical movement toward truck
DE3710598A1 (de) * 1987-03-31 1988-10-20 Wijk Nederland Verformbare dichtung des spaltes zwischen einer gebaeudeoeffnung und einem an diese herangefahrenen fahrzeug

Patent Citations (6)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE8333949U1 (de) * 1983-11-25 1987-01-29 Marinitsch, Waldemar, 8000 München Be- und Entladestation für Fahrzeuge
DE3630573A1 (de) * 1986-09-09 1988-05-19 Friedrich Freimuth Vorrichtung zum abdichten von verkehrsoeffnungen
US5016391A (en) * 1990-07-20 1991-05-21 Energy Concepts, Inc. Door and dock cover
US5345733A (en) * 1993-04-20 1994-09-13 Fairborn Usa Inc. Truck/trailer gap fill closure for storage terminal dock
US20050102041A1 (en) * 2002-04-18 2005-05-12 Spx Corporation Zone specific remote control panel for loading dock equipment
DE202008004302U1 (de) * 2008-03-27 2008-05-29 Kleinewächter, Stefan Torabdichtung

Also Published As

Publication number Publication date
WO2010036108A3 (en) 2010-08-05
WO2010036108A2 (en) 2010-04-01

Similar Documents

Publication Publication Date Title
US4536004A (en) Movable foot-step for a vehicle
CN100441457C (zh) 滑动踏板
US6834903B2 (en) Tailgate ramp system
JP7354980B2 (ja) 配送用車両及び配送用車両制御システム
US6502268B2 (en) Weather shield for below a dock leveler
CA1203513A (en) Cargo elevator system
US6471282B2 (en) Reliable retractable protective cover assembly
US6425214B1 (en) Vehicle sealing device
JP2011515259A (ja) カーゴ取扱装置
CN115515852B (zh) 用于飞行器的带有平台的储存箱
US20030227188A1 (en) Motor vehicle with a tailgate
US20230234430A1 (en) Automotive cargo/tray cover assembly
US5810412A (en) Guard for animal transporting vehicles
US20200240874A1 (en) A Transportable Vehicle Enclosure for Inspecting Vehicles
NL2002009C (nl) Inrichting en werkwijze voor het afschermen van een van een wanddeelopening voorzien laadperron voor vrachtvoertuigen.
CN114364605A (zh) 装船用防风雨装置
US20190263235A1 (en) Apparatus for covering a container load
FR3055008A1 (fr) Dispositif d'occultation visuelle depuis un vehicule devant un quai de transbordement
NL2020267B1 (en) Top seal for a loading/unloading dock, dock, distribution centre and method therefor
KR20200120149A (ko) 차량용 적재장치
KR102680073B1 (ko) 적재함 높이 가변형 탑차
JP5311783B2 (ja) 機械式駐車装置の扉ガイドレール
CA3029039C (en) Electronic animal feeding system
US20230227296A1 (en) Material handling lift
CA2589645C (en) Device for manipulating a tarpaulin

Legal Events

Date Code Title Description
V1 Lapsed because of non-payment of the annual fee

Effective date: 20120401