NL2007691C2 - Veestal met mestkelder. - Google Patents
Veestal met mestkelder. Download PDFInfo
- Publication number
- NL2007691C2 NL2007691C2 NL2007691A NL2007691A NL2007691C2 NL 2007691 C2 NL2007691 C2 NL 2007691C2 NL 2007691 A NL2007691 A NL 2007691A NL 2007691 A NL2007691 A NL 2007691A NL 2007691 C2 NL2007691 C2 NL 2007691C2
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- manure
- floor
- liquid
- cellar
- manure cellar
- Prior art date
Links
Classifications
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01K—ANIMAL HUSBANDRY; AVICULTURE; APICULTURE; PISCICULTURE; FISHING; REARING OR BREEDING ANIMALS, NOT OTHERWISE PROVIDED FOR; NEW BREEDS OF ANIMALS
- A01K1/00—Housing animals; Equipment therefor
- A01K1/01—Removal of dung or urine ; Removal of manure from stables
- A01K1/0103—Removal of dung or urine ; Removal of manure from stables of liquid manure
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01K—ANIMAL HUSBANDRY; AVICULTURE; APICULTURE; PISCICULTURE; FISHING; REARING OR BREEDING ANIMALS, NOT OTHERWISE PROVIDED FOR; NEW BREEDS OF ANIMALS
- A01K1/00—Housing animals; Equipment therefor
- A01K1/015—Floor coverings, e.g. bedding-down sheets ; Stable floors
- A01K1/0151—Grids; Gratings; Slatted floors
Landscapes
- Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- Environmental Sciences (AREA)
- Zoology (AREA)
- Animal Husbandry (AREA)
- Biodiversity & Conservation Biology (AREA)
- Housing For Livestock And Birds (AREA)
- Treatment Of Sludge (AREA)
Description
Nr. NLP190132A
Veestal met mestkelder
ACHTERGROND VAN DE UITVINDING
De uitvinding heeft betrekking op een veestal met een mestkelder.
5 Wanneer ureum uit urine in contact komt met het enzym urease dat in uitwerpselen van dieren zit wordt ammoniak gevormd. De vorming van ammoniak kan enerzijds worden tegengegaan door urine en uitwerpselen van dieren van elkaar te scheiden, en anderzijds door de urine en/of 10 uitwerpselen te behandelen met bijvoorbeeld een zuur.
Een veestal ingericht om ammoniakemissie te beperken is bekend uit Europese octrooiaanvrage EP 0 850 561 Al dat een systeem beschrijft met roostervloer en een daaronder geplaatste mestopvangruimte, een 15 bandtransporteur voor vaste mestdelen die de mestopvangruimte overbrugt en vloeistofdoorlaatbaar is, en een vloeistofkanaal voor het afvoeren van vloeibare mestdelen, waarbij aan de vloeibare mestdelen een zuur wordt toegevoegd om de vorming van ammoniak tegen te gaan. Een 20 nadeel van de bekende veestal is dat de bandtransporteur een groot oppervlak moet beslaan en veelvuldig moet worden bewogen om een goede en tijdige scheiding van vaste en vloeibare mestdelen te bewerkstelligen.
Het bekende systeem omvat verder een roostervloer 25 waarop het vee kan liggen en/of staan en welke een aantal openingen omvat voor het doorlaten van de mest en urine naar een daaronder gelegen opvangruimte.
2
Het is een doel van de uitvinding om een veestal met mestkelder te verschaffen voor het tegengaan van ammoniakuitstoot die althans een van de hiervoor genoemde nadelen althans ten dele oplost.
5
SAMENVATTING VAN DE UITVINDING
Volgens een eerste aspect verschaft de uitvinding 10 een veestal met een mestkelder, waarbij de mestkelder een vloer en van de vloer opstaande wanden omvat, waarbij ten miste één van de wanden is voorzien van een doorvoer voor het uit de mestkelder voeren van mest, waarbij de doorvoer een op afstand van de vloer geplaatste onderzijde heeft, 15 waarbij de mestkelder is ingericht voor het in de mestkelder houden van een laag vloeistof die de vloer bedekt en tenminste tot aan een vooraf bepaald niveau reikt, waarbij de mestkelder verder omvat een aandrijfinrichting voor het aandrijven van een stroming in de laag vloeistof in de 2 0 mestkelder, en een afvoerinrichting voor het naar de doorvoer afvoeren van mestdelen die in de vloeistof zweven en/of drijven.
Wanneer de vloeibare mestdelen wordt vermengd met de laag vloeistof wordt de concentratie van ureum 25 aanzienlijk verdund, zodat de ammoniakvorming aanzienlijk wordt vertraagd. De laag vloeistof omvat voldoende vloeistof zodat een stroming daarvan op gang kan worden gebracht en het ureum zich over de gehele laag vloeistof kan verspreiden. De laag vloeistof, die aldus als een 30 transportvloeistof voor de vaste en vloeibare mestdelen werkt, bedekt bij voorkeur in hoofdzaak de gehele vloer. De vloeistof bestaat bij voorkeur in hoofdzaak uit water, al dan niet voorzien van toevoegingen zoals pH- verlagingsmiddelen en/of calciumzouten, om de zuurgraad 35 respectievelijk het soortelijk gewicht van de vloeistof te verhogen.
In een uitvoeringsvorm omvat de aandrijfinrichting 3 een fluïdumleiding die is voorzien van perforaties die onder het vooraf bepaalde niveau uitmonden in de mestkelder. Lucht en/of vloeistof dat onder een lichte overdruk ten opzichte van de vloeistoflaag door de perforaties in de vloeistoflaag 5 wordt gebracht drijft zo een stromen van de vloeistof in de vloeistof laag aan, bij voorkeur in een van de gaten afgekeerde stromingsrichting. Hierbij is het van belang dat de aandrijfinrichting de vloeistoflaag zo gering beroert dat de in de vloeistoflaag drijvende mestdelen wel in de 10 stromingsrichting worden aangedreven, maar in hoofdzaak niet onder invloed van de stroming verder in vloeistof worden ondergedompeld. De fluïdumleiding is bij voorkeur op of bij de vloer van de mestkelder geplaatst, zodat deze in hoofdzaak vast aan de mestkelder is bevestigd, en de meeste 15 door de aandrijfinrichting veroorzaakte turbulentie in de vloeistoflaag zo ver mogelijk van het oppervlak van de vloeistoflaag afligt.
In een uitvoeringsvorm is de aandrijfinrichting ingericht voor het in de mestkelder circuleren van de 20 vloeistof. De vaste mestdelen worden zo, althans tijdens een deel van vloeistofcirculatie, met de vloeistofstroom naar de doorvoer toe bewogen.
In een uitvoeringsvorm omvat de veestal verder een vloeistoftoevoer voor het naar de mestkelder toevoeren van 25 vloeistof, en middelen voor het bepalen of de laag vloeistof in de mestkelder in hoofdzaak tot aan het vooraf bepaalde niveau reikt of niet, waarbij de vloeistoftoevoer is ingericht om vloeistof aan de mestkelder toe te voeren wanneer is bepaald dat het vloeistofniveau in hoofdzaak niet 30 tot aan het vooraf bepaalde niveau reikt. Wanneer een deel van de vaste en vloeibare mestdelen samen met de vloeistof de mestkelder via de doorvoer verlaat, wordt de vloeistof aangevuld zodat de vloeistof het vooraf bepaalde niveau weer bereikt.
35 In een uitvoeringsvorm reikt het vooraf bepaalde niveau in hoofdzaak tot aan de onderzijde van de doorvoer, bij voorkeur tot net iets onder de onderzijde van de 4 doorvoer. Het deel van de drijvende mest nabij de doorvoer dat zich boven het vloeistofniveau bevindt kan zo over de onderzijde van de doorvoer heen naar buiten de mestkelder bewegen.
5 In een uitvoeringsvorm is het vooraf bepaalde niveau voldoende is om een stroming van de vloeistof door in hoofdzaak de gehele mestkelder mogelijk te maken, waarbij het vooraf bepaalde niveau bij voorkeur op tenminste 20 cm afstand van de vloer is. Mest kan zo vanuit alle delen van 10 de mestkelder door de vloeistofstroom naar de doorvoer worden gevoerd.
In een uitvoeringsvorm omvat de afvoerinrichting een naar de doorvoer toelopend schot, waarlangs de vaste mestdelen onder invloed van de vloeistofstroom in de 15 richting van de doorvoer worden getransporteerd. De afvoerinrichting is bij voorkeur voorzien van perforaties voor het doorlaten van de vloeistof. De vaste mestdelen, zoals uitwerpselen worden, zo naar de doorvoer gevoerd, terwijl de vloeistof met daarin de vloeibare mestdelen, 20 zoals gier, althans ten dele door de perforaties in de afvoerinrichting heen de afvoerinrichting passeert.
In een uitvoeringsvorm is de afvoerinrichting ingericht om althans in hoofdzaak doorlopend vaste mestdelen uit de vloeistof af te voeren. De afgevoerde meststoffen 25 kunnen zo geen ammoniak meer vormen in de mestkelder.
In een uitvoeringsvorm omvat de afvoerinrichting een in de mestkelder geplaatste trommel of schoep met een van vloeistofdoorlatende perforaties voorzien oppervlak, waarbij de trommel of schoep is ingericht om te bewegen 30 vanaf een positie waarin het oppervlak zich althans te dele onder het vloeistofniveau bevindt naar even positie waarin het oppervlak zich althans ten dele boven het vloeistofniveau bevindt om de en/of drijvende meststoffen via het oppervlak naar een niveau boven het vloeistofniveau 35 te verplaatsen. Wanneer de vaste mestdelen tot boven het vloeistofniveau zijn gebracht kunnen deze, bijvoorbeeld onder invloed van zwaartekracht, langs een glijgoot naar de 5 doorvoer bewegen.
In een uitvoeringsvorm is de trommel of schoep ingericht om te draaien om een in hoofdzaak horizontale as.
De trommel is bij voorkeur in hoofdzaak dwars op de doorvoer 5 of dwars op de stromingsrichting van de vloeistof en ten dele in de vloeistoflaag geplaatst aan een stroomopwaartse zijde van de doorvoer en ingericht om te draaien zodanig dat een bovenzijde van de trommel in de stromingsrichting beweegt. De trommel overbrugt bij voorkeur afstand tussen de 10 van de doorvoer voorziene wand en een daaraan tegenovergelegen wand. In een alternatieve uitvoeringsvorm kan de trommel echter ook aan tenminste een uiteinde of afstand van een geplaatst zijn van alle wanden van de mestkelder.
15 In een uitvoeringsvorm omvat de afvoerinrichting een van perforaties voorzien schot dat zich in lengterichting schuin ten opzichte van de stromingrichting van de vloeistof uitstrekt, waarbij het schot een eerste distaai uiteinde omvat dat in hoofdzaak aanliggend aan de 20 doorvoer is geplaatst, en een tweede distaai uiteinde dat stroomopwaarts is geplaatst ten opzichte van het eerste distaai uiteinde, waarbij het schot een onderrand heeft onder het vooraf bepaalde niveau, en een bovenrand boven het vooraf bepaalde niveau. Het eerste distale uiteinde is bij 25 voorkeur net aanliggend en stroomafwaarts van de doorvoer geplaatst, zodat vaste mestdelen langs het schot naar in de doorvoer worden getransporteerd onder invloed van de vloeistofstroom.
In een uitvoeringsvorm ligt het tweede distaai 30 uiteinde aan tegen een tegenover de doorvoer gelegen wand. Vaste mestdelen kunnen het schot zo niet passeren en worden naar de doorvoer geleid, zodat wordt tegengegaan dat een vast mestdeel het schot één of meer keren passeert. De vaste mestdelen blijven zo in hoofdzaak maximaal een 35 circulatietijdsduur in de vloeistof voordat ze de afvoerinrichting bereiken.
In een uitvoeringsvorm is de onderrand van het 6 schot stroomopwaarts geplaatst van de bovenrand van het schot. Mestdelen die met de stromingsrichting mee tegen het schot aan bewegen worden zo ook in een richting naar boven het vooraf bepaalde niveau bewogen.
5 In een uitvoeringsvorm omvat de veestal verder voorzien van doseringsmiddelen voor het toevoegen van een pH-verlagende stof aan de vloeistof, waardoor de eventueel resterende ammoniak emissie wordt teruggedrongen. De doseringsmiddelen kunnen verder worden gebruikt om 10 calciumzouten toe te voegen aan de vloeistof, waardoor het soortelijk gewicht van de vloeistof in de mestkelder wordt vergroot zodat vermenging van urine met de vloeistof wordt teruggedrongen en de urine zich in hoofdzaak aan vloeistofoppervlak verzamelt. De door de vloeibare mestdelen 15 te vermengen met calciumzouten wordt daarbij de mestwaarde van de vloeibare mestdelen verbeterd.
Volgens een tweede aspect verschaft de uitvinding een mestscheider omvattend een huis met een conische binnenwand en een daarin geplaatst draaibaar conisch vijzel, 20 waarbij de conische binnenwand is voorzien van perforaties voor het doorlaten van vloeibare mestdelen, en het conisch vijzel is ingericht om bij draaiing vaste mestdelen vanaf de invoeropening te transporteren naar een uitvoeropening, waarbij de invoeropening een grotere diameter heeft dan de 25 uitvoeropening en het conisch vijzel taps toeloopt naar de uitvoeropening. Dankzij de conische vorm van de van perforaties voorziene wand en het vijzel blijft de druk die wordt uitgeoefend op de vaste mestdelen in de mestscheider in hoofdzaak constant naarmate de vaste mestdelen in de 30 richting van de uitvoeropening worden bewogen en worden gecompacteerd. Daarbij vermindert de verdere scheiding van vaste mestdelen en vloeibare mestdelen de vorming van ammoniak.
Bij bekende stalsystemen worden de vaste en 35 vloeibare mestdelen veelal verder van elkaar gescheiden door middel van een mestscheider die behuizing omvat met een van perforaties voorziene cilindrische wanden een daarbinnen 7 geplaatst vijzel. Mest die uit zowel vaste als vloeibare delen bestaat, bijvoorbeeld uit in hoofdzaak vaste uitwerpselen en gier, wordt via een invoeropening in de mestscheider gebracht, waarna de vloeibare delen bij 5 draaiing van de vijzel door de perforaties naar buiten de wand wordt gevoerd, en de vaste mestdelen binnen de wand worden gecompacteerd en naar een uitvoeropening van de mestscheider worden gevoerd. Door deze verdere scheiding van vloeibare mestdelen van vaste mestdelen wordt vorming van 10 ammoniak verder beperkt. Een nadeel van deze bekende mestscheider is dat naarmate de vaste mestdelen zich dichter bij de uitvoeropening bevinden deze relatief minder met vloeibare mestdelen is vermengd zodat de druk die door de vijzel op de vaste mestdelen wordt uitgeoefend niet constant 15 is tijdens transport van het mestmengsel vanaf de invoer opening naar de uitvoeropening.
In een uitvoeringsvorm maakt de mestscheider deel uit van een veestal zoals hierboven beschreven, waarbij de invoeropening van de mestscheider is aangesloten op de 20 doorvoer van de mestkelder. De mestscheider is bij voorkeur in de veestal op het niveau van de mestkelder geplaatst, zodat de mestscheider geen loop- en/of lig oppervlak in de veestal bezet.
Volgens een derde aspect verschaft de uitvinding 25 een roostervloer voor een veestal met een daaronder gelegen mestkelder waarbij de roostervloer een loop- en/of ligoppervlak vormt voor vee, en een open oppervlak heeft van 30% of meer van het loop- en/of ligoppervlak. Het relatief grote open oppervlak van de roostervloer zorgt ervoor dat 30 mest gemakkelijk in de mestkelder kan vallen. Door de betere doorvoer van urine blijft de vloer droger, zodat de poten van het vee beter zijn beschermd tegen vocht. Ook blijft er dankzij het grote geopende oppervlak roostervloer relatief weinig mest op de roostervloer liggen, zodat ook de 35 vermenging van vaste mestdelen met urine op de roostervloer en de bijbehorende ammoniakvorming aanzienlijk wordt beperkt. In het bijzonder wanneer toegepast in een veestal 8 zoals hierboven beschreven wordt de vorming van ammoniak zowel in de mestkelder als op de roostervloer tegengegaan.
Bij bekende roostervloeren wordt het oppervlak ingenomen door de openingen in de roostervloer veelal zoveel 5 mogelijk beperkt om uitstoot van ammoniak uit de daaronder gelegen opvangruimte te beperken. Een nadeel hiervan is echter dat vaste mestdelen langere tijd op het ondersteuningsoppervlak van de roostervloer blijven liggen waar zij kunnen mengen met urine, zodat ammoniakvorming op 10 de roostervloer plaatsvindt. Om ammoniakvorming tegen te gaan worden de vaste mestdelen bij voorkeur binnen 24 uur gescheiden van de vloeibare mestdelen.
In een uitvoeringsvorm omvat de roostervloer een aantal evenwijdig aan elkaar ondersteunde liggers met 15 ruimtes daartussen, waarbij elke ligger in hoofdzaak een T-profiel heeft dat rechtopstaand wordt ondersteund waarbij het bovenoppervlak van flenzen van de naast elkaar gelegen liggers het loop- en/of ligoppervlak ondersteunen. De liggers zijn bij voorkeur metalen of stalen liggers en maken 20 een lichte en eenvoudige constructie mogelijk.
In een uitvoeringsvorm hebben de liggers elk een in hoofdzaak gelijke breedte en zijn de liggers op een onderlinge afstand van elkaar geplaatst die ten minste 30% is van die breedte, bij voorkeur ten minste 40% van die 25 breedte, het meest bij voorkeur tenminste 60% van die breedte.
In een uitvoeringsvorm zijn de liggers verder voorzien van een aantal geperforeerde leidingen die in de oksels van de T-profielen zijn aangebracht, waarbij deze 30 geperforeerde leidingen zijn ingericht om te worden aangesloten op een luchttoevoer voor de toevoer van verwarmde lucht. Er kan zo warme lucht aan de stal worden toegevoerd om het comfort van de het vee in de stal te verhogen, en om de luchtcirculatie in de stal te verbeteren. 35 In een uitvoeringsvorm zijn de flenzen voorzien van een laag rubber of rubber-achtig materiaal, bij voorkeur een laag gevulkaniseerd rubber. Het rubber biedt een zacht 9 verend oppervlak voor het vee om op te staan, zodat minder slijtage aan de poten van de dieren optreedt. Ook veert het rubber in en uit wanneer het vee daar overheen loopt, waarbij eventuele vervuiling van het vloeroppervlak 5 meebeweegt en zo losraakt van het rubber en door de openingen in de roostervloer heen in een mestkelder kan vallen. In een uitvoeringsvorm heeft de laag rubber een dikte van tenminste 1 cm, wat een goede vering van het rubber oplevert. Bij voorkeur heeft de laag rubber een dikte 10 van tussen de 2 en 3 cm, het meest bij voorkeur van tenminste 3 cm.
In een uitvoeringsvorm zijn de flenzen aan een bovenzijde voorzien van een hechtprofiel voor verbetering van hechting van de laag rubber aan de T-profielen, waarbij 15 het hechtprofiel in hoofdzaak volledig door de bovenzijde van de flens en de laag rubber wordt ingesloten. Er wordt zo een stevige hechting van het rubber aan de liggers verschaft, terwijl het loop- en of ligoppervlak dat wordt gevormd door een ligger zo volledig is bedekt met rubber 20 zodat het goed kan worden schoongelopen door het vee. Daarnaast wordt dankzij de laag rubber schade aan de poten van het vee voorkomen.
In een uitvoeringsvorm omvat het hechtprofiel één of meer van de bovenzijde van de flenzen opstaande randen 25 omvat. De randen kunnen rechte randen zijn, maar bijvoorbeeld ook zigzaggende en/of randen met uitstulpingen zij n.
In een uitvoeringsvorm is het hechtprofiel is voorzien van doorgaande openingen. Bij fabricage van de 30 liggers kan vloeibaar rubber zo door de doorgaande openingen heen stromen en aan meerdere zijden van het hechtprofiel aanhechten.
In een uitvoeringsvorm heeft het hechtprofiel een binnenzijde die naar de bovenzijde van de flens is gericht, 35 en een tegenovergestelde buitenzijde, waarbij de doorgaande openingen zich vanaf een de binnenzijde naar de buitenzijde van het hechtprofiel uitstrekken.
10
In een uitvoeringsvorm omvat het hechtprofiel een U-profiel dat met de uiteinden van zijn poten aan de bovenzijde van de flens is bevestigd, waarbij ten minste één van de poten en/of de bovenzijde van het U-profiel zijn 5 voorzien van een reeks uitsparingen. Hierbij is de ruimte tussen het U-profiel en de flens bijvoorkeur opgevuld door de laag rubber.
In een uitvoeringsvorm zijn de poten van het U-profiel op afstand van langsranden van de bovenzijde van de 10 flens aan de flens bevestigd, zodat de laag rubber het U-profiel aan weerszijden van de poten kan bedekken zonder voorbij de breedte van de flens uit te steken.
Volgens een vierde aspect verschaft de uitvinding een veestal met een mestkelder, waarbij de mestkelder een 15 vloer en van de vloer opstaande wanden omvat, verder omvattend een op afstand boven de vloer van de mestkelder geplaatste roostervloer zoals hierboven beschreven.
Volgens een vijfde aspect verschaft de uitvinding een veestal met een mestkelder, waarbij de mestkelder een 20 vloer en van de vloer opstaande wanden omvat, verder omvattend stempels, of ondersteuningsinrichtingen, die tussen de vloer van de mestkelder en de roostervloer zijn geplaatst voor het in hoofdzaak op de vloer van de mestkelder ondersteunen van de roostervloer. De stempels 25 maken het gebruik van lichte en/of dunne roostervloeren mogelijk, terwijl de roostervloeren geschikt blijven om het gewicht van het vee, in het bijzonder van koeien, daarop te dragen over overspanningen vanaf een wand van de mestkelder naar een andere wand van de mestkelder.
30 Volgens een zesde aspect verschaft de uitvinding een veestal voorzien een of meer verdere mestkelders aangesloten op een vloeistoftoevoer voor het met de laag vloeistof bedekken van de vloeren, waarbij de mestkelders in stromende vloeistofverbinding met elkaar staan. De verdere 35 mestkelders vormen zo een vloeistofcircuit waarin de vaste mestdelen bijvoorkeur ten minste eens per 4 uur een afvoerinrichting bereiken.
11
De in deze beschrijving en conclusies van de aanvrage beschreven en/of de in de tekeningen van deze aanvrage getoonde aspecten en maatregelen kunnen waar mogelijk ook afzonderlijk van elkaar worden toegepast. Die 5 afzonderlijke aspecten, zoals de mestkelder met daarin een vloeistof circulatie voor transport van mestdelen, en een conische mestscheider, een roostervloer met een open oppervlak dat ten minste 30% is van het gesloten oppervlak, een roostervloer met een rubberen toplaag van 10 tenminste 1 cm, en het door middel van stempels ondersteunden van een roostervloer op een vloeroppervlak van een mestkelder, en andere aspecten kunnen onderwerp zijn van daarop gerichte afgesplitste octrooiaanvragen. Dit geldt in het bijzonder voor de maatregelen en aspecten 15 welke op zich zijn beschreven in de volgconclusies.
KORTE BESCHRIJVING VAN DE TEKENINGEN
2 0 De uitvinding zal worden toegelicht aan de hand van een aantal in de bijgevoegde tekeningen weergegeven voorbeelduitvoeringen. Getoond wordt in: figuur IA, een schematisch dwarsdoorsnede aanzicht van mestkelder voor een veestal volgens de uitvinding, 25 figuur 1B, een schematisch bovenaanzicht van een deel van de veestal van figuur IA, figuur 1C, een doorsnede aanzicht van de afvoerinrichting van figuur 1B langs lijn IC-IC, figuur 1D, een perspectief aanzicht van dezelfde 30 afvoerinrichting, figuur IE, een schematisch dwarsdoorsnede aanzicht van een mestkelder voor een veestal volgens de uitvinding, waarin de afvoerinrichting is getoond, figuur 2A, een schematisch dwarsdoorsnede aanzicht 35 van een mestkelder voor een veestal volgens de uitvinding voorzien van aandrijfmiddelen voor het aandrijven van een vloeistofstroom in de mestkelder, 12 figuur 2B een schematisch bovenaanzicht van de mestkelder van figuur 2A, figuur 2C een schematisch bovenaanzicht van een veestal met een mestkelder met daarin twee vloeistofstromen, 5 figuur 3A, een bovenaanzicht van een deel van een veestal met mestkelder, voorzien van een roostervloer voor vee, figuur 3B, een schematisch dwarsdoorsnede aanzicht door lijn IIIB-IIIB van figuur 3A, 10 figuur 3C, een schematisch doorsnede aanzicht van de veestal van figuur 3A, figuren 4A-4C, respectievelijk een doorsnedeaanzicht, een dwarsdoorsnede aanzicht en een bovenaanzicht van een ligger van een roostervloer volgens de 15 uitvinding, figuur 5, een perspectiefaanzicht van een mestscheider volgens de uitvinding.
GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE TEKENINGEN
20
Figuur IA toont een schematisch dwarsdoorsnede aanzicht van een mestkelder voor een veestal 100 volgens de uitvinding. De mestkelder 100 omvat een vloer 101 en 25 zijwanden 102, 103 voor het opvangen van zowel uitwerpselen als urine afkomstig van vee dat zich boven op een door stempels 104,105 en wanden 102,103 ondersteunde roostervloer 180 bevindt. De roostervloer 180 heeft een bovenvlak 181 dat zich op een afstand dl van 40 cm van de vloer 101 van de 30 mestkelder bevindt, zodat vee op de roostervloer zich ca. 40 cm boven de vloer 101 van de mestkelder bevindt. Wand 103 is voorzien van een doorvoer 106, welke doorvoer een onderzijde, of overlooprand, 107 heeft die op afstand is geplaatst van de vloer 101. In de mestkelder bevindt zich 35 een laag vloeistof 110 die in hoofdzaak de gehele vloer van de mestkelder bedekt en met zijn oppervlak 111 tot aan een vooraf bepaald niveau reikt.
13
In de getoonde uitvoeringsvorm komt het vooraf bepaalde niveau in hoofdzaak overeen met de onderste rand 107 van de doorvoeropening 106, zodat mestdelen die hoger zijn gelegen dan die rand door de doorvoeropening 10 6 heen 5 uit de mestkelder 100 kunnen worden getransporteerd. Om ervoor te zorgen dat er steeds voldoende vloeistof 110 in de mestkelder 100 is, is de mestkelder 100 aangesloten op een afsluitbare vloeistoftoevoer 109, waarmee vloeistof, bijvoorbeeld water afkomstig uit een sloot, kan worden 10 toegevoerd aan de mestkelder 100. Aan de vloeistof wordt bij voorkeur een zuur toegevoegd, om vorming van ammoniak door de mestdelen in de vloeistof 110 verder tegen te gaan.
De mestkelder is verder voorzien van middelen 108 voor het bepalen of het vloeistofniveau 111 in de mestkelder 15 in hoofdzaak tot aan het vooraf bepaalde niveau reikt, in dit geval, tot net onder de onderzijde 107 van de doorvoer 106. De vloeistoftoevoer 109 is ingericht om geen vloeistof toe te voeren wanneer is bepaald dat het vloeistofniveau 111 in hoofdzaak tot aan het vooraf bepaalde niveau reikt. 20 Wanneer het vloeistofniveau 111 zich onder het vooraf bepaalde niveau bevindt, in dit geval een vooraf bepaalde afstand onder de onderzijde 107 van de doorvoer 106, dan wordt via de vloeistoftoevoer vloeistof toegevoerd naar de mestkelder, zodat de mestkelder over het algemeen tot aan de 25 onderzijde 107 van de doorvoer 106 is gevuld met vloeistof en een mengsel van urine en uitwerpselen. In een eenvoudige uitvoering omvatten de middelen 108 een vlotter die is gekoppeld met een afsluiter voor het openen van de toevoer 109 wanneer het niveau van de vloeistof 110 te laag wordt.
30 Urine afkomstig van de dieren wordt meteen in de vloeistof opgenomen. Uitwerpselen komen in de vloeistof terecht, waarna de uitwerpselen althans enige tijd in de vloeistof blijven drijven en/of zweven. De drijvende delen van de uitwerpselen, i.e. van de vaste mestdelen, bevinden 35 zich zo althans ten dele boven de onderzijde 107 van de doorvoer 106
Figuur 1B toont een gedeeltelijk bovenaanzicht van 14 de mestkelder voor een veestal van figuur IA. Vloer 101 en wanden 102,103 een maken deel uit van een mestkelder 100 die is voorzien van een afvoerinrichting 140 voor het naar de doorvoer 106 afvoeren van vaste mestdelen. De 5 afvoerinrichting 140 ligt aan een eerste zijde aan tegen doorvoer 106 in wand 103 en strekt zich schuin tegen de stromingsrichting F in uit naar tegenovergelegen wand 102. De afvoerinrichting is over zijn lengte voorzien van perforaties 141 waar vloeistof doorheen kan stromen, maar 10 die vaste mestdelen in hoofdzaak niet doorlaten.
Hoewel de mestkelder hier om redenen van eenvoud niet in zijn geheel is getoond, maakt de laag vloeistof 110 in het getoonde deel van de mestkelder bij voorkeur deel uit van een rondlopend vloeistofcircuit, waarin althans een deel 15 van de vloeistof telkens opnieuw langs en/of door de afvoerinrichting stroomt. Bij voorkeur wordt de stromingssnelheid van de vloeistof zo ingesteld dat de vloeistof met drijvende en/of zwevende vaste mestdelen 3 a 5 keer per etmaal rondstroomt, zodat drijvende en/of zwevende 2 0 vaste mestdelen over het algemeen niet langer dan 4 uur in de vloeistof, die ook de urine bevat, circuleren voordat deze de afvoerinrichting 140 bereiken.
Wanneer drijvende en/of zwevende vaste mestdelen met de stromingsrichting F mee de afvoerinrichting 140 25 bereiken, worden deze vervolgens onder invloed van de vloeistofstroom langs de afvoerinrichting in de richting A naar de doorvoer toe en daar doorheen naar een mestscheider 500 toe bewogen, terwijl het mengsel van vloeistof en vloeibare mestdelen door de perforaties 141 in de 30 afvoerinrichting 140 heen stroomt in de stromingsrichting F.
De mestkelder omvat verder een toevoer 114, voor het toevoeren van een pH-verlagende stof en/of van zouten aan de vloeistof, om ammoniakvorming tegen te gaan respectievelijk om het soortelijk gewicht van de vloeistof 35 te verhogen.
Mestdelen die door de doorvoer 106 zijn gegaan komen terecht in een mestscheider 500, welke een huis omvat 15 met een conische geperforeerde wand 501, en een daarbinnen geplaatst conisch vijzel 502, ingericht om bij draaiing vaste mestdelen vanaf de invoeropening 503 door te voeren naar de uitvoeropening 504 van de mestscheider. Tijdens het 5 doorvoeren van de vaste mestdelen worden de vloeibare mestdelen door de perforaties in de wand 501 geperst en komen terecht in opvangbak 505, die is voorzien van een opening 506. De vaste mestdelen komen in gecompacteerde vorm uit de uitvoeropening 504 van de mestscheider.
10 Figuren 1C en 1D tonen een aanzicht van een dwarsdoorsnede door lijn IC-IC van de afvoerinrichting 140 van figuur 1B respectievelijk een perspectief aanzicht daarvan. De afvoerinrichting omvat een langwerpig schot 140 met een naar de stromingsrichting F gekeerd oppervlak dat 15 zich vanaf een onderzijde 144 van het schot 140 met de stromingsrichting F mee naar boven uitstrekt. Het schot loopt vanaf zijn meest stroomopwaarts gerangschikte onderste rand 144 schuin ten opzichte van de vloer 101 in de stromingsrichting F omhoog, zodat vaste mestdelen die op de 20 vloeistof drijven of daarin zweven via het schot omhoog worden geduwd tot boven het vooraf bepaalde niveau 111.
Het schot 140 omvat een eerste deel 145 dat is voorzien van gaten 141 voor het doorlaten van de vloeistof, waarbij de gaten in hoofdzaak geen vaste mestdelen 25 doorlaten. Het schot omvat verder een tweede deel 142 dat in hoofdzaak geen vloeistof doorlaat en in de dwarsdoorsnede aanzicht op een hoek van het eerste deel 145 is geplaatst. Het eerste deel 145 en het tweede deel 142 zijn op een hoek ten opzichte van elkaar met elkaar verbonden langs lijn 143. 30 Het tweede deel 142 bevindt zich bij voorkeur althans in hoofdzaak boven het vooraf bepaalde niveau, in dit geval boven het niveau van het vloeistofoppervlak 111, zodat vaste mestdelen die al tot boven het vooraf bepaalde niveau reiken langs het tweede deel 142 naar de doorvoer worden geleid. 35 Vaste mestdelen worden zo onder invloed van de vloeistofstroom uit de vloeistof verwijderd en afgevoerd naar de doorvoer van de mestkelder.
16
Figuur IE toont gedeeltelijk een dwarsdoorsnede van een mestkelder voor een veestal volgens de uitvinding, met daarin getoond het schot 140 dat zich uitstrekt vanaf de van de doorvoer voorziene wand 103, waarbij het schot 5 stroomafwaarts en aanliggend aan en van de doorvoer 106 is geplaatst, naar een tegenover de doorvoer 106 gelegen wand 102. In de getoonde uitvoeringsvorm raakt de onderste rand 144 van het schot 140 de vloer 101 van de mestkelder, zodat de vloeistof door de perforaties 141 in het schot moet 10 stromen om het schot te passeren. In een alternatieve uitvoeringsvorm kan de onderste rand van het schot zich althans ten dele op afstand van de vloer 101 bevinden, zodat de doorstroming van de vloeistof gegarandeerd is zelfs als de perforaties in het schot zijn verstopt.
15 Hoewel in de getoonde uitvoeringsvorm de mestkelder in hoofdzaak waterdicht is, kan de mestkelder in een alternatieve uitvoeringsvorm aan een binnenzijde zijn voorzien van een waterdichte bekleding zoals of een waterdicht zeil, zodat de wanden en vloer niet waterdicht 20 hoeven te worden uitgevoerd en ook niet waterdicht op elkaar hoeven aan te sluiten.
Figuren 2A en 2B tonen gedeeltelijk een dwarsdoorsnede aanzicht van een mestkelder voor een veestal volgens de uitvinding voorzien van aandrijfmiddelen, en een 25 bovenaanzicht daarvan. De aandrijfmiddelen omvatten een aan één zijde van perforaties 121 voorziene fluïdumleiding 120 die bij de vloer 101 van de mestkelder is geplaatst. De fluïdumleiding 120 is aangesloten op een fluïdumtoevoer 122 en de perforaties in de f luïdumleiding zijn aan een 30 stroomafwaartse zijde van de fluïdumleiding aangebracht, bij voorkeur zodanig dat fluïdum met de stromingsrichting F mee uit de perforaties stroomt. Het fluïdum dat uit de perforaties stroomt brengt zo een trage stroming van de vloeistof op gang. In de getoonde uitvoeringsvorm omvat de 35 f luïdumtoevoer 122 een persluchttoevoer 122, voor het naar de geperforeerde fluïdumleiding aanvoeren van lucht dat op een lichte overdruk staat, maar in een alternatieve 17 uitvoeringsvorm kan de fluïdumtoevoer een vloeistoftoevoer omvatten voor het naar de geperforeerde fluïdumleiding aanvoeren van vloeistof dat op een lichte overdruk staat ten opzichte van de laag vloeistof in de mestkelder. Het gebruik 5 van een dergelijke aandrijfinrichting om de vloeistof te doen stromen heeft als voordeel dat de vloeistof slechts weinig wordt beroerd, zodat in het bijzonder de vaste mestdelen die bovenin de vloeistof drijven zo min mogelijk worden beroerd. Omdat door de aandrijving de vloeistof in de 10 kelder meerdere malen per dag de afvoerinrichting passeert worden de vaste mestdelen al dan niet samen met de bij gekomen urine afgevoerd in hoofdzaak voordat ammoniak wordt gevormd door vermenging van het ureum uit de urine met het enzym urease uit de uitwerpselen van de dieren.
15 Figuur 2C toont een aanzicht van een veestal 160 volgens de uitvinding, waarin een volledig vloeistof circuit is getoond. De veestal 160 omvat een vloer 170 en betonnen delen 161,162,163,164,165 en 166, waarbij betonnen delen 161, 166, 164 en 165 samen een omlopende afbakening voor 20 vloeistof vormen. Betondelen 161, 162, 163 en 164 vormen lig- en/of sta plaatsen voor het vee, waarop bijvoorbeeld ligboxen kunnen zijn geplaatst. Hoewel niet getoond is de veestal voorzien van een roostervloer die zich uitstrekt vanaf wand 165 tot wand 166, en die is voorzien van dwars 25 ten opzichte van de roostervloer geplaatste dwarsbalken die de roostervloer ondersteunen en op hun beurt op de vloer 170 van de mestkelder worden afgesteund middels stempels.
Wand 166 is voorzien van een doorvoer 190, met een onderzijde op een vooraf bepaalde afstand van vloer 170 van 30 de mestkelder. De vloer 170 en daarvan opstaande wanden gevormd door betonnen delen 161,162,163,164,165 en 166 zijn ingericht om daarbinnen een laag vloeistof te houden, waarbij de laag vloeistof tot aan het vooraf bepaalde niveau reikt. Aandrij f inrichtingen 171 en 172 zijn op de vloer 170 35 geplaatst, en ingericht voor het op gang brengen van een stroming in de laag vloeistof respectievelijk in richtingen Fl en F2, zodat twee vloeistofcircuits ontstaan. In elk 18 vloeistofcircuit is een afvoerinrichting 140,150 aangebracht, in dit geval in de vorm van schuin op de respectievelijke stromingsrichtingen van de vloeistofcircuits F1 en F2 geplaatste schotten zoals 5 hierboven beschreven, waarbij de schotten een deel hebben dat zich onder het vloeistofniveau uitstrekt en is voorzien van perforaties voor het doorlaten van vloeistof, en een ander deel dat zich in hoofdzaak boven het vloeistofniveau uitstrekt en in hoofdzaak geen perforaties omvat. Drijvende 10 en/of zwevende vaste delen worden zo langs langrichtingen Al en A2 van de schotten naar een enkele doorvoer 190 geleid.
Figuren 3A en 3B tonen een bovenaanzicht van een deel van een veestal met mestkelder volgens de uitvinding, respectievelijk een zijaanzicht langs lijn IIIB-IIIB. De 15 veestal omvat een roostervloer 300 die op afstand boven de vloer 101 van de mestkelder is geplaatst, en een loop- en/of ligoppervlak voor vee vormt. Urine en mest van het vee vallen door de roostervloer heen in de mestkelder. De roostervloer 300 omvat een aantal evenwijdig aan elkaar 20 ondersteunde stalen liggers, waarbij elke ligger 400 in hoofdzaak een T-profiel heeft dat rechtopstaand wordt ondersteund en waarbij een bovenoppervlak van flenzen 402 van de naast elkaar gelegen liggers het loop- en/of ligoppervlak 421 ondersteunen. De liggers 400 strekken zich 25 in hoofdzaak uit tussen twee tegenover elkaar gelegen wanden 103,102, en liggen aan op respectievelijke randen 113 en 112 van deze wanden. De liggers 400 worden verder ondersteund door dwarsbalken 301 die zich in hoofdzaak dwars op de lengterichting van de liggers uitstrekken. De dwarsbalken 30 301 hebben een onderzijde die boven het vooraf bepaalde niveau ligt, waarbij het vooraf bepaalde niveau in dit geval is gedefinieerd door het vloeistofoppervlak 111 van de laag vloeistof in de mestkelder. In het getoonde voorbeeld is de afstand tussen de onderzijde van de dwarsbalken en het 35 vooraf bepaalde niveau ruim 10 cm, zodat vaste mestdelen die op het vloeistofoppervlak 111 drijven onder de dwarsbalken 301 door kunnen drijven zonder deze te raken.
19
De breedte van de tussenruimte d3 tussen de liggers en de breedte van het loop- en/of ligoppervlak de liggers d4, heeft een verhouding van 40:60, hoewel in een uitvoeringsvorm een verhouding vanaf 30:70 ook mogelijk is.
5 Dankzij het relatief grote open oppervlak van de roostervloer kan mest eenvoudig naar de mestkelder zakken, zodat er relatief weinig mest achterblijft op de roostervloer. Zo blijven er ook minder vaste mestdelen die zijn vermengd met urine achter op de roostervloer, wat de 10 ammoniak emissie vanaf de roostervloer beperkt. Daarnaast blijft de rooster vloer relatief droog, wat de hoef- of pootgezondheid van het vee bevordert. Om het comfort van het vee verder te vergroten is in een aantal van de oksels van de T-profielen een luchtleiding 370 aangebracht met 15 perforaties 371 van waaruit verwarmde lucht kan worden geblazen. De verwarmde lucht stijgt op en verwarmt de dieren, in hoofdzaak zonder het onder de luchtleiding 370 gelegen deel van de mestkelder te verwarmen.
Voor een roostervloer voor koeien zijn de liggers 2 0 bij voorkeur 5 cm breed, met 3 cm tussenruimte tussen twee naast elkaar gelegen liggers. Een koe staat zo in hoofdzaak met elke poot op twee liggers. Om een vergelijkbaar effect te bereiken hebben roostervloeren voor varkens en geiten bij voorkeur liggers met een breedte van 3 cm, met 2 cm 25 tussenruimte tussen twee naast elkaar gelegen liggers.
Dankzij het gebruik van stalen liggers kunnen de liggers relatief dun worden uitgevoerd. Om het gewicht van het vee op de roostervloer te ondersteunen, wordt de roostervloer op de vloer van de mestkelder ondersteund door 30 middel van stempels 360, die aan de dwarsbalken 301 zijn bevestigd. De steunbuis 360 is aan een bovenzijde met een boutverbinding bevestigd aan een dwarsbalk 301, die verschillende liggers 400 van de roostervloer ondersteunt op opstaande randen 302 van de dwarsbalk.
35 In de alternatieve uitvoeringsvorm zoals getoond in figuur 3C zijn de stempels 366 aan de liggers 400 van de roostervloer bevestigd.
20
In figuur 3C wordt in meer detail getoond hoe een roostervloer 400 door middel van een stempel ten dele wordt afgesteund op een vloer van een mestkelder. Aan een distaai uiteinde 430 steunt de roostervloer af op een ijzeren 5 muurprofiel 368 op rand 112 van betonnen wand 102 van de mestkelder. De roostervloer strekt zich uit tot aan een andere, hier niet getoonde, wand van de mestkelder en steunt daar af op een overeenkomstig ijzeren muurprofiel. Tussen de twee wanden in wordt de roostervloer op de vloer 101 van de 10 mestkelder ondersteund door middel van een of meer stempels 360. Het stempel 360 omvat een voet 361, die rust op de vloer 101 van de mestkelder. De voet omvat een opstaande en van een schroefdraad voorziene bout 362, die althans ten dele in een althans deels holle steunbuis 366 steekt. De 15 mate waarin de bout 3 62 in de steunbuis steekt kan worden ingesteld door te draaien aan een moer 363 aan de onderzijde van de steunbuis. Dankzij het gebruik van stempels die de roostervloer op de vloer van de mestkelder afsteunen kan de roostervloer licht van constructie worden uitgevoerd en toch 20 de afstand tussen twee tegenover elkaar gelegen wanden overbruggen.
Figuren 4A-4C tonen een vooraanzicht, een zijaanzicht en een bovenaanzicht van een ligger 400 zoals gebruikt in een roostervloer volgens de uitvinding. De 25 ligger 400 van figuur 4A heeft een T-profiel met een flens 402, waarbij de flens een bovenoppervlak 410 heeft dat een loop- en/of ligoppervlak van de ligger 100 voor het vee ondersteund. De ligger heeft twee oksels 404, 405, waarin een geperforeerde luchtleiding kan worden aangebracht in 30 dezelfde lengterichting als de ligger. Aan een bovenzijde is de ligger voorzien van een laag rubber 420, waarbij de laag rubber zich uitstrekt tot het bovenoppervlak 403 van de flens, en een dikte heeft van tenminste 2 cm. Om het rubber beter te laten hechten aan de ligger, is de ligger voorzien 35 van een metalen hechtingsprofiel 410 dat een U-vormige dwarsdoorsnede heeft.
Figuren 4B en 4C tonen een deels opengewerkt zij- 21 en bovenaanzicht van een ligger. Te zien is dat de poten van het U-vormige hechtingsprofiel 410 zich op afstand bevinden van de langsranden van de flens 402, en zijn voorzien van openingen 411, en dat de bovenzijde van het hechtingsprofiel 5 is voorzien van verdere openingen 412. Bij het aanbrengen van de laag rubber op de ligger kan het rubber zo door de openingen 411 en verdere openingen 412 heen vloeien, terwijl het uitgeharde rubber op zijn plaats wordt gehouden door het hechtingsprof iel 410. De laag rubber 420 is voorzien van 10 groeven 421 die een profiel vormen in het rubber, om uitglijden van het vee tegen te gaan.
Wanneer vee op het rubber loopt, veert de laag rubber 420 in en uit, waarbij mest dat op de laag rubber ligt met het rubber wordt meebewogen en in de mestkelder kan 15 vallen. De bewegelijkheid van de rubberen laag zorgt er zo voor dat er weinig mest op de roostervloer blijft liggen en gaat aankoeken van de mest op de roostervloer tegen.
Figuur 5 toont een mestscheider volgens de uitvinding. De mestscheider 500 omvat een huis met een 20 conische wand 501 die van gaten is voorzien voor het doorlaten van vloeistof, maar die in hoofdzaak geen vaste mestdelen doorlaten. In het huis 501 is een conisch vijzel 502 geplaatst, dat een aandrijfas 507 omvat en bij draaiing althans de vaste delen van een mestmengsel dat uit vaste 25 delen en vloeibare delen bestaat, in de richting van de uitvoeropening 503 transporteert, waarbij de vaste delen worden samengeperst. Omdat tijdens het draaien de vijzel 502 er gaandeweg vloeistof uit het mengsel verdwijnt via de gaten in de conische wand 501, is er meer druk nodig om de 30 vaste mestdelen samen te persen naarmate deze dichter bij de uitvoeropening komen. De vloeibare mestdelen die door de perforaties van de conische wand heen komen worden verzameld in een opvangbak 505, die is voorzien van een afvoer 506. Dankzij de conische vorm van zowel het huis 501 als de 35 daarin opgenomen vijzel 502 kan de persdruk op de vaste mestdelen in de mestscheider vanaf de invoeropening 503 van de mestscheider die tot aan de uitvoeropening van de 22 mestscheider in hoofdzaak constant blijven.
De mestscheider wordt bij voorkeur bij de mestkelder geplaatst, onder het niveau van de roostervloer van de veestal, met de invoeropening van de mestscheider 5 aangesloten op de doorvoer van de mestkelder, en is ingericht regelmatig korte tijden te draaien.
Samengevat heeft de uitvinding betrekking op een veestal met een mestkelder, ingericht om ammoniakemissie te verminderen. In een uitvoeringsvorm bevat de mestkelder 10 daartoe een laag vloeistof, zoals water, waarin mestdelen circuleren totdat ze een doorvoer in de mestkelder bereiken. In een uitvoeringsvorm omvat de veestal een roostervloer met een open oppervlak van tenminste 30%, zodat mest gemakkelijk door de roostervloer heen valt. In een uitvoeringsvorm is de 15 roostervloer aan een bovenzijde voorzien van een rubber achtige of rubberen laag waardoor de roostervloer door het vee kan worden schoongelopen. De roostervloer is bij voorkeur afgesteund op de vloer van de mestkelder door middel van stempels. Tevens heeft de uitvinding betrekking 20 op een verbeterde mestscheider.
De bovenstaande beschrijving is opgenomen om de werking van voorkeursuitvoeringen van de uitvinding te illustreren, en niet om de reikwijdte van de uitvinding te beperken. Uitgaande van de bovenstaande uiteenzetting zullen 25 voor een vakman vele variaties evident zijn die vallen onder de geest en de reikwijdte van de onderhavige uitvinding.
Claims (31)
1. Veestal met een mestkelder, waarbij de mestkelder een vloer en van de vloer opstaande wanden omvat, waarbij ten miste één van de wanden is voorzien van een doorvoer voor het uit de mestkelder voeren van mest, waarbij 5 de doorvoer een op afstand van de vloer geplaatste onderzijde heeft, waarbij de mestkelder is ingericht voor het in de mestkelder houden van een laag vloeistof die de vloer bedekt en tenminste tot aan een vooraf bepaald niveau reikt, waarbij de mestkelder verder omvat een 10 aandrijfinrichting voor het aandrijven van een stroming in de laag vloeistof in de mestkelder,en een afvoerinrichting voor het naar de doorvoer afvoeren van mestdelen die in de vloeistof zweven en/of drijven.
2. Veestal volgens conclusie 1, waarbij de 15 aandrijfinrichting een fluidumleiding omvat die is voorzien van perforaties die onder het vooraf bepaalde niveau uitmonden in de mestkelder.
3. Veestal volgens conclusie 1 of 2, waarbij de aandrijfinrichting is ingericht voor het in de mestkelder 20 circuleren van de vloeistof.
4. Veestal volgens een der voorgaande conclusies, verder omvattend een vloeistoftoevoer voor het naar de mestkelder toevoeren van vloeistof, en middelen voor het bepalen of de laag vloeistof in de mestkelder in hoofdzaak 25 tot aan het vooraf bepaalde niveau reikt of niet, waarbij de vloeistoftoevoer is ingericht om vloeistof aan de mestkelder toe te voeren wanneer is bepaald dat het vloeistofniveau in hoofdzaak niet tot aan het vooraf bepaalde niveau reikt.
5. Veestal volgens een der voorgaande conclusies, 30 waarbij het vooraf bepaalde niveau in hoofdzaak tot aan de onderzijde van de doorvoer reikt.
6. Veestal volgens een der voorgaande conclusies, waarbij het vooraf bepaalde niveau voldoende is om een stroming van de vloeistof door in hoofdzaak de gehele mestkelder mogelijk te maken.
7. Veestal volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de afvoerinrichting is voorzien van perforaties voor het doorlaten van de vloeistof.
8. Veestal volgens conclusie 7, waarbij de afvoerinrichting een in de mestkelder geplaatste trommel of 10 schoep omvat met een van vloeistofdoorlatende perforaties voorzien oppervlak, waarbij de trommel of schoep is ingericht om te bewegen vanaf een positie waarin het oppervlak zich althans te dele onder het vloeistofniveau bevindt naar even positie waarin het oppervlak zich althans 15 ten dele boven het vloeistofniveau bevindt om de en/of drijvende meststoffen via het oppervlak naar een niveau boven het vloeistofniveau te verplaatsen.
9. Veestal volgens conclusie 8, waarbij de trommel of schoep is ingericht om te draaien om een in hoofdzaak 20 horizontale as.
10. Veestal volgens conclusie 7, waarbij de afvoerinrichting een van perforaties voorzien schot omvat dat zich in lengterichting schuin ten opzichte van de stromingrichting van de vloeistof uitstrekt, waarbij het 25 schot een eerste distaai uiteinde omvat dat in hoofdzaak aanliggend aan de doorvoer is geplaatst, en een tweede distaai uiteinde dat stroomopwaarts is geplaatst ten opzichte van het eerste distaai uiteinde, waarbij het schot een onderrand heeft onder het vooraf bepaalde niveau, en een 30 bovenrand boven het vooraf bepaalde niveau.
11. Veestal volgens conclusie 10, waarbij het tweede distaai uiteinde aanligt tegen een tegenover de doorvoer gelegen wand.
12. Veestal volgens conclusie 10 of 11, waarbij de 35 onderrand van het schot stroomopwaarts is van de bovenrand van het schot.
13. Veestal volgens een der voorgaande conclusies, verder voorzien van doseringsmiddelen voor het toevoegen van een pH-verlagende stof aan de vloeistof.
14. Mestscheider omvattend een huis met een conische binnenwand en een daarin geplaatst draaibaar 5 conisch vijzel, waarbij de conische binnenwand is voorzien van perforaties voor het doorlaten van vloeibare mestdelen, en het conisch vijzel is ingericht om bij draaiing vaste mestdelen vanaf de invoeropening te transporteren naar een uitvoeropening, waarbij de invoeropening een grotere 10 diameter heeft dan de uitvoeropening en het conisch vijzel taps toeloopt naar de uitvoeropening.
15. Veestal volgens een der conclusies 1-13, voorzien van een mestscheider volgens conclusie 14, waarbij de invoeropening van de mestscheider is aangesloten op de 15 doorvoer.
16. Roostervloer voor een veestal met een daaronder gelegen mestkelder waarbij de roostervloer een loop- en/of ligoppervlak vormt voor vee, en een open oppervlak heeft van 30% of meer van het loop- en/of 20 ligoppervlak, bij voorkeur 40% of meer, het meest bij voorkeur 60% om meer.
17. Roostervloer voor een veestal met een daaronder gelegen mestkelder, waarbij de roostervloer een loop- en/of ligoppervlak vormt voor vee, omvattend een 25 aantal evenwijdig aan elkaar ondersteunde liggers met ruimtes daartussen, waarbij elke ligger in hoofdzaak een T-profiel heeft dat rechtopstaand wordt ondersteund waarbij het bovenoppervlak van flenzen van de naast elkaar gelegen liggers het loop- en/of ligoppervlak ondersteunen.
18. Roostervloer volgens conclusie 17, waarbij de liggers elk een in hoofdzaak gelijke breedte hebben en op een onderlinge afstand van elkaar zijn geplaatst die ten minste 30% is van die breedte, bij voorkeur ten minste 40% van die breedte, het meest bij voorkeur tenminste 60% van 35 die breedte.
19. Roostervloer volgens conclusie 17 of 18, verder voorzien van een aantal geperforeerde leidingen die in de oksels van de T-profielen zijn aangebracht, waarbij deze geperforeerde leidingen zijn ingericht om te worden aangesloten op een luchttoevoer voor de toevoer van verwarmde lucht.
20. Roostervloer volgens een der conclusies 16-19, waarbij het loop- en/of ligoppervlak een laag rubber omvat, bij voorkeur een laag gevulkaniseerd rubber.
21. Roostervloer volgens conclusie 20, waarbij de laag rubber een dikte heeft van tenminste 1 cm, meer bij 10 voorkeur van tussen de 2 en 3 cm, het meest bij voorkeur van tenminste 3 cm.
22. Roostervloer volgens conclusie 20 of 21 wanneer afhankelijk van conclusie 17, waarbij de flenzen aan een bovenzijde zijn voorzien van een hechtprofiel voor 15 verbetering van hechting van de laag rubber aan de T-profielen, waarbij het hechtprofiel in hoofdzaak volledig door de bovenzijde van de flens en de laag rubber wordt ingesloten.
23. Roostervloer volgens conclusie 22, waarbij het 2. hechtprofiel één of meer van de bovenzijde van de flenzen opstaande randen omvat.
24. Roostervloer volgens conclusie 22 of 23, waarbij het hechtprofiel is voorzien van doorgaande openingen.
25. Roostervloer volgens conclusie 24, waarbij het hechtprofiel een binnenzijde heeft die naar de bovenzijde van de flens is gericht, en een tegenovergestelde buitenzijde, waarbij de doorgaande openingen zich vanaf een de binnenzijde naar de buitenzijde van het hechtprofiel 30 uitstrekken.
26. Roostervloer volgens een der conclusies 22-25, waarbij het hechtprofiel een U-profiel omvat dat met de uiteinden van zijn poten aan de bovenzijde van de flens is bevestigd, waarbij ten minste één van de poten en/of de 35 bovenzijde van het U-profiel zijn voorzien van een reeks uitsparingen.
27. Roostervloer volgens conclusie 26, waarbij de poten van het U-profiel op afstand van langsranden van de bovenzijde van de flens aan de flens zijn bevestigd.
28. Veestal met een mestkelder, waarbij de mestkelder een vloer en van de vloer opstaande wanden omvat, 5 verder omvattend een op afstand boven de vloer van de mestkelder geplaatste roostervloer volgens een der conclusies 16-27.
29. Veestal met een mestkelder, waarbij de mestkelder een vloer en van de vloer opstaande wanden omvat, 10 verder omvattend stempels die tussen de vloer van de mestkelder en de roostervloer zijn geplaatst voor het in hoofdzaak op de vloer van de mestkelder ondersteunen van de roostervloer.
30. Veestal volgens een der conclusies 1-13, 15 verder omvattend een op afstand boven de vloer van de mestkelder geplaatste roostervloer, en verder omvattend stempels die tussen de vloer van de mestkelder en de roostervloer zijn geplaatst voor het in hoofdzaak op de vloer van de mestkelder ondersteunen van de roostervloer.
31. Veestal volgens een der conclusies 1-13, voorzien een of meer verdere mestkelders aangesloten op een vloeistoftoevoer voor het met de laag vloeistof bedekken van de vloeren, waarbij de mestkelders in stromende vloeistofverbinding met elkaar staan. -o-o-o-o-o-o-o-o- BW/HZ
Priority Applications (3)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL2007691A NL2007691C2 (nl) | 2011-10-31 | 2011-10-31 | Veestal met mestkelder. |
| PCT/NL2012/050757 WO2013066171A2 (en) | 2011-10-31 | 2012-10-31 | Animal accommodation with manure pit |
| EP12798432.6A EP2773186B1 (en) | 2011-10-31 | 2012-10-31 | Animal accommodation with manure pit |
Applications Claiming Priority (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL2007691A NL2007691C2 (nl) | 2011-10-31 | 2011-10-31 | Veestal met mestkelder. |
| NL2007691 | 2011-10-31 |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL2007691C2 true NL2007691C2 (nl) | 2013-05-07 |
Family
ID=47324340
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL2007691A NL2007691C2 (nl) | 2011-10-31 | 2011-10-31 | Veestal met mestkelder. |
Country Status (3)
| Country | Link |
|---|---|
| EP (1) | EP2773186B1 (nl) |
| NL (1) | NL2007691C2 (nl) |
| WO (1) | WO2013066171A2 (nl) |
Families Citing this family (4)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| FR3028140B1 (fr) * | 2014-11-07 | 2017-04-28 | Bioret Agri-Logette Confort | Systeme pour la collecte des liquides s'ecoulant sur le sol d'une enceinte pour l'elevage d'animaux |
| WO2021058072A1 (en) * | 2019-09-24 | 2021-04-01 | Ikadan System A/S | A flooring system support unit in a modular flooring system for construction of a piggery with a plurality of pigsties with underlying manure channels |
| CN113016637B (zh) * | 2021-03-04 | 2021-12-17 | 南开大学 | 大小鼠通用自动化代谢物收集装置 |
| CN117160195B (zh) * | 2023-09-10 | 2024-05-14 | 西安庆安智航通用设备有限公司 | 一种猪场空气处理系统 |
Citations (6)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| DE1507058A1 (de) * | 1951-01-28 | 1969-12-18 | Hans Beham | Verfahren und Vorrichtung zum Entmisten von Spaltenstaellen |
| FR2721226A1 (fr) * | 1994-06-17 | 1995-12-22 | Bochet Ets | Appareil de séparation des phases liquide et solide d'un effluent. |
| EP0850561A1 (en) * | 1996-12-23 | 1998-07-01 | Instituut voor Milieu- en Agritechniek (IMAG-DLO) | Animal-shed system provided with a primary separating device and lowemission processing of the separated fractions |
| DE19741986A1 (de) * | 1997-09-23 | 1999-03-25 | Reck Anton | Unter einem Viehstall mit Spaltenboden angeordnete Güllegrube |
| US20040149235A1 (en) * | 2002-10-04 | 2004-08-05 | Pogue Albert S. | Apparatus and method for removal of waste from animal production facilities |
| FR2958114A1 (fr) * | 2010-03-31 | 2011-10-07 | Fournier | Element de support d'un plancher d'une porcherie reposant sur des poutres |
-
2011
- 2011-10-31 NL NL2007691A patent/NL2007691C2/nl not_active IP Right Cessation
-
2012
- 2012-10-31 EP EP12798432.6A patent/EP2773186B1/en not_active Not-in-force
- 2012-10-31 WO PCT/NL2012/050757 patent/WO2013066171A2/en not_active Ceased
Patent Citations (6)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| DE1507058A1 (de) * | 1951-01-28 | 1969-12-18 | Hans Beham | Verfahren und Vorrichtung zum Entmisten von Spaltenstaellen |
| FR2721226A1 (fr) * | 1994-06-17 | 1995-12-22 | Bochet Ets | Appareil de séparation des phases liquide et solide d'un effluent. |
| EP0850561A1 (en) * | 1996-12-23 | 1998-07-01 | Instituut voor Milieu- en Agritechniek (IMAG-DLO) | Animal-shed system provided with a primary separating device and lowemission processing of the separated fractions |
| DE19741986A1 (de) * | 1997-09-23 | 1999-03-25 | Reck Anton | Unter einem Viehstall mit Spaltenboden angeordnete Güllegrube |
| US20040149235A1 (en) * | 2002-10-04 | 2004-08-05 | Pogue Albert S. | Apparatus and method for removal of waste from animal production facilities |
| FR2958114A1 (fr) * | 2010-03-31 | 2011-10-07 | Fournier | Element de support d'un plancher d'une porcherie reposant sur des poutres |
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| WO2013066171A3 (en) | 2013-08-22 |
| EP2773186B1 (en) | 2017-06-07 |
| WO2013066171A2 (en) | 2013-05-10 |
| EP2773186A2 (en) | 2014-09-10 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| CN111988990B (zh) | 用于牲畜所用的圈舍的地板 | |
| US7827938B2 (en) | Method for operating a feces conveyor device | |
| CN108471718B (zh) | 畜舍,尤其用于畜养猪的畜舍 | |
| US3859962A (en) | Sanitary flushable floor for cattle confinement feedlots | |
| JP3351530B2 (ja) | 馬用合成敷材 | |
| ITBA20100032A1 (it) | Impianto e metodo per la bioconversione dei rifiuti organici e la biostabilizzazione dei rifiuti solidi urbani indifferenziati | |
| CN109275576A (zh) | 用于畜牧业中的残留物利用的装置、设备和方法 | |
| EP2773186B1 (en) | Animal accommodation with manure pit | |
| KR20090077363A (ko) | 가금류 사육장 | |
| CN209376402U (zh) | 自动循环可清洗畜禽养殖舍用移动分离运送装置 | |
| CN209073162U (zh) | 一种自动收储畜禽粪尿的智能养殖舍 | |
| KR100867899B1 (ko) | 수세식 가축 분뇨 제거장치 | |
| CN104585061B (zh) | 一种无伤害自动清粪猪厕所 | |
| NL2015454B1 (nl) | Vloerelement voor een stal of dergelijk. | |
| JP6979451B2 (ja) | 動物、例えば牛を飼育するための、囲いのある構造の床にある排泄物を収集するためのシステム | |
| NL8901220A (nl) | Werkwijze en inrichting voor het verwerken van uitscheidingsprodukten in een veehouderij. | |
| WO2008040033A2 (en) | Device for production and separation of biohumus | |
| US2591643A (en) | Fertilizer separator for barns and like structures | |
| FR3070823B1 (fr) | Revetement de sol, destine a recouvrir le sol d'une enceinte pour l'elevage d'animaux, par exemple le plancher ajoure d'un caillebotis | |
| BE1028596B1 (nl) | Emissiearm stalvloerpaneel | |
| CN208080285U (zh) | 鸭舍的集蛋地板架结构 | |
| NL1043843B1 (nl) | Werkwijze voor het verwijderen van ammoniak uit een stal, en een vloerplaat | |
| DE102013008358B4 (de) | Bodenelement zur Ausbildung eines Bodens in einem Tierstall | |
| HUP0001689A2 (hu) | Istállópadló-szerkezet | |
| CN206238026U (zh) | 猪场排粪干湿分离系统 |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| MM | Lapsed because of non-payment of the annual fee |
Effective date: 20181101 |