NL2008593C2 - Schaats met losneembare schoen. - Google Patents
Schaats met losneembare schoen. Download PDFInfo
- Publication number
- NL2008593C2 NL2008593C2 NL2008593A NL2008593A NL2008593C2 NL 2008593 C2 NL2008593 C2 NL 2008593C2 NL 2008593 A NL2008593 A NL 2008593A NL 2008593 A NL2008593 A NL 2008593A NL 2008593 C2 NL2008593 C2 NL 2008593C2
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- coupling
- shoe
- support
- chassis
- skate
- Prior art date
Links
- 238000010168 coupling process Methods 0.000 claims description 238
- 238000005859 coupling reaction Methods 0.000 claims description 238
- 230000008878 coupling Effects 0.000 claims description 236
- XEEYBQQBJWHFJM-UHFFFAOYSA-N Iron Chemical compound [Fe] XEEYBQQBJWHFJM-UHFFFAOYSA-N 0.000 claims description 20
- 229910052742 iron Inorganic materials 0.000 claims description 10
- 238000000034 method Methods 0.000 claims description 9
- 230000000295 complement effect Effects 0.000 claims description 5
- 239000000758 substrate Substances 0.000 claims description 2
- 238000012790 confirmation Methods 0.000 description 1
- 238000010276 construction Methods 0.000 description 1
- 230000000717 retained effect Effects 0.000 description 1
Classifications
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A63—SPORTS; GAMES; AMUSEMENTS
- A63C—SKATES; SKIS; ROLLER SKATES; DESIGN OR LAYOUT OF COURTS, RINKS OR THE LIKE
- A63C1/00—Skates
- A63C1/04—Skates fastened by means of clamps
- A63C1/16—Special structure of the clamp fastening devices
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A63—SPORTS; GAMES; AMUSEMENTS
- A63C—SKATES; SKIS; ROLLER SKATES; DESIGN OR LAYOUT OF COURTS, RINKS OR THE LIKE
- A63C1/00—Skates
- A63C1/04—Skates fastened by means of clamps
- A63C1/06—Skates fastened by means of clamps with sole and heel plates each equipped with clamps
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A63—SPORTS; GAMES; AMUSEMENTS
- A63C—SKATES; SKIS; ROLLER SKATES; DESIGN OR LAYOUT OF COURTS, RINKS OR THE LIKE
- A63C1/00—Skates
- A63C1/04—Skates fastened by means of clamps
- A63C1/08—Skates fastened by means of clamps with simultaneously-tightened sole and heel clamps
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A63—SPORTS; GAMES; AMUSEMENTS
- A63C—SKATES; SKIS; ROLLER SKATES; DESIGN OR LAYOUT OF COURTS, RINKS OR THE LIKE
- A63C1/00—Skates
- A63C1/04—Skates fastened by means of clamps
- A63C1/10—Skates fastened by means of clamps tightened by the movement of the foot
Landscapes
- Footwear And Its Accessory, Manufacturing Method And Apparatuses (AREA)
Description
P31082NL00/MVM
Korte aanduiding: Schaats met losneembare schoen
De uitvinding heeft betrekking op een schaats met een losneembare schoen. De uitvinding heeft verder betrekking op een werkwijze voor het koppelen van een schoen aan een onderstel.
NL 8701268 openbaart een schaats met een losneembare schoen volgens de aanhef 5 van conclusie 1.
De schoen van de schaats uit NL 8701268 is losneembaar op het onderstel te bevestigen door de neus van de schoen te plaatsen onder een overstaande rand die is verbonden met het glij-ijzer. Aan de achterzijde van het glij-ijzer is een hakbevestigingsmechanisme voorzien. Het hakbevestigingsmechanisme omvat een steun 10 voor het ondersteunen van de hak van de schoen en een beweegbare klem voor het ten minste gedeeltelijk klemmen van de hak van de schoen tussen de klem en de steun. De klem kan handmatig verplaatst worden tussen een vrije positie, waarin de hak van de schoen op de steun kan worden geplaatst of daarvandaan kan worden bewogen, en een klempositie, waarin de hak wordt vastgeklemd tussen steun en klem.
15 Het is een doel van de uitvinding een schaats te verschaffen met een verbeterd koppelmechanisme, waarmee het losneembaar koppelen van een schoen op een onderstel op eenvoudige, comfortabele en betrouwbare wijze tot stand kan worden gebracht.
De uitvinding verschaft een schaats omvattende een schoen met een voorzijde en een achterzijde, een onderstel en een koppelmechanisme, waarbij het koppelmechanisme is 20 ingericht om de schoen in een schoenkoppelpositie losneembaar te koppelen met het onderstel, waarbij het koppelmechanisme een voorkoppeling heeft voor het koppelen van de voorzijde van de schoen met het onderstel en een bevestigingsmechanisme voor het koppelen van de achterzijde van de schoen, waarbij het koppelmechanisme is ingericht de schoen met het onderstel te koppelen door eerst met de voorkoppeling de voorzijde van de 25 schoen met het onderstel te koppelen, en vervolgens de achterzijde te koppelen met het bevestigingsmechanisme door een roterende beweging van de achterzijde naar het bevestigingsmechanisme, waarbij de voorkoppeling dient als een scharnierpunt voor de roterende beweging van de achterzijde, waarbij het bevestigingsmechanisme een op het onderstel aangebrachte steun heeft voor het ondersteunen van de achterzijde, en een op het 30 onderstel bevestigde en om een scharnieras scharnierbare klem, waarbij de klem beweegbaar is tussen een vrije positie, waarin de achterzijde vrij is om te bewegen naar en vanaf de steun, en een klempositie waarin de achterzijde ten minste gedeeltelijk vormsluitend is opgenomen tussen de klem en de steun, gekenmerkt doordat het 2 bevestigingsmechanisme voorspanmiddelen heeft voor het in de klempositie voorspannen van de klem, en doordat het bevestigingsmechanisme is voorzien van een bedieningselement voor het bewegen van de klem uit de klempositie richting de vrije positie om het plaatsen van de achterzijde in de schoenkoppelpositie mogelijk te maken, waarbij het 5 bedieningselement bij het plaatsen van de schoen in de schoenkoppelpositie te bedienen is met de achterzijde van de schoen.
Deze constructie maakt verschillende wijzen voor het comfortabel koppelen van de schoen aan het onderstel mogelijk. Het onderstel kan met de schoen worden verbonden door het duwen van de achterzijde van de schoen in het bevestigingsmechanisme. Door 10 deze beweging zal de achterzijde van de schoen het bedieningselement bedienen en de klem van de klempositie naar de vrije positie bewegen zodat de achterzijde tussen de steun en de klem kan worden geplaatst. Er is dus geen handmatige handeling vereist voor het bedienen van het bedieningselement om de klem te bewegen tussen de klempositie en de vrije positie.
15 Door het bedieningselement van de klempositie naar de vrije positie te bewegen, bijvoorbeeld met de hand, kan de achterzijde van de schoen uit het bevestigingsmechanisme worden gelost, en kan vervolgens de voorkoppeling worden ontkoppeld zodat de schoen weer los is van het onderstel.
Om met de achterzijde van de schoen het bedieningselement te bedienen is het 20 bedieningselement bijvoorbeeld voorzien van een aanslag die samenwerkt met de achterzijde van de schoen.
Het onderstel van de schaats volgens de uitvinding kan een glij-ijzer omvatten, maar kan als alternatief ook een of meer wieltjes omvatten, zoals een rolschaats of skeeler. Het is mogelijk dat een enkele schoen met verschillende onderstellen te koppelen is, bijvoorbeeld 25 met een onderstel met een glij-ijzer en met een onderstel met een aantal wieltjes.
In een uitvoeringsvorm hebben de achterzijde van de schoen en de aanslag met elkaar samenwerkende en schuin ten opzichte van elkaar lopende oppervlakken om het bedieningselement van de klempositie naar de vrije positie te bewegen tijdens de roterende beweging van de achterzijde van de schoen naar de steun.
30 Volgens de uitvinding wordt de achterzijde van de schoen gekoppeld door middel van het bevestigingsmechanisme. Hiervoor kan de achterzijde van de schoen, bijvoorbeeld de hak van de schoen, zijn voorzien van een koppeldeel dat geschikt is om te worden gekoppeld met het bevestigingsmechanisme. Het koppeldeel kan op elke geschikte positie aan de achterzijde van de schoen worden geplaatst, bijvoorbeeld op de achterkant of zijkant 35 van de hak. Het koppeldeel kan een integraal deel zijn van de schoen of een op de schoen bevestigd koppelelement, bijvoorbeeld een hakkoppelelement.
3
In een uitvoeringsvorm heeft het bedieningselement een gebogen vorm, waarbij de gebogen vorm als geleidingsmiddel dient voor het tijdens het in de schoenkoppelpositie plaatsen van de schoen naar een juiste positie geleiden van de achterzijde van de schoen. Het bedieningselement kan gebogen worden vormgegeven, bijvoorbeeld halftrechtervormig 5 of schoenlepelvormig om de achterzijde te geleiden tijdens de roterende beweging naar de klempositie tussen de klem en de steun. Door het voorzien van een bedieningselement met een dergelijke gebogen vorm wordt het betrouwbaar en comfortabel koppelen van de schoen met het onderstel verder vergroot.
In een uitvoeringsvorm heeft het bevestigingsmechanisme pre-koppelmiddelen voor 10 het koppelen van de achterzijde in een pre-schoenkoppelpositie, waarin de achterzijde zich op afstand van de steun bevindt. Tijdens de roterende beweging van de achterzijde naar de schoenkoppelpositie maken de pre-koppelmiddelen het mogelijk om de schoen in een pre-koppelpositie op afstand van de steun te houden. De kracht die benodigd is voor het plaatsen in deze pre-koppelpositie is lager dan de kracht om de achterzijde in de 15 schoenkoppelpositie te plaatsen, in het bijzonder omdat de klem minder ver uit de klempositie moet worden geduwd tegen de kracht van de voorspanmiddelen in.
Een dergelijke uitvoeringsvorm heeft het voordeel dat de achterzijde eerst met relatief kleine kracht maar met grote controle in de pre-koppelpositie kan worden geplaatst, waarbij het onderstel bijvoorbeeld in de hand wordt gehouden. Daarna kan door de schaats op de 20 grond of een ander oppervlak te plaatsen met grotere kracht de achterzijde van de schoen verder worden verplaatst naar de schoenkoppelpositie. Omdat aan het begin van deze vervolgbeweging van de pre-koppelpositie naar de schoenkoppelpositie het onderstel en de schoen al met elkaar gekoppeld zijn, is het niet meer nodig om het onderstel met de hand of op een andere wijze afzonderlijk vast te houden. Deze vervolgbeweging kan dus 25 bijvoorbeeld rechtopstaand worden uitgevoerd.
De pre-koppelmiddelen kunnen bijvoorbeeld een uitsparing omvatten voor het ontvangen en houden van de achterzijde van de schoen. Deze uitsparing kan in het bedieningselement en/of in de klem zijn aangebracht. Ook kan in de achterzijde van de schoen, bijvoorbeeld in een hakkoppelelement, een uitsparing zijn aangebracht voor het 30 ontvangen van een uitstulping op het bedieningselement en/of de klem. Andere met elkaar samenwerkende koppelmiddelen tussen het bedieningselement en/of klem enerzijds en de achterzijde van de schoen anderzijds die de schoen in een pre-koppelpositie kan houden ten opzichte van het onderstel kunnen ook worden toegepast.
In een uitvoeringsvorm heeft de schaats steunmiddelen om het onderstel in 35 rechtopstaande en stabiele stand op een ondergrond te plaatsen. Door de steunmiddelen is het dus mogelijk om het onderstel zelfstandig in een stabiele rechtopstaande stand te plaatsen, bijvoorbeeld op het ijs of een andere in hoofdzaak vlakke ondergrond. Vervolgens 4 kan een gebruiker de schoen met het onderstel koppelen door eerst de voorkoppeling tot stand te brengen en vervolgens de achterzijde in het bevestigingsmechanisme te bewegen. Door deze beweging zal de achterzijde zich verbinden met het bevestigingsmechanisme en, als gevolg, zullen de schoen en het onderstel met elkaar gekoppeld zijn.
5 Deze handeling kan relatief eenvoudig rechtop staand worden uitgevoerd. Het is niet nodig om te bukken omdat het bevestigingsmechanisme door de achterzijde van de schoen wordt bediend, en het onderstel door de steunmiddelen in een rechtopstaande stabiele stand wordt gehouden. De mogelijkheid om de schoen rechtop staand met het onderstel te koppelen geeft een groot comfort aan de gebruiker.
10 Het is niet noodzakelijk dat de steunmiddelen met de schaats verbonden zijn. De steunmiddelen kunnen ook afzonderlijke middelen zijn die bijvoorbeeld nabij kluunplaatsen kunnen worden opgesteld of die afzonderlijk door de gebruiker kunnen worden meegenomen, bijvoorbeeld in een rugzak.
Bij voorkeur zijn de steunmiddelen echter bevestigd aan het onderstel zelf.
15 In een uitvoeringsvorm omvatten de steunmiddelen ten minste een met het onderstel verbonden steunelement met een op een ondergrond te plaatsen steunuiteinde. Een dergelijk steunelement kan bijvoorbeeld aan de voor of achterzijde van het onderstel zijn voorzien en zich aan een zijde of beide zijden van het onderstel uitstrekken. Het steunelement kan beweegbaar zijn tussen een steunpositie en een normale positie.
20 De steunmiddelen kunnen bijvoorbeeld zijn uitgevoerd als ten minste twee met het onderstel verbonden steunelementen met elk een steunuiteinde, welke ten minste twee steunelementen beweegbaar zijn tussen een steunpositie en een normale positie, waarbij in de steunpositie de twee steunelementen zich aan weerszijden van het onderstel neerwaarts uitstrekken, waarbij de steunuiteinden zich in hoofdzaak op dezelfde hoogte bevinden als 25 een onderzijde van het onderstel.
De twee steunelementen aan weerszijden van het onderstel kunnen door een enkel onderdeel gevormd worden.
In de normale positie verschaffen de steunelementen geen steun voor het onderstel. In deze normale positie is het niet mogelijk om het onderstel zonder verdere hulpmiddelen in 30 een stabiele rechtopstaande positie op een vlakke ondergrond te plaatsen. In deze normale positie zijn de steunuiteinden van de steunelementen bijvoorbeeld zijwaarts of bovenwaarts gericht.
Voor het koppelen van de schoen met het onderstel kunnen de steunmiddelen in de steunpositie worden geplaatst om het onderstel in de rechtopstaande stabiele stand te 35 houden.
Bij voorkeur is de schaats, in het bijzonder het onderstel, voorzien van terugstelmiddelen die tijdens of na het koppelen van de schoen met het onderstel de 5 steunelementen terugplaatsen van de steunpositie naar de normale positie. Deze terugstelmiddelen kunnen bijvoorbeeld worden bediend door het bedieningselement van de klem. Als alternatief kunnen de steunelementen na het koppelen worden terugbewogen, bijvoorbeeld handmatig, naar de normale positie.
5 De uitvinding heeft verder betrekking op een werkwijze voor het koppelen van een schoen op een onderstel, omvattende de stappen, het verschaffen van een schaats volgens een van de conclusies 1-19; het aantrekken van een schoen van de schaats; het koppelen van de voorkoppeling; 10 het om het scharnierpunt roterend bewegen van de achterzijde van de schoen naar de steun om de schoen in de schoenkoppelpositie te plaatsen, waarbij tijdens het roterend bewegen de achterzijde van de schoen het bedieningselement van de klempositie naar de vrije positie duwt om het plaatsen van de achterzijde in de schoenkoppelpositie mogelijk te maken, waarbij, wanneer de schoen in de schoenkoppelpositie is geplaatst de klem door de 15 voorspanmiddelen terugkeert naar de klempositie om de achterzijde in de schoenkoppelpositie te houden.
In een uitvoeringsvorm van de werkwijze heeft de schaats steunmiddelen om het onderstel in rechtopstaande stabiele stand op een in hoofdzaak vlakke ondergrond te plaatsen, waarbij de werkwijze voor de stap van het koppelen van de voorkoppeling omvat: 20 het op een ondergrond plaatsen van het onderstel, waarbij de steunmiddelen het onderstel in de rechtopstaande stabiele stand houden.
In een uitvoeringsvorm heeft het bevestigingsmechanisme pre-koppelmiddelen voor het koppelen van de achterzijde in een pre-schoenkoppelpositie, waarin de achterzijde zich op afstand van de steun bevindt, en waarbij tijdens een eerste deel van het om het 25 scharnierpunt roterend bewegen van de achterzijde naar de steun, de achterzijde wordt gekoppeld met de pre-koppelmiddelen om de schoen in een pre-schoenkoppelpositie ten opzichte van het onderstel te plaatsen, en waarbij tijdens een tweede deel van het om het scharnierpunt roterend bewegen van de achterzijde van de schoen naar de steun, de achterzijde van de pre-schoenkoppelpositie naar de schoenkoppelpositie wordt verplaatst.
30 In een dergelijke uitvoeringsvorm is het mogelijk om tijdens het eerste deel het onderstel in de hand te houden, waarbij na het koppelen van de schoen in de pre-koppelpositie het onderstel op een ondergrond kan worden geplaatst zonder het onderstel met een hand vast te houden om het tweede deel van de roterende beweging uit te voeren.
De steunmiddelen en/of de pre-koppelmiddelen kunnen eventueel ook in een schaats 35 worden toegepast zonder de maatregelen volgens het kenmerk van conclusie 1. De uitvinding heeft als gevolg ook betrekking op een schaats volgens conclusie 24 en/of een schaats volgens conclusie 25.
6
De uitvinding zal hiernavolgend verder worden toegelicht aan de hand van een uitvoeringsvoorbeeld, waarbij verwezen wordt naar de tekeningen, waarin: 5 Figuur 1 een zijaanzicht van de schaats toont;
Figuur 2 een langsdoorsnede van de schaats toont;
Figuur 3 een bovenaanzicht van het onderstel; en
Figuur 4 een achteraanzicht van de schaats toont.
10 Figuren 1-4 tonen een schaats volgens de uitvinding, in het geheel aangeduid met het verwijzingscijfer 1.
De schaats 1 omvat een schoen 2, een onderstel 3, en een koppelmechanisme voor het losneembaar met elkaar koppelen van de schoen 2 en het onderstel 3. De schoen 2 kan elke schoen zijn. De schoen 2 is aan de voorzijde voorzien van een voorkoppelelement 4 en 15 aan de achterzijde van een hakkoppelelement 5. In de getoonde uitvoeringsvorm zijn het voorkoppelelement 4 en het hakkoppelelement 5 afzonderlijke elementen, maar in een alternatieve uitvoeringsvorm kunnen deze elementen ook gevormd worden door een enkel onderdeel.
De schoen 2 kan worden voorzien van een voor lopen geschikt profiel (niet getoond) 20 voor zover het profiel de koppeling van de schoen 2 met het onderstel 3 niet verhindert.
Het onderstel 3 omvat aan de onderzijde ervan een glij-ijzer 6. Een dergelijk glij-ijzer 6 voor schaatsen is op zich bekend en kan op elke geschikte manier worden vormgegeven. Het is ook mogelijk om in plaats van een glij-ijzer 6 het onderstel 3 te voorzien van andere middelen voor het voortbewegen van de schaats 1, bijvoorbeeld een aantal in lijn geplaatste 25 wieltjes, als van een skeeler, of een andere opstelling van een of meer wieltjes. Het is daarbij mogelijk dat een enkele schoen koppelbaar is met verschillende onderstellen, bijvoorbeeld een onderstel met een glij-ijzer 6 en een onderstel met een aantal wieltjes.
Het onderstel 3 is verder voorzien van een koppelelement 7 en een bevestigingsmechanisme 8. Het koppelelement 7 vormt samen met het voorkoppelelement 4 30 een voorkoppeling voor het koppelen van de voorzijde van de schoen 2 met het onderstel 3. Het bevestigingsmechanisme 8 is ingericht om het hakkoppelelement 5 te koppelen met het onderstel 3.
Het voorkoppelelement 4 en het hakkoppelelement 5 zijn met bevestigingsmiddelen, bijvoorbeeld schroeven, aan de schoen 2 bevestigd, en uitwisselbaar. Het voordeel van 35 dergelijke uitwisselbare elementen is dat ze indien ze versleten of beschadigd zijn, kunnen worden vervangen. In een alternatieve uitvoeringsvorm is het mogelijk dat het 7 voorkoppelelement 4 en/of het hakkoppelelement 5 integrale onderdelen van de schoen 2 zijn.
Het is mogelijk dat het voorkoppelelement 4 en/of het hakkoppelelement 5 in verschillende posities op een schoen kunnen worden bevestigd om de positie ervan aan te 5 passen aan de positie van het koppelelement 7 en het bevestigingsmechanisme 8. Het is ook mogelijk om de (langs)positie van het koppelelement 7 en/of het bevestigingsmechanisme 8 instelbaar te maken om zo de positie daarvan aan te passen aan de positie van het voorkoppelelement 4 en/of het hakkoppelelement 5 van de schoen. Dit kan bijvoorbeeld wenselijk zijn om een enkel onderstel 3 geschikt te maken voor 10 verschillende schoenmaten.
Het voorkoppelelement 4 is aangebracht aan de voorzijde van de schoen 2, d.w.z., aan de zool nabij de punt van de schoen 2. Het voorkoppelelement 4 kan ook op elke andere geschikte locatie van de voorzijde van de schoen, bijvoorbeeld nabij of op de punt van de schoen, of meer nabij de positie van de bal van een in de schoen 2 geplaatste voet worden 15 aangebracht. Het voorkoppelelement 4 kan bijvoorbeeld aan de zool of aan de zijkant van de schoen 2 worden aangebracht.
Het hakkoppelelement 5 is voorzien aan de hakzijde van de schoen 2. Het hakkoppelelement 5 is een deel van de hak van de schoen 2 waarmee de schoen aan de achterzijde met het onderstel 3 kan worden gekoppeld.
20 In Figuur 2 is een dwarsdoorsnede van de schaats van Figuur 1 getoond.
Het bevestigingsmechanisme 8 omvat een steun 9 en een klem 10. De steun 9 is ingericht om de schoen 2, in het bijzonder het hakkoppelelement 5, in de gekoppelde positie, d.w.z. de schoenkoppelpositie, aan de onderzijde te ondersteunen.
De klem 10 is roteerbaar om een scharnieras 11 tussen een vrije positie, waarin het 25 hakkoppelelement 5 vrij is om te bewegen naar en vanaf de steun 9, en een klempositie waarin het hakkoppelelement 5 vormsluitend is opgenomen tussen de steun 9 en de klem 10. Een bedieningselement 12 is voorzien voor het bewegen van de klem 10 tussen de klempositie (zoals getoond in Figuren 1 en 2) en de vrije positie waarbij de klem 10 naar achteren is bewogen door een rotatie van het bedieningselement 12 om de scharnieras 11 30 (in Figuren 1 en 2) tegen de klok in, zoals aangeduid met de pijl 13.
De klem 10 is gevormd door een uitsparing die is aangebracht in het bedieningselement 12. De klem 10 en het bedieningselement 12 worden dus gevormd door een integraal onderdeel dat scharniert om de scharnieras 11. Het is ook mogelijk dat de klem een afzonderlijk onderdeel is dat bijvoorbeeld op het bedieningselement is bevestigd.
35 Dit laatste kan voordelig zijn omdat de klem dan eenvoudig vervangbaar kan zijn, bijvoorbeeld ten behoeve van het opheffen van slijtage of het nastellen voor een andere 8 schoen. Eventueel is bij een dergelijke uitvoeringsvorm de relatieve positie van de klem ten opzichte van het bedieningselement instelbaar.
Als alternatief is het mogelijk om als klem een uitstulping te voorzien op het bedieningselement welke uitstulping samenwerkt met een uitsparing in het 5 hakkoppelelement 5 of een ander element aan de achterzijde van de schoen 2.
De vorm van de klem 10 is complementair met het respectieve deel van het hakkoppelelement 5 dat in de klem 10 wordt geplaatst.
Het hakkoppelelement 5 loopt aan zijn bovenzijde 5a in de achterwaartse richting, d.w.z. in de richting tegengesteld naar de voorzijde van de schoen 2, (oftewel naar links in 10 Figuur 1 en 2), schuin naar boven. Door deze schuin naar boven lopende vorm, en de overeenkomstige vorm van de klem 10 zal een op de hak van de schoen uitgeoefende bovenwaartse kracht resulteren in het verder vastklemmen van de schoen in het bevestigingsmechanisme 8. Hiermee kan de kans op een onbedoeld loskomen van de schoen 2 worden voorkomen of ten minste substantieel worden verminderd.
15 Het hakkoppelelement 5 loopt aan de achterzijde 5b schuin af. Het bedieningselement 12 omvat een schuin lopende aanslag 12a die samenwerkt met de achterzijde 5b om bij een neergaande beweging van het hakkoppelelement 5 ten opzichte van het bedieningselement 12, het bedieningselement 12 achterwaarts in de richting van de pijl 13 te bewegen. Hiermee wordt de klem 10 vanaf de klempositie in de richting van de vrije 20 positie bewogen.
In het algemeen kunnen het hakkoppelelement 5 en het bedieningselement 12 zijn voorzien van schuin ten opzichte van elkaar lopende oppervlakken om het duwen van het bedieningselement 12 van de klempositie naar de vrije positie tijdens de roterende beweging van het hakkoppelelement 5 naar de steun 9 mogelijk te maken. Elke andere wijze voor het 25 bedienen van het bedieningselement 12 om de klem 10 tussen de klempositie en de vrije positie heen en weer te bewegen kan eveneens worden toegepast.
In de dwarsdoorsnede van Figuur 2 is zichtbaar dat het bevestigingsmechanisme 8 een veer 14 omvat die tegen het bedieningselement 1 duwt, om daarmee de klem 10 voor te spannen in de klempositie. Als er geen kracht op het bedieningselement 12 wordt 30 uitgeoefend zal de veer 14 de klem 10 dus bewegen naar de klempositie. Een veer-instelmiddel in de vorm van instelschroef 15 is voorzien voor het instellen van de voorspanning die door de veer wordt geleverd.
Om een koppeling tussen het voorkoppelelement 4 en het koppelelement 7 tot stand te kunnen brengen is het voorkoppelelement 4 voorzien van een voorwaarts uitstekend deel 35 16 dat complementair is gevormd aan een in het koppelelement 7 voorziene uitsparing 17.
De uitsparing 17 omsluit het uitstekende deel 16 aan vier zijden, zodat het uitstekende deel 9 16 alleen met een in hoofdzaak voorwaartse beweging in de uitsparing 17 te plaatsen is, en alleen met een in hoofdzaak achterwaartse beweging daar weer uit te nemen is.
Het uitstekende deel 16 en de uitsparing 17 zijn daarbij zodanig vormgegeven dat wanneer het uitstekende deel 16 in de uitsparing 17 is geplaatst het hakkoppelelement 5 met 5 een roterende beweging te bewegen is tussen de schoenkoppelpositie zoals getoond in Figuur 1, en een positie waarin het hakkoppelelement 5 op een afstand van de steun 9 is geplaatst. Tijdens deze roterende beweging van het hakkoppelelement 5 fungeert de aan de voorzijde van de schoen gecreëerde voorkoppeling tussen het uitstekende deel 16 en de uitsparing 17 als een scharnierpunt 16a.
10 De voorkoppeling gevormd door voorkoppelelement 4 en koppelelement 7 in combinatie met het bevestigingsmechanisme 8 maken een comfortabele koppeling van de schoen 2 met het onderstel 3 mogelijk. Als een eerste stap van de koppeling wordt de voorkoppeling tot stand gebracht door het uitstekende deel 16 in de uitsparing 17 te plaatsen, terwijl het hakkoppelelement 5 op afstand van de steun 9 wordt gehouden, 15 bijvoorbeeld ongeveer op de hoogte van het bovenuiteinde van het bedieningselement 12.
Door het tot stand brengen van deze voorkoppeling wordt het scharnierpunt 16a gevormd waaromheen het hakkoppelelement 5 naar de steun 9 kan worden bewogen. Tijdens een tweede stap wordt dan de om het scharnierpunt 16a roterende beweging van het hakkoppelelement 5 uitgevoerd, waarbij het hakkoppelelement 5 het bedieningselement 12 20 in de richting van de pijl 13 duwt om zo via het bedieningselement 12 de klem 10 naar de vrije positie te bewegen. In deze vrije positie kan het hakkoppelelement 5 langs de klem 10 bewegen totdat het hakkoppelelement 5 is geplaatst op de steun 9. Wanneer het hakkoppelelement 5 voorbij de klem 10 is bewogen, zal de klem 10 door de veer 14 over de bovenzijde 5a van het hakkoppelelement 5 terug bewegen naar de klempositie, waardoor 25 hakkoppelelement 5 is opgesloten tussen de steun 9 en de klem 10.
Door deze koppeling in de schoenkoppelpositie is de schoen 2 vormsluitend opgesloten ten opzichte van het onderstel 3. Een voorwaartse beweging van de schoen 2 ten opzichte van het onderstel 3 wordt voorkomen door de voorkoppeling, terwijl een achterwaartse beweging wordt voorkomen door het bevestigingsmechanisme 8. Zijwaartse 30 en bovenwaartse bewegingen van de schoen 2 ten opzichte van het onderstel 3 worden zowel door de voorkoppeling als het bevestigingsmechanisme 8 voorkomen. Voor een extra borging is een opstaand bolvormig element 18 in de steun 9 voorzien, welk element 18 complementair is met een uitsparing in het hakkoppelelement 5 om zijwaartse bewegingen van de schoen 2 te blokkeren.
35 De scharnieras 11 ligt daarbij op eenzelfde hoogte als het hakkoppelelement 5 zodat een achterwaartse beweging van de schoen 2 tegen het bedieningselement niet resulteert in 10 een rotatie van het bedieningselement 12. Hierdoor is de veerkracht ook niet benodigd om de schoen 2 in de gekoppelde positie te houden.
Het bedieningselement 12 heeft een gebogen vorm, zoals zichtbaar in het bovenaanzicht van Figuur 3, welke gebogen vorm als geleidingsmiddel dient tijdens de 5 roterende beweging van het hakkoppelelement 5 naar de steun 9. Het bedieningselement 12 is concaaf in de richting van de schoen 2 zodanig dat tijdens de roterende beweging het hakkoppelelement 5 tussen de gebogen zijden van het bedieningselement 12 wordt gehouden. Dit heeft het voordeel dat wanneer het hakkoppelelement 5 eenmaal van bovenaf zich in de door het concaaf lopende bedieningselement 12 gevormde holling bevindt, dit 10 hakkoppelelement 5 daar niet meer zijwaarts uit kan worden bewogen.
Daarbij is de gebogen vorm zodanig gedefinieerd dat deze holling in de richting van de steun 9 steeds smaller wordt, bijvoorbeeld half-trechtervormig, zodat de gebogen vorm het hakkoppelelement 5 in de zijwaartse richting juist positioneert ten opzichte van de klem 10.
15 De gebogen vorm van het bedieningselement 12 vergroot het gebruiksgemak van de schaats 1 aangezien een neerwaartse beweging van het hakkoppelelement 5, wanneer deze zich eenmaal in de holling bevindt resulteert in een zekere en betrouwbare koppeling van de schoen 2 met het onderstel 3.
Om het gebruikscomfort van de schaats 1 verder te vergroten heeft het 20 bedieningselement 12 een tweede uitsparing 19 welke dient als pre-koppelmiddel voor het koppelen van de schoen in een pre-koppelpositie. De vorm van de tweede uitsparing 19 is ten minste gedeeltelijk complementair aan het hakkoppelelement 5, zodanig dat wanneer het hakkoppelelement 5 in de tweede uitsparing 19 is geplaatst tijdens de roterende beweging van het hakkoppelelement 5 om het scharnierpunt 16a, de schoen 2 wordt gekoppeld aan 25 het onderstel 3, waarbij het hakkoppelelement 5 zich nog op afstand van de steun bevindt.
In deze pre-koppelpositie is het bedieningselement 12 wel in de richting van, maar nog niet volledig naar de vrije positie verplaatst, d.w.z. naar een positie waar het hakkoppelelement 5 voorbij de klem 10 naar de steun 9 kan worden bewogen. Er is dus ook minder kracht nodig om de schoen 2 met het hakkoppelelement 5 in de tweede uitsparing te 30 plaatsen.
Het voordeel van de tweede uitsparing 19 is dat het hakkoppelelement 5 eerst door het onderstel 3 in de hand te houden met relatief kleine kracht maar met grote controle in de tweede uitsparing 19 kan worden geplaatst, waarbij een koppeling tussen de schoen 2 en het onderstel 3 tot stand wordt gebracht. Vervolgens kan door de schaats op het ijs of een 35 ander oppervlak te plaatsen, of eventueel ook met de hand, met grotere kracht het hakkoppelelement 5 verder worden verplaatst naar de schoenkoppelpositie, waarbij de hak wordt gehouden tussen de steun 9 en de klem 10.
11
De pre-koppelpositie geeft de gebruiker daarbij de bevestiging dat de schoen juist is geplaatst ten opzichte van het onderstel 3, zodat hij zonder het gevoel te hebben verkeerd te koppelen, grotere kracht kan zetten om de schoen 2 en het onderstel 3 te koppelen.
Verder heeft het onderstel 3 aan weerszijden van het onderstel 3 twee steunpootjes 5 20 met een uiteinde 21. De steunpootjes 20 zijn scharnierbaar om een scharnieras 22 tussen een normale positie en een steunpositie.
In Figuur 1 en 4 zijn de steunpootjes 20 getoond in de steunpositie. In deze steunpositie strekken de steunpootjes zich neerwaarts uit zodanig dat de uiteinden 21 van de steunpootjes 20 in hoofdzaak op eenzelfde hoogte liggen als de onderzijde van het glij-ijzer 10 6. Door de steunpootjes 21 kan het onderstel 3 zonder verdere hulpmiddelen op een in hoofdzaak vlakke ondergrond, bijvoorbeeld een ijsoppervlak worden geplaatst in een stabiele rechtopstaande positie.
Door de mogelijkheid het onderstel 3 stabiel op een ondergrond te plaatsen, kan de gebruiker op comfortabele wijze de schoen 2 koppelen met het onderstel 3. Voor het 15 koppelen is immers geen handmatige bediening van het bedieningselement 12 bij het vastkoppelen van het hakkoppelelement 5 benodigd. Ook is er door de steunpootjes 20 in de steunpositie geen hand benodigd voor het rechtop houden van het onderstel 3. De gebruiker kan dus, nadat hij de steunpootjes 20 in de steunpositie heeft gebracht, de onderstellen 3 van zijn beide schaatsen 2 stabiel op een ondergrond, bijvoorbeeld een ijsoppervlak, 20 plaatsen, en vervolgens in rechtopstaande positie beide schoenen 2 aan de onderstellen 3 koppelen.
Na het koppelen kunnen de steunpootjes 20 weer naar de normale positie worden gebracht. Dit kan eventueel handmatig worden gedaan, maar bij voorkeur omvat het onderstel 3 terugstelmiddelen voor het automatisch terugstellen van de steunpootjes 20 van 25 de steunpositie naar de normale positie tijdens of na het koppelen van de schoen 2 met het onderstel 3.
Figuren 2, 3 en 4 tonen een onderdeel 23 dat op de scharnieras 22 is bevestigd en dat samenwerkt met een nok 12b van het bedieningselement 12. Het onderdeel 23 is met veren 24 voorgespannen naar een positie die overeenkomt met de normale positie van de 30 steunpootjes 20, maar wordt tegengehouden door de nok 12b (in figuur 2). Zoals hierboven besproken wordt tijdens het koppelen van de schoen 2 met het onderstel 3 het bedieningselement 12 (in Figuren 1 en 2) tegen de klok gedraaid als aangeduid met pijl 13. Door deze beweging zal de nok 12b weg bewegen van het onderdeel 23. De vorm van het onderdeel 23 en de nok 12b zijn zodanig gekozen dat wanneer het bedieningselement 12 is 35 geplaatst in de vrije positie, de nok 12b het onderdeel niet langer zal tegen houden, en als gevolg zijn het onderdeel 23 en daarmee de scharnieras 22 en de steunpootjes 20 vrij om te worden gedraaid door de veerkracht van de veren 24 naar de normale positie.
12
Het onderdeel 23, de nok 12b en de veren 24 dienen dus als terugstelmiddelen voor de steunpootjes 20 van de steunpositie naar de normale positie tijdens het koppelen van de schoen 2 aan het onderstel 3. Tijdens normaal gebruik zullen de steunpootjes 20 na het koppelen van een schoen 2 op het onderstel 3 dus teruggeklapt zijn naar de normale positie, 5 en niet staan in de steunpositie zoals getoond in de Figuren 1, 2 en 4.
In de normale positie zijn de steunpootjes naar achteren of naar boven geklapt. In deze stand van de steunpootjes 20 wordt het onderstel 3 niet zijwaarts ondersteund en zal het kunnen omvallen als het op een ijsoppervlak wordt geplaatst. In deze normale stand, kan de schaats 1 echter wel gebruikt worden zonder dat de steunpootjes 20 het schaatsen 10 bemoeilijken of verhinderen.
Wanneer de gebruiker de schoen 2 weerwil loskoppelen van het onderstel 3 hoeft hij, bijvoorbeeld met de hand, alleen het bedieningselement 12 in de richting van de pijl 13 te bewegen naar de vrije positie zodat het hakkoppelelement 5 weer vrij komt uit de klem 10. Daarna kan hij het hakkoppelelement 5 bovenwaarts uit het bevestigingsmechanisme 8 15 bewegen en vervolgens het uitstekende deel 16 achterwaarts uit de uitsparing 17 bewegen om de voorkoppeling te ontkoppelen.
Het bedieningselement 12 kan bijvoorbeeld van een lus zijn voorzien, waarmee de gebruiker met zijn hand het bedieningselement 13 naar de vrije positie kan trekken. Als hij vervolgens zijn schoen 2 uit het onderstel 3 beweegt heeft hij het onderstel 3 vast in zijn 20 hand en kan hij het eenvoudig optillen.
De steunpootjes 20 zijn dan nog in de normale positie, maar kunnen, indien gewenst, handmatig weer worden verplaatst van de normale positie naar de steunpositie.
Claims (24)
1. Schaats omvattende een schoen met een voorzijde en een achterzijde, een onderstel en een koppelmechanisme, waarbij het koppelmechanisme is ingericht om de schoen in een 5 schoenkoppelpositie losneembaar te koppelen met het onderstel, waarbij het koppelmechanisme een voorkoppeling heeft voor het koppelen van de voorzijde van de schoen met het onderstel en een bevestigingsmechanisme voor het koppelen van de achterzijde van de schoen, waarbij het koppelmechanisme is ingericht de schoen met het onderstel te koppelen 10 door eerst met de voorkoppeling de voorzijde van de schoen met het onderstel te koppelen, en vervolgens de achterzijde te koppelen met het bevestigingsmechanisme door een roterende beweging van de achterzijde naar het bevestigingsmechanisme, waarbij de voorkoppeling dient als een scharnierpunt voor de roterende beweging van de achterzijde, waarbij het bevestigingsmechanisme een op het onderstel aangebrachte steun heeft 15 voor het ondersteunen van de achterzijde, en een op het onderstel bevestigde en om een scharnieras scharnierbare klem, waarbij de klem beweegbaar is tussen een vrije positie, waarin de achterzijde vrij is om te bewegen naar en vanaf de steun, en een klempositie waarin de achterzijde ten minste gedeeltelijk vormsluitend is opgenomen tussen de klem en de steun, 20 met het kenmerk, dat het bevestigingsmechanisme voorspanmiddelen heeft voor het in de klempositie voorspannen van de klem, en dat het bevestigingsmechanisme is voorzien van een bedieningselement voor het bewegen van de klem uit de klempositie richting de vrije positie om het plaatsen van de achterzijde in de schoenkoppelpositie mogelijk te maken, waarbij het 25 bedieningselement bij het plaatsen van de schoen in de schoenkoppelpositie te bedienen is met de achterzijde van de schoen.
2. Schaats volgens conclusie 1, waarbij het bedieningselement een gebogen vorm heeft, waarbij de gebogen vorm als geleidingsmiddel dient voor het tijdens het in de 30 schoenkoppelpositie plaatsen van de schoen naar een juiste positie geleiden van de achterzijde. 1 35 Schaats volgens conclusie 1 of 2, waarbij het bedieningselement en de klem een integraal onderdeel zijn.
4. Schaats volgens conclusie 3, waarbij de klem is gevormd door een uitsparing in het bedieningselement, waarbij een vorm van de achterzijde van de schoen complementair is aan een vorm van de uitsparing.
5. Schaats volgens conclusie 4, waarbij een bovenzijde van een te koppelen deel van de achterzijde van de schoen in achterwaartse richting schuin naar boven loopt.
6. Schaats volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij het bevestigingsmechanisme pre-koppelmiddelen heeft voor het koppelen van de achterzijde 10 van de schoen in een pre-schoenkoppelpositie, waarin de achterzijde zich op afstand van de steun bevindt.
7. Schaats volgens conclusie 5, waarbij de pre-koppelmiddelen een uitsparing omvatten voor het ontvangen en houden van de achterzijde van de schoen in de pre- 15 schoenkoppelpositie.
8. Schaats volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de voorkoppeling een voorkoppelelement met een uitsparing of uitstekend deel omvat dat is aangebracht aan de voorzijde van de schoen, en een koppelelement met een uitstekend deel dat geplaatst kan 20 worden in de uitsparing respectievelijk een uitsparing voor het ontvangen van het uitstekende deel, waarbij het koppelelement is aangebracht op het onderstel.
9. Schaats volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de achterzijde een hakkoppelelement omvat dat is vormgegeven om te worden geplaatst tussen de steun en de 25 klem.
10. Schaats volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de schaats steunmiddelen heeft om het onderstel in een rechtopstaande stabiele stand op een ondergrond te plaatsen. 30
11. Schaats volgens conclusie 10, waarbij de steunmiddelen ten minste een met het onderstel verbonden steunelement met een op een ondergrond te plaatsen steunuiteinde omvatten.
12. Schaats volgens conclusie 10 of 11, waarbij de schaats ten minste twee met het onderstel verbonden steunelementen heeft met elk een steunuiteinde, welke ten minste twee steunelementen beweegbaar zijn tussen een steunpositie en een normale positie, waarbij in de steunpositie de twee steunelementen zich aan weerszijden van het onderstel neerwaarts uitstrekken, waarbij de steunuiteinden zich in hoofdzaak op dezelfde hoogte bevinden als een onderzijde van het onderstel.
13. Schaats volgens de voorgaande conclusie, waarbij de ten minste twee steunelementen aan weerszijden van het onderstel aangebrachte steunpootjes zijn, die scharnierbaar zijn tussen de steunpositie en de normale positie.
14. Schaats volgens conclusie 12 of 13, waarbij in de normale positie de steunelementen 10 zijwaarts en/of bovenwaarts uitsteken.
15. Schaats volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de voorspanmiddelen een veer omvatten.
16. Schaats volgens de voorgaande conclusie, waarbij de voorspanmiddelen een instelmiddel omvatten voor het instellen van de veerspanning van de veer.
17. Schaats volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij, in de schoenkoppelpositie van de schoen, de scharnieras van de klem op een zelfde hoogte als de 20 achterzijde van de schoen ligt.
18. Schaats volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij het onderstel een glij-ijzer omvat.
19. Schaats volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij het onderstel meerdere in lijn geplaatste wieltjes omvat.
20. Werkwijze voor het koppelen van een schoen op een onderstel, omvattende de stappen, 30 het verschaffen van een schaats volgens een van de conclusies 1-19; het aantrekken van een schoen van de schaats; het koppelen van de voorkoppeling; het om het scharnierpunt roterend bewegen van de achterzijde van de schoen naar de steun om de schoen in de schoenkoppelpositie te plaatsen, waarbij tijdens het roterend bewegen 35 de achterzijde van de schoen het bedieningselement van de klempositie naar de vrije positie duwt om het plaatsen van de achterzijde in de schoenkoppelpositie mogelijk te maken, waarbij, wanneer de schoen in de schoenkoppelpositie is geplaatst de klem door de voorspanmiddelen terugkeert naar de klempositie om de achterzijde in de schoen koppelpositie te houden.
21. Werkwijze volgens conclusie 20, waarbij de schaats steunmiddelen heeft om het onderstel in rechtopstaande stabiele stand op een in hoofdzaak vlakke ondergrond te plaatsen, waarbij de werkwijze voor de stap van het koppelen van de voorkoppeling omvat: het op een ondergrond plaatsen van het onderstel, waarbij de steunmiddelen het onderstel in de rechtopstaande stabiele stand houden. 10
22. Werkwijze volgens conclusie 20, waarbij het bevestigingsmechanisme pre-koppelmiddelen heeft voor het koppelen van de achterzijde in een pre-schoenkoppelpositie, waarin de achterzijde zich op afstand van de steun bevindt, en waarbij tijdens een eerste deel van het om het scharnierpunt roterend bewegen van de achterzijde naar de steun, de 15 achterzijde wordt gekoppeld met de pre-koppelmiddelen om de schoen in een pre-schoenkoppelpositie ten opzichte van het onderstel te plaatsen, en waarbij tijdens een tweede deel van het om het scharnierpunt roterend bewegen van de achterzijde van de schoen naar de steun, de achterzijde van de pre-schoenkoppelpositie naar de schoenkoppelpositie wordt verplaatst. 20
23. Werkwijze volgens conclusie 22, waarbij tijdens het eerste deel het onderstel in de hand wordt gehouden, en waarbij na het koppelen van de schoen in de pre-koppelpositie het onderstel op een ondergrond wordt geplaatst en zonder het onderstel met de handen vast te houden het tweede deel van de roterende beweging wordt uitgevoerd. 25
24. Schaats omvattende een schoen met een voorzijde en een achterzijde, een onderstel en een koppelmechanisme, waarbij het koppelmechanisme is ingericht om de schoen in een schoenkoppelpositie losneembaar te koppelen met het onderstel, waarbij het koppelmechanisme een voorkoppeling heeft voor het koppelen van de 30 voorzijde van de schoen met het onderstel en een bevestigingsmechanisme voor het koppelen van de achterzijde van de schoen, waarbij het koppelmechanisme is ingericht de schoen met het onderstel te koppelen door eerst met de voorkoppeling de voorzijde van de schoen met het onderstel te koppelen, en vervolgens de achterzijde te koppelen met het bevestigingsmechanisme door een 35 roterende beweging van de achterzijde naar het bevestigingsmechanisme, waarbij de voorkoppeling dient als een scharnierpunt voor de roterende beweging van de achterzijde, waarbij het bevestigingsmechanisme een op het onderstel aangebrachte steun heeft voor het ondersteunen van de achterzijde, en een op het onderstel bevestigde en om een scharnieras scharnierbare klem, waarbij de klem beweegbaar is tussen een vrije positie, waarin de achterzijde vrij is om te bewegen naar en vanaf de steun, en een klempositie 5 waarin de achterzijde ten minste gedeeltelijk vormsluitend is opgenomen tussen de klem en de steun, met het kenmerk, dat de schaats steunmiddelen heeft om het onderstel in rechtopstaande stand en in een stabiele toestand op een in hoofdzaak vlakke ondergrond te plaatsen. 10
25. Schaats omvattende een schoen met een voorzijde en een achterzijde, een onderstel en een koppelmechanisme, waarbij het koppelmechanisme is ingericht om de schoen in een schoenkoppelpositie losneembaar te koppelen met het onderstel, waarbij het koppelmechanisme een voorkoppeling heeft voor het koppelen van de 15 voorzijde van de schoen met het onderstel en een bevestigingsmechanisme voor het koppelen van de achterzijde van de schoen, waarbij het koppelmechanisme is ingericht de schoen met het onderstel te koppelen door eerst met de voorkoppeling de voorzijde van de schoen met het onderstel te koppelen, en vervolgens de achterzijde te koppelen met het bevestigingsmechanisme door een 20 roterende beweging van de achterzijde naar het bevestigingsmechanisme, waarbij de voorkoppeling dient als een scharnierpunt voor de roterende beweging van de achterzijde, waarbij het bevestigingsmechanisme een op het onderstel aangebrachte steun heeft voor het ondersteunen van de achterzijde, en een op het onderstel bevestigde en om een scharnieras scharnierbare klem, waarbij de klem beweegbaar is tussen een vrije positie, 25 waarin de achterzijde vrij is om te bewegen naar en vanaf de steun, en een klempositie waarin de achterzijde ten minste gedeeltelijk vormsluitend is opgenomen tussen de klem en de steun, met het kenmerk, dat het bevestigingsmechanisme pre-koppelmiddelen heeft voor het koppelen van de 30 achterzijde in een pre-schoenkoppelpositie, waarin de achterzijde zich op afstand van de steun bevindt.
Priority Applications (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL2008593A NL2008593C2 (nl) | 2012-04-03 | 2012-04-03 | Schaats met losneembare schoen. |
| NL2011543A NL2011543C2 (nl) | 2012-04-03 | 2013-10-03 | Schaats met losneembare schoen. |
Applications Claiming Priority (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL2008593 | 2012-04-03 | ||
| NL2008593A NL2008593C2 (nl) | 2012-04-03 | 2012-04-03 | Schaats met losneembare schoen. |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL2008593C2 true NL2008593C2 (nl) | 2013-10-09 |
Family
ID=50064305
Family Applications (2)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL2008593A NL2008593C2 (nl) | 2012-04-03 | 2012-04-03 | Schaats met losneembare schoen. |
| NL2011543A NL2011543C2 (nl) | 2012-04-03 | 2013-10-03 | Schaats met losneembare schoen. |
Family Applications After (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL2011543A NL2011543C2 (nl) | 2012-04-03 | 2013-10-03 | Schaats met losneembare schoen. |
Country Status (1)
| Country | Link |
|---|---|
| NL (2) | NL2008593C2 (nl) |
-
2012
- 2012-04-03 NL NL2008593A patent/NL2008593C2/nl active
-
2013
- 2013-10-03 NL NL2011543A patent/NL2011543C2/nl active
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| NL2011543A (nl) | 2013-12-12 |
| NL2011543C2 (nl) | 2014-11-10 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| US8292308B2 (en) | Roller skate | |
| US8746729B2 (en) | Toe piece for gliding apparatus and gliding apparatus equipped with such binding | |
| US10092816B2 (en) | Splitboard boot binding system with adjustable highback | |
| CA2919402A1 (en) | Foldable snow bike | |
| NL2008593C2 (nl) | Schaats met losneembare schoen. | |
| EP2699323B1 (fr) | Système d'assistance pour planche de glisse ou raquette à neige | |
| CN105521596A (zh) | 动平衡多人协同双板滑行设备 | |
| WO2004103492A3 (en) | Snowboard binding system having multiple tool-less frame length adjustment mechanism | |
| EP3437703A1 (fr) | Dispositif de freinage pour ski de randonnee | |
| US11865433B2 (en) | Skibinding, in particular touring skibinding | |
| JP4144923B2 (ja) | 雪用輪かんじき上に靴を保持するための改良された装置 | |
| GB2363078A (en) | An in line roller skate | |
| FR2642982A2 (fr) | Patin a roulettes dont la fixation comporte une tige universelle permettant l'utilisation quelle que soit la chaussure basse ou montante | |
| NL2003408C2 (nl) | Binding van het klapskitype voor een ski of schaats. | |
| GB2556961B (en) | Adjustable roller skates | |
| US10052549B2 (en) | Snow ski and skate board platform combination | |
| US20190261729A1 (en) | Wearable device with one or more retractable wheels | |
| NL1008552C2 (nl) | Zwenkmechanisme en een inrichting voorzien van een dergelijk zwenkmechanisme ter vorming van een schaats, een langlaufski, een rolski, een skeeler of in-line rolschaats. | |
| WO2013124552A1 (fr) | Fixation polyvalente d'une chaussure sur une planche de glisse | |
| US10258863B2 (en) | Convertible binding | |
| FR2740350A1 (fr) | Fixation specifique pour un engin de glisse constitue par une planche unique, et engin muni d'une telle fixation | |
| WO2009075837A1 (en) | Snowboard brake | |
| NL1039578C2 (nl) | Glijhulpmiddel met geïntegreerd systeem om schoen te bevestigen. | |
| WO2015105784A1 (en) | Roller skate | |
| NL1011510C2 (nl) | Zwenkmechanisme en een inrichting voorzien van een dergelijk zwenkmechanisme ter vorming van een schaats, een langlaufski, een rolski, een skeeler of in-line rolschaats. |