NL2017754A - Gebouw en gevelelement - Google Patents

Gebouw en gevelelement Download PDF

Info

Publication number
NL2017754A
NL2017754A NL2017754A NL2017754A NL2017754A NL 2017754 A NL2017754 A NL 2017754A NL 2017754 A NL2017754 A NL 2017754A NL 2017754 A NL2017754 A NL 2017754A NL 2017754 A NL2017754 A NL 2017754A
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
building
coupling
console
floor
reinforcement
Prior art date
Application number
NL2017754A
Other languages
English (en)
Other versions
NL2017754B1 (nl
Inventor
Henricus Antonius Mertens Robertus
Petrus Antonius Smits Johannes
Tetteroo Antonius
Original Assignee
T&R Eng B V
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by T&R Eng B V filed Critical T&R Eng B V
Publication of NL2017754A publication Critical patent/NL2017754A/nl
Application granted granted Critical
Publication of NL2017754B1 publication Critical patent/NL2017754B1/nl

Links

Classifications

    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04BGENERAL BUILDING CONSTRUCTIONS; WALLS, e.g. PARTITIONS; ROOFS; FLOORS; CEILINGS; INSULATION OR OTHER PROTECTION OF BUILDINGS
    • E04B1/00Constructions in general; Structures which are not restricted either to walls, e.g. partitions, or floors or ceilings or roofs
    • E04B1/003Balconies; Decks
    • E04B1/0038Anchoring devices specially adapted therefor with means for preventing cold bridging
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04CSTRUCTURAL ELEMENTS; BUILDING MATERIALS
    • E04C5/00Reinforcing elements, e.g. for concrete; Auxiliary elements therefor
    • E04C5/08Members specially adapted to be used in prestressed constructions
    • E04C5/12Anchoring devices

Landscapes

  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • Architecture (AREA)
  • Civil Engineering (AREA)
  • Structural Engineering (AREA)
  • Physics & Mathematics (AREA)
  • Electromagnetism (AREA)
  • Joining Of Building Structures In Genera (AREA)
  • Load-Bearing And Curtain Walls (AREA)
  • Building Environments (AREA)

Abstract

Een gebouw (10) omvat een gevel (12-14) en een vrij uitkragend gevelelement (20). Het gevelelement is door tussenkomst van een koppelelement (100) en een koppelinrichting (200) met een vloerdeel (15) van het gebouw verbonden. De koppelinrichtingen omvatten koppelorganen (130, 230) die in staat en ingericht zijn om, eenmaal bijeen gebracht, samen te werken ten einde een dragende koppeling tussen het gevelelement en het vloerdeel tot stand te brengen. Bovendien zijn tussen het koppelelement en de koppelinrichting verbindingsmiddelen (140, 145) voorzien die in staat en ingericht zijn om daartussen een onwrikbare permanente verbinding tot stand te brengen.

Description

Gebouw en gevelelement
De onderhavige uitvinding heeft betrekking op een gebouw, omvattende ten minste één verdiepingsvloer en een aan de verdiepingsvloer grenzende gevel, waarbij de verdiepingsvloer een vloerdeel omvat dat inwendig is voorzien van een vloerbewapening die zich dwars op de gevel uitstrekt, en waarbij aan de gevel een vrij uitkragend gevelelement is voorzien dat duurzaam met het gebouw is verbonden.
Een dergelijk gebouw met een vrij uitkragend gevelelement is bekend uit Nederlands octrooi nr. 1011662. Hierbij omvat het gevelelement een balkonplaat die door tussenkomst van een stel spanstaven met een gevelvloer is verbonden. Hiertoe omvat de betonplaat te bestemder plaats dwars op de gevel een aantal overmaatse doorgaande boringen om daarin de spanstaven te ontvangen. De spanstaven worden in het werk in de boringen gebracht en schroeven met hun tegenover gelegen uiteinde in schroefdraadboringen van een bevestigingslichaam dat ter plekke in de gevelvloer werd verankerd. Door het aldus aanspannen van de spanstaven kan een solide, spelingvrije verbinding worden gerealiseerd. Tussen de balkonplaat en de gevel kunnen afstandhouders worden voorzien als koudebrug-onderbreking. Een uiteindelijk nog resterende ruimte tussen de balkonplaat en de gevel wordt uiteindelijk volgestort met snel-hardende mortel.
Een bezwaar van dit bekende samenstel van een gebouw met een vrij uitkragend gevelelement is dat het gevelelement relatief zwaar is en gedurende de gehele montage ondersteund dient te zijn, casu quo door een kraan dient te worden gedragen. Het aanbrengen en naderhand verwijderen van stempels ter ondersteuning kost tijd en vertraagt daardoor de oplevering van het werk, terwijl een kraan die voor dit doel de balkonplaat draagt gedurende de gehele afbouwtijd niet elders beschikbaar is. De relatief grote eigen massa van het bekende gevelelement vergt daarbij bovendien een relatief zware ophanging.
Met de onderhavige uitvinding wordt onder meer beoogd te voorzien in een gebouw met een gevelelement dat op een meer praktische wijze achteraf, dat wil zeggen nadat de verdiepingsvloer en gevel werden gerealiseerd, kan worden aangebracht.
Om het beoogde doel te bereiken heeft een gebouw van de in de aanhef beschreven soort volgens de uitvinding als kenmerk dat het gevelelement ten minste één langwerpig consolelichaam omvat dat zich dwars op de gevel uitstrekt, dat het ten minste ene consolelichaam in een verlengde ligt van de vloerbewapening en daarmee werkzaam is gekoppeld, en dat het gevelelement door het ten minste ene consolelichaam wordt gedragen. Gebleken is dat een of enkele van dergelijke consolelichamen, die in het verlengde van de vloerbewapening liggen en daarmee duurzaam zijn gekoppeld, volstaan als vrij dragende constructie voor een gevelelement zoals bijvoorbeeld een galerij of een balkon. Het gevelelement behoeft voor het overige geen dragende delen en kan daardoor relatief licht van gewicht blijven, wat bij draagt aan een relatief beperkte vrij hangende eigen massa van het gevelelement als geheel.
In een voorkeursuitvoeringsvorm is het gebouw volgens de uitvinding gekenmerkt doordat het ten minste ene consolelichaam door tussenkomst van een koppelelement althans in hoofdzaak rechtlijnig met de vloerbewapening van het vloerdeel is verbonden, welk koppelelement aan een eerste zijde eerste verbindingsmiddelen omvat voor een werkzame verbinding met de vloerbewapening en aan een tegenover gelegen tweede zijde is voorzien van tweede verbindingsmiddelen voor een werkzame verbinding met het consolelichaam. Hierbij zijn het gevelelement en de verdiepingsvloer onderling verbonden door tussenkomst van één of meer van dergelijke koppelelementen. Het koppelelement zijn daarbij afgestemd op deze functie als verbindingsschakel en omvatten daartoe aan weerszijden verbindingsmiddelen voor een werkzame co-axiale verbinding met respectievelijk het consolelichaam en de vloerbewapening van de verdiepingsvloer.
Ter vermijding van een koudebrug tussen het gevelelement en de verdiepingsvloer heeft een voorkeursuitvoeringsvorm van het gebouw daarbij als kenmerk dat het koppelelement een thermisch isolerende kern omvat welke tussen het vloerdeel en het consolelichaam een koudebrug-onderbreking vormt. Aldus zijn een koude zijde buiten de gevel en een relatief warme zijde binnen de gevel van het gebouw onderling in hoofdzaak thermisch geïsoleerd, wat niet alleen vanuit klimaathuishouding maar bovendien vanwege een vochthuishouding van groot voordeel is.
De koppelelementen kunnen in het werk worden aangebracht en het gevelelement in het werk tezamen daarmee en met de verdiepingsvloer worden volgestort. Met het oog daarop heeft een bijzondere uitvoeringsvorm van het gebouw volgens de uitvinding als kenmerk dat de eerste verbindingsmiddelen een verankeringsconstructie omvatten die aan de eerste zijde van het koppelelement met de vloerbewapening is verbonden, en in het bijzonder daarmee is vervlochten. Door aldus de verankeringsconstructie van het koppelelement met die van de vloer te koppelen ontstaat een doorlopende verankeringslijn die in het werk wordt ingestort. Dit levert een hechte verbinding tussen het koppelelement en de vloerbewapening die ten volle op trek kan worden belast. Een trekkracht op het koppelelement wordt aldus in één lijn doorgeleid in de vloerbewapening waardoor een bijzonder zwaar belastbare verankering wordt verkregen.
Ook is het mogelijk het gevelelement eerst nadat de verdiepingsvloer is gestort en verhard, en met name na oplevering van het gebouw, aan te brengen. Met het oog daarop heeft een voorkeursuitvoeringsvorm van het gebouw volgens de uitvinding als kenmerk dat de tweede verbindingsmiddelen een eerste koppelorgaan en een tweede koppelorgaan omvatten die in staat en ingericht zijn om, eenmaal bijeen gebracht, samen te werken ten einde een dragende verbinding tussen het consolelichaam en het vloerdeel tot stand te brengen, waarbij het eerste koppelorgaan van het koppelelement uitgaat en het consolelichaam een koppelinrichting omvat waarvan het tweede koppelorgaan uitgaat, en dat tussen het koppelelement en het consolelichaam verbindingsmiddelen zijn voorzien die in staat en ingericht zijn om daartussen een onwrikbare permanente verbinding tot stand te brengen.
Aldus zijn de verdiepingsvloer en het gevelelement over en weer voorzien koppelorganen die onderling samen kunnen werken om een dragende verbinding bieden. De koppelorganen gaan daarbij uit van respectievelijk de verdiepingsvloer en het gevelelement en kunnen eerst later, nadat de verdiepingsvloer of zelf het gehele gebouw is gerealiseerd, bijeen worden gebracht om reeds een tijdelijke dragende verbinding te bewerkstelligen. Vervolgens is geen ondersteuning of kraan meer nodig en kan een eventueel voor het aanbrengen ingezette kraan voor een volgend gevelelement worden gebruikt of anderszins afgevoerd. Het gevelelement is alsdan door tussenkomst en onderlinge samenwerking van beide koppelorganen reeds dragend met het gebouw verbonden.
De initiële reeds dragende verbinding staat toe dat eerst vervolgens een meer permanente verbinding wordt gerealiseerd. Het gevelelement is inmiddels reeds betreedbaar. Van belang is dat vanaf beide koppelorganen naar de van hun verbinding afgewende zijde een co-axiale, dat wil zeggen rechtlijnige werkzame verbinding aanwezig is met de vloerbewapening enerzijds en het consolelichaam anderzijds die zich beiden dwars op de gevel uitstrekken. Eenmaal op spanning gebracht zal de verbinding tussen beide delen van de constructie daardoor volledig opgaan in een doorgaande trekbelasting van de bewapening en het consolelichaam, waardoor een bijzonder sterke en betrouwbare verbinding wordt gerealiseerd.
Hoewel de tijdelijke verbinding tussen de koppelorganen op uiteenlopende wijzen gestalte kan worden gegeven, blijkt een bijzondere uitvoeringsvorm van het gebouw volgens de uitvinding bijzonder praktisch, waarbij dat is gekenmerkt doordat het eerste koppelorgaan en het tweede koppelorgaan, eenmaal bijeen gebracht, in elkaar grijpen, en in het bijzonder in elkaar haken. Het aldus in elkaar grijpen c.q. haken van beide koppelorganen vereist weinig vaardigheid van een kraanmachinist en kan daardoor zonder veel extra scholing of begeleiding worden uitgevoerd.
Een verdere bijzondere uitvoeringsvorm van het gebouw volgens de uitvinding heeft als kenmerk dat het eerste koppelorgaan een eerste beugel omvat die van het koppelelement uitgaat en het tweede koppelorgaan een, althans in hoofdzaak complementair, tweede beugel, die van de koppelinrichting uitgaat, welke beugellichamen, eenmaal bijeen gebracht, in elkaar haken. De beugel van het koppelelement is daarbij opwaarts gericht en die van de koppelinrichting neerwaarts, opdat het gevelelement met de daaraan voorziene beugel(s) door het een weinig te laten zakken indaalt in de beugel(s) van het gebouw waarna reeds daarmee een dragende verbinding wordt geboden.
Aan de zijde van het gevelelement wordt met voordeel een vergelijkbare configuratie en verankering geboden. Hiertoe heeft een verdere bijzondere uitvoeringsvorm van het gebouw als kenmerk dat het ten minste ene consolelichaam een betonelement omvat waarin een consolebewapening zich axiaal uitstrekt, en dat de consolebewapening van elk consolelichaam werkzaam is gekoppeld met de vloerbewapening. Uitgaande van een dergelijk consolelichaam van beton met daarin een consolebewapening heeft een verdere uitvoeringsvorm van het gebouw, waarbij de verbinding tussen het gevelelement en de verdiepingsvloer door tussenkomst van één of meer koppelelementen tot stand wordt gebracht, als kenmerk dat de tweede verbindingsmiddelen een verankeringsconstructie omvatten die aan de tweede zijde van het koppelelement met de consolebewapening is verbonden, en in het bijzonder daarmee is vervlochten.
Ook hierbij kunnen koppelelementen worden toegepast waarvan koppelorganen uitgaan die reeds op zichzelf een dragende verbinding kunnen vormen. Een dergelijk uitvoeringsvorm van het gebouw heeft alsdan met voordeel als kenmerk dat de koppelinrichting aan een van het tweede koppelorgaan afgewende zijde de verankeringsconstructie omvat die met de consolebewapening is gekoppeld, en in het bijzonder daarmee is vervlochten.
Een bijzonder sterke permanente verbinding kan worden verkregen met een verdere bijzondere uitvoeringsvorm van het gebouw volgens de uitvinding dat is gekenmerkt doordat de consolebewapening een langwerpig korfelement omvat dat zich in hoofdzaak dwars op de gevel uitstrekt, waarbij de koppelinrichting met een uiteinde van het korfelement van de consolebewapening is verbonden. Omdat de vloerbewapening door het gevelelement, als dat eenmaal is geplaatst, voornamelijk dwars op de gevel op trek zal worden belast, bieden dergelijke langwerpige bewapeningskorven uit oogpunt van hun vormgeving en oriëntatie daarvoor een ideale verankeringsbasis.
Een vergelijkbare krachtenopvang wordt in een verdere bijzondere uitvoeringsvorm van het gebouw ten aanzien van het gevelelement bereikt, welke uitvoeringsvorm is gekenmerkt doordat de vloerbewapening ten minste één langwerpig korfelement omvat dat zich in hoofdzaak dwars op de gevel uitstrekt, dat het koppelelement met een uiteinde van het korfelement van de vloerbewapening is gekoppeld, en dat het korfelement van de consolebewapening althans in hoofdzaak in het verlengde ligt van het korfelement van de vloerbewapening. Met name een dergelijke lijnopstelling van de korfbewapeningen van respectievelijk het gebouw en het gevelelement verschaft een ideale accommodatie van het krachtenspel dat van het uiteindelijk vrij uitkragende gevelelement uitgaat.
Bij een gevelelement zoals een balkon(vloer), bordes of galerij wordt de onderlinge verbinding conform de uitvinding met een aantal zijdelings ruimtelijk gescheiden koppelingen tussen respectieve eerste en koppelinrichtingen bewerkstelligd. Deze zijn daarbij over een lengte van het gevelelement gedistribueerd. Om ervoor te zorgen dat uiteindelijk de posities van de koppelelementen min of meer exact overeenstemmen met deze vaste posities van de koppelinrichtingen heeft een verdere voorkeursuitvoeringsvorm van het gebouw volgens de uitvinding als kenmerk dat de vloerbewapening een aantal korfelementen omvat en het gevelelement een aantal zijdelings ruimtelijk gescheiden consolelichamen met ieder een korfelement, in het verlengde van een korfelement van de vloerbewapening, en dat de korfelementen van de vloerbewapening althans ter hoogte van de koppelelementen die daarmee zijn gekoppeld onderling zijn gefixeerd in een hulpinrichting op een onderlinge steek die overeenstemt met een onderlinge steek van de consolebewapeningen in de consolelichamen. De koppelelementen en de daarmee corresponderende koppelinrichting die van een uiteinde van respectieve korfbewapeningen uitgaan, zijn aldus uiteindelijk correct onderling uitgelijnd. Met voordeel wordt voor de hulpinrichting een kantplank of dergelijke toegepast als verloren bekistingdeel voor de verdiepingsvloer.
In een verdere voorkeursuitvoeringsvorm is het gebouw volgens de uitvinding gekenmerkt doordat de koppelinrichting een koppelplaat aan het consolelichaam omvat waarvan enerzijds een verankeringsconstructie uitgaat en anderzijds het tweede koppelorgaan, en dat de verbindingsmiddelen ten minste één spanstaaf omvatten die van het koppelelement uitgaat en die althans aan een distaai uiteinde is voorzien van een schroefdraad waarmee de ten minste ene spanstaaf in een daarmee corresponderende boring van de koppelplaat wordt ontvangen. De trekbelasting tussen het consolelichaam en de verdiepingsvloer wordt opgevangen door de ten minste ene spanstaaf. Deze wordt met het draadeinde achter de koppelplaat ontvangen en kan met een passende moer worden aangehaald en aangespannen tot een onwrikbare permanente verbinding, terwijl de koppelorganen onderwijl reeds een dragende tijdelijke verbinding bieden. Met voordeel is een verdere uitvoeringsvorm van het gebouw volgens de uitvinding hierbij gekenmerkt doordat de met de spanstaaf corresponderende boring overmaats is uitgevoerd. De overmaatse dimensionering van de ten minste ene boring voor opname van de spanstaven verschaft speling die toestaat dat de koppelorganen tot onderlinge samenwerking worden gebracht, bijvoorbeeld door deze in elkaar te haken.
Een verdere voorkeursuitvoeringsvorm van het gebouw volgens de uitvinding heeft als kenmerk dat de gevel een spouwmuur omvat met een binnenblad en een buitenblad die door een spouw van elkaar zijn gescheiden, dat het koppelelement achter het buitenblad ligt, en dat het buitenblad ter hoogte van het koppelelement een sparing omvat waardoor het koppelelement bereikbaar is. Aldus ligt het koppelelement geheel binnen het buitenblad van de gevel zodat het buitenblad volledig kan worden opgemetseld of anderszins afgebouwd. Door daarin te bestemder plaatse sparingen te voorzien blijven de koppelelementen bereikbaar met daaraan telkens een koppelorgaan. Een dergelijke bouwwijze staat toe dat het gevelelement pas wordt aangebracht nadat het gebouw overigens volledig is afgebouwd. Dit is vanuit logistiek oogpunt een belangrijk voordeel bij nieuwbouw van woningen, appartementen en overige gebouwen.
Ofschoon de koppelorganen reeds een dragende verbinding tussen het gevelelement en het gebouw realiseren, kan deze verbinding onder omstandigheden door een onjuiste of onvoorziene belasting mogelijk even eenvoudig worden verbroken als tot stand gebracht. Om dit risico te vermijden met name in gevallen waarin het gevelelement zal worden betreden nadat de tijdelijke verbinding aanwezig is maar nog niet de permanente, heeft een verdere bijzondere uitvoeringsvorm van het gebouw volgens de uitvinding als kenmerk dat tussen het koppelelement en de koppelinrichting borgmiddelen zijn voorzien die in staat en ingericht zijn om althans een tijdelijke borging van de dragende verbinding tussen de koppelorganen tot stand te brengen. De borgmiddelen zekeren daarbij de tijdelijke verbinding die tussen de koppelorganen tot stand is gebracht, ten minste zolang de permanente verbinding door middel van meer permanente verbindingsmiddelen nog niet aanwezig is. Hierdoor kan het gevelelement in die tussenfase niettemin veilig worden betreden.
Hoewel de uitvinding kan worden toegepast voor de bevestiging van gevelelementen van uiteenlopende aard en omvang, heeft een verdere bijzondere uitvoeringsvorm volgens de uitvinding als kenmerk dat het gevelelement een vrij uitkragende balkonvloer omvat. De uitvinding leent zich namelijk bij uitstek als oplossing voor het aan een gevel voorzien van een vrij uitkragend balkon c.q. een vrij uitkragende galerij, waarbij het gevelelement in ten minste de dragende constructie van de balkon- of galerijvloer voorziet.
In een verdere voorkeursuitvoeringsvorm is het gebouw volgens de uitvinding daarbij gekenmerkt doordat de balkonvloer een hol balkonlichaam omvat met een bodemplaat en één of meer consolelichamen die zich in een breedterichting daarvan uitstrekken, waarbij aan een omtrek van de bodemplaat een aantal opstaande wanddelen een lichaamsholte van het balkonlichaam begrenzen en waarbij het balkonlichaam aan een bovenzijde een vrij neembare dekplaat omvat die op de één of meer consolelichamen afsteunt. Dankzij de vrijneembare dekplaat in combinatie met het holle balkonlichaam, blijven de consolelichamen en daarmee tevens de daaraan bevestigde verbindingsmiddelen toegankelijk. Hierdoor is een volledig verdekte montage mogelijk door middel van de verbindingsmiddelen die niettemin voor onderhoud en inspectie bereikbaar blijft.
Met voordeel heeft een verdere voorkeursuitvoeringsvorm van het gebouw volgens de uitvinding als kenmerk dat de dekplaat een vrije tussenruimte tot de wanddelen bewaart. Deze vrije tussenruimte tussen de dekplaat en de rand biedt een spleet waardoor (hemel)water kan wegvloeien. Met voordeel verschaft de dekplaat daartoe een zeker afschot naar de randen. De dekplaat behoudt daardoor een hoegenaamd droog oppervlak, terwijl in het balkonlichaam voor een verder afvoer van het hemelwater een voorziening kan worden getroffen.
In genoemd opzicht heeft een verdere uitvoeringsvorm van het gebouw volgens de uitvinding als kenmerk dat de bodemplaat is voorzien van een hemelwaterafvoer en een afschot heeft dat naar de hemelwaterafvoer leidt. Ten behoeve van een open stroomweg naar de hemelwaterafvoer heeft een verdere bijzondere uitvoeringsvorm van het gebouw daarbij volgens de uitvinding als kenmerk dat ten minste één van de consolelichamen aangrenzend aan de bodemplaat is voorzien van ten minste één waterdoorvoer in de vorm van ten minste één daarin voorziene sparing.
Ter bevordering van een stabiele oplegging van de dekplaat heeft een verdere bijzondere uitvoeringsvorm van het gebouw volgens de uitvinding als kenmerk dat de dekplaat eveneens afsteunt op een aantal steunlichamen die aangrenzend aan de wanddelen van de bodemplaat uitgaan. Aldus wordt de dekplaat over een volle oppervlak daarvan ondersteunt en gedragen. Voor een verhoging van de stabiliteit en een vermindering van eventueel contactgeluid heeft een verdere voorkeursuitvoeringsvorm van het gebouw daarbij als kenmerk dat de consolelichamen en de steunlichamen zijn bekleed met een veerkrachtige toplaag, in het bijzonder van al of niet natuurlijk rubber, waarop de dekplaat rust.
De uitvinding heeft tevens betrekking op een balkon zoals toegepast in het hiervoor beschreven gebouw. In het bijzonder heeft de uitvinding daarbij betrekking op een balkon met een balustrade aan een vrije omtrekszijde daarvan.
De uitvinding zal navolgend nader worden toegelicht aan de hand van enkele uitvoeringsvoorbeelden en een bijbehorende tekening. In de tekening toont: figuur 1 een laterale doorsnede, deels bovenaanzicht, van een samenstel van een gebouw en gevelelement volgens een uitvoeringsvoorbeeld van de uitvinding; figuur 2 een zijaanzicht van het samenstel van figuur 1; figuur 3 een vlakke doorsnede van het gebouw met gevelelement van figuur 1; figuur 4 een laterale doorsnede van het gevelelement met een koppelelement zoals toegepast in het samenstel van figuur 1; figuur 5 een detail-weergave van een uiteinde van het gevelelement van figuur 4; figuur 6 een dwarsdoorsnede door het gevelelement van figuur 4; figuur 7 een laterale doorsnede van een uitvoeringsvoorbeeld van een koppelelement zoals toegepast aan een gebouwzijde in het samenstel van figuur 1; figuur 8 een doorsnede ter plaatse van de eerste en koppelinrichting; figuur 9 een uitvoeringsvoorbeeld van een hulpinrichting; figuur 10A-E verschillende doorsneden c.q. aanzichten van de hulpinrichting van figuur 9; figuur 11A-D een gevelelement en gebouw in opeenvolgende stadia van een onderlinge verbinding; figuur 1 IE een laterale doorsnede en dwarsdoorsnede van borgmiddelen zoals toegepast in de constructie van figuur 11 A-l 1D; figuur 12 een laterale doorsnede, deels bovenaanzicht, van een samenstel van een gebouw en gevelelement volgens een verder uitvoeringsvoorbeeld van de uitvinding; figuur 13A,B respectievelijk een eerste en tweede dwarsdoorsnede van het gevelelement van figuur 12; figuur 14 een doorsnede van een detail van het gevelelement van figuur 1 en 12; figuur 15A-C respectievelijk een achteraanzicht, dwarsdoorsnede en bovenaanzicht van een gietlichaam ten behoeve van een verdere uitvoeringsvorm van het gevelelement volgens de uitvinding;
Figuur 16 een verdere uitvoeringsvorm van het gevelelement volgens de uitvinding met daarin het goetlichaam van figuur 15A-C; figuur 17 een laterale doorsnede, deels bovenaanzicht, van een samenstel van een gebouw en gevelelement volgens een verder uitvoeringsvoorbeeld van de uitvinding; figuur 18A,B een vooraanzicht respectievelijk bovenaanzicht van een hulpinrichting ten behoeve van een samenstel van een gebouw en gevelelement volgens een verder uitvoeringsvoorbeeld van de uitvinding; en figuur 19 een dwarsdoorsnede van de hulpinrichting van figuur 18A-B toegepast met een koppelelement voor een samenstel van een gebouw en gevelelement volgens een verder uitvoeringsvoorbeeld van de uitvinding; De figuren zijn zuiver schematisch en niet op schaal getekend. Met name kunnen terwille van de duidelijkheid sommige dimensies in meer of mindere mate overdreven zijn weergegeven. Overeenkomstige delen zijn in de figuren met eenzelfde verwijzingscijfer aangeduid.
Figuur 1 toont in een vlakke doorsnede, gelijk figuur 2 in dwarsdoorsnede toont, een gebouw 10 met een vrij uitkragend gevelelement 20 volgens een uitvoeringsvoorbeeld van de uitvinding. Het gevelelement 20 bevindt zich ter hoogte van een verdiepingsvloer 15 aan een gevel 11 van het gebouw. De gevel omvat hier een spouwmuur in de vorm van een gemetseld buitenblad 12 en een binnenblad 13 die onderling een spouwruimte 14 bewaren. De spouw 14 is gewoonlijk gevuld met een niet nader getoond thermisch isolerend materiaal, zoals minerale- of glaswol of een isolerend schuim.
Het gevelelement 20 omvat in dit voorbeeld een balkonelement met een nagenoeg volledig uit beton vervaardigde balkonvloer 21 en met bijvoorbeeld een daarop rustende balustrade 22 van staal, glas of een ander geschikt materiaal. Het element 20 heeft typisch een breedte tussen 50 en 300 centimeter bij een lengte van typisch een meter tot vele meters. Het in dit voorbeeld toegepaste balkon heeft als zodanig een breedte van circa 250 centimeter bij een lengte van circa 350 centimeter. Een totale hoogte van de balkonvloer bedraagt in dit voorbeeld circa 360 millimeter.
De balkonvloer omvat een hol balkonlichaam 21 met een circa 60 millimeter dikke bodem 23 omgeven door circa 100 millimeter dikke opstaande wanden 24. Aan een van de bodem afgewende zijde omvat het balkonelement een vrij neembare dekplaat 25 van beton met bijvoorbeeld een dikte tussen 10 en 50 millimeter. De dekplaat 25 kan daarbij eventueel zijn voorzien van een oppervlaktestructuur, zoals bijvoorbeeld het getoonde wafelpatroon, om gladheid tegen te gaan. Ook kunnen daarvoor andere materialen dan beton worden toegepast, zoals bijvoorbeeld natuursteen, hout of kunststof. De holle uitvoering van het balkonlichaam zorgt voor een aanzienlijke gewichtsreductie van de orde van 40-50% in vergelijking met een massieve balkonvloer. Het hier getoonde balkon heeft een eigen gewicht (massa) van de orde van slechts 5000 kg.
De dekplaat 25 steunt langs de rand af om een aantal daartoe in de holte van het lichaam 21 voorziene steunlichamen 28, zie figuur 3, en wordt daarnaast gedragen door een aantal langwerpige consolelichamen 30 die zich in een breedte van het balkonlichaam uitstrekken. In dit voorbeeld omvat het balkonlichaam een drietal van dergelijke consoles op een onderlinge hartafstand van circa 900 millimeter. Zowel de steunen als de consolelichamen zijn aan hun bovenzijde bekleed met een dempende laag 29, bijvoorbeeld van rubber, om een stabiele oplegbasis te bieden en contactgeluid tegen te gaan, zie ook figuur 4. Door aanpassing van een hoogte van de consoles 30 en steunlichamen 28 in combinatie met een gekozen dikte van de rubberen bekleding daarvan, kan de dekplaat in hoogte worden gesteld, zodat altijd een althans nagenoeg gelijkvloerse toegankelijkheid kan worden gerealiseerd. Tevens zorgt de vrijneembare dekplaat in combinatie met de holle ruimte daaronder voor een onzichtbare verankering van het gevelelement aan de gevel.
Rondom bewaart de dekplaat 25 een zekere tussenruimte of kier 26 ten opzichte de opgaande wanden 24 zodat hemelwater daartussendoor kan wegstromen naar een hemelwaterafvoer 27 die in een hoek van het lichaam 21 is voorzien. Hiertoe kan het oppervlak van de dekplaat met voordeel een geringe boiling omvatten om in een zeker afschot naar de spleet 26 toe te voorzien. Evenzo biedt ook de bodem 23 binnenin het holle balkonlichaam 21 met voordeel een afschot naar de hemelwaterafvoer 27 zodat daarop ontvangen (hemel)water adequaat zal wegstromen. Ten behoeve van een vrij stroompad naar de waterafvoer 27 zijn in de consolelichamen aan een bodemzijde doorvoeren of sparingen 31 voorzien, zie ook figuur 5. Het balkonlichaam 20 is aldus inwendig afwaterend. Hoewel in de figuur louter een enkele dergelijke sparing 31 per consolelichaam is getekend, kunnen in de praktijk desgewenst een aantal daarvan per consolelichaam worden toegepast ter bevordering van de waterhuishouding in het balkonlichaam. De hemelwaterafvoer 27 van het gevelelement kan worden aangesloten op een hemelwaterafvoer 17 die aan het gebouw is voorzien.
Binnenin de consolelichamen 30 strekt een consolebewapening 32 zich over nagenoeg een volle lengte uit in de vorm van een langwerpig korfelement, zie ook figuur 4. Deze bewapening omvat een stel spanstaven 33 die zijn opgespannen door middel van een stel spanmoeren 34 en een spanplaat 35 en daartoe aan een draadeind van schroefdraad zijn voorzien. Aan een uiteinde zijn de consolelichamen 30 uitgerust met een koppelinrichting 200 die met een verankeringsconstructie 270 in het consolelichaam steekt en daarmee is vervlochten. Aldus ligt de koppelinrichting 200 qua krachten overbrenging en opvang in het verlengde ligt van de spanstaven 33 en is de koppelinrichting bijzonder adequaat belastbaar. Voor een tijdelijke dragende verbinding omvat elke koppelinrichting 200 een neerwaarts gericht beugellichaam 230. Voor een permanente verbinding dient een koppelplaat 210 met een stel doorgaande boringen 250. Hierin wordt een stel spanstaven of draadeinden 140 met spanmoeren 145 ontvangen die dienen om het gevelelement duurzaam en betrouwbaar aan de gevel te verankeren. Het gebouw is daartoe uitgerust met corresponderende koppelelementen 100 in of aan de verdiepingsvloer.
Het vrij uitkragende gevelelement 20 kan conform de uitvinding zowel tijdens de bouw van het gebouw als daarna worden aangebracht. Dit laatste biedt vanuit bouwlogistiek oogpunt belangrijke voordelen. Daartoe wordt het gebouw 10 in de verdiepingsvloer 15 uitgerust met een aantal koppelelementen 100, zie figuur 5, terwijl het gevelelement voor iedere koppelelement 100 een daarmee corresponderende koppelinrichting 200 aan een consolelichaam 30 omvat. De consoles 30 vormen aldus een dragende ophangconstructie voor het gevelelement en zijn met het oog daarop in het verlengde gepositioneerd van een verankeringssysteem dat in de verdiepingsvloer 15 is aangebracht en daarmee in het verlengde van het krachtenspel in de vloer 15. Deze koppeling is in de figuren 4-11 in nader detail weergegeven.
Aan een gebouwzijde is een stel koppelelementen 100 in de verdiepingsvloer voorzien ter voorbereiding van een latere verankering van het gevelelement 20. Deze koppelelementen 100, zie figuur 7, omvatten elk een basislichaam 110 waarvan enerzijds een verankeringsconstructie 120 uitgaat en anderzijds een eerste koppelorgaan 130. Het basislichaam 110 omvat een stalen wand 112, bijvoorbeeld een gezet plaatstaal en is gevuld met een thermisch isolerende schuimkern die een koudebrug-onderbreking vormt. Het eerste koppelorgaan 130 omvat een stalen beugellichaam dat naar boven is gericht om daarin het beugellichaam 230 van een koppelinrichting 200 van het consolelichaam passend te ontvangen.
Daarnaast zijn het koppelelement 100 en de koppelinrichting 200 over en weer uitgerust met verbindingsmiddelen 140,145 voor een permanente duurzame verankering. De permanente verbindingsmiddelen omvatten hier een stel spanstaven 140 met spanmoer 145. De staven 140 steken proximaal door het basislichaam 110 heen in de achterliggende verankeringsconstructie 120 en zijn daarin verankerd. De verankeringsconstructie 120 is enerzijds vervlochten met de vloerbewapening en anderzijds inwendig in het basislichaam 110 bevestigd. De verankering 120 leidt daarbij enerzijds rechtlijnig naar een bevestigingsbasis 135 voor het eerste koppelorgaan 130 en ligt anderzijds in het verlengde van de permanente spanstaven 140. Hierdoor wordt de belasting van het gevelelement optimaal opgevangen en co-axiaal in de constructie weggeleid.
Distaai steken de spanstaven 140 uit om in overmaatse boringen 250 te worden ontvangen van een koppelplaat 220 van de koppelinrichting van een consolelichaam. Hierachter sluiten de spanmoeren 145 van de spanstaven 140 onder tussenkomst van een pasplaat 143 die de overmaatse boring 250 overspant. Door het aanspannen, dat wil zeggen aandraaien, van de spanmoeren 145 kan aldus een permanente verbinding tussen het koppelelement 100 en koppelinrichting 200 worden bewerkstelligd die enerzijds in het verlengde ligt van de voorgespannen bewapening van een console-element 30 en anderzijds in lijn ligt met de vloerbewapening. Deze verbinding is daardoor bijzonder zwaar op trek belastbaar en nestelt zich naadloos in het krachtenspel van de vloerbewapening. In het voorbeeld ligt hiertoe een boring centraal in de pasplaten 143. Eventueel kan echte ook van een decentrale ligging worden uitgegaan ten behoeve van een betere passing en/of bereikbaarheid.
Van belang is dat tijdens de ruwbouw reeds een voorziening in de verdiepingsvloer 15 wordt getroffen waarbij de koppelelementen met de achterliggende bewapening en latere verankering op de correcte onderlinge afstand worden gepositioneerd vooraleer de verdiepingsvloer wordt gestort. Hiertoe voorziet de uitvinding in een hulpinrichting in de vorm van een overgangsbalk 300, zie figuur 10, met passende uitsparingen 350 ter plaatse waar de koppelelementen 100 en korf-bewapeningen 125 liggen. De overgangsbalk omvat een gezet plaatstaal dat is gevuld met een geschuimde kern als thermische isolator. Hiermee vormt de overgangsbalk over de gehele breedte een koudebrug- onderbreking.
De korfbewapeningen 250 en koppelelementen 100 worden gelijktijdig met de overige bewapening van de vloer 15 aangebracht. Daarbij wordt de overgangsbalk 300 met de uitsparingen over de koppelinrichtingen geplaatst, opdat deze op de correcte steek ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de console-elementen 30 van het gevelelement liggen. Op de overgangsbalk 300 ligt ter plaatse een tijdelijke overgangsplaat 310 ten behoeve van een fixatie van de koudebrug opvang naar het gevelelement. Figuur 10D toont een vooraanzicht van het geheel, terwijl in figuur 10A-C respectieve doorsneden ter plaats van A-C in figuur 10 zijn weergegeven. Met behulp van schroeven 320 wordt de overgangsbalk 300 aan de vaste gebouwconstructie verankerd. Zoals in figuur 10E in bovenaanzicht is weergegeven liggen de sparingen 350 volledig in lijn met de console-elementen 30 en de daarop geplaatste koppelinrichtingen 200.
Figuur 1 IA tot en met 11B toont in opeenvolgende stadia de wijze waarop het gevelelement 20 kan worde verankerd nadat de hiervoor beschreven verankeringsconstructie in het betreffende vloerdeel 15 werd voorzien. Het gevelelement wordt met een kraan of dergelijke gepositioneerd, zie figuur 11B. Vervolgens worden beide beugelelementen 130, 230 in elkaar gehaakt, zie figuur 11C. Er bestaat nu een dragende verbinding tussen beide delen die betreed kan worden. Deze verbinding kan desgewenst worden gezekerd met behulp van borgmiddelen zoals in figuur 1 IE getoond. Deze omvatten een hamerkopbout 450 met borgplaat 400.
Tot slot wordt een permanente verbinding gerealiseerd door de spanmoeren 145 op de spanstaven 140 te draaien en het geheel aan te spannen, zie figuur 11D. Eventuele kieren en spleten kunnen met een geschikte afdichting, zoals een kit, flexibel profiel of snel-drogende vloeimortel, worden gesloten. Reeds vanaf de dragende tijdelijke verbinding van figuur 11C vereist het gevelelement geen ondersteuning of kraan meer.
In figuur 12 en 13a,B is een verdere uitvoeringsvorm van het gebouw met gevelelement volgens de uitvinding weergegeven. In afwijking van het voorgaande uitvoeringsvoorbeeld is in dit geval een afwateringsrooster 45 aansluitend aan de dekplaat 25 toegepast. Het afwateringsrooster is bijvoorbeeld van roestvast staal en omvat een aantal opening en die in staat zijn om naar de geven toestromend water effectief op te vangen en weg te leiden. Bovendien zijn in dit voorbeeld zwevende consolelichamen 30 voorzien die een asftand tot de bodem 23 bewaren. Hierdoor omvat het balkonlichaam 30 een doorlopende lichaamsholte 48 waardoor hemelwater vrijelijk naar een in of bij de bodem voorzien hemelwaterafvoer kan stromen. Figuur 12 toont een vlakke, laterale doorsnede, terwijl figuur 13A een dwarsdoorsnede ter hoogte van een consolelichaam 30 en 13B een dwarsdoorsnede tussenin de consolelichamen 30 geeft.
Figuur 14 toont een detail van de uitvoeringsvorm van figuur 1. Het consolelichaam 30 draagt een koppelplaat 220 en omvat tezamen daarmee een doorgaande holte 250 waardoorheen een spanstaaf 140 steekt. Met de pasplaat 143 en spanmoer 145 wordt de spanstaaf om spanning en daarmee de constructie op sterkte gebracht. Binnen de holte 250 behoudt de spanstaaf daarbij een zekere bewegingsvrijheid wat ten koste gaat van de stijfheid van de constructie. Om deze bewegingsvrijheid weg te nemen voorziet de uitvinding in een gietlichaam 90 met een gietpijp 95, zie figuur 15A-15C. Figuur 15A toont daarbij een achteraanzicht, figuur 15B een dwarsdoorsnede en figuur 15C een bovenaanzicht.
Het gaat hierbij om een kunststof lichaam 90, bijvoorbeeld van polypropyleen of polyethyleen, dat bij de fabricage van het consolelichaam 30 te bestemder plaatse wordt gefixeerd, bijvoorbeeld doordat het tussen de bewapening van het consolelichaam wordt gestoken. De gietpijp 95 reikt daarbij tot het oppervlak of steekt een weinig boven het consolelichaam uit terwijl het gietlichaam 90 voor het overige als bekisting de holte 250 zal bepalen en deze vrij zal houden. Aldus wordt de in figuur 16 getoonde verdere uitvoeringsvorm van de inrichting verkregen. Het gierpijpje 95 biedt een stroomweg naar de holte 250 zodat deze laatste naderhand, nadat de spanstaven 140 zijn aangebracht en aangespannen, via de vulpijp 95 kan worden aangegoten met een vloeibare mortel of grout. De spanstaven zijn vervolgens volledig door deze mortel omringd en daarin ingebed. Een tevoren aangebrachte prop 99 of anderszins kering vermijdt dat de mortel langs deze zijde wegloopt.
Een verdere uitvoeringsvorm van een gebouw met een vrij uitkragend gevelelement volgens de uitvinding is weergegeven in figuur 17. Anders dan bij de voorgaande uitvoeringsvoorbeeld wordt dit gevelelement 20 niet eerst naderhand maar reeds tijdens de fabricage van de verdiepingsvloer tezamen daarmee in het werk gestort. Conform de uitvinding omvat het gevelelement 20 een stel consolelichamen 30 dat zich dwars op de gevel uitstrekt en dat door tussenkomst van een aantal koppelelementen 100 co-axiaal, dat wil zeggen in lijn, met de vloerbewapening van het vloerdeel is gekoppeld. De consolelichamen omvatten elk een betonelement dat inwendig is voorzien van een langwerpige consolebewapening zoals uitvoerig omschreven bij het eerste uitvoeringsvoorbeeld en daarom hier omwille van de duidelijkheid in de figuur niet nader getekend.
Ten behoeve van deze verbinding omvat elk koppelelement 100 aan weerszijden een verankeringsconstructie 120,150. De naar de gevel gerichte verankeringsconstructie van het koppelelement 100 wordt met de vloerbewapening verbonden, in het bijzonder daarmee vervlochten, terwijl de tegenoverliggende verankeringsconstructie 150 op vergelijkbare wijze in de consolebewapening van een consolelichaam 30 wordt vastgezet, in het bijzonder daarmee wordt vervlochten. Tussen beide verankeringsconstructies omvat het koppelelement 100 een geschuimde kern 110 die dient als koudebrug onderbreking.
Zoals in de figuur is weergegeven leidt de koppelinrichting aldus de consolebewapening in een rechte lijn door naar de vloerbewapening zodat het krachtenspel dat op de consolelichamen 30 wordt uitgeoefend in een rechte leid naar de vloerbewapening wordt doorgeleid en daarop wordt afgewenteld.
In figuur 11 is een alternatieve uitvoeringsvorm van een hulpinrichting waarmee een reeks koppelelementen en de daarachter gelegen vloerbewapening op de voorgeschreven onderlinge steek wordt gelegd en gefixeerd. De hulpinrichting omvat een massief stalen lichaam in de vorm van een L-vormig basisprofiel 400 waarvan op de gepaste steek telkens een stel wangen 410 uitgaat met boringen 450 waarin de spanstaven 140 kunnen worden ontvangen. Tussen de wangen 410 omvat het basisprofiel 400 van het lichaam aan een rugzijde een stel schroefopeningen 430 overeenkomstig de boringen in het koppelelement 100, zie ook figuur 19. Aan een bovenzijde is een langwerpige strook 495 over de wangen 410 gelast ten behoeve van een verdere stijfheid en maatvastheid van het geheel.
De getoonde hulpinrichting 400 wordt in het werk over de spanstaven 140 van de koppelelementen geschoven en door middel van schroeven in de boringen 430 op de koppelelementen gefixeerd. Hierna wordt de verdiepingsvloer aangestort, waarbij de hulpinrichting 400 een verloren bekisting vorm en naderhand zal dienen als maatvaste bevestigingsbasis voor een gevelelement 20.
Hoewel de uitvinding hiervoor aan de hand van louter een enkele uitvoeringsvoorbeelden nader werd beschreven moge het duidelijk zijn dat de uitvinding daartoe geenszins is beperkt. Integendeel zijn binnen het kader van de uitvinding voor een gemiddelde vakman nog vele variaties en verschijningsvormen mogelijk. Zo is bijvoorbeeld in alle getoonde uitvoeringsvoorbeelden uitgegaan van consolelichamen in de vorm van betonelementen met daarin een korfbewapening. In plaats daarvan kan ook worden uitgegaan van stalen kokerprofielen en eventueel van een co-axiaal samenstel van kokerprofielen dat telescopisch verstelbaar is. De axiale kokerholte biedt in dat geval plaats aan een spanstaaf die van een koppelelement uitgaat en die tegen een uiteinde van de koker of het kokersamenstel op spanning wordt gebracht. In het algemeen verschaft de uitvinding een bijzonder praktische oplossing om aan een gevel een vrij uitkragend gevelelement te voorzien, waarbij een vrij hangende massa van het gevelelement in belangrijke mate beprkt kan worden gehouden.

Claims (25)

1. Gebouw omvattende ten minste één verdiepingsvloer en een aan de verdiepingsvloer grenzende gevel, waarbij de verdiepingsvloer een vloerdeel omvat dat inwendig is voorzien van een vloerbewapening die zich dwars op de gevel uitstrekt, en waarbij aan de gevel een vrij uitkragend gevelelement is voorzien dat duurzaam met het gebouw is verbonden met het kenmerk dat het gevelelement ten minste één langwerpig consolelichaam omvat dat zich dwars op de gevel uitstrekt, dat het ten minste ene consolelichaam in een verlengde ligt van de vloerbewapening en daarmee werkzaam is gekoppeld, en dat het gevelelement door het ten minste ene consolelichaam wordt gedragen.
2. Gebouw volgens conclusie 1 met het kenmerk dat het ten minste ene consolelichaam door tussenkomst van een koppelelement althans in hoofdzaak rechtlijnig met de vloerbewapening van het vloerdeel is verbonden, welk koppelelement aan een eerste zijde eerste verbindingsmiddelen omvat voor een werkzame verbinding met de vloerbewapening en aan een tegenover gelegen tweede zijde is voorzien van tweede verbindingsmiddelen voor een werkzame verbinding met het consolelichaam.
3. Gebouw volgens conclusies 2, met het kenmerk dat het koppelelement een thermisch isolerende kern omvat welke tussen het vloerdeel en het consolelichaam een koudebrug-onderbreking vormt.
4. Gebouw volgens conclusie 2 of 3, met het kenmerk dat de eerste verbindingsmiddelen een verankeringsconstructie omvatten die aan de eerste zijde van het koppelelement met de vloerbewapening is verbonden, en in het bijzonder daarmee is vervlochten.
5. Gebouw volgens conclusie 2, 3 of 4 met het kenmerk dat de tweede verbindingsmiddelen een eerste koppelorgaan en een tweede koppelorgaan omvatten die in staat en ingericht zijn om, eenmaal bijeen gebracht, samen te werken ten einde een dragende verbinding tussen het consolelichaam en het vloerdeel tot stand te brengen, waarbij het eerste koppelorgaan van het koppelelement uitgaat en het consolelichaam een koppelinrichting omvat waarvan het tweede koppelorgaan uitgaat, en dat tussen het koppelelement en het consolelichaam verbindingsmiddelen zijn voorzien die in staat en ingericht zijn om daartussen een onwrikbare permanente verbinding tot stand te brengen.
6. Gebouw volgens conclusie 5 met het kenmerk dat het eerste koppelorgaan en het tweede koppelorgaan, eenmaal bijeen gebracht, in elkaar grijpen, in het bijzonder in elkaar haken.
7. Gebouw volgens conclusie 5 of 6 met het kenmerk dat het eerste koppelorgaan een eerste beugel omvat en het tweede koppelorgaan een, althans in hoofdzaak daaraan complementaire, tweede beugel omvat, welke beugellichamen, eenmaal bijeen gebracht, in elkaar haken.
8. Gebouw volgens één of meer der voorgaande conclusies, met het kenmerk dat het ten minste ene consolelichaam een betonelement omvat waarin een consolebewapening zich axiaal uitstrekt, en dat de consolebewapening van elk consolelichaam werkzaam is gekoppeld met de vloerbewapening.
9. Gebouw volgens conclusie 2 en 8 met het kenmerk dat de tweede verbindingsmiddelen een verankeringsconstructie omvatten die aan de tweede zijde van het koppelelement met de consolebewapening is verbonden, en in het bijzonder daarmee is vervlochten.
10. Gebouw volgens conclusie 5 en 9, met het kenmerk dat de koppelinrichting aan een van het tweede koppelorgaan afgewende zijde de verankeringsconstructie omvat die met de consolebewapening is gekoppeld, en in het bijzonder daarmee is vervlochten.
11. Gebouw volgens conclusies 9 of 10, met het kenmerk dat de consolebewapening een langwerpig korfelement omvat dat zich in hoofdzaak dwars op de gevel uitstrekt, waarbij de koppelinrichting met een uiteinde van het korfelement van de consolebewapening is verbonden.
12. Gebouw volgens conclusie 11, met het kenmerk dat de vloerbewapening ten minste één langwerpig korfelement omvat dat zich in hoofdzaak dwars op de gevel uitstrekt, dat het koppelelement met een uiteinde van het korfelement van de vloerbewapening is gekoppeld, en dat het korfelement van de consolebewapening althans in hoofdzaak in het verlengde ligt van het korfelement van de vloerbewapening.
13. Gebouw volgens conclusie 12 met het kenmerk dat de vloerbewapening een aantal korfelementen omvat en het gevelelement een aantal zijdelings ruimtelijk gescheiden consolelichamen met ieder een korfelement, in het verlengde van een korfelement van de vloerbewapening, en dat de korfelementen van de vloerbewapening althans ter hoogte van de koppelelementen die daarmee zijn gekoppeld onderling zijn gefixeerd in een hulpinrichting op een onderlinge steek die overeenstemt met een onderlinge steek van de consolebewapening in de consolelichamen.
14. Gebouw volgens één of meer der conclusies 2 tot en met 13, met het kenmerk dat de koppelinrichting een koppelplaat aan het consolelichaam omvat waarvan enerzijds een verankeringsconstructie uitgaat en anderzijds het tweede koppelorgaan, en dat de verbindingsmiddelen ten minste één spanstaaf omvatten die van het koppelelement uitgaat en die althans aan een distaai uiteinde is voorzien van een schroefdraad waarmee de ten minste ene spanstaaf in een daarmee corresponderende boring van de koppelplaat wordt ontvangen.
15. Gebouw volgens conclusie 14 met het kenmerk dat de met de spanstaaf corresponderende boring overmaats is uitgevoerd.
16. Gebouw volgens één of meer der conclusies 2 tot en met 15, met het kenmerk dat de gevel een spouwmuur omvat met een binnenblad en een buitenblad die door een spouw van elkaar zijn gescheiden, dat het koppelelement achter het buitenblad ligt, en dat het buitenblad ter hoogte van het koppelelement een sparing omvat waardoor het koppelelement bereikbaar is.
17. Gebouw volgens één of meer der conclusies 2 tot en met 16, met het kenmerk dat tussen het koppelelement en de koppelinrichting borgmiddelen zijn voorzien die in staat en ingericht zijn om althans een tijdelijke borging van de dragende verbinding tussen de koppelorganen tot stand te brengen.
18. Gebouw volgens één of meer der voorgaande conclusies, met het kenmerk dat het gevelelement een vrij uitkragende balkonvloer omvat.
19. Gebouw volgens conclusie 18, met het kenmerk dat de balkonvloer een hol balkonlichaam omvat met een bodemplaat en één of meer consolelichamen die zich in een breedterichting daarvan uitstrekken, waarbij aan een omtrek van de bodemplaat een aantal opstaande wanddelen een lichaamsholte van het balkonlichaam begrenzen en waarbij het balkonlichaam aan een bovenzijde een vrij neembare dekplaat omvat die op de één of meer consolelichamen afsteunt.
20. Gebouw volgens conclusie 19, met het kenmerk dat de dekplaat een vrije tussenruimte tot de wanddelen bewaart.
21. Gebouw volgens conclusie 19 of 20, met het kenmerk dat de bodemplaat is voorzien van een hemelwaterafvoer en een afschot heeft dat naar de hemelwaterafvoer leidt.
22. Gebouw volgens conclusie 19, 20 of 21 met het kenmerk dat ten minste één van de consolelichamen aangrenzend aan de bodemplaat is voorzien van ten minste één waterdoorvoer in de vorm van ten minste één daarin voorziene sparing.
23. Gebouw volgens conclusie 19, 20, 21 of 22 met het kenmerk dat de consolelichamen zijn bekleed met een veerkrachtige toplaag, in het bijzonder van al of niet natuurlijk rubber, waarop de dekplaat rust.
24. Balkon omvattende een gevelelement zoals toegepast in het gebouw volgens één of meer der voorgaande conclusies.
25. Balkon volgens conclusie 24 omvattende een balustrade die zich althans over een vrije omtrekszijde daarvan uitstrekt.
NL2017754A 2015-11-16 2016-11-10 Gebouw en gevelelement NL2017754B1 (nl)

Applications Claiming Priority (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2015800A NL2015800B1 (nl) 2015-11-16 2015-11-16 Gebouw en balkon voor toepassing daarmee.

Publications (2)

Publication Number Publication Date
NL2017754A true NL2017754A (nl) 2017-06-02
NL2017754B1 NL2017754B1 (nl) 2017-07-13

Family

ID=58046724

Family Applications (3)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL2015800A NL2015800B1 (nl) 2015-11-16 2015-11-16 Gebouw en balkon voor toepassing daarmee.
NL2017754A NL2017754B1 (nl) 2015-11-16 2016-11-10 Gebouw en gevelelement
NL2018910A NL2018910B1 (nl) 2015-11-16 2017-05-12 Gebouw en gevelelement

Family Applications Before (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL2015800A NL2015800B1 (nl) 2015-11-16 2015-11-16 Gebouw en balkon voor toepassing daarmee.

Family Applications After (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL2018910A NL2018910B1 (nl) 2015-11-16 2017-05-12 Gebouw en gevelelement

Country Status (3)

Country Link
EP (1) EP3377709A1 (nl)
NL (3) NL2015800B1 (nl)
WO (1) WO2017086777A1 (nl)

Families Citing this family (7)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
FR3092348B1 (fr) * 2019-02-01 2021-10-22 Soletanche Freyssinet Procede de renforcement in situ d’une dalle en console ancree par un rupteur de pont thermique
NL2023159B1 (nl) * 2019-05-17 2020-12-01 H J J Evers Beheer B V Werkwijze en bevestigingselement voor het aan een nieuwbouwgevel bevestigen van een uitkragend element
NL2024685B1 (nl) * 2020-01-16 2021-09-08 T&R Eng B V Koppelinrichting en stelprofiel daarvoor
DE202021000466U1 (de) 2021-02-01 2021-04-22 Halfen Gmbh Einrichtung zur nachträglichen thermisch isolierenden, kraftübertragenden Anbindung eines zweiten lastaufnehmenden Bauwerksteils an ein erstes lastaufnehmendes Bauwerksteil und Bauwerk mit einer solchen Einrichtung
DE202021101776U1 (de) 2021-04-01 2021-04-19 Halfen Gmbh Einrichtung zur nachträglichen thermisch isolierenden, kraftübertragenden Anbindung eines zweiten lastaufnehmenden Bauwerksteils an ein erstes lastaufnehmendes Bauwerksteil und Bauwerk mit einer solchen Einrichtung
DE202023103836U1 (de) 2023-07-10 2023-10-04 Leviat Ag Positioniervorrichtung
DE102023128731A1 (de) * 2023-10-19 2025-04-24 B. Lütkenhaus GmbH System zur Montage eines Balkons an einem Gebäude

Citations (7)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE3403537A1 (de) * 1984-02-02 1985-08-08 Veit Dennert KG Baustoffbetriebe, 8602 Schlüsselfeld Balkonfertig-bauelement fuer gebaeude
EP0841439A1 (de) * 1996-11-08 1998-05-13 Pecon AG Kragplattenanschlusselement
DE29917220U1 (de) * 1999-09-30 2000-01-13 Mea Meisinger Stahl und Kunststoff GmbH, 86551 Aichach Montageträgersystem mit Einbauhilfe
NL1011662C2 (nl) * 1999-03-24 2000-09-27 Hakron Verankeringstechniek B Balkonplaat-balkongevel/vloersamenstel.
NL1035733C2 (nl) * 2008-07-22 2010-01-25 Frank Boudewijn Smits Haakanker ten behoeve van het ophangen van een balkon of vloerplaat aan een gebouw.
DE102008061009A1 (de) * 2008-12-08 2010-06-10 Schöck Bauteile GmbH Anschlussteile und daraus gebildete Wandanschlussvorrichtung zum horizontalen Anschließen eines Gebäudeteils an ein Gebäude
EP2685018A2 (de) * 2012-07-09 2014-01-15 SCHÖCK BAUTEILE GmbH Vorrichtung zum schwingungsentkoppelten Auflagern eines auskragenden Gebäudeteils

Patent Citations (7)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE3403537A1 (de) * 1984-02-02 1985-08-08 Veit Dennert KG Baustoffbetriebe, 8602 Schlüsselfeld Balkonfertig-bauelement fuer gebaeude
EP0841439A1 (de) * 1996-11-08 1998-05-13 Pecon AG Kragplattenanschlusselement
NL1011662C2 (nl) * 1999-03-24 2000-09-27 Hakron Verankeringstechniek B Balkonplaat-balkongevel/vloersamenstel.
DE29917220U1 (de) * 1999-09-30 2000-01-13 Mea Meisinger Stahl und Kunststoff GmbH, 86551 Aichach Montageträgersystem mit Einbauhilfe
NL1035733C2 (nl) * 2008-07-22 2010-01-25 Frank Boudewijn Smits Haakanker ten behoeve van het ophangen van een balkon of vloerplaat aan een gebouw.
DE102008061009A1 (de) * 2008-12-08 2010-06-10 Schöck Bauteile GmbH Anschlussteile und daraus gebildete Wandanschlussvorrichtung zum horizontalen Anschließen eines Gebäudeteils an ein Gebäude
EP2685018A2 (de) * 2012-07-09 2014-01-15 SCHÖCK BAUTEILE GmbH Vorrichtung zum schwingungsentkoppelten Auflagern eines auskragenden Gebäudeteils

Also Published As

Publication number Publication date
NL2017754B1 (nl) 2017-07-13
NL2015800A (nl) 2017-05-17
WO2017086777A1 (en) 2017-05-26
NL2018910A (nl) 2018-05-23
NL2018910B1 (nl) 2019-09-12
NL2015800B1 (nl) 2017-05-24
EP3377709A1 (en) 2018-09-26

Similar Documents

Publication Publication Date Title
NL2017754B1 (nl) Gebouw en gevelelement
EP2920376B1 (en) Wall base structure for light buildings
RU2553813C2 (ru) Способ и устройство для усиления и облегчения несущих конструкций пола и крыши
WO2014096980A1 (en) Shuttering
US8667755B1 (en) Dual panel composite truss apparatus
CA2890132A1 (en) Column shoe
US3350824A (en) Building construction
US10640970B2 (en) Concrete building elements and assemblies thereof, and related methods
CN106460403B (zh) 扶手套件,扶手系统和安装方法
KR100887366B1 (ko) 지붕슬래브 형성을 위한 거푸집 받침 장치
CN110206291A (zh) 不穿墙可周转装配式悬挑梁
NL1035733C2 (nl) Haakanker ten behoeve van het ophangen van een balkon of vloerplaat aan een gebouw.
ES2987690T3 (es) Viga estructural
RS59366B1 (sr) Uređaj i postupak za pričvršćivanje visećeg elementa za konstrukciju
AU2018255491B2 (en) Formwork system and method
EP2666918B1 (en) Balcony
DK2987920T3 (en) BALCONY, BUILDING PROVIDED WITH SUCH A BALCONY AND PROCEDURE FOR ESTABLISHING SUCH A BALCONY
RU168410U1 (ru) Конструкция усиления растянутой зоны многопустотной плиты
AT522813A2 (de) Schalungselement
DK181402B1 (en) A modular wall system and method for producing such a system
RU2590494C1 (ru) Конструкция усиления растянутой зоны многопустотной плиты
NL2005368C2 (nl) Werkwijze voor het uitbreiden van een gebouw, draagelement, modulaire bouwkundige eenheid en gebouw met dergelijke eenheid.
NL2015774B1 (nl) Verbeterde oplegconstructie voor het dragen van een vloer en toepassing daarvan.
NL1029290C1 (nl) Vloerelement en geprefabriceerd gebouw voorzien van een dergelijk vloerelement.
RU143211U1 (ru) Сборный железобетонный каркас многоэтажного здания

Legal Events

Date Code Title Description
RC Pledge established

Free format text: DETAILS LICENCE OR PLEDGE: RIGHT OF PLEDGE, ESTABLISHED

Name of requester: F.N.J. HOLDING B.V.

Effective date: 20220617

RF Pledge or confiscation terminated

Free format text: RIGHT OF PLEDGE, REMOVED

Effective date: 20241017

PD Change of ownership

Owner name: SCHOECK BAUTEILE GMBH; DE

Free format text: DETAILS ASSIGNMENT: CHANGE OF OWNER(S), ASSIGNMENT; FORMER OWNER NAME: T&R ENGINEERING B.V.

Effective date: 20241120