NL8100466A - Foedraal voor een schrijfvormig opnamemedium. - Google Patents

Foedraal voor een schrijfvormig opnamemedium. Download PDF

Info

Publication number
NL8100466A
NL8100466A NL8100466A NL8100466A NL8100466A NL 8100466 A NL8100466 A NL 8100466A NL 8100466 A NL8100466 A NL 8100466A NL 8100466 A NL8100466 A NL 8100466A NL 8100466 A NL8100466 A NL 8100466A
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
jacket
disc
opening
recording medium
shaped recording
Prior art date
Application number
NL8100466A
Other languages
English (en)
Other versions
NL182259B (nl
NL182259C (nl
Original Assignee
Victor Company Of Japan
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Victor Company Of Japan filed Critical Victor Company Of Japan
Publication of NL8100466A publication Critical patent/NL8100466A/nl
Publication of NL182259B publication Critical patent/NL182259B/nl
Application granted granted Critical
Publication of NL182259C publication Critical patent/NL182259C/nl

Links

Classifications

    • GPHYSICS
    • G11INFORMATION STORAGE
    • G11BINFORMATION STORAGE BASED ON RELATIVE MOVEMENT BETWEEN RECORD CARRIER AND TRANSDUCER
    • G11B23/00Record carriers not specific to the method of recording or reproducing; Accessories, e.g. containers, specially adapted for co-operation with the recording or reproducing apparatus ; Intermediate mediums; Apparatus or processes specially adapted for their manufacture
    • G11B23/02Containers; Storing means both adapted to cooperate with the recording or reproducing means
    • G11B23/03Containers for flat record carriers
    • G11B23/0328Containers for flat record carriers the disc having to be extracted from the cartridge for recording reproducing, e.g. cooperating with an extractable tray
    • GPHYSICS
    • G11INFORMATION STORAGE
    • G11BINFORMATION STORAGE BASED ON RELATIVE MOVEMENT BETWEEN RECORD CARRIER AND TRANSDUCER
    • G11B17/00Guiding record carriers not specifically of filamentary or web form, or of supports therefor
    • G11B17/02Details
    • G11B17/022Positioning or locking of single discs
    • G11B17/028Positioning or locking of single discs of discs rotating during transducing operation
    • G11B17/032Positioning by moving the door or the cover
    • GPHYSICS
    • G11INFORMATION STORAGE
    • G11BINFORMATION STORAGE BASED ON RELATIVE MOVEMENT BETWEEN RECORD CARRIER AND TRANSDUCER
    • G11B17/00Guiding record carriers not specifically of filamentary or web form, or of supports therefor
    • G11B17/02Details
    • G11B17/04Feeding or guiding single record carrier to or from transducer unit
    • G11B17/041Feeding or guiding single record carrier to or from transducer unit specially adapted for discs contained within cartridges
    • G11B17/049Insertion of discs having to be extracted from the cartridge prior to recording or reproducing

Landscapes

  • Feeding And Guiding Record Carriers (AREA)
  • Packaging For Recording Disks (AREA)
  • Holding Or Fastening Of Disk On Rotational Shaft (AREA)

Description

-1- ί
.X
·* ^
Foedraal voor een sdiijfvonnig opnamemedium
De uitvinding heeft algemeen betrekking op foedralen voor sdiijfvormige opnamemediums, en meer in het bijzonder op een foedraal bestaande uit een mantel voor het bergen van een schijfvormig opnamemedium en een dekselplaat voor het afsluiten 5 van een opening van de mantel, dat, in samenwerking met een schijfvormig opnamemediumweergaveapparaat, dat voorzien is van middelen voor het verwijden van de mantelopening en van middelen voor het vastklemmen van het omtreksdeel van het schijfvormige cpnamanedium, het cpnamerredium in een weergave- en af-1Q speelpositie in het weergaveapparaat plaatsen kan door het inbrengen van de mantel, die het opnamemedium daarin gevat of daarin geborgen heeft en afgesloten is door de dekselplaat in het weergaveapparaat, en door het weer inbrengen van de lege mantel in het weergaveapparaat, het opnamemedium weer in de mantel 15 bergen kan cm het foedraal weer uit het weergaveapparaat te kunnen nonen.
In het gebruikelijke geval werden foedralen voorgesteld voor het bergen van een schijfvormig opnamemedium (hier in het volgende eenvoudig aangemerkt als een schijf) zoals een 20 videoschijf, waarop videosignalen opgenomsn zijn, en een audio-schijf, waarcp met volgens een iitpulsieoode gemoduleerde (PCM) audiosignalen cpgencmen zijn. Bij dit type schijf foedralen blijft een schijf in een bepaalde positie in een weergaveapparaat bij het uitvoeren van een verrichting, waarbij een schij ffoedraal 25 met de schijf daarin geborgen ingébracht wordt in het weergaveapparaat en dan uit het weergaveapparaat getrokken wordt, en door het inbrengen van het lege schijf foedraal in het weergaveapparaat wordt de schijf in het weergaveapparaat ingevat in het schijf foedraal, cm die uit het weergaveapparaat te krijgen.
30 Het in het voorgaande vermelde gebruikelijke type van een schijf foedraal bestaat uit een stijve mantel voor het bergen van een schijf, en een bord met een voorste deel, dat aangegrepen wordt door aangrijpingsorganen bij volledige in- 8100466 *' ir \ -2- brenging van het scMjfoedraal in het weergaveapparaat, en een rondlopend of ringgedeelte, dat vastzit aan het voorste deel voor het omringen van de buitenomtrek van de schijf. Wanneer dit schijf foedraal ingebracht wordt in het weergave-5 apparaat tot een bepaalde positie/ kont het aangrijpings-orgaan van het weergaveapparaat in aangrijping met en houdt het zich vast op het voorste deel van het bord. Bijgevolg wordt/ wanneer de mantel van binnen het weergaveapparaat uitgetrokken wordt, de schijf vastgehouden door het rondlopende 10 gedeelte van het bord en relatief uit de mantel geschoven bij de in het voorgaande vermelde bepaalde positie, en rust het buitenamtreksranddeel van de schijf op en wordt dit ondersteund door een ondersteuningsmechanisme in het weergaveapparaat. Vervolgens rijst een draaitafel relatief in het inwendige 15 van het ondersteuningsmechanisme, en wordt de schijf geplaatst op en als een eenheid geroteerd met de draaitafel, om de weergave uit te voeren. Na voltooiing van de weergave wordt, wanneer de lege mantel ingebracht wordt in het weergaveapparaat, de schijf relatief ingébracht in de mantel samen net het rond-20 lopende gedeelte van het bord, en wordt de aangrijping van het aangrijpingsorgaan vrijgegeven. Zodoende wordt, wanneer de mantel uit het weergaveapparaat getrokken wordt, de schijf en het bord uit het weergaveapparaat . gekregen samen met de mantel in een toestand, waarbij de schijf en het bord in de 25 mantel ingevat is.
Derhalve wordt bij het in het voorgaande vermelde gebruikelijke schijf foedraal het omtrekszijvlak van de schijf vastgehouden door het aangegrepen rondlopende gedeelte van het bord en blijft de schijf in het weergaveapparaat bij 30 het uit het weergaveapparaat trécken van de mantel. Zodoende is een ondersteuningsmechanisme, waarop de schijf blijft zitten en dat het buitencmtreksranddeel van de schijf ondersteunt, aangébracht in het weergaveapparaat. Bijgevolg moet de draaitafel zo geconstrueerd zijn dat het relatief op en neer 35 bewegen kan in het inwendige van het ondersteuningsmechanisme, 8100466 * * -3-
Dit houdt in dat de diameter van de draaitafel kleiner moet zijn dan de diameter van de schijf, en het buitenamtreks-randdeel van de draaitafd. maakt derhalve contact met en ondersteunt de schijf ter plaatse van het signaalopnamevlak, 5 dat zich aan de binnenzijde van het buitencmtreksranddeel van het onderste schijfvlak bevindt. Derhalve worden er gemakkelijk krassen genaakt op het signaalopnamevlakdeel van de schijf, die ondersteund wordt door de draaitafel, en in het bijzonder bij het aanvangen van de rotatie 10 van de draaitafel gdcfc het bezwaar dat krassen in dit geval gemakkelijker genaakt worden door een kracht die in een zodanige richting werkt dat over de schijf geschuurd wordt. Zodoende kan, wanneer de schijf vele malen gebruikt wordt, geen fijne weergave verkregen worden door de in het 15 voorgaande vermelde krassen die op het signaalopnamevlak van de schijf gevormd zijn.
Voorts heeft het in het voorgaande vermelde bord het rondlopende gedeelte voor het omringen van het buiten-omtreksvlak van de schijf, en gelden daarvoor derhalve de 20 bezwaren dat de constructie van het schijf foedraal ingewikkeld is, de vervaardiging van het schijffoedraal moeilijk is, en het schijf foedraal een grote hoeveelheid materiaal vereist en niet tegen hge kosten vervaardigd kan worden.
Bovendien moet bij weergave, wanneer een weergave-25 overdrager van het weergaveapparaat naar de positie van het signaalopnamevlak op het schijfvlak beweegt, de weergave-overdrager over het rondlopende gedeelte van het bord traverseren. Deze traverserende beweging leidt zodoende tot het bezwaar dat het weergaveoverdragerbewegingsmechanisire zo 30 ontworpen moet zijn dat de weergaveoverdrager niet in botsing kcmt met het rondlopende gedeelte, en de constructie van het mechanisme wordt dus ingewikkeld.
Daarbij lijdt het gebruikelijke schijf foedraal aan het bezwaar dat, wanneer de schijf relatief uit de mantel 35 getrokken wordt door het bord bij iribrenging en dan uit de 8100466 h \ -4- mantel getrokken wordt van binnen het weergaveapparaat, of wanneer de schijf relatief ingébracht wordt in de mantel door het bord bij inbrenging van de lege mantel en dan uit de mantel trékken/ de mantel tegen de schijf schuurt en 5 krassen gemakkelijk geïntroduceerd worden.
Kort omschrëven is het zodoende een algemeen oogmerk van de onderhavige uitvinding can te voorzien in een vernuftig en bruikbaar schijf foedraal, waarbij de in het voorgaande beschreven problemen ondervangen zijn.
10 Een ander en meer specifiek oogmerk van de uitvinding is cm te voorzien in een schijf foedraal, waarbij een opening en de aangrenzende delen daarvan van een mantel zo geconstrueerd zijn dat de opening verwijd kan worden bij het laden van een schijf, die in de mantel ingevat is, in 15 een schijfweergaveapparaat. De schijf maakt geen enkel onnodig contact met de mantel en er worden geen krassen geïntroduceerd, wanneer de mantel uit het weergaveapparaat getrokken wordt na het in het weergaveapparaat plaatsen van de schijf, of bij het bergen van de in het weergaveapparaat geplaatste schijf 20 in de lege mantel.
Nog een ander oogmerk van de uitvinding is om te voorzien in schijf foedraal, dat het voor vastklemorganen van een weergaveapparaat mogelijk maakt cm de mantel binnen te gaan om een in de mantel ingevatte schijf vast te klemmen 25 door over een dekselplaat te bewegen, die een opening van de mantel afsluit Daar de schijf vastgéfemd wordt door de vastklemorganen van het weergaveapparaat, kan de mantel gemakkelijk uit het weergaveapparaat getrokken worden na het in het weergaveapparaat plaatsen van de schijf, en voorts 30 wordt, daar de dekselplaat onafhankelijk is van de verrichting, waarbij de schijf relatief van binnen de mantel uitgetrokken wordt, de constructie van het schijf foedraal heel eenvoudig, hetgeen het mogelijk maakt cm het schijf foedraal tegen lage kosten te vervaardigen.
35 De uitvinding wordt in het volgende nader toegelicht 8100466 -5- ê * aan de hand van in de tekeningen weergegeven uitvoeringsvoorbeel-den daarvan.
Fig. 1 is een afbeelding in perspectief, waarin een eerste uitvoering van een schijf foedraal volgens de uit-5 vinding, iret een deel weggesneden en gedemonteerd, weergegeven is; fig. 2 is een afbeelding in perspectief, waarin -een schij fbergtoes tand van het schijf foedraal van fig. 1 weergegeven is; IQ fig. 3 is een doorsnede, waarin het schijf foedraal van fig. 1 langs de lijn III-III doorgesneden, met een deel achterwege gelaten, weergegeven is; fig. 4 is een doorsnede, waarin het schijf foedraal van fig. 2 langs de lijn 17-17 doorgesneden weergegeven is; 15 fig. 5 is een afbeelding in perspectief, waarin een toestand weergegeven is, waarbij een opening van een mantel in het schijffoedraal van fig. 1 en 2 verwijd is; fig. 6A, 6B en 6C zijn respectievelijk een vooraanzicht, bovenaanzicht en zijaanzicht, waarin een deksel-20 plaat van het schijf foedraal van fig. 1 weergegeven is; fig. 7 is een afbeelding in perspectief, waarin een voorbeeld van een schij fweergaveapparaat, met een deel weggesneden, weergegeven is? fig. 8 is een gedeeltelijk zijaanzicht en 25 een vastklemmechanisme, waarin een toestand weergegeven is, waarbij de schijf vastgeklemd is? en fig. 9 is een zijaanzicht, waarin het weergave-apparaat van fig. 7, met enkele delen achterwege gelaten, weergegeven is.
30 In fig. 1 en 2 wordt gezien dat een schijf foedraal 10 een mantel 11 en een dekselplaat 12 heeft. De mantel 11 is samengesteld uit een paar mantelhelften 13 en 13, en heeft een vlakke holte of ruimte 14 daarin. Deze ruimte 14 is epen ter plaatse van een opening 15 aan de voorzijde van 35 de mantel 11 en is gesloten aan de andere drie zijden, en 8100466 »4.
-6- bergt een schijf 16. De dikte van de ruimte 14 is iets groter dan die van de schijf 16. De mantelhelften 13 zijn bijvoorbeeld gemaakt van styrolhars, dat door dezelfde vormmatrijs gevormd is, en heeft een bij voorkeur zodanige 5 flexibiliteit dat de verwijding van de opening 15 mogelijk gemaakt wordt zoals naderhand beschreven zal worden, en heeft ook een geschikte hardheid om de schijf 16, die daarin geborgen wordt, te beschermen.
Elk van de mantelhelften 13 heeft een vlak plaatdeel 10 17 en ribben 18, 19 en 20, die als een eenheid gevormd zijn met het vlakke plaatdeel 17 en continu verlopen in de drie zijden. Een toonvenster 21, een paar aangrijpingsvensters 22 en 22, een uitholling 23, en een paar uithollingen 24 en 24 zijn aangebracht op het vlakke plaatdeel 17. Verder kan een 15 gat aangebracht zijn in plaats van de uitholling 23. Daarbij kunnen uithollingen gebruikt worden in plaats van de aangrijpingsvensters 22. Oploopvlakken 25 en 26 zijn gevormd ter plaatse van het open randgedeelte van het vlakke plaatdeel 17 van de mantelhelften 13, en een uitsteeksel 27 is gevormd 20 ter plaatse van het binnenste gedeelte van het vlakke plaatdeel 17.
De mantelhelften 13 zijn op en neer samengesteld, en trapdelen 18a en 19a zijn respectievelijk gevormd op de ribben 18 en_^9 cm zodoende zijwanden te vonten, die de ruimte 25 14 cmsluiten,'in fig. 3 weergegeven is. Bovendien is een .tapeind 28 voor het bepalen van de positie op de ribbe 18 gevormd, en een (niet weergegeven) uitholling, die in aangrijping kont met het '.tapeind 28 en dit opneemt is op de ribbe 19 gevormd. Een uitholling 29 is in de bepaalde positie ..nabij 30 . het voorste binnenzijvlak van elk van de ribben 18 en 19 gevormd.
Het paar mantelhelften 13 en 13 zijn samengesteld als de mantel 11 door het inbrengen van het tapeind 28, -in de tegenovergestelde uitholling cm het tapeind 28 en 35 de uitholling te laten samengaan, en het vasthechten of 8 1 0 0 4 6 6 > » -7- solderen van boekdelen 30 van de ribben 18, 19 en 20. Bij de in het voorgaande vermelde samenstelling van de mantelhelften 13 laat men de trapdelen . 18a en 19a van de ribben 18 en 19 respectievelijk samengaan met uitsteeksels 5 19b en 18b, cm zijwanden te vormen aan drie zijden onder het -.overlaten van de opening 15. Zodoende wordt voorkanen dat stofdeeltjes van buiten de ruimte 14 binnengaan door de zijwanden, waar men de trapdelen 18a em 19a respectievelijk laat samengaan met de uitsteeksels 19b en 18b. Voorts zijn 10 vastgrijpdelen 31, die uitgevoerd zijn met een anti-slip ontwerp, zodat geen slippen, optreedt bij het vastgrijpen, respectievelijk gevormd ter plaatse van het achterste middengedeelte van dé mantelhelften 13. Etiketvasthechtdelen 32 zijn aangebracht ter plaatse van de buitenvlakken van de mantelhelften 13.
15 Daarbij zijn groeven 33 aangebracht aan weerszijden van de mantelhelften 13 en deze delen van de mantelhelften zijn dunner dan de rest van de mantelhelftdelen. De delen behalve dan de delen met de groeven 33 in de mantelhelften 13 hébben voldoende sterkte cm de schijf 16, die daarin geborgen wordt, 20 te beschermen.
Zoals naderhand beschreven zal worden kunnen bij het verwijden van de opening 15 van de mantelhelften 13 de aangrenzende delen van de opening 15 gebogen worden door hun flexibiliteit, maar de gebogen vervorming wordt zelfs nog 25 vergemakkelijkt door de aanbrenging van de groeven 33 aan weerszijden van de mantelhelften 13. Bovendien kunnen, daar de ribben 18 en 19 niet vastgehecht zijn behoudens de boekdelen 30, de aangrenzende delen van de zijwanddelen vrij vervormd worden bij verwijding van de opening 15 zoals met de 30 streepstippellijnen in fig. 3 weergegeven is, en bijgevolg kan de verwijding van de opening 15 gemakkelijk uitgevoerd worden.
Daarbij kan een transparant deel 34 aangebracht zijn ter plaatse van het middendeel van elk van de etiketvasthechtdelen 32 in plaats van het aanbrengen van het toon-35 venster 21, zodat de zijde van de schijf 16 gezien kan worden 8100466 fr -8- door dit transparante deel 34. Bovendien kan de mantel XI van transparante of half—transparante materialen in plaats van niet-transparant materiaal gemaakt worden, zodat de gehele schijf 16 door de mantel 11 gezien kan worden.
weergegeven is 5 Zoals duidelijk in fig. 1, 6A, 6B en 6C ^bestaat de dekselplaat 12 uit een plaatvormig hoofddekselbestanddeel 40, dat ingebracht wordt in het voorste gedeelte van de ruimte 14 door de opening 15 van de mantel 11 en de opening 15 afsluit, en een randgedeelte 41, dat als een eenheid 10 daarmee gevormd is ter plaatse van de voorrand van het hoofddekselbestanddeel 40 en dat vastzit aan de voorrand van de mantel 11 en de opening 15 niet binnengaat. De dekselplaat 12 is bijvoorbeeld gemaakt van acrylonitrilebutadieenstyreen (ABS) -hars. De dikte t van het hoofddekselbestanddeel 40 15 wordt ingesteld op een waarde welke in hoofdzaak gelijk is aan de breedte W van de opening 15. Een boogvormige deel 42 net een kromtestraal groter dan de straal van de schijf 16, is ter. pLaatste van het achterste einddeel van het hoofddekselbestanddeel 40 gevormd, en wigvormige tapse delen 43 zijn 20 gevormd aan weerszijden van het hoofddekselbestanddeel 40 ter plaatse van de twee einddelen van het boogvormige deel 42. Oploopylakken 47 zijn gevormd aan de buitenzijden van de tapse delen. 43. Een paar aangrijpingsarmen 44 en 44 zijn geyormd aan weerszijden van het hoofddekselbestanddeel 40.
25 Een uitsteeksel 45, dat in aangrijping kamt met de uitholling 29 van de mantel 11, is aangebracht aan de buitenzijde op elk van de aangrijpingsarmen 44, en een oploopvlak 46 is gevormd aan het punteihde op elk van de aangrijpingsarmen 44.
De basisgedeelten van de aangrijpingsarmen 44 30 zijn als. een eenheid daarmee gevormd op het achtereinde van het hoofddekselbestanddeel 40 en strekken zich in de voorwaartse richting uit, terwijl de vrije einden van de aangrijpingsarmen 44 elastische vervorming in de richting van de pijl A kunnen ondergaan. Het uitsteeksel 45 heeft een schuin vlak 35 45a en een verticaal vlak 45b. Wanneer de dekselplaat 12 de 8100466 -9— % mantel 11 binnengaat vanuit de opening 15, kant het schuine vlak 45a van het uitsteeksel 45 in contact met de voorste eindzijwand van de mantel 11, en wordt de aangrijpingsarm 44 dus naar binnen vervormd. Bij iribrenging van de dekselplaat 12 in een bepaalde 5 positie binnen de mantel 11, grijpt het uitsteeksel 44 in de uitholling 29 in de zijwand van de mantel 11 als gevolg van de flexibiliteit van de aangrijpingsarm 44. Zodoende kant het verticale vlak 45b vast te zitten aan het binnenvlak van de uitholling 29 en wordt dus voorkomen dat de dekselplaat 12 uit de mantel 11 glijdt.
10 Bovendien is de dekselplaat 12 van een eenvoudige constructie zoals in het voorgaande beschreven is, daar het alleen uit het randgedeelte 41 en het hoofddekselbestanddeel 40 bestaat, en derhalve kan de dekselplaat 12 gemakkelijk tegen lage kosten vervaardigd worden, daar slechts een geringe hoeveelheid materiaal vereist is.
15 Een tapeind 48, dat in aangrijping komt met de uitholling 24 van de mantel 11 is respectievelijk gevormd op de boven- en ondervlakken van het hoofddekselbestanddeel 40. Voorts is een aanduiding 49, die een "1” of een "2" (of "A" of "B"} toont cm de zijde van de schijf 16 aan te geven, respectievelijk aangebracht 20 in een positie corresponderende met de positie van het toonvenster 21, op de boven- en ondervlakken van het hoofddekselbestanddeel 40. De uitholling 24 en het tapeind 48 kunnen achterwege gelaten worden.
Een uitsteeeksel 50, dat in aangrijping komt met de uit-25 hailing 23 van de mantel 11, is respectievelijk aangebracht op de boven- en ondervlakken bij het midden van het hoofddekselbestanddeel 40. Klemvingerdoorvoerdelen 54 en 54, die elk oploopvlakken 51 en 52 en een dun deel 53 hébben, zijn respectievelijk gevormd ter plaatse van de boven- en ondervlakken van het hoofddekselbestand-30 deel 40 aan weerszijden van het uitsteeksel 50, waar het smal is door de vorm van het boogvormige deel 42, zodat een klemvinger van het weergaveapparaat, dat naderhand beschreven zal worden, gemakkelijk over de klemvingerdoorvoerdelen 44 gevoerd kan worden. De dikte van het dunne deel 53 is kleiner dan die van een groef-35 bescherming 16a ter plaatse van het buitenomtreksranddeel van de 8100466 -10- schijf 1β.
Een paar L-vormige uitsnijdingen 55 en 55 zijn gevormd aan het vooreinde van het hoofddekselbestanddeel 40 door het randgedeelte 41. Zoals naderhand beschreven zal worden, worden 5 een dekselplaatopsluitvinger en mantelopeningverwij dingsvinger van het weergaveapparaat ingebracht in de uitsnijdingen 55.
Verder is een uitsnijding 56, waarin een schijfvlakdiscriminatie-schakelaar opgenamen wordt, gevormd aan de buitenzijde van een van de uitsnijdingen 55, die zich vanaf het randgedeelte 10 41 in het hoofddekselbestanddeel 40 uitstrekt.
Een toestand, waarbij de schijf 16 geborgen is in het schijf foedraal 10, zal nu beschreven worden. De schijf 16 is geborgen binnen de ruimte 14 van de mantel 11 zoals in fig. 1 en 4 weergegeven is. De dekselplaat 12 wordt ingébracht in het voorste 15 gedeelte van de ruimte 14 vanuit de opening 15 van de mantel 11, en sluit de opening 15 af. De uitsteeksels 45 van de aangrijpings-armen 44 van de dekselplaat 12, de tapeinden 48 van het hoofddekselbestanddeel 40, en de uitsteeksels 50 komen respectievelijk in aangrijping met de uithollingen 29, 24 en 23 van de mantel 20 11, cm te voorkomen dat de dekselplaat 12 uit de mantel 11 glijdt.
Daar het dekselplaatvastzetmechanisme geconstrueerd zoals in het voorgaande beschreven is, wordt het uit de mantel 11 glijden van de dekselplaat 12 absoluut voorkomen zelfs wanneer ëen van de aangrijpingsarmen 44 beschadigd is. De dekselplaat 12 25 wordt ingebracht in de mantel 11 tot het randgedeelte 41 vast kamt te zitten aan het vooreinde van de mantel 11. De aanduiding 49, die op het hoofddekselbestanddeel 40 aangebracht is, wordt door het toonvenster 21 van de mantel 11 getoond. Bovendien bestaan de dekselplaat 12 en de schijf 16 uit afzonderlijke 30 bestanddelen, maar hun respectieve vlakzijden staan steeds in dezelfde betrekking, en'betrekking tussen de vlakzijde van de schijf 16 en de aanduiding 49 van de dekselplaat 12 is dus constant.
De schijf 16 is op vier plaatsen vastgezet, dat wil zeggen 35 ter plaatse van het uitsteeksel 27 van de mantel 11, de linker λ *» 8100466 -lien rechter zijwanden (ritfcen 18 en 19) van de mantel 11, en het middendeel van het boogvormige deel 42 van de dekselplaat 12, en wordt binnen de ruimte 14 geborgen, zonder ongewenste hiaten tussen het vastzetdeel en de schijf 16 te laten ont-5 staan.
Bovendien neemt, wanneer het schijf foedraal 10 heftig rondgezwenkt wordt met de dekselplaat 12 bijvoorbeeld daaronder ingesteld, de dekselplaat 12 een kracht naar de buitenzijde van de mantel 11 ter plaatse van het middendeel van de dekselplaat 10 12 cp door de qp de schijf 16 inwerkende centrifugaalkracht, maar voorkomen wordt dat de dekselplaat 12 buigt daar de uitsteeksels 12 in aangrijping kamen met de uithollingen 23.
Daarbij worden, zelfs wanneer het middendeel van de dekselplaat 12 wel naar buiten buigt, het paar aangrijpingsazmen 44 in 15 de naar buiten gerichte zin vervormd afgaande qp deze buiging van de dekselplaat 12, dat wil zeggen de uitsteeksels 45 worden in respectieve richtingen vervormd om zodoende verder in de uithollingen 29 te dringen. Zodoende wordt in elk geval het uit de mantel 11 glijden van de dekselplaat 12 absoluut voorkomen. 20 Bovendien zijn de in het voorgaande vermelde uitsteeksels 50 in posities langs of erg dicht bij het boogvormige deel 42 ingesteld. Bijgevolg fixeren de uitsteeksels 50, wanneer de opening 15 van de mantel 11 in een zodanige richting vervormd wordt dat de opening 15 iets verwijd wordt door warmte en 25 dergelijke bijvoorbeeld en geringe hiaten tussen het hoofd- dékselbestanddeel 40 van de dekselplaat 12 en de vlakke plaatdelen 17 van de mantelhelften 13 ontstaan, de schijf 16 om te voorkomen dat de schijf 16 in deze hiaten terecht komt.
De samenwerking van het schijf foedraal 10 van de in 30 het voorgaande vermelde constructie met het weergaveapparaat zal nu aan de hand van fig. 7 t/m 9 beschreven worden.
lii fig. 7 wordt gezien dat een schij fweergaveapparaat 60 een chassisfoedraal 61 heeft, met in hoofdzaak een mantel-openingverwijdingsmechanisme 62, een draaitafel 63, die met 35 de schijf 16 daarop geplaatst gezien wordt cm de schijf 16 8100466 b -12- te roteren , een mechanisme 64 voor het vastklenmen van de schijf 16, nechanisrren 65 en 65a voor het vasthouden van de dékselplaat 12, en dergelijke.
Het chassisfoedraal 61 heeft een inbrengopening 5 66, waarin het schijf foedraal 10 ingebracht wordt. Het mantelopehingverwijdingsmechanisme 62 heeft bovenste en onderste liggers 67 en 68 die optreden langs de inbrengopening 66 in de richting van de pijl Y. Een paar opening-verwijdingsvingers 69, die de mantelopening 15 verwijden, 10 zijn respectievelijk gevormd op elk van de liggers 67 en 68 in een zodanige richting dat deze naar de inbrengopening 66 steken. De liggers 67 en 68 kunnen door tussenkomst van rollen 70 langs geleidingen 71 bewogen worden in de richtingen van de pijlen. XI en X2. Wanneer het schijf foedraal 10 niet 15 ingebracht is in het weergaveapparaat 60, bevinden de liggers 67 en 68 zich in zodanige posities dat deze zich naar de inbrengopening 66 uitstrekken, en hellen de respectieve punteinden van de twee paar openingverwi jdingsvingers 69 in gelijke mate naar elkaar toe onder inwerking van blad-20 verem 72.
Bij weergave van de schijf 16 wordt het schijf foedraal 16 ingebracht door de inbrengopening 66 van het weergaveapparaat 60 door het schijf foedraal 10 bij het vastgrijpdeel 31 vast te houden, en het inbrengen van het schijf foedraal 25 10 met de zijde van de dekselplaat 12 in de richting van de pijl XI. Gepaard met de inbrenging van het schijf foedraal 10 in de richting van de pijl XI gaan de openingverwijdingsvingers 69 relatief de uitsnijdingen 55 van de dekselplaat 12 binnen, en soepel geleid in de opening 15 van de mantel 30 11 door de oploopvlakken 25, om in contact te koten met de binnenste delen van de uitsnijdingen 55. Bovendien worden, als het schijf foedraal 10 ingebracht wordt in het weergaveapparaat 60 in de richting van de pijl XI, de openingverwi j dingsvingers 69 geduwd door de binnenste delen van de 35 8100466 -13- uitsnijdingen 55, en bewegen de liggers 67 en 68 dus ook in de richting van de pijl XI. Gepaard met deze beweging van de liggers 66 en 68 wordt de rol 70 over het tapse deel 73 van de geleiding 71 van fig. 7 gevoerd, 5 en bijgevolg draaien de liggers 67 en 68 zo dat deze horizontaal komen te liggen, en draaien de respectieve qpeningverwijdingsvingers 69 van de liggers 67 en 68 in zodanige richtingen dat deze wederzijds van elkaar gescheiden worden. De punteinden van de Qpeningverwijdingsvingers 69 10 komen in aangrijping met de aangrijpingsvensters 22 van de mantel 11, en verwijden het voorste deel van de bovenste en onderste mantelhelften 30 omhoog en omlaag, om de opening 15 te verwijden, zoals in fig. 5 weergegeven is (de qpeningverwijdingsvingers 69 zijn niet weergegeven in fig. 5).
15 Daarbij kan, daar de mantelhelften 13 zo geconstrueerd zijn dat de opening 15 gemakkkelijk verwijd wordt, zoals in het voorgaande beschreven is, de verwij dings verrichting op de opening 15 soepel uitgevoerd worden door een schij f f oedraal-inbrengverrichting onder aanwending van een betrékkelijk 20 geringe kracht.
Verondersteld wordt dat het schijf foedraal 10 ingébracht is in de inbrengopening 66 en de opening 15 verwijd is door het mantelopeningverwi jdingsmechanisme 62 zoals in het voorgaande beschreven is, en het schijf foedraal 10 dan 25 van binnen het weergaveapparaat 60 uitgetrokken wordt voordat het schij ffoedraal 10 volledig ingébracht is in de bepaalde positie binnen het weergaveapparaat 60, cm de weergave van de schijf 16 op te schorten. In dit geval is het uitsteékséL 45 op de aangrijpingsarm 44 van de dekselplaat 12 nog in 30 aangrijping met de uitholling 29 in de mantel 11, en bijgevolg bevindt, wanneer het schijf foedraal 10 afgescheiden wordt door het mantelopeningverwijdingsmechanisme 22, de dekselplaat 12 zich in zijn oorspronkelijke positie ten opzichte van de mantel 11. Zodoende keert het schijffoedraal 10 tot zijn 35 oorspronkelijke toestand terug wanneer de opening 15 8100466 -14- vrij gegeven wordt door het mantelopeningverwij dingsmechanisme 62, waarbij voorkomen wordt dat de dekselplaat 12 per ongeluk in het weergaveapparaat 60 gelaten wordt.
Het schij fvastkleirmechanisme 64 is aangèbracht ter 5 plaatse van het binnenste deel van het chassisfoedraal 61 aan de tegenovergestelde., zijde van de iribrengopening 66, en bestaat uit twee paar klemvingers 74 en 75. Het paar onderste klemvingers 74 is gevormd aan het punteinde van een hefboom 77 die axiaal ondersteund is op een pen 76. Een draad 78 is 10 aan de hefboom 77 verbonden en de hefboom 77 neemt een rotatie-kracht in de richting van de pijl C in fig. 9 op daar een kracht als gevolg van de kracht van een veer 79 in de richting van de pijl δ daarop inwerkt. Zodoende neemt de klenKfcger74 een kracht pp die aanzet tot rotatie in de omhoog gerichte zin. Het 15 paar bovenste klemvingers 75 zijn respectievelijk axiaal ondersteund door een pen 80, en komen in contact met de onderste klemvingers 74 door te roteren in de cmlaag gerichte zin onder hun eigengewicht. Bovendien wordt, zoals naderhand beschreven zal worden, bij het laden van de schijf 16 tegen een zich 20 verticaal uitstrékkend deel 75c geduwd door bladveren 100 en 100a en wordt hierdoor een rotatiekracht in de richting van de pijl D opgencmen, en derhalve nemen de bovenste klemvingers 75 een rotatiekracht in de omlaag gerichte zin op.
De dekselplaataangrijpings- en -opsluitmechanismen 65 en 25 65a zijn symmetrisch aangebracht aan zowel de linker als de rechter zijden van het vastklenmechanisme 64. Daar het mechanisme 65a symmetrisch, is ten opzichte van het mechanisme 65 en dezelfde constructie als het mechanisme 65 heeft, zal alleen de constructie van het mechanisme 65 beschreven worden, en zullen delen van 30 het mechanisme 65a die corresponderen met die van het mechanisme 65 aangegeven worden met dezelfde verwijzingscijfers met een index "a", en zal hun beschrijving achterwege gelaten worden.
In het in het voorgaande vermelde aangrijpings- en -opsluitmechanisme 65 zijn een opsluitvinger 81 en een 35 leivinger 82 axiaal ondersteund door een as 84 die ingebed 8100466 -15- gevormd is op een hefboom 83. De hefboom 83 wordt in de zin van de wijzers van het uurwerk gedreven ten opzichte van een as 86 door een rotatiekracht, die door een veer 85 geleverd wordt, en is verbonden met een andere hefboom 88, die axiaal onder-5 steund is door een as 86a door een pen 87 en een langsopening die in aangrijping komt met deze pen 87. Zodoende roteren deze twee verbonden hefbomen 83 en 88 in wederzijds tegengestelde richtingen. Een grendel 89 kant in aangrijping met de pen 87 onder het opsluiten daarvan wanneer de pen 87 eerst in de richting 10 van de pijl XI beweegt, en geeft de aangrijping vrij wanneer de pen 87 vervolgens weer in de richting van de pijl XI beweegt.
Wanneer het mantelopeningverwi j dingsmechanisme 62 in de richting van de pijl XI beweegt door de inbrengbeweging van het schijf foedraal 10 door de inbrengopening 66, duwt een rol 90 tegen 15 een roteerbare plaat 91 en wordt deze hierdoor geroteerd in de richting van de pijl E. Een opduwplaat 92 wordt aangetrokken door een draad 93 als gevolg van de roterende beweging van de roteerbare plaat 91, en wordt omlaag getrokken tegen de krachten van de veren 94. De opduwplaat 92 is opgehangen en ondersteund 20 door de veren 94 ten opzichte van steunplaten 95. Bij dé cmlaag-beweging van de opduwplaat 92 beweegt een qpduwonderdeel 96 omlaag cm terug te treden van de bewegende doorgang van het schijf foedraal 10.
Wanneer het schijf foedraal 10 ingébracht wordt in het 25 binnenste deel van het weergaveapparaat 60 samen met het mantel-openingverwijdingsmechanisme 62, gaan aangrijping^-vrij geefvingers 97 en 97a, die vast aangebracht zijn op zowel de linker als rechter zijden ter plaatse van het binnenste deel van het weergaveapparaat 60 relatief openingen 15a en 15b binnen 30 (fig. 6B), die aangebracht zijn aan weerszijden ter plaatse van het voorvlak van het schijf foedraal 10, en duwen deze tegen de oploopvlakken 46 van de aangrijpingsarmen 44. Zodoende worden de aangrijpingsarmen 44 naar binnen gebogen, en glijden de uitsteeksels 45 uit de uithollingen 29, om de aangrijping van 35 de dékselplaat 12 ten opzichte van de mantel 11 vrij te geven.
81 00 46 6 b -16-
Gepaard met de in het voorgaande beschreven bewegingen gaan de opsluitvingers 81 en 81a tussen de liggers 67 en 68 „en de bovenste en onderste mantelopeningverwijdingsvingers 69 door, cm relatief de uitsnijdingen 55 binnen te gaan.
5 Bovendien wordt tegen contactdelen 98 en 98a, die respectievelijk vastzitten aan de hefbomen 83 en 88, geduwd door het randgedeelte 41, en worden de hefbomen 83 en 88 derhalve geroteerd in de richtingen van de pijlen F en G. Daar de leipen 82 in contact komt met een pen 99 die verticaal ingebed is in het chassis, 10 gepaard met de rotatie van de hefbocm 83, worden de léivinger 82 en de opsluitvinger 81 respectievelijk geroteerd in de richting van de pijl H langs het leivlak van de leivinger 82. Op overeenkomstige wijze wordt de opsluitvinger 81a ook geroteerd in de rich-· ting van de pijl X. De opsluitvingers 81 en 81a gaan het gebogen 15 deel van de L-vormige uitsnijdingen 55 binnen als gevolg van hm respectieve rotatie in de richtingen van de pijlen H en I, en sluiten de dekselplaat op. Bovendien worden de hefbomen 83 en 88 in hun roterende posities gehouden als gevolg van de opsluiting van de pen 87 in de grendel 89.
20 Voorts wordt bij inbrenging van het schijf foedraal 10 in het binnenste deel van het weergaveapparaat 60, zoals in fig. 8 weergegeven, door de doorvoerdelen 54 tegen de klemvingers 74 en 75 geduwd en deze hierdoor gespreid en komen die tussen deze klemvingers 74 en 75 terecht. Oploopvlakken 74a, 74b, 75a 25 en 75b zijn respectievelijk gevormd aan de punteinden van de klemvingers 74 en 75, en het in het voorgaande vermelde terecht komen van de doorvoerdelen 54 tussen de klemvingers 74 en 75 wordt soepel uitgevoerd door /geleiding die door de oploopvlakken 75a en 75b verleend wordt. Nadat de doorvoerdelen 30 54 van de dekselplaat 12 tussen de klemvingers 74 en 75 terecht gekomen zijn klemmen de klemvingers 74 en 75 de ter plaatse van de buitenomtrek van de schijf 16 gevormde groefgeleiding vast. Vervolgens worden, daar de bladveren 100 en 100a die vastzitten op de rijzende delen welke aangebracht zijn ter plaatse van 35 delen van de hefbomen 83 en 88, tegen het zich verticaal uitstrekken- 8100466 -17- de deel 75c dat zich omlaag uitstrekt duwen, de klemvingers 75 dus in de richting van de pijl D gedreven en klemmen deze de groef-beschenning 16a absoluut vast.
Zodoende is tijdens de inbrenging van het schij ffoedraal 5 10 in de bepaalde positie ter plaatse van het binnenste deel van het weergaveapparaat 60 de opening 15 van de mantel 11 verwijd door het mantelopeningverwijdingsmèchanisme 62, en wordt de dekselplaat 12 vrijgegeven uit de aangrijping daarvan ten opzichte van de mantel 11 en opgesloten door de opsluitvingers 81 en 81a.
10 Hier wordt de dekselplaat 12 opgesloten door het paar onderling gescheiden opsluitvingers 81 en 81a, en ook ondersteund en stabiel gehouden qp relatief ingébrachte ondersteuningsarmen 101 en 101a ter plaatse van de achterzijde van de dekselplaat^innen de mantel 11« De groefbescherming 16a van de schijf 16 wordt absoluut vastge-15 klemd door de twee paar klemvingers 74 en 75 en derhalve beweegt of helt de schijf 16 niet onnodig bij het uittrekken van de mantel, hetgeen naderhand beschreven zal worden.
Vervolgens wordt de mantel 11 uitgetrokken in de richting van de pijl X2. Daar de dekselplaat 11 en de schijf 16 respectieve-20 lijk opgesloten en vastgeklemd zijn zoals in het voorgaande beschreven is, wordt alleen de mantel in de richting van de pijl X2 bewogen, onder het achterlaten van de dekselplaat 12 en de schijf 16. Gepaard met deze uittrekking van de mantel 11 worden de dekselplaat 12 en de schijf 16 relatief van binnen de mantel 25 11 uitgetrokken. Daar de opening 15 van de mantel 11 zich in een verwijde toestand bevindt bestaat er dan geen mogelijkheid dat de schijf gekrast wordt door tegen de binnenvlakken van de mantel 11 te schuiven.
Gepaard met de beweging van de manteL llinde richting van 30 de pijl X2 beweegt het mantelopeningverwijdingsmechanisme 62 ook samen met de mantel in de richting van de pijl X2, daar de mantelopeningverwijdingsvingers 69 in aangrijping zijn met de aangrijpingsvensters 22 van de mantel 11. Wanneer de mantel 11 uitgetrokken tot in de buurt van de inbrengopening 66, keert de 35 roterende plaat 91 roterend terug en beweegt het opduwbestanddeel 8100466 -18- 66 omhoog om het middendeel van de schijf 16 te onder sternen. Voorts is, wanneer de mantel 11 uitgetrokken is, de schijf 16 volledig gescheiden van de mantel 11, keert het mantelqpening-verwij'dingsmechanisme 62 naar zijn oorspronkelijke positie .
5 terug, en roteren de mantelopeningverwijdingsvingers 69 in zodanige richtingen dat deze zich op elkaar sluiten en zich afscheiden van de aangrijpingsvensters 22. De mantel 11 keert tot zijn oorspronkelijke toestand terug als gevolg van de flexibiliteit daarvan, en de verwijde opening 15 keert ook 10 tot de oorspronkelijke toestand terug, en de mantel is volledig uitgetrokken uit het weergaveapparaat 60. In deze toestand is de schijf 16 horizontaal ondersteund in een positie boven de draaitafel 63 door de klemvingers 74 en 75 en het opduwonder-deel 96.
15 Wanneer een (niet weergegeven) speelknop vervolgens ingedrukt wordt, begint een motor 106 te roteren, en roteert een opneemas 107 in de richting van de pijl J, en bijgevolg worden de draden 78 en 108 dus uitgetrokken uit de opneemas 107. Zodoende roteert de roteerbare plaat 91 in de richting van 20 de pijl E, ai roteren de klemvingers 74 in een richting tegengesteld aan de richting van de pijl C, cm de vastklemming ten opzichte van de schijf 16 vrij te geven en het opduwonderdeel 96 omlaag te bewegen. Bijgevolg beweegt de schijf 16 omlaag en wordt deze op de draaitafel 63 geplaatst, cm met de draai-25 tafel 63, die door een motor 105 geroteerd wordt, nee te roteren. De cpduwplaat 92 wordt dan gescheiden van het opduwonderdeel 96. Een (niet weergegeven) weergaveopzetapparaat wordt boven de schijf 16 gebracht door een overbrengapparaat om opgenomen signalen van de schijf 16 weer te geven.
30 Vervolgens zal een verrichting beschreven worden, waarbij de schijf 16 teruggewonnen wordt van binnen het weergaveapparaat 60.
Bij voltooiing van de weergaveverrichting roteert de motor 106 in een richting tegengesteld aan de richting van 35 de pijl J nadat de motor 105 en de draaitafel 63 ophouden te m 8100466 -19- roteren, en neemt de qpneemas 107 de draden 78 en 108 op.
Zodoende roteert de roteerbare plaat 91 in een zodanige richting dat de draad 93 los kcmt te zitten, en beweegt het qpduwonderdeel 96 dus anhoog om de schijf 16 aiihoog te duwen. Het boogvormige 5 ded.42 van de dekselplaat 12 heeft een kromtestraal groter dan de straal van de schijf 16, en zoals in fig.6B weergegeven is, wordt het boogvormige deel 42 van de dekselplaat 12 gescheiden van de schijf 16 aan zowel de linker als rechter zijden.
Zodoende kant, zelfs wanneer de dekselplaat 12 vergrendeld is 10 in een hellende stand ten opzichte van de richting van de pijl Y, de schijf 16 niet in contact met de dekselplaat 12 bij de arhoogbeweging van de schijf 16. Voorts roterende klemvingers 73 in de richting van de pijl C, cm de schijf 16 tussen de klemvingers 75 vast te kleumen. Het cpneandeel van de opneemas 15 107 voor het opnemen van de draad 78 heeft een halfronde doorsnede, en de opneemas 107 wordt gestopt in een positie waar het de draad 78 nauwelijks opnemen kan bij het aanvangen van de rotatie. Aan de andere kant wordt de draad 108 opgencmen door het deel van de opneemas 107 dat een ronde doorsnede heeft.
20 Bijgevolg wordt de draad 108 opgenaren door de opneemas 107 vanaf de aanvang van de rotatie van de opneemas 107 en wordt de draad 78 na een geringe tijdsvertraging opgenaren. Derhalve wordt de vastklemverrichting door de klemvingers 74 uitgevoerd nadat de schijf 16 cmhoog geduwd is door het opduwonderdeel 25 96, en wordt de schijf 16 dan absoluut vastgeklemd.
Bij het terugwinnen van de schijf 16 wordt de lege mantel 11 ingébracht met het vooreinde daarvan eerst in het weergaveapparaat 60 door de inbrengopening 66. Het mantel-openingverwij dingsmechanisme 62 wordt door de mantel 11 geduwd 30 en beweegt weer in de richting van de pijl XI, om de opening 15 van de mantel 11 te verwijden. Gepaard met de inbrenging van de mantel in de richting van de pijl XI wordt de schijf 16 relatief ingebracht in de mantel 11 door de opening 15.
Daar de opening 15 zich in de verwijde toestand bevindt bestaat 35 er dan geen mogelijkheid dat de schijf 16 gekrast. wordt door 8100466
Ir -20- tegen de binnenvlakken, van de mantel 11 te schuiven.
Gepaard met de voorgaande inbrenging van de mantel 11 wordt de roterende plaat 91 geroteerd nadat de inbrenging van de schijf 16 in de mantel 11 aangevangen is, en beweegt 5 het opduwonderdeel 96 omlaag naar een lagere positie cm terug te treden van de bewegende doorgang van de mantel 11.
Wanneer de mantel 11 ingébracht is in de binnenste positie in het weergaveapparaat 60, wordt de schijf 16 volledig · ingevat binnen de mantel 11, en is voorts de opgesloten deksel-10 plaat 12 relatief ingébracht binnen de opening 15 van de mantel 11. Bij inbrenging van de dékselplaat 12 in de mantel 11, zelfs wanneer de dékselplaat 12 iets hellend staat, wordt de positie van de dékselplaat 12 gecorrigeerd door de geleiding die door de tapse delen 43 en de oploopvlakkën 47 verleend 15 wordt, en wordt de in het voorgaande vermelde inbrenging van de dékselplaat 12 binnen de mantel 11 dus positief uitgevoerd.
Zelfs nadat de dékselplaat 12 volledig ingébracht is binnen de mantel 11, wordt de mantel 11 nog verder naar binnen geduwd samen met de dékselplaat 12 in de richting van de pijl 20 XI. Zodoende wordt ook tegen de opsluitmechanismen 65 en 65a geduwd, en wordt de pen 87 dus in de richting van de pijl XI geduwd, en bijgevolg scheidt de pen 87 zich van de grendel 89 af. Wanneer de mantel 11 dan uitgetrokken wordt in de richting van de pijl X2, keren de hefbomen 83 en 88 roterend terug als 25 gevolg van de kracht die door de veer 85 uitgeoefend wordt, en wordt de dékselplaat 12 in de richting van de pijl X2 geduwd door de contactvingers 98 en 98a. Bovendien roteren de opsluit-vingers 81 en 81a in zodanige richtingen dat deze zich op elkaar sluiten en uit de binnenste delen van de uitsnijdingen 55 en 55a 30 van de dékselplaat 12 glijden, om de opsluitaangrijping ten opzichte van de dékselplaat 12 vrij te geven.
Wanneer de dékselplaat 12 geduwd door de contactvingers 98 en 98a een weinig in de richting van de pijl X2 beweegt samen met de mantel 11, konen de oploopvlakkën 46 op de 35 8100466 -21- aangrijpingsaanen 44 van de dekselplaat 12 los van de aangrijping-vrijgeefvingers 97 en 97a, en wordt de aangrijping vrijgegeven. Zodoende keren de aangrijpingsarmen 44 roterend tot hun oorspronkelijke toestanden terug, en kanen de uitsteeksels 45 5 in aangrijping met de uithollingen 29 en kant de dekselplaat 12 in aangrijping met de mantel 11.
Vanaf dat mcment beweegt de dekselplaat 12 in de richting van de pijl X2 samen met de mantel 11, wordt tegen de schijf 16 geduwd door het boogvormige deel 42 van de 10 dekselplaat 12, en wordt de schijf 16 tussen de klemvingers 74 en 75 uit getrokken. Daarbij worden bij deze toestand de doorvoerdelen 54 van de dekselplaat 12 geleid door de qploop- vlakken 52, ai de oploopvlakken 74b en 75b van de klemvingers 74 en 75, en schuift de dekselplaat 12 soepel tussen de 74 15 klemvingers 'en 75 uit. De schijf is dan ingevat binnen de mantel 11, en wordt in de richting van de pijl X2 getrokken samen met de mantel 11 en de dekselplaat 12 in een toestand waarbij het uit de dekselplaat 12 glijden van de schijf 16 voorkctnen wordt, en deze dus uitgetrokken wordt van binnen het 20 weergaveapparaat 60 ingevat in het schij ffoedraal 10. Wanneer de mantel 11 uitgetrokken wordt van binnen het weergaveapparaat 60, keert de verwijde opening 15 van de mantel 11 tot zijn oorspronkelijke toestand terug als gevolg van het vrijgeven van de aangrijping door het mantelopeningverwijdingsmechanisme 62, 25 en wordt de opening 15 volledig afgesloten door de dekselplaat 12.
Voorts kan bij de in het voorgaande vermelde terugwinning van de schijf 16 elke zijde van de mantel 11 onhoog gekeerd zijn wanneer de lege mantel 11 ingébracht wordt in het weergaveapparaat 3Q 60. Daar de betrekking tussen de zijden van de schijf 16 en de zijden van de dekselplaat 12 steeds dezelfde is, wordt de aanduiding 49, die qp de dekselplaat 12 aangebracht is, door het toonvenster 21 getoond nadat de schijf 16 en de dekselplaat 12 in de mantel 11 geborgen zijn, en of de schijf 16 ingevat is 35 binnen de mantel 11 lei aan de in het voorgaande vermelde getoonde zijde kan de schijf 16 af gezien worden.
8100466 -22-
Bovendien zijn een eerste zijde-detectieschakelaar 102, een tweede zijde-detectieschakelaar 103 en een schij ftype-dis-criminatieschakelaar 104 respectievelijk aangebracht in bepaalde 'posities ter plaatse van het binnenste deel van het weergave-5 apparaat 60. Bij de voorgaande uitvoering van de uitvinding is de dekselplaat 12 voor een videoschijf, en in de toestand, die in fig. 1 en 6B weergegeven is, hebben de dekselplaat 12 en de schijf 16 hun eerste zijden omhoog gekeerd. Wanneer het schijffoedraal 10 ingebracht is in het weergaveapparaat 60 in 10 deze toestand, wordt tegen de schakelaars 102 en 104 geduwd door het randgedeelte 41 van de dekselplaat 12 en deze MN gedraald. De schakelaar 103 gaat de uitsnijding 56 van de dekselplaat 12 binnen en bevindt zich in de UIT toestand. Detectie vindt plaats dat de schijf 16 geladen is met de eerste zijde omhoog 15 gekeerd door het MN draaien van de schakelaar 102, en verder vindt detectie plaats dat de schijf 16 een videoschijf is door het MN draaien van de schakelaar 104.
Wanneer het schijf foedraal 10 ingebracht is in het weergaveapparaat 60 met de zijden omgekeerd uit de voorgaande 20 toestand,met de. tweede zijde van de schijf 16 omhoog gekeerd, bevindt de schakelaar 102 zich in de UIT toestand daar de uitsnijding 56 van de dekselplaat 12 aan de linker zijde in fig.
1 en 6B ingesteld is. Tegen de schakelaar 103 wordt echter geduwd door het randgedeelte 41 van de dekselplaat 12 en deze wordt 25 MN gedraaid, cm detectie te laten plaats vinden van de tweede zijde van de schijf 16.
Bij het gebruiken van een PCM audioschijf als de schijf 16 wordt een dekselplaat die daarbij voorzien is van uitsnijding 110a en 110b zoals weergegeven met streepstippellijnen in 30 fig. 1 en 6B in symmetrische posities links en rechts gébruikt.
In dit geval gaat, zelfs wanneer het schi j f foedraal 10 ingébracht wordt in het binnenste deel van het weergaveapparaat 60, de discriminatieschakelaar 104 de uitsnijding 110a of 110b binnen en bevindt deze zich in de UIT toestand. Zodoende vindt 35 detectie plaats dat de ingebrachte schijf uit de PCM audioschijf 81 0 0 4 6 6 -23- bestaat. De detectie van de zijden van de schijf wordt op dezelfde wijze uitgevoerd als in het geval van de in het voorgaande beschreven videosdhijf.
Verder wordt opgemerkt dat de uitvinding niet beperkt 5 is tot de hier voorgestelde uitvoeringen maar dat verschillende variaties en wijzigingen uitgevoerd kunnen worden zander buiten het kader daarvan te treden.
81 00 46 5

Claims (14)

1. Foedraal voor een schijfvorraig opnamemedium, dat gébruikt wordt in een schijfvormig opnamemediunweergaveapparaat, welk weergaveapparaat voorzien is van een inbrengopening, waardoor het foedraal ingébracht wordt, en een draaitafel voor het roteren 5 van het schijfvormige opnamemedium, welk foedraal bestaat uit een mantel met een ruimte voor het bergen van het schijfvormige opnamemedium en een opening voor het in en uit de mantel laten gaan van het schijfvormige opnamemedium, en een dekselplaat, die ingebracht wordt door de opening van de mantel voor het afsluiten 10 van de opening van de mantel, gekenmerkt doordat de dekselplaat (121 uitsnijdingen (55) heeft, waarin een mantelopening-verwijdingsonderdeel (69) en een dekselplaatopsluitonderdeel (81, 8la) binnengaan, welk dekselplaatopsluitonderdeel aangebracht is ter plaatse van het binnenste deel van het weergaveapparaat 15 tegenovergesteld aan de inbrengopening ten opzichte van de draaitafel, en welk mantelopeningverwijdingsonderdeel aangebracht is in de nabijheid van de inbrengopening, en bewegen kan tussen de positie in de nabijheid van de inbrengopening en het binnenste deel van het weergaveapparaat boven de draaitafel, 20 waarbij de opening (15) van de mantel (11) verwijd wordt door het mantelopeningverwijdingsonderdeel (69) binnen de uitsnijdingen van de dekselplaat bij inbrenging van de mantel in het weergaveapparaat door de inbrengopening, de dekselplaat (12) opgesloten wordt door het dekselplaatopsluitonderdeel (81, 81a) binnen de 25 uitsnijdingen van de dekselplaat bij inbrenging in het binnenste deel van het weergaveapparaat samen met de mantel, de dekselplaat (12) verder een doorvoerdeel (54) heeft om het mogelijk te maken dat een schijfvormig opnamemediumvastklemonderdeel (74, 75) over de dekselplaat gevoerd wordt en door de verwijde opening 30 van de mantel binnentreedt en het schijfvormige opnamemedium (16) in de mantel vastklemt bij inbrenging van de dekselplaat in het binnenste deel van het weergaveapparaat samen met de mantel, het schijfvormige opnamemediumvastklemonderdeel aangebracht is ter plaatse van het binnenste deel van het schijfvormige 35 8100466 -25- opnamemediunweergaveapparaat tegenovergesteld aan de inbreng-opening ten opzichte van de draaitafel, en de mantel uitgetrokken wordt in een lege toestand onder het achterlaten van de dekselplaat die opgesloten is door het dekselplaatopsluitonderdeel 5 en het schijfvormige opnamerredium vastgeklemd is door het schijfvormige opnamemediumvas tklemonderdeel, wanneer de mantel van binnen het weergaveapparaat uitgetrokken wordt in een richting tegengesteld aan de richting van de inbrenging.
2. Foedraal volgens conclusie 1, gekenmerkt doordat 10 de mantel (115 verder bestaat uit een dun deel (33) aan weerszijden daarvan cm de verwijding van de opening (15) van de mantel door het mantelopeningverwijdingsonderdeel (6.9) te vergemakkelijken.
3. Foedraal volgens conclusie 1, gekenmerkt doordat de 15 mantel (11) verder bestaat uit een aangrijpingsdeel (22), waarmee het punteinde van het mantelopeningverwij dingsonderdeel (691 in aangrijping kant, in de nabijheid van de opening van de mantel.
4. Foedraal volgens conclusie 1, gekenmerkt doordat de 20 dekselplaat (12) de vlakke beweging van het schijfvormige opname-medium in de richting van de opening van de mantel binnen de mantel beperkt, en de mantel (11) de vlakke beweging van het schijfvormige opnamemedium in andere richtingen dan de voorgaande beperkt, wanneer het foedraal zich in een toestand 25 bevindt, waarbij het schijfvormige opnamemedium ingevat is in het foedraal.
5. Foedraal volgens conclusie 1, gekenmerkt doordat de mantel (11) samengesteld is uit een paar mantelhelften (13), waarbij de mantelhelft, ribben (18 t/m 20) aan drie zijden 30 daarvan gevormd heeft, met uitsluiting van de zijde, waarop de opening van de mantel gevormd is, en het paar mantelhelften alleen ter plaatse van de vier hoeken (30) passend gevoegd en vastgehecht worden.
6. Foedraal volgens conclusie 1, gekenmerkt doordat 35 de mantel (11) gemaakt is van een ondoorschijnend materiaal 8100466 -26- en voorzien is van een deel (34), waardoor het ingevatte schijfvormige opnamemedium gezien kan worden bij het vlakke deel daarvan.
7. Foedraal volgens conclusie 1, gekenmerkt doordat 5 de dekselplaat (12) een uitsteeksel (50) ter plaatse van het middendeel daarvan heeft, en de mantel een aangrijpingsdeel (23). heeft, dat in aangrijping komt met het uitsteeksel van de dekselplaat.
8. Foedraal volgens conclusie 1, gekenmerkt doordat 10 de dekselplaat (12) een boogvormig deel (42) heeft, dat: een zodanige vorm heeft dat de dekselplaat in contact komt met het schijfvormige opnamemedium ter plaatse van het midden daarvan en zich geleidelijk afscheidt van het schijfvormige opnamemedium aan weerszijden daarvan, bij een toestand, waarbij 15 het schijfvormige opnamemedium ingevat is in het foedraal.
9. Foedraal volgens conclusie 1, gekenmerkt doordat de dekselplaat (12) bestaat uit een plaatvormig hoofddekselbe-stariddeel (40), en een wandgedeelte (41), dat in contact komt met het vooreinde van de mantel bij een toestand, waarbij het 20 hoofddekselbestanddeel ingebracht is in de mantel door de opening van de mantel, welk hoofddekselbestanddeel (40) voorzien is van aanduidingen (49) op het boven- en ondervlak daarvan, die corresponderen met de zijden van het schijfvormige opnamemedium, en waarbij de mantel (11) voorzien is van vensters (21) 25 in posities corresponderende met de posities van de aanduidingen qp het hoofddekselbestanddeel dat ingébracht is in de mantel.
10. Foedraal volgens conclusie 1, gekenmerkt doordat de dekselplaat (12) voorzien is van tapse delen (43) ter plaatse van punteinden aan weerszijden daarvan, waar de dekselplaat eerst 30 relatief ingébracht wordt in de mantel.
11. Foedraal volgens conclusie 1, gekenmerkt doordat het weergaveapparaat verder een schijfvormig opnamemediumzijde-detectieschakelaar (102, 103) ter plaatse van het binnenste deel daarvan heeft, en de dekselplaat een uitsnijding (56) heeft in 35 een positie met betrekking tot de zijde van het ingevatte 8 1 0 0 4 6 6“ <É* t * -27- medium schijfvormige opnamemedium, waarin de schijfvormig opnamefeijde-detectieschakelaar binnentreedt.
12. Foedraal volgens conclusie 1, gekenmerkt doordat het weergaveapparaat verder een schijfvormig opnamemediumtype-5 detectieschakelaar (104) ter plaatse van het binnenste deel daarvan heeft, en de dekselplaat een uitsnijding (110a, 110b) heeft in een positie met betrekking tot het type van het ingevatte schijfvormige opnamemedium, waarin de schijfvormig opnamemediumtype-detectieschakelaar binnentreedt.
13. Foedraal volgens conclusie 1, gekenmerkt doordat het schij fvormig opnamemediumweergaveapparaat verder een aangrijping-vrijgeefvingeronderdeel (97, 97a) ter plaatse van het binnenste deel daarvan heeft, waarbij de dekselplaat (12) als een eenheid daarmee een paar aangrijpingsarmen (44) heeft, 15 die flexibel gebogen kunnen worden aan weerszijden daarvan, en de aangrijpingsarmen uitsteeksels (45) aan de buitenzijden daarvan hébben, en oploopvlak^?46) aangebracht zijn aan de vrije einden daarvan, waartegen relatief geduwd wordt door het qpsluitvingerandeel am de aangrijpingsarmen naar binnen 20 te buigen bij inbrenging van de dekselplaat in het binnenste deel van het weergaveapparaat samen met de mantel, en de mantel (11) voorzien is van uithollingen (29) aan weerszijden daarvan in de nabijheid van de opening van de mantel, en de uithollingen in aangrijping kanen met de uitsteeksels qp de aangrijpingsarmen 25 van de dekselplaat en buiten aangrijping kanen bij buiging van de aangrijpingsarmen in de naar binnen gerichte zin.
14. Inrichting, in hoofdzaak zoals voorgesteld in de beschrijving en/of tekeningen. 8100466
NLAANVRAGE8100466,A 1980-02-01 1981-01-30 Samenstel van een weergaveapparaat met een foedraal, alsmede een weergaveapparaat, bestemd om te worden toegepast bij het samenstel en een foedraal, dat geschikt is om te worden gebruikt bij het samenstel. NL182259C (nl)

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
JP1127880 1980-02-01
JP1127880A JPS56111172A (en) 1980-02-01 1980-02-01 Cartridge for disc shape information recording medium

Publications (3)

Publication Number Publication Date
NL8100466A true NL8100466A (nl) 1981-09-01
NL182259B NL182259B (nl) 1987-09-01
NL182259C NL182259C (nl) 1988-02-01

Family

ID=11773514

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NLAANVRAGE8100466,A NL182259C (nl) 1980-02-01 1981-01-30 Samenstel van een weergaveapparaat met een foedraal, alsmede een weergaveapparaat, bestemd om te worden toegepast bij het samenstel en een foedraal, dat geschikt is om te worden gebruikt bij het samenstel.

Country Status (9)

Country Link
US (1) US4360845A (nl)
JP (1) JPS56111172A (nl)
AU (1) AU535141B2 (nl)
BR (1) BR8100541A (nl)
CA (1) CA1149944A (nl)
DE (2) DE3153229C2 (nl)
FR (1) FR2475268B1 (nl)
GB (1) GB2071391B (nl)
NL (1) NL182259C (nl)

Families Citing this family (22)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
USD267714S (en) 1980-02-01 1983-01-25 Victor Company Of Japan, Limited Pre-recorded cartridge video/audio disk
JPS5730139A (en) * 1980-07-28 1982-02-18 Victor Co Of Japan Ltd Guide rail device
JPS606923Y2 (ja) * 1980-07-31 1985-03-07 日本ビクター株式会社 円盤状情報記録媒体収納ケ−ス
JPS608545B2 (ja) * 1980-09-09 1985-03-04 日本ビクター株式会社 円盤状情報記録媒体収納ケ−ス
JPS6141171Y2 (nl) * 1980-10-09 1986-11-22
US4316539A (en) * 1980-12-10 1982-02-23 Rca Corporation Video disc caddy
JPS606930Y2 (ja) * 1981-06-01 1985-03-07 日本ビクター株式会社 円盤状情報記録媒体用カ−トリツジ
JPS57205851A (en) * 1981-06-10 1982-12-17 Victor Co Of Japan Ltd Storage device for information recording medium
JPS57205852A (en) * 1981-06-12 1982-12-17 Victor Co Of Japan Ltd Reproducing device for discoid recording medium
JPS57205848A (en) 1981-06-12 1982-12-17 Victor Co Of Japan Ltd Case spreading device
US4436201A (en) * 1981-11-11 1984-03-13 Victor Company Of Japan Limited Disc cartridge having a detachable lid
US4451912A (en) * 1982-05-03 1984-05-29 Rca Corporation Record extraction mechanism for disc player
JPS595465A (ja) * 1982-07-01 1984-01-12 Sony Corp 記録再生用デイスクカセツト
US4479579A (en) * 1982-11-24 1984-10-30 Minnesota Mining And Manufacturing Company Non-dublicable magnetic disk jacket and method of manufacture
EP0156880A1 (en) * 1983-09-19 1985-10-09 Storage Technology Partners Ii Optically storing digital data
US4646193A (en) * 1985-02-21 1987-02-24 Magnetic Peripherals Inc. Disk cartridge assembly
JPH056629Y2 (nl) * 1986-04-04 1993-02-19
WO1988003311A1 (fr) * 1986-10-30 1988-05-05 Dai Nippon Insatsu Kabushiki Kaisha Support optique flexible d'enregistrement d'informations et son procede de production
NL8702222A (nl) * 1987-09-17 1989-04-17 Philips Nv Systeem voor het inschrijven/uitlezen van informatie op/van een plaat.
US5704474A (en) * 1996-12-02 1998-01-06 Oland; Charles Jeffrey Disc carrier
US6459544B1 (en) * 1998-11-20 2002-10-01 Bruce M. Harper Removable cartridge for data-storage medium
CA2542423A1 (en) * 2003-10-14 2005-04-28 Aprilis, Inc. System and method for accessing media in a data storage system

Family Cites Families (11)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US4124866A (en) * 1976-12-06 1978-11-07 Rca Corporation Video disc insertion/extraction system for a video disc player
IT1118238B (it) * 1977-08-02 1986-02-24 Rca Corp Contenitore per videodischi
CA1135414A (en) 1978-02-13 1982-11-09 James A. Allen Video disc player having unitary record handling platform construction
AU531005B2 (en) * 1978-02-13 1983-08-04 Rca Corp. Identification apparatus
US4164782A (en) * 1978-08-21 1979-08-14 Rca Corporation Locking mechanism for record package
US4274119A (en) * 1978-12-26 1981-06-16 Discovision Associates Recording disk cover and player apparatus for removing cover
IT1131070B (it) * 1979-04-06 1986-06-18 Rca Corp Meccanismo di manipolazione di dischi per un riproduttore di videodischi utilizzante una custodia portadisco
US4239238A (en) * 1979-04-06 1980-12-16 Rca Corporation Record extracting mechanism for caddy type video disc player
AU534115B2 (en) * 1979-11-28 1984-01-05 Rca Corp. Video disc caddy
US4266784A (en) * 1979-11-28 1981-05-12 Rca Corporation Video disc caddy having disc entrapment
US4239108A (en) * 1979-11-28 1980-12-16 Rca Corporation Video disc caddy

Also Published As

Publication number Publication date
GB2071391B (en) 1984-08-15
JPS56111172A (en) 1981-09-02
CA1149944A (en) 1983-07-12
DE3103024C2 (de) 1986-02-20
DE3103024A1 (de) 1982-02-04
FR2475268A1 (fr) 1981-08-07
AU6678681A (en) 1981-08-06
NL182259B (nl) 1987-09-01
AU535141B2 (en) 1984-03-01
GB2071391A (en) 1981-09-16
NL182259C (nl) 1988-02-01
DE3153229C2 (nl) 1988-09-08
US4360845A (en) 1982-11-23
JPS6152550B2 (nl) 1986-11-13
FR2475268B1 (fr) 1986-05-30
BR8100541A (pt) 1981-08-18

Similar Documents

Publication Publication Date Title
NL8100466A (nl) Foedraal voor een schrijfvormig opnamemedium.
US4352174A (en) Disc-shaped recording medium reproducing apparatus
US4694360A (en) Tape cassette with concave engagement portion and player with hook engageable therewith
DK157508B (da) Baandkassette
US5200938A (en) Disk magazine and disk loading device
CN1008408B (zh) 具有磁带滑挡构件及其锁定装置的磁带盒
US4380780A (en) Disc-shaped recording medium reproducing apparatus
TW200304639A (en) Disc cartridge
US4380781A (en) Disc-shaped recording medium reproducing apparatus
US4408321A (en) Disc-shaped recording medium reproducing apparatus
JPS62273652A (ja) デイスクカ−トリツジのシヤツタ開閉機構
US4360907A (en) Disc-shaped recording medium reproducing apparatus
US4410921A (en) Apparatus for reproducing information signals from a disc-shaped recording medium and including a mechanism for pushing back a case for accommodating the recording medium therein
EP0040523A2 (en) Case for a disc-shaped recording medium
US5978179A (en) Removable cartridge hard disk drive with an inner crash stop
US5666342A (en) United tape and disc recording/reproducing device having a united inserting part
JP3155959B2 (ja) ディスクチェンジャーにおけるディスクロック機構
JP2978719B2 (ja) ディスク駆動装置
JP3039274B2 (ja) クランプ機構
KR100516723B1 (ko) 디스크 플레이어의 디스크 로딩 구동장치
CN101567200A (zh) 光盘装置
JPS583307B2 (ja) 円盤状記録媒体再生装置
JP3812317B2 (ja) カートリッジ装着装置
KR100542413B1 (ko) 로딩기구
JP2508582B2 (ja) ディスクカセット装着装置

Legal Events

Date Code Title Description
A1A A request for search or an international-type search has been filed
BB A search report has been drawn up
BC A request for examination has been filed
A85 Still pending on 85-01-01
V1 Lapsed because of non-payment of the annual fee