NL8200958A - Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. - Google Patents
Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. Download PDFInfo
- Publication number
- NL8200958A NL8200958A NL8200958A NL8200958A NL8200958A NL 8200958 A NL8200958 A NL 8200958A NL 8200958 A NL8200958 A NL 8200958A NL 8200958 A NL8200958 A NL 8200958A NL 8200958 A NL8200958 A NL 8200958A
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- coupling
- reservoir
- wall part
- discharge
- metering
- Prior art date
Links
Classifications
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01C—PLANTING; SOWING; FERTILISING
- A01C17/00—Fertilisers or seeders with centrifugal wheels
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01C—PLANTING; SOWING; FERTILISING
- A01C17/00—Fertilisers or seeders with centrifugal wheels
- A01C17/006—Regulating or dosing devices
Landscapes
- Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- Soil Sciences (AREA)
- Environmental Sciences (AREA)
- Fertilizing (AREA)
- Pretreatment Of Seeds And Plants (AREA)
- Filling Or Emptying Of Bunkers, Hoppers, And Tanks (AREA)
- Catching Or Destruction (AREA)
- Formation And Processing Of Food Products (AREA)
- Road Paving Machines (AREA)
- Glanulating (AREA)
- Medicinal Preparation (AREA)
- Seasonings (AREA)
- Nozzles (AREA)
Description
V
ι - 5 C. van der Lely ÏÏ.V., Maasland "Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal"
De uitvinding heeft "betrekking op een inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal, voorzien van een reservoir voor het te verspreiden materiaal en ten minste één vers pre idorgaan, waarbij het reservoir is 5 voorzien van ten minste één afvoeropening waardoor het materiaal vanuit het reservoir aan het verspre idorgaan kan worden toegevoerd.
Een doel van de uitvinding is een gunstige afvoer van het materiaal vanuit het reservoir te bewerkstelligen.
10 Volgens de uitvinding kan dit bereikt worden wanneer de • afvoeropening in een bolvormig wandgedeelte van het reservoir is aangebracht, van welk wandgedeelte althans in hoofdzaak elk punt op een zelfde afstand van een middelpunt is gelegen. Hierdoor wordt de ruimte van het reservoir nabij de afvoer-15 opening zodanig gevormd dat het materiaal op gunstige wijze naar de afvoeropeningen kan toestromen.
Een eenvoudig uitvoeringsvoorbeeld wordt hierbij verkregen wanneer het wandgedeelte zich ringvormig over een omtrek van 360° uitstrekt. De doorstroming van het materiaal in de • 20 richting van de afvoeropeningen wordt hierbij gunstig beïnvloed wanneer in een horizontale stand van de inrichting het middelpunt van het bolvormig wandgedeelte hoger is gelegen dan het bolvormige wandgedeelte. Hierdoor versmalt het reservoir nabij het wandgedeelte zodanig dat het materiaal zich niet zal 25 vastzetten in de onderzijde van het reservoir.
Van voordeel is het wanneer het wandgedeelte aansluit aan een om een as beweegbaar bodemgedeelte van het reservoir.
. De aansluiting van het wandgedeelte aan het bodemgedeelte kan hiérbij vloeiend verlopen zodat de stroming van het 30 materiaal naar en door de afvoeropeningen vloeiend kan verlopen. De uitstroming van het materiaal wordt in het bijzonder gunstig beïnvloed wanneer het bodemgedeelte tijdens het bedrijf van de inrichting om de as roteert. Het roterend h'edsmgédeelte kan hierbij de stroming van het materiaal in 35 de richting van de afvoeropening beïnvloeden. De constructie 8200958 »
V
2 van de inrichting wordt vereenvoudigd wanneer de rotatieas van de bodem en de as waarom het bolvormig wandgedeelte concentrisch is gelegen samenvallen. Een goede aansluiting van het wandgedeelte aan de bodem wordt volgens de uitvin-5 ding verkregen wanneer het bolvormig wandgedeelte op de oratreksrand van de bodem van het reservoir althans gedeeltelijk rust.
Bij een verder uitvoeringsvoorbeeld van de inrichting volgens de uitvinding is de onderzijde van de afvoeropening 10 althans ongeveer op de hoogte van de bodem van het reservoir __ gelegen. De samenwerking tussen de roterende bodem en de afvoeropening kan hierbij optimaal benut worden. Bij een constructie waarbij het reservoir twee afvoeropeningen bezit strekken de onder- en bovenranden van de afvoeropening 15 zich tegengesteld omlaag uit. Hierdoor zal ook bij uit-stroming van kleine hoeveelheden materiaal uit het reservoir aan het verspreidorgaan het materiaal op gunstige wijze aan het verspreidorgaan toegevoerd kunnen worden om dit, t.ijdens het bedrijf, over een brede strook gelijkmatig te kunnen 20 uitstrooien.
De doorvoer van het materiaal door de afvoeropeningen kan gemakkelijk geregeld worden wanneer nabij het wandgedeelte een doseerschuif is aangebracht waarmede de afvoeropening naar keuze meer of minder gesloten kan worden, waarbij de 25 doseerschuif bolvormig is en aansluit aan het bolvormig wandgedeelte. Hierdoor kan de doseerschuif gemakkelijk ten opzichte van het wandgedeelte bewogen worden, ongeacht de stand van de doseerschuif ten opzichte van het wandgedeelte.
Een gunstige constructie van een inrichting volgens 30 de uitvinding wordt verkregen wanneer de inrichting ten ' minste twee afvoeropeningen heeft nabij elk waarvan een doseerschuif is aangebracht, welke dos eer schuiven onafhankelijk ten opzichte van elkaar beweegbaar zijn, waarbij de beide doseerschuiven met een verstelmechanisme zijn gekoppeld 35 dat een bedieningsorgaan en een koppelmechanisme omvat, welk koppelmechanisme verstelbaar is, een en ander zodanig dat door middel van het koppelmechanisme naar keuze een of beide doseerschuiven ontkoppeld kunnen worden van het bedienings- 8200958 V * *
V
3 orgaan. Hierdoor is de wijze van uitstrooien op eenvoudige wijze in te stellen terwijl slechts één bedieningsorgaan aanwezig is waarmede naar keuze de doseerschuiven instelbaar zijn.
5 Een eenvoudige constructie wordt hierbij verkregen warneer het verstelmechanisme een koppelas omvat waarom met de doseerschuiven gekoppelde koppelarmen draaibaar zijn aangebracht, waarbij deze koppelarmen zich uitstrekken tot nabij een ten opzichte van de koppelas verstelbaar koppelmechanisme, 10 welk koppelmechanisme tezamen met de koppelas verdraaibaar is om de hartlijn van de koppelas, waarbij het koppelmechanisme zodanig verstelbaar is dat naar keuze de koppelarmen via het koppelmechanisme met de koppelas koppelbaar zijn voor verdraaiing om de hartlijn· 15 De uitvinding zal nader worden toegelicht aan de hand van de tekeningen van een gunstig uitvoeringsvoorbeeld.
FiguurΊ geeft op schematische wijze een verkleind vooraanzicht van een inrichting volgens de uitvinding weer.
Figuur 2 geeft op vergrote schaal een vooraanzicht 20 van een afvoergedeelte van het reservoir en een verspreid-orgaan weer.
Figuur 3 is op vergrote schaal een doorsnede over het afvoergedeelte van fig. 2 gezien volgens de lijn III -III in fig. 2.
25 Figuur 4 geeft een bovenaanzicht weer van de afvoer- openingen in het afvoergedeelte, gezien volgens de pijl IV in figuur 3.
Figuur 5 geeft een aanzicht op een afvoeropening gezien in de richting volgens de pijl V in figuur 3· 30 Figuur 6 is op vergrote schaal een gedeelte van het vooraanzicht van de inrichting, waarbij een verstelmechanisme voor het doseerorgaan is weergegeven.
Figuur 7 geeft een zijaanzicht van het verstelmechanisme weer gezien in de richting volgens de pijl VII in 35 figuur 6.
Figuur 8 geeft op vergrote schaal een gedeelte van het verstelmechanisme weer gezien in de richting volgens de 8200958 ν *Λ- s 4 lijn VIII - VIII in figuur 7.
Figuur 9 geeft een horizontale doorsnede weer van een met figuur 8 overeenkomende gedeelte van het verstel-meehanisme waarbij het koppelmeehanisme in een andere stand 5 is weergegeven.
Figuur 10 geeft een doorsnede weer over het verstelmechanisme gezien volgens de lijn X - X in figuur 9.
Figuur 11 geeft het in figuur 10 weergegeven gedeelte van het verstelmechanisme weer in een andere stand.
10 Figuur 12 geeft een doorsnede weer van het verstel mechanisme gezien volgens de lijn XII - XII in figuur 8.
De weergegeven inrichting heeft een gestel 1 waaraan een reservoir 2 is aangebracht. Het reservoir 2 heeft twee trechtervormige gedeelten 3 en 4 onder elk waarvan een 15 verspreidorgaan 5 resp. 6 is aangebracht. Het gestel 1 is voorzien van bevestigingsstrippen 7 en 8 waarmede de inrichting aan de driepuntshefinrichting van een trekker of dergelijk voertuig gekoppeld kan worden.
De verspreidorganen 5 en 6 zijn gekoppeld met een 20 niet nader aangegeven aandrijfmechanisme dat een asstomp 9 omvat, die met de aftakas van de trekker of dergelijk voertuig koppelbaar is. De trechtervormige reservoirgedeelten 3 en 4 zijn aan de onderzijde voorzien van afvoertrechters 10 resp. 11 die uitmonden in afvoerkommen 12 en 13· De af-25 voerkommen 12 en 13 vormen de onderste wandgedeelten van het reservoir en’zijn zodanig gevormd dat deze wandgedeelten als het ware een ringvormig gedeelte vormen van een bolvormig orgaan.
De afvoertrechters 10 en 11 zijn met elkaar gekop-30 peld door een koppelstrip 7 die op niet nader weergegeven wijze is ondersteund door gestelbalken 15· De overbrengingsorga-nen voor de verspreidorganen 5 en 6 omvatten een kokerbalk 16 die door middel van draagstrippen 17 aan de koppelstrip 14 is bevestigd. De kokerbalk 16 is aan de einden voorzien van tand-35 wielkasten 18 waarin assen 19 zijn gelegerd waaraan de verspreidorganen 5 en 6 zijn aangebracht. Het gestel 1, het reservoir 2 en daarmede de afvoertrechters 10 en 11 met de 8200958
V
, V- ~
V
5 afνοerkommen 12 en 13 zijn symmetrisch, gevormd ten opzichte van het symmetrievlak 20 dat de langshartlijn van de inrichting bevat en zich in de normale voort bewegingsrichting 22 van de inrichting uit strekt. Ook de verspreid organen 5 en 6 5 zijn symmetrisch ten opzichte van elkaar gevormd en wat betreft hun ligging symmetrisch ten opzichte van het vlak 20 aangebracht, doch om hun draiingsassen 21 ten opzichte van elkaar verdraaid aangebracht, wat echter niet nader is weergegeven.
10 De afvoerkommen 12 en 13 zijn aan elkaar gelijk en in de figuren 2 - 5 is daarom slechts de afvoerkom 12 weergegeven. De afvoerkom 12 vormt als het ware een brede band uit een bolvormig orgaan met een bovenzijde 27 en een onderzijde 28, die aan elkaar evenwijdig zijn. De zijden 27, 28 zijn 15 hierbij in evenwijdig aan elkaar gelegen vlakken 30 en 31 gelegen, waarbinnen als het ware de ringvormige band uit een bol is gesneden, zodat de afvoerkom een bolvormig wandgedeel-te nabij het ondereinde van het reservoir vormt. De vlakken 30 en 31 strekken zich met de bovenrand 27 en de onderrand 20 28 loodrecht uit op een as die het middelpunt van de bol bevat en waarom het ringvormige wandgedeelte 12 concentrisch is gelegen. Deze hartlijn valt in dit uitvoeringsvoorbeeld samen met de draaiingsas 21 van het verspreidorgaan 5. De bovenrand van het bolvormige wandgedeelte 12 ligt om het con-25 centrisch om de draaiingsas 21 gelegen ondereinde 26 van de afvoertrechter 11, die verder vierzijdig is. en aansluit op het vierzijdige gedeelte 3 van het reservoir 2. Het bolvormige wandgedeelte 12 heeft een hoogte 32, die bij voorkeur groter is dan een derde van de straal 33 van het bol-30 vormige wandgedeelte 12 en in dit uivoeringsvoorbeeld ongeveer gelijk is aan de helft van de straal 33· Het wandgedeelte vormt een zodanig ringvormig gedeelte uit een imaginaire bol dat het vlak 30 op een afstand 34 van het middelpunt is gelegen die iets groter is dan de helft van de afstand 32 35 en bij voorkeur ongeveer gelijk is aan een derde van de straal 33· De bovenrand 27 van het wandgedeelte 12 heeft een diameter 35 die niet veel kleiner is dan tweemaal de straal 33 en groter is dan tweemaal de diameter 37 van de 8200958 6 \ onderrand 28. Bij voorkeur is het wandgedeelte 12 zodanig groot gekozen dat de diameter 35 ongeveer 30 cm. is en de diameter 36 ongeveer 13 cm bedraagt.
De afvoerkom 12 is met ruime speling om de onderrand 5 26 van de afvoertrechter 10 aangebracht en beweegbaar ten op zichte van deze onderrand. De afvoerkom 12 rust hierbij op de bodem 37 van het reservoir-gedeelte 3· De bodem 37 heeft een uitkragende rand 38 waarop de onderrand 28 van de afvoerkom 12 rust. De omtrek van de bodem 37 heeft een centreerrand 10 39 die zodanig passend binnen de diameter 36 van de onderrand van de afvoerkom 12 is gelegen, dat de bodem 37 en de afvoerkom 12 gemakkelijk ten opzichte van elkaar beweegbaar zijn in een richting rond de centreerrand 39· De bodem 37 is door schroefbouten 40 vast bevestigd aan het verspreidorgaan 5· 15 Hierbij is de bodem bevestigd op een verhoogd centraal middengedeelte 42 van het plaatvormig deel 41 van het verspreidor-gaan 5» waaraan verspreidschoepen 44 zijn aangebracht. De bodem 37 is hier-bij aan een bevestigingsplaat 43 bevestigd, die vast is aangebracht aan de as 19. De as 19 steekt in 20 dit uitvoeringsvoorbeeld door een opening in het middengedeelte 42 en. door een opening in de bodem 37 en reikt in de onderzijde van het reservoirgedeelte 3* Vanaf het vlakke gedeelte 42 heeft de plaat 41 een neerwaarts verlopend konisch gedeel-_ te 45 dat overgaat in een licht opwaarts verlopend konisch 25 gedeelte 46 waarop de schoepen 44 zijn aangebracht.
De afvoerkom 12 heeft twee afvoeropeningen 50 en 51 die aan elkaar gelijk zijn. De afvoeropening 50 heeft twee overstaande zich in hoogterichting' uitstrekkende zijranden 52 en 53» die zich evenwijdig aan elkaar in vlakken 54 en 55 30 uitstrekken, die evenwijdig liggen aan een vlak 56 dat de draaiingsas 21 bevat en zich in de normale voortbewegings-richting 22 van de inrichting uitstrekt. Het vlak 56 is hierbij evenwijdig aan het vlak 20. De afvoeropening 51 heeft met de zijden 52 en 53 overeenkomenden zijden 57 en 58, die 35 eveneens evenwijdig liggen aan het vlak 56. De afvoeropening 50 heeft een bovenrand 59 waarvan het op de zijde 53 aansluitende punt 60 hoger is gelegen dan het op de rand 52 aansluitende punt 61. Het hoogst gelegen punt 60 ligt hierbij op een denkbeeldige cirkel 62, die evenwijdig aan de bovenrand 8200958 \ 7 27 om de as 21 is gelegen en zich ongeveer ter halve hoogte van de hoogte van de afvoerkom 12 uitstrekt·
Gezien in figuur 5 heeft de afvoeropening 50 een totale hoogte 53 waarbij het punt 60 op een afstand 64, hoger 5 dan het punt 61 is gelegen en ongeveer 1/4 van de totale hoogte 63 van de afvoeropening 50 is. Het laagst gelegen punt 65 van de afvoeropening 50 is gelegen waar de onderzijde van de opening op de rand 52 aansluit'. De onderzijde van de afvoeropening wordt gevormd door twee onder een hoek ten op-10 zichte van elkaar gelegen onderranden 66 en 67, waarbij de rand 67 iets langer is dan de rand 66. De rand 67 sluit op de rand 53 aan in een punt 68 dat op een afstand 69 hoger dan het punt 65 is gelegen, waarbij de afstand 69 eveneens ongeveer gelijk is aan 1/4 van de totale hoogte 63 van de af-15 voeropening. De door de randgedeelten 66 en 67 gevormde onderzijde van de afvoeropening ligt ongeveer ter hoogte van het bovenvlak 70 van de bodem 37*
De afvoeropening 51 heeft een bovenrand 71 en een door randen 72 en 73 gevormde onderzijde, een en ander zo-20 danig dat de afvoeropeningen 50 en 51 symmetrisch ten opzichte van elkaar zijn gevormd ten opzichte van een vlak, dat zich evenwijdig aan de zijranden 52, 53 en 57, 58 uitstrekt en midden tussen de met elkaar overeenkomende zijden 53 en 58 is · gelegen. De afvoeropeningen 50 en 51 zijn normaal aan weers-25 zijden van het vlak 56 gelegen. De afvoeropening 51, die dichterbij het symmetrievlak 20 is gelegen dan de afvoeropening 50, is hierbij dichter bij het vlak 56 gelegen dan de afvoeropening 50. De afvoeropeningen 50 en 51 liggen ten opzichte van de normale voort bewegingsrichting 22 van de 30 inrichting aan de voorzijde van de afvoerkom 12.
De afvoerkom 13 is symmetrisch gevormd ten opzichte van dé kom 12, waarbij de kommen 12 en 13 symmetrisch ten opzichte van het symmetrievlak 20 zijn aangebracht. De afvoerkom 13 is hierbij evenals de afvoerkom 12 voorzien van 35 twee afvoeropeningen die aan de voorzijde van deze afvoerkom zijn gelegen. De afvoeropeningen in de beide afvoerkommen 12 en 13 liggen hierbij vóór het vlak 76 dat de draaiings-assen 21 van de beide verspreidorganen 5 en 6 omvat en zich 8200958 \ \ » 9 8 loodrecht uitstrekt op het symmetrievlak 20.
De breedte van de afvoeropening 50, gemeten tussen de randen 52 en 53 strekt zich uit over een afstand 74 die ongeveer gelijk is aan 1/4 van de straal van het bolvlak 5 waarop de afvoerkom 12 is gelegen. De afvoeropeningen 50 en 51 liggen op een afstand 75 van elkaar, die gelijk is aan ongeveer de helft van de afstand 74. De afvoeropeningen strekken zich over een hoek 77 van ongeveer 75° om de as 21 uit.
10 Aan de buitenzijde van de afvoerkom 12 zijn tegen de buitenomtrek daarvan doseerschuiven 80 en 81 aangebracht die nabij de openingen 50 en 51 zijn gelegen, een en ander zodanig dat deze openingen door de doseerschuiven 80 en 81 naar keuze meer of minder afgesloten kunnen worden, De do-15 seerschuiven 80 en 81 zijn aangebracht aan draagarmen 82 en 83 die verdraaibaar om scharnierassen 84 en 85 aan de afvoerkom 12 zijn aangebracht. De draagarmen 82 en 83 zijn schar-nierbaar om schamierassen 86 en 87 met de doseerschuiven 80 resp. 81 gekoppeld. De schamierassen 84 en 85 evenals de 20 schamierassen 86 en 87 strekken zich zodanig uit dat zij het middelpunt van het komvormige en bolvormige wandgedeelte 12 bevatten. De doseerschuiven 80 en 81 zijn in overeenstemming met de afvoeropeningen 50 en 51 symmetrisch ten opzichte-van elkaar gevormd, terwijl de armen 82 en 83 eveneens daar-25 mee symmetrisch ten opzichte van elkaar zijn gevormd en aan de afvoerkom 12 zijn aangebracht. De draagarmen 82 en 83 bestaan uit verend materiaal en zijn zodanig in de schamierassen 84 en 86 resp. 85 en 87 aangebracht, dat zij een druk op de doseerschuiven 80 en 81 uitoefenen zodanig dat de t 30 schuiven met een zekere druk tegen de buitenomtrek van de afvoerkom 12 worden gehouden door de draagarmen 82 en 83·
Elk van de doseerschuiven omvat zoals slechts voor de doseerschuif 80 is weergegeven, twee rechte overstaande zijden 88 en 89 die evenwijdig liggen aan de randen 52 en 53 35 doch op een afstand 90 van elkaar zijn gelegen, die iets groter is dan de afstand 74. De schuif 80 heeft een onderrand 91, die enigszins scheef is gelegen ten opzichte van het horizontale vlak, een en ander zodanig dat het laagst 8200958 « * 9 \ gelegen punt van deze onderrand aan die zijde is gelegen waar het laagst gelegen punt 65 van de onderzijde van de a£-voeropening 50 is gelegen.
De afvoerkoramen 12 en 13 zijn met speling om de 5 ondereinden 26 van de respectievelijke afvoerbuiten 10 en 11 aangebracht en zijn door middel van vastzetarmen 100 en 101 tegen verdraaiing om de afvoergedeelten 10 en 11 geborgd.
De armen 100 en 'i01 zi jn vorkvormig en aan lippen 102 van de afvoerkommen aangebraeht. Het van de vorkvormige einden af-10 gekeerde einde van de'armen is voorzien van een pen 103, die naar keuze in één van meerdere gaten 104 van een aan het ge-— stel bevestigde strip 105 gestoken kan worden.
Met de bovenzijde van de deseerschuiven 80 en 81 zijn koppelstangen 95 en 96 scharnierend verbonden om schar-15 nierassen 97 rasp. 98. De assen 97 en 98 liggen evenwijdig aan de bovenrand 27 van de afvoerkom. Met de doseersehuiven 80 en 81 overeenkomende doseersehuiven 106 en 107 voor met de afvoeropeningen 50 en 51 overeenkomende openingen 108 en 109 in de afvoerkom 13 worden gedragen door draagarmen 110 en 20 111. De doseersehuiven 106 en 107 zijn met de koppelstangen 95 en 96 overeenkomende koppelstangen 112 en 113 gekoppeld.
De doseersehuiven 80, 81, 106-en 107 zijn door middel van de koppelstangen 95, 96, 112 en 113 gekoppeld met een verstel-meehanisme 114 waarvan de koppelstangen in wezen deel uitma-25 ken.
Het verstelmechanisme 114 omvat een draagas 120 die door middel van steunen 121 en 122 aan de ten opzichte van de bewegingsrichting 22 voorzijde van het reservoir is aangebracht. Om de as 120 is een holle koppelas 123 aangebracht, 30 die om de draagas 120 is aangebracht en daarom verdraaibaar is. De koppelas strekt zich over bijna de gehele lengte van de as-120 uit tussen de steunen 121 en 122. Aan de koppelas 123 zijn koppelarmen 124, 125, 126 en 127 aangebracht, die respectievelijk met de koppelstangen 95, 96, 113 en 112 zijn 35 gekoppeld door schami eras sen 128. De resp. koppelstangen zijn met de schamierassen 128 gekoppeld via instelstukken 129 waaraan zij door schroeven 130 zijn vastgeklemd, een en ander zodanig dat de lengte tussen de schamierassen 128 en de respectieve scharnierassen, zoals de schamierassen 8200958 \ t S f t 10 97 en 98, van de koppelstangen aan de doseerschuiven instelbaar is. De koppelarmen 124 - 127 zijn draaibaar om de kop-pelas 123 aangebracht. De koppelarmen 124 en 125 zijn tussen vast aan de koppelas 123 bevestigde draagstrippen 131 en 5 132 aangebracht, waarbij de koppelarmen op afstand van el kaar worden gehouden door een om de koppelas 123 en ten op- ' zichte van de armen 124, 125 verdraaibare afstandsbus 133.
De koppelarmen 126 en 127 zijn aangebracht tussën draagstrippen 134 en 135, die vast zijn bevestigd aan de koppelas 123 10 waarbij tussen de verstelarmen 126 en 127 een afstandsbus 136 is aangebracht. In de draagstrippen 131, 132, 134 en 135 is een koppelmechanisme in de vorm van 'een stuurstang 137 aangebracht, die is gelagerd in openingen 161 in de draagstrippen en in deze openingen in zijn lengterichting ver- 15 schuifbaar is. De stuurstang 137 ligt evenwijdig aan de koppelas 123 en ligt met zijn hartlijn op een afstand 138 van de hartlijn van de koppelas 123 en de draagas 120. De stuurstang 137 is schamierbaar om een schamieras 140 gekoppeld met een instelarm 139. De instelaim 139 is om een 20 scharnieras 141 schamierbaar gekoppeld met de koppelas 123 (fig. 12·). De koppelas 123 is voorzien van een vastzetstrip 142 waaraan een grendeLpen 143 is aangebracht die naar keuze in één van ten minste drie gaten 144 in de stuurstang 137 gestoken kan worden. Hierbij is de 'stuurstang 137 ten opzich-25 te van de kokeras 123 tegen verschuiven vergrendelbaar naar keuze in een van drie verschillende standen. De stuurstang 137 is voorzien van vier sleuven 145, 146, 147 en 148. Deze sleuven liggen respectievelijk nabij en kunnen samenwerken met de uiteinden 119 van de koppelarmen 124, 125, 126 en 127· 30 De koppelas 123 is ongeveer in het midden ondersteund door een ondersteuningsstrip 149, die aan de strip 14 is bevestigd. Nabij het midden is vast aan de koppelas 123 een verstelarm 150 aangebracht, die door middel van een scharnieras 15 is gekoppeld met een bimienkabel 152 die is ge-35 voerd door een buitenkabel 153, waarvan een einde nabij de voorzijde van het reservoir is ondersteund door een steunlip 154. Nabij de steun 122 is de koppelas 123 voorzien van een instelarm 155 die beweegbaar is tussen een aan de steun 122 8200958 % 11 bevestigde geleidingsplaat 156 en een geleidingsbeugel 157·
De geleidingsplaten 156 en 157 zijn voorzien van gaten 158 waarin een pen 159 gestoken kan worden, die als verstelbare aanslag voor de aim 155 kan dienen. Het boveneinde 160 van 5 de beugel 157 vormt een vaste eindaanslag voor de arm 155«
De koppelaimen 124 en 125 strekken zich vanaf de scharnierassen 128 naar de andere zijde van de koppelas 123 uit over een afstand. 165, die ongeveer even groot is als de afstand 138· De einden 119 van de armen 124 - 127, die zich TO over de afstand 165 buiten de koker 123 uitstrekken, zijn voorzien van ronde uithollingen 166, waarvan de straal iets “ groter is dan de buitendiameter van de ronde stang 137· De uithollingen 166 liggen concentrisch ten opzichte van de hartlijn 169 van de stuurstang 137.
15 Bij gebruik van de inrichting wordt deze aan de hefinrichting van een trekker of dergelijk voertuig gekoppeld door middel van de bevestigingsstrippen 7 en 8. Hierbij wordt de asstomp 9 door middel van een tussenas met de af-takas van de trekker gekoppeld. Tijdens bedrijf kunnen de 20 verspreidorganen 5 en 6 vanaf de aftakas in draaiing worden gebracht tegengesteld ten opzichte van elkaar, een en ander zodanig dat de naar elkaar toegekeerde zijden van de verspreidorganen 5 en 6 in .een richting bewegen gelijk aan de normale voortbewegingsrichting 57 van de inrichting, dit is naar de 25 voorzijde van de inrichting toe. Het te verspreiden materiaal wordt in het reservoir 2 gebracht. Vanuit het reservoir 2 kan het materiaal aan de verspreidorganen 5 en 6 worden toegevoerd via de afvoeropeningen 50 en 51 * en de daarmee overeenkomende afvoeropeningen 108 en 109. De ligging van de ope-30 ningen 50 en 51 resp. 108 en 109 om de draaiingsassen 21 van de verspreidorganen 5 en 6 en ten opzichte van de voortbewe-gingsri chting 57 is zodanig gekozen met de diameter 167 van de verspreidorganen en de vorm alsmede de rotatiesnelheden daarvan dat het materiaal door elk van de verspreidorgangen tij-35 dens voortbewegen vin de richting 57 over een strook wordt uitgestrooid die zich aan weerszijden van het symmetrievlak 20 ongeveer even ver uitstrekt. Op deze wijze wordt tijdens bedrijf elke strook waarover het materiaal verspreid moet 8200958 JV b \ 12 worden tweemaal bestrooid en wel een maal door het verspreid-orgaan 5 en een maal door het verspreidorgaan 6. Door de symmetrische ligging van de verspreidorganen 5 en 6 en de symmetrische ligging van de afvoeropeningen 50 en 51 en 108 en 109 5 ten opzichte van het vlak 20 wordt het materiaal symmetrisch ten opzichte van dit vlak door de verspreidorganen verspreid. Doordat de beide verspreidorganen het materiaal symmetrisch ten opzichte van elkaar over dezelfde strook uitstrooien wordt een zeer gelijkmatig strooibeeld verkregen. Hierbij 10 zal het zeer gunstig zijn wanneer het materiaal regelmatig door de afvoeropeningen wegstroomt naar het betreffende ver-— spreidorgaan.
Om een goede uitstrooiing van het materiaal te ver- . krijgen zijn de afvoeropeningen van elk reservoirdeel 3 en 4 15 aangebracht in een bolvormig wanddeel 12 resp. 13, dat als het ware een afvoerkom vormt. De vorm van de afvoerkommen is zodanig gekozen dat de ondereinden daarvan zich met een vrij grote horizontale komponent in de richting van de horizontale (bij een stand van de inrichting op een horizon-20 taal vlak) bodem 37 uitstrekken. De afvoeropeningen 50 en 51 zijn hierbij in de meer horizontaal verlopende onderzijde van het wandgedeelte 12 aangebracht. De onderzijden van de afvoeropeningen liggen hierbij nabij de rand 28 die op de .met het verspreidorgaan 5 ronddraaiende bodem 37 'aansluit.
25 De combinatie van de om de as 21 ronddraaiende bodem 37 met het daarop aansluitende bolvormige wanddeel 12 heeft een bijzonder goed effect om een goede doorstroming van het materiaal door de afvoerkom te verkrijgen. Hierdoor wordt bereikt dat het materiaal zeer goed en gelijkmatig door de afvoerope-30 ningen kan wegstromen zonder dat het de neiging heeft om op de bodem te blijven liggen of aan het wanddeel 12 te blijven aanhangen. De draaiende bodem 37 geeft hierbij een centrifu-gaalkracht aan het materiaal dat daarop rust zodat dit in de richting van het bolvoimige wanddeel 12 wordt gestuwd.
35 De bolvormige wand geleidt het door de ronddraaiende bodem gestuwde materiaal zodanig dat dit gemakkelijk naar de af-voeropening 50 of 51 toestroomt en daardoor wegstroomt. Daar de afvoeropeningen in het meer horizontaal gelegen gedeelte van de afvoerkom zijn aangebracht, stroomt het onder een 8200958 \
< J
V
13 schuine hoek in de richting van de verspreidorganen waardoor deze het materiaal gunstig kunnen opvangen en naar hun omtrek kunnen afvoeren. De goede stroming van het materiaal in de onderzijden van het reservoir heeft een "bijzonder goed effect 5 voor de doorstroming van het materiaal door de reservoirge-deelten 3 en 4· Hierdoor zal storing van de doorstroming van het materiaal in de reservoirgedeelten 3 en 4 en de afvoertuit 10 resp. 11 voorkomen worden. Door de bolvormige konstruktie van de wandgedeelten 12 en 13 worden hoekvormige ruimten in 10 de ondereinden van het reservoir vo o ik omen, waardoor een zich vastzetten van het materiaal daarin wordt tegengegaan.
Om de hoeveelheid materiaal die per oppervlakte-eenheid moet worden uitgestrooid te kunnen regelen kunnen de af-voeropeningen 50 en 51 resp. 108 en 109 meer of minder afge-15 sloten worden door de doseerschuiven 80 en 81 respectievelijk 106 en 107· Hiervoor kunnen de doseerschuiven 80 en 81 voor de openingen 50 en 51 bewegen waarbij de ligging van de schar-nierassen 84 en-85 zodanig is gekozen dat de doseerschuiven praktisch in vertikale richting kunnen bewegen langs de af-20 voeropeningen. Voor een goede afsluiting van de afvoeropenin-gen resp. een deel van de afvoeropehingen behoeft de breedte 90 van de doseerschuiven dan ook niet veel breder te zijn dan de breedte 74 van de doseeropeningen. In de gesloten rand_ van de afvoeropeningen liggen de doseerschuiven 80 en 81 in 25 hun laagste stand zoals in figuur 3 is weergegeven. Vanuit deze stand kunnen de schuiven omhoog bewogen worden voor het meer of minder openen van de afvoeropeningen. De onderrand 91 van de doseerschuiven en de ligging van de randen 66 en 67 van bijvoorbeeld de openingen 50 zijn zodanig gekozen dat de 30 rand 91 bij het punt 78 (fig. 5) op de aansluitring tussen de randen 66 en 67 de opening begint te openen. Hierdoor zal bij het begin van het vrijgeven van de afvoeropening 50 niet een lange smalle opening ontstaan, doch een doorlaat opening met een redelijke breedte en lengte, zodat met deze kleine 35 doorlaatopening een geringe hoeveelheid materiaal per tijdseenheid kan worden afgevoerd om op het te bestrooien oppervlak een kleine hoeveelheid per oppervlakte-eenheid te kunnen verspreiden. Door de praktisch verticale beweging van de doseerschuif 80 zal de rand 91 bij zijn verticale bewe- 8200958 14 ging nagenoeg evenwijdig aan zichzelf omhoogbewegen zodat een goede ophouw van de vrijgegeven grootte van de doorlaat van de opening 50 wordt verkregen bij het omhoogbewegen van de doseerschuif. Een en ander zoals is beschreven voor de af-5 voeropening 50, geldt ook voor de afvoeropening 51 met de doseerschuif 81 en de afvoeropeningen 108 en 109 in samenwerking met de doseerschuiven 106 en 107.
Een goede aansluiting van de doseerschuiven tegen het betreffende wandgedeelte rond de omtreksranden van de 10 afvoeropeningen wordt verkregen doordat de doseerschuiven onder invloed van de verende draagarmen, zoals de_draagarmen 82 en 83 onder veerspanning tegen de wand 12 resp. 13 worden gedrukt. Hierdoor zullen geen ongewenste kieren tussen de doseerschuiven en de randen van de afvoeropening ontstaan.
15 De doorlaatgrootte van de afvoeropening is hierdoor nauwkeurig in te stellen, zodat de hoeveelheid materiaal die per tijdseenheid kan uitstromen nauwkeurig is in te stellen.
De verstelling van de doseerschuiven is gemakkelijk te verkrijgen door middel van het verstelmechanisme 114. De 20 doseerschuiven kunnen op en neer bewogen worden door het bewegen van de koppelstangen 95 en 96 resp. 112 en 113. De koppelstangen kunnen op en neer bevragen worden door verdraaien van koppelamen 124 - 127 om de as 120. Hiervoor is de koppelas 123 om de draagas' 122 verdraaibaar. De koppelas 123 25 is verdraaibaar via de verstelarm 150 en de kabel 152 van de als Bowdenkabel uitgevoerde binnen/buitenkabel 152, 153· De kabel 152 kan op"afstand van bijvoorbeeld vanaf de zitting van de trekker bediend worden voor het verdraaien van de koppelas 123. De verstelarmen 124, 125 zijn echter verdraai-30 baar om de koppelas 123 zodat voor het verkrijgen van de verdraaiing van deze koppelarmen met de koppelas de koppelamen met de koppelas gekoppeld moeten worden. Hiervoor is de met de koppelas verbonden stuurstang 137 aangebracht, die samenwerkt met de koppelamen. De koppelamen sluiten met aan hun 35 einden 119 aangebrachte uithollingen 166 op de omtrek van de stuurstang 137 zoals in de figuren 10 en 11 is weergegeven. Bij het verdraaien van de koppelas 123, verdraait de stuurstang 137 mee om de hartlijn 168 van de koppelas 123. Bij 8200958 15 de aansluiting van de uithollingen 166 op de omtrek van de stuurstang 137 zullen de koppelannen door de stuurstang 137 worden meegenomen bij verdraaiing om de draagas 120. Verdraaiing van de koppelas 123 bewerkstelligt aldus een verdraaiing 5 van de verstelarmen 1.24 - 127 en daarmede via de koppelstan-gen een bewegen van de doseerschuiven.
Uitgaande van de stand die in figuur 2 en in de figuren 7 en 8 is weergegeven zijn de doseerschuiven gesloten. Voor het openen van de doseerschuiven kan de koppelas 123 10 door middel van de kabel 152 verdraaid worden in een richting volgens de pijl 170. Deze verdraaiing wordt door de koppel-amen 124 - 127 meegemaakt bij koppeling met de stuurstang 137 via de op de omtrek daarvan aansluitende uithollingen 166, zodat de doseerschuiven omhoogbewegen voor het vrijgeven van 15 de afvoeropeningen. Hierbij zal de instelarm 155 vanuit de nulstand waarbij hij tegen de aanslag 160 aanligt, verdraaien naar de stand die bepaald wordt door de pen 159. In de weergegeven stand van de pen 159 in het onderste gat 158, zullen de afvoeropeningen geheel geopend worden. Wanneer de pen 20 159 in een hoger gelegen gat 158 wordt geplaatst wordt daar door bewerkstelligd dat de slag die de instelarm 155 en daarmede de hoekverdraaiing die de koppelas 123 om de hartlijn 168 kan maken wordt beperkt. Hierdoor zullen de schuiven niet· zover omhoog bewogen kunnen worden dat de openingen geheel 25 worden geopend. De plaats van de verstelbare aanslag 159 is hierdoor te gebruiken als indicatie tot hoever de openingen vrijgegeven kunnen worden door de -doseerschuiven. Door het verdraaien van de koppelas 123 in een richting tegengesteld aan de pijl 170 kunnen de doseerschuiven weer gesloten wor-30 den. Door de vaste aanslag 16Q en de door de pen 159 gevormde . verstelbare aanslag kunnen de doseerschuiven gemakkelijk tussen een nulstand en een gekozen geopende stand heen en weer bewogen via de op afstand bedienbare kabel 152.
De ligging van de onderrand 91 en de afvoeropeningen 35 50 en 51 zijn qua ligging en vorm zodanig gekozen dat ook bij het vrijgeven van slechts een klein gedeelte van de afvoeropeningen het materiaal over een zo groot gedeelte van de hoek 77 om de draaiingsas 21 aan de verspreidorganen wordt 8200958 16 toegevoerd dat het materiaal over de gewenste lengte van de omtrek van het verspreidorgaan kan worden uitgestrooid. Deze omtrekshoek zal door de ligging en vorm van de openingen hij het vergroten van de doorlaat van de openingen praktisch niet 5 groter worden. De door deze lengte van de omtrek bepaalde omtrekshoek bepaalt mede de breedte van de strook waarover een verspreidorgaan het materiaal verspreidt.De breedte van deze strook mag niet beïnvloed worden door het veranderen van de door de schuiven vrij te geven grootte van de afvoer-10 openingen. De grootte 'van de omtrekshoek waarover materiaal het verspreidorgaan verlaat kan echter wel veranderd worden ~ door één van de daarmee samenwerkende afvoeropeningen af te sluiten. Hierdoor wordt namelijk de'hoek waarover materiaal aan het verspreidorgaan wordt toegevoerd praktisch gehalveerd. 15 Dit heeft tot gevolg dat de omtrekshoek waarover het materiaal de omtrek van het verspreidorgaan verlaat ook nagenoeg gehalveerd wordt. Hierdoor wordt dan weer de breedte van de strook waarover het materiaal tijdens het voortbewegen van de inrichting wordt uitgestrooid praktisch gehalveerd.
20 Daar bij afvoer van het materiaal door beide afvoeropeningen aan één verspreidorgaan het materiaal door dit verspreidorgaan aan weerszijden van het symmetrievlak 20 even ver wordt uitgestrooid, zal bij het afsluiten van één van de afvoeropeningen in hoofdzaak de helft van de strooibreedte waarover 25 het materiaal wordt verspreid uitgeschakeld worden. Afhankelijk van de keus van het afsluiten van de afvoeropening zal gekozen kunnen worden welk deel van de bestrooide strook geen materiaal meer zal ontvangen. Bij de weergegeven rota-tierichting van het verspreidorgaan 5 zal, wanneer de afvoer-30 opening 50 gesloten wordt gehouden en slechts materiaal door de opening 51 wordt toegevoerd aan het verspreidorgaan, het materiaal in hoofdzaak ten opzichte van de rijrichting 57 slechts aan de rechtse zijde van het vlak 20 worden uitgestrooid. Omgekeerd zal bij het openhouden van de afvoerope-35 ning 50 en het gesloten houden van de opening 51 in. hoofdzaak slechts aan de linkerzijde van het symmetrievlak 20 materiaal worden uitgestrooid. Op overeenkomstige wijze kan bereikt worden dat door het naar keuze afsluiten van één van de afvoeropeningen 108 en 109 door het verspreidorgaan 6 8200958 17 slechts materiaal over een halve strook uitgestrooid wordt· Hierdoor kan met de inrichting materiaal slechts naar één zijde uitgestrooid worden. Aldus kunnen bijvoorbeeld de af-voeropeningen 50 en 109 gesloten worden gehouden zodat het 5 verspreidorgaan 5 het materiaal slechts ten opzichte van de voortbewegingsrichting 57 naar de rechterzijde zal uitstrooien terwijl het verspreidorgaan 6 het materiaal eveneens slechts naar de rechterzijde van het symmetrievlak 20 zal uitstrooien. Hierdoor wordt als het ware een halve strook bestrooid die 10 nog door beide verspreidorganen wordt voorzien van materiaal, zodat een gelijkmatige bestrooiing van deze halve strook op ~ zeer goede wijze verkregen kan worden. Omgekeerd kan het materiaal slechts naar de linkerzijde van het symmetrievlak 20 uitgestrooid worden door het openen van de afvoeropeningen 15 50 en 109 en het gesloten houden van de afvoeropeningen 51 en 108. Om nu met het verstelmechanisme 114 twee afvoeropeningen gesloten te kunnen houden moeten de met deze afvoeropeningen samenwerkende doseerschuiven in een stand blijven staan waarbij de openingen zijn gesloten, terwijl de doseerschuiven 20 voor de andere openingen nog bewogen kunnen worden voor het meer of minder openen van deze afvoeropeningen. Hiervoor dient de stuurstang 137· Met verschuiving van de stuurstang 137 kan bewerkstelligd worden dat naar keuze twee van de sleuven 145» 146» 147 en 148 met twee van de koppelarmen 124 -25 127 in samenwerking gebracht worden. Samenwerking van een koppelarm met een sleuf verbreekt samenwerking tussen de stuurstang en de koppelarm. Door deze verbreking wordt ook samenwerking van de koppelarm met de koppelas 123 verbroken, zodat de betreffende'doseersehuif niet meer bediend kan wor-30 den door de, als het ware een bedieningsorgaan vormende, kabel 152. Uitgaande van de stand die in fig. 10 en fig. 8 is weergegeven, waarbij alle koppelarmen met de stuurstang zijn gekoppeld, kan de stuurstang 137 naar rechts worden bewogen. Hierdoor komen de sleuven 146 en 148 in de baan van 35 de koppelarmen 125 en 127 te liggen. Dan is in feite de samenwerking tussen deze koppelarmen en de stuurstang verbroken. Wanneer nu de koppelas 123 wordt verdraaid vanuit de stand volgens fig. 10 in de richting 170 zal de stuurstang 137 niet de sleuven 146 en 148 langs de einden van de koppelarmen 125 8200958 \ 18 en 127 kunnen bewegen, zodat nog slechts de koppelarmen 124 en 126 worden verdraaid om de hartlijn 168 voor het verplaatsen van de doseerschuiven 80 en 107· De doseerschuiven 81 en 106 zullen dan de afvoeropeningen 51 en 108 gesloten houden, 5 omdat de koppelarmen 125 en 127 in de stand blijven staan zoals in fig. 10 en fig. 11 is weergegeven, terwijl de koppelarmen 124 en 126 met de koppelas meeverdraaien naar een stand die in die fig. 11 is weergegeven. Door het verplaatsen van de stuurstang evenwijdig aan zichzelf en aan de koppelas 23 10 zodanig dat de sleufgaten 145 en 147 met de armen 124 en 126 kunnen samenwerken, waarbij dan de koppelarmen 125 en 127 met hun uithollingen 116 op de stuurstang 137 aansluiten en daar dus mee gekoppeld zijn, kunnen de doseerschuiven 80 en 107 in de stand gehouden worden waarbij de openingen 50 en 109 15 gesloten worden gehouden, terwijl de doseerschuiven voor de andere openingen heen en weer bewogen kunnen worden voor het regelen van de af voer van het materiaal.
Verschuiving van de stuurstang 137 kan worden bewerkstelligd door het ..wegnemen van de grendelpen 143 uit een 20 van de gaten 144. Hierna kan door middel van de arm 139 de stuurstang verplaatst worden, zodanig dat de gewenste sleuven met de gewenste koppelarmen in samenwerking gebracht kunnen worden. De nieuwe gekozen stand van de stang 137 kan weer vastgezet worden door. de grendelpen 143 in een ander 25 gat 144 te steken. De stuurstang 137 is aldus beweegbaar, ten opzichte van de koppelas 123 evenwijdig aan zichzelf en evenwijdig aan de koppelas doch steeds verdraaibaar met de koppelas 123 om de draagas 120. Dè stuurstang 137 vormt aldus een koppel- resp. ontkoppelingsmechanisme voor het 30 koppelen resp, ontkoppelen van de gewenste doseerschuiven met respectievelijk van het vers telmechanisme 114· Op deze wijze wordt een eenvoudig vers telmechanisme verkregen dat gemakkelijk is te bedienen en waarbij de gewenste koppeling van de doseerschuiven met het verstelmechanisme op gunstige 35 en gemakkelijke wijze verkregen kan worden voor het over de volle breedte uitstrooien van het materiaal of het slechts naar links of slechts naar rechts uitstrooien van het materiaal.
Hoewel in dit uitvoeringsvoorbeeld de uitvindings- 8200958 19 gedacht met het bolvormige wandgedeelte 12 resp. 13 is weergegeven bij een strooier met twee verspreidorganen kan het bolvormig gevormde wanddeel ook toegepast worden bij een strooier met slechts één verspreidorgaan, waarbij dan slechts 5 één bolvormig wanddeel met één of meer afvoeropeningen nodig zal zijn. Hoewel in dit uitvoeringsvoorbeeld twee afvoeropeningen in elk bolvormig wanddeel zijn aangebracht, kan ook een ander aantal afvoeropeningen of slechts één afvoerope-ning daarin aangebracht worden.
10 Een goede aansluiting van de bolvormige afvoerkom op de ronddraaiende bodem 37 wordt verkregen door de kon-struktie waarbij het bolvormig wandgedeelte op de draaiende bodem rust. Een gunstige konstruktie kan verkregen worden met de weergegeven dimensionering van de wandgedeelten 12 en 15 13 waarbij zij een diameter 35 van ongeveer 30 cm hebben en waarbij de bodem 37 een diameter van ongeveer 13 cm. heeft.
De hoogte 32 is dan ongeveer 9 cm. De diameter 167 van de versprei dorganen is dan ook'gunstig te kiezen voor het verkrijgen van een optimale uitstrooiing van het materiaal. De 20 door de bolvormige wand gevormde schuine ligging van de afvoeropeningen ten opzichte van het vlak volgens welke de ver-spreidorganen roteren, geeft een richting van toestromen van het materiaal aan de verspreidorganen zodanig dat de ver-spreidorganen het materiaal vloeiend kunnen opnemen- en ver-25 der transporteren naar hun omtrek. Hierdoor wordt een gelijkmatige verspreiding gunstig beïnvloed, terwijl een ongewenst vastzetten van het materiaal op de verschillende onderdelen wordt tegengegaan.
Hoewel in dit uitvoeringsvoorbeeld een verstelme-30 chanisme is weergegeven dat via vier koppelarmen met vier -. doseerschuiven .samenwerkt, waarbij naar keuze door middel van de aanwezige stuurstang de koppeling van twee doseerschuiven met het vers telmechanisme verbroken kan worden, zal het verstelmechanisme zoals hiervoor is beschreven ook toegepast 35 kunnen worden met een ander aantal doseerschuiven. Op overeenkomstige wijze als hiervoor is beschreven zal dan de stuurstang van de gewenste sleuven kunnen worden voorzien om de gewenste koppeling resp. ontkoppeling tussen de doseer- 8200958 % 20 schuiven en de stuurstang te kunnen verkrijgen. De stuurstang in dit uitvoeringsvoorbeeld kan ook van meer sleuven zijn voorzien dan is weergegeven, een en ander zodanig, dat nog een andere kombinatie kan worden verkregen van samen-5 werking van de doseerschuiven met het verstelmechanisme dan is weergegeven. De verschuifbaarheid van de stuurstang 137 kan hierbij zodanig aangepast worden dat de gewenste kombi-naties mogelijk zijn voor het koppelen respectievelijk ontkoppelen van de koppelamen met de koppelas oftewel de do-10 seerschuiven met het verstelmechanisme. Het weergegeven verstelmechanisme kan ook gebruikt worden wanneer de strooi-inrichting slechts één verspreidorgaan heeft met één af-voerorgaan, waarbij twee of meer doseerschuiven met t/vee of meer openingen aanwezig zijn. Hoewel in het beschreven uit-15 voeringsvoorbeeld een bolvormige afvoerkom als afvoerorgaan is weergegeven, waarbij alle punten van het wandgedeelte, afgezien van de dikte van het wandgedeelte, even ver van het middelpunt van de bol zijn gelegen, zal het duidelijk zijn dat het weergegeven verstelmechanisme ook gebruikt kan worden 20 bij anders gevormde afvoerorganen van een reservoir met daarin op de gewenste wijze aangebrachte-afvoeropeningen en daarmee samenwerkende doseerschuiven. De doseerschuiven kunnen bijvoorbeeld ook in horizontale richting beweegbaar zijn aangebracht onder een horizontale bodem met één of meer afvoer-25 openingen. De koppelas en de stuurstang kunnen ook een andere ligging hebben dan de weergegeven horizontale ligging in dit uitvoeringsvoorbeld.
Hoewel de verstelarm 139 -als handbediende arm is weergegeven kan deze arm ook op afstand bedienbaar zijn door 30 bijvoorbeeld een hydraulisch mechanisme of een bowdenkabel-konstruktie. Hiervoor kan dan bijvoorbeeld de steun 122 van een arm voorzien worden voor bevestiging de buitenkabel van de bowdenkabelkonstruktie of een hydraulische verstelcylinder.
De uitvinding is niet beperkt tot datgene wat hier-35 voor is beschreven en in de tekeningen is weergegeven, doch strekt zich ook uit tot datgene wat niet is beschreven doch uit de tekeningen voor de deskundigen volgt.
- Conclusies- 8200938
Claims (55)
1. Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal, voorzien van ten minste één reservoir voor het te verspreiden materiaal en een verspreidorgaan, waarbij het reservoir is voorzien van ten minste één afvoerope-5 ning' waardoor het materiaal vanuit het reservoir aan het verspreidorgaan kan worden toegevoerd, met het kenmerk, dat de afvoeropening in een bolvormig wandgedeelte van het reservoir is aangebracht, van welk wandgedeelte althans in hoofd zaak elk punt op eenzelfde afstand van een middelpunt is gelegen·
2. Inrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk, — dat de bolle zijde van het bolvormig wandgedeelte naar de buitenzijde van het reservoir is gekeerd.
3. Inrichting volgens conclusie 1 of 2, met het kenmerk, dat het bolvormige wandgedeelte aan de onderzijde - 15 van het reservoir is aangebracht·
4. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het wandgedeelte zich ringvormig over een omtrek van 360° uitstrekt.
5· Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, 20 met het kenmerk dat, in een horizontale stand van de inrichting, het middelpunt van het bolvormige wandgedeelte hoger is gelegen dan het bolvormige wandgedeelte·
6. Inrichting volgens een der voorgaande -conclusies, met het kenmerk, dat het wandgedeelte zich, bij horizontale 25 stand van de inrichting, om een althans nagenoeg verticale as concentrisch uitstrekt·
7. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de bovenzijde van het bolvormige wandgedeelte zich, in een horizontale stand van de inrichting, 30 evenwijdig aan een horizontaal vlak uitstrekt.
8. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het bolvormige wandgedeelte aansluit aan een om een as beweegbaar bodemgedeelte van het reservoir·
9. Inrichting volgens conclusie 8, met het kenmerk, 35 dat het bodemgedeelte tijdens bedrijf van de inrichting om de as roteert.
10. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de rotatieas van de bodem en de as 8 2 0 0 9 b o w waarom het bolvormig wandgedeelte concentrisch is gelegen samenvallen.
11. Inrichting volgens conclusie 9 of 10, met het ken merk, dat de bodem zich uitstrekt loodrecht op de rotatieas.
12. Inrichting volgens conclusie 9, 10 of 11, met het kenmerk, dat het bolvoimige wandgedeelte op de omtreksrand van de bodem van het reservoir althans gedeeltelijk rust.
13. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het wandgedeelte beweegbaar ten opzichte 10 van het overige deel van het reservoir is aangebracht.
14· Inrichting volgens conclusie 13, met het kenmerk, _ dat het bolvormige wandgedeelte door middel van een vastzet- mechanisme tegen verdraaiing om zijn hartlijn is geborgd.
15. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, . 15 met het kenmerk, dat de bodem van het reservoir een diameter heeft die kleiner of althans nagenoeg even groot is als de straal van het bolvormig wandgedeelte.
16. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de bovenzijde van het ringvoimige en 20 bolvormige wandgedeelte een diameter heeft die ten minste ongeveer twee maal zo groot is als de diameter van de bodem van het reservoir.
17. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het wandgedeelte een hoogte heeft die 25 -althans groter is dan de halve straal van het wandgedeelte.
18. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het wandgedeelte een hoogte heeft van ongeveer 9 cm.
19. Inrichting volgens een der conclusies 4-18, met 30 het kenmerk, dat het wandgedeelte een diameter heeft van ongeveer 30 cm.
* 20. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de onderzijde van de afvoeropening althans ongeveer op de hoogte van de bodem van het reservoir 35 is gelegen.
21. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de onderzijde van de afvoeropening is gelegen nabij de omtrek van de bodem van het reservoir.
22. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, 8200958 met het kenmerk, dat de afvoeropening twee zich in hoogte-richting uitstrekkende zijranden heeft die evenwijdig aan elkaar zijn gelegen.
23. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, 5 met het kenmerk, dat de afvoeropening aan de bovenzijde een bovenrand heeft, die van de ene zijrand naar de andere zijrand omlaag verloopt.
24. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de onderrand van de afvoeropening zich 10 van de ene zijrand naar de andere zijrand omlaag uitstrekt.
25. Inrichting volgens conclusie 20 of 21, met het kenmerk, dat de boven- en onderrand zich. in dezelf-de richting omlaag uitstrekken.
26. Inrichting volgens conclusie 21 of 22, met het 15 kenmerk, dat de onderrand van de afvoeropening twee een hoek met elkaar insluitende randgedeelten omvat.
27. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het wandgedeelte is voorzien van twee afvoeropeningen die op korte afstand van elkaar zijn gelegen.
28. Inrichting volgens conclusie 27, met het kenmerk, dat de afvoeropeningen symmetrisch ten opzichte van elkaar zijn gevormd ten opzichte van een vlak dat midden tussen de afvoeropening is gelegen en het middelpunt van het bolvormig wandgedeelte bevat.
29. Inrichting volgens conclusie 27 of 28, met het ken merk, dat de onder- en bovenranden van de afvoeropeningen zich tegengesteld, omlaag uitstrekken.
30. Inrichting volgens conclusie 29, met het kenmerk, dat de onder- en bovenranden zich van elkaar af omlaag uit- 30 strekken.
31. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de bodem vast is bevestigd met een roterend verspreidorgaan, waarvan de rotatieas samenvalt met de rotatieas van de bewegende bodem.
32. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het bolvormige wandgedeelte aansluit om een centreerrand van de bodem.
33· Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat nabij het wandgedeelte een doseerschuif 8200958 t is aangebracht waaimede de afvoeropening naar keuze meer of minder afgesloten kan worden, waarbij de doseerschuif bolvormig is en aansluit aan het bolvormige wandgedeelte.
34. Inrichting volgens conclusie 33, met het kenmerk, 5 dat de doseerschuif beweegbaar is om een schamieras waarvan het verlengde op het middelpunt van de bolvormige wand is gelegen.
35. Inrichting volgens conclusie 33 of 34, met het kenmerk, dat de doseerschuif aan een draagarm is aangebracht, 10 die scharnierend is om de schamieras, waarbij de doseerschuif ten opzichte van de draagarm scharnierend is om een _ schamieras die eveneens het middelpunt van de bolvorm omvat.
36. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat ten minste twee afvoeropeningen aanwezig 15 zijn nabij elk waarvan een doseerschuif is aangebracht, welke doseerschuiven onafhankelijk ten opzichte van elkaar beweegbaar zijn, waarbij de beide doseerschuiven met een verstelmechanisme zijn gekoppeld dat een bedieningsorgaan en een koppeGmechanisme omvat, welk koppelmechanisme verstelbaar is, 20 een en ander zodanig, dat door middel van het koppelmechanisme naar keuze één of beide doseerschuiven ontkoppeld kunnen worden ten opzichte van het bedieningsorgaan.
37· Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal, voorzien van een reservoir met ten 25 minste twee afvoeropeningen, nabij ieder waarvan een doseerschuif voor het naar keuze minder of meer afsluiten van de afvoeropeningen is aangebracht, waarbij de doseerschuiven onafhankelijk van elkaar beweegbaar zijn, met het kenmerk, dat de doseerschuiven zijn gekoppeld met een verstelmechanisme 30 dat een bedieningsorgaan en een koppelmechanisme omvat, en waarbij door middel van het koppelmechanisme naar keuze een ' of beide doseerschuiven zodanig ontkoppeld resp. gekoppeld kunnen worden met de bedieningsarm, dat een schuif althans in een bepaalde stand gehouden kan worden, terwijl de andere 35 schuif verstelbaar is.
38. Inrichting volgens conclusie 36 of 37» met het kenmerk, dat het verst elmechanisme een koppelas omvat, waarom met de doseerschuiven gekoppelde koppelarmen verdraaibaar zijn aangebracht, waarbij deze koppelarmen zich uitstrekken 8200958 tot nabij een ten opzichte van de koppelas verstelbaar koppelmechanisme, welk koppelmechanisme tezamen met de koppelas verdraaibaar is om de hartlijn van de koppelas, waarbij het koppelmechanisme zodanig verstelbaar is, dat 5 naar keuze de koppelarmen via het koppelmechanisme met de koppelas koppelbaar zijn voor verdraaiing om de hartlijn.
39. Inrichting volgens conclusie 38, met het kenmerk, dat het koppelmechanisme een evenwijdig aan de koppelas gelegen stuurstang is die is voorzien van uitsparingen die 10 naar keuze in samenwerking gebracht kunnen worden met de koppelarmen, zodanig dat daardoor de koppelarm ontkoppeld wordt van de koppelas.
40. Inrichting volgens conclusie 39, met het kenmerk, dat de stuurstang evenwijdig aan zijn lengterichting ten 15 opzichte van de koppelas verstelbaar en naar keuze in één van ten minste twee standen vastzetbaar is ten opzichte van de koppelas.
41. Inrichting volgens conclusie 40, met het kenmerk, dat de stuurstang verschuifbaar is aangebracht in met de 20 koppelas vast verbonden draagstrippen.
42. Inrichting volgens een der conclusies 39 - 41, met het kenmerk, dat de stuurstang is voorzien van een aantal uitsparingen, dat overeenkomt met de aan de koppelas aangebrachte koppelarmen, die ieder met een doseerschuif 25 zijn gekoppeld.
43· Inrichting volgens conclusie 40, 41 of 42, met het kenmerk, dat de stuurstang is gekoppeld, met een instel-arm, die verdraaibaar aan de koppelas is aangebracht.
44. Inrichting volgens een der conclusies 40 - 43, 30 met het kenmerk, dat de stuurstang beweegbaar is ten opzichte van een vast aan de koppelas aangebrachte lip, waarbij de stuurstang door middel van een grendelpen met de lip naar keuze in één van ten minste twee standen vastzetbaar is.
45. Inrichting volgens een der conclusies 38 - 44, met 35 het kenmerk, dat de koppelas verdraaibaar is aangebracht om een aan het reservoir bevestigde draagas.
46. Inrichting volgens een der conclusies 38 - 45, met het kenmerk, dat de koppelas nabij die zijde van het reservoir is aangebracht, waar ook de afvoeropeningen zijn gelegen. 8200958 V t-
47. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de doseerschuiven verend tegen het wandgedeelte aanliggen.
48. Inrichting volgens conclusie 47> met het kenmerk, .5 dat de doseerschuiven met draagarmen zijn gekoppeld, die bestaan uit een bladveer waardoor de doseerschuiven verend tegen het wandgedeelte aangedrukt worden.
49. Inrichting volgens eén der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het reservoir twee afvoergedeelten bezit 10 die elk zijn voorzien van een bol vormig wandgedeelte met ten minste één afvoeropening.
50. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het reservoir ten minste twee afvoergedeelten bezit, die elk zijn voorzien van ten minste twee 15 afvoeropeningen nabij ieder waarvan een doseerschuif beweegbaar is aangebracht, die is gekoppeld met een verstelmecha-nisme.
51. Inrichting volgens een der conclusies 36-50, met het kenmerk, dat het verstelmechanisme is aangebracht 20 nabij die zijde van het reservoir, die is afgekeerd van de richting waarin het materiaal bij het gebruik van de inrichting wordt uitgestrooid door de verspreidorganen..
52. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat twee verspreidorganen zijn aangebracht, 25 die het materiaal symetrisch ten opzichte van een vertikaal vlak dat de langshartlijn van de inrichting bevat uitstrooien, waarbij de beide verspreidorganen het materiaal over praktisch geheel samenvaUende sectoren uitstrooien.
53. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, 30 met het kenmerk, dat de inrichting is voorzien van koppel- organen waarmede de inrichting aan de hefinrichting van een trekker gekoppeld kan worden.
54. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de verspreidorganen koppelbaar zijn 35 met een aftakas van een de inrichting voortbewegende trekker of dergelijk voertuig.
55. Inrichting zoals hiervoor is beschreven en in de tekeningen is weergegeven. -o-o-o-o-o- 8200958
Priority Applications (13)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL8200958A NL8200958A (nl) | 1982-03-09 | 1982-03-09 | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. |
| ZA831513A ZA831513B (en) | 1982-03-09 | 1983-03-04 | Device for spreading granular and/or powdery material |
| AT83200326T ATE23773T1 (de) | 1982-03-09 | 1983-03-08 | Vorrichtung zum streuen von koernigem und/oder pulverigem material. |
| GB08306319A GB2116528B (en) | 1982-03-09 | 1983-03-08 | A device for spreading granular and/or powdery material |
| NZ203510A NZ203510A (en) | 1982-03-09 | 1983-03-08 | Spreader for granular or powdery material.hopper has part spherical wall portion with outlet ports |
| EP83200326A EP0088480B1 (en) | 1982-03-09 | 1983-03-08 | Device for spreading granular and/or powdery material |
| AU12155/83A AU563353B2 (en) | 1982-03-09 | 1983-03-08 | Device for spreading granular material |
| US06/495,338 US4561595A (en) | 1982-03-09 | 1983-03-08 | Device for spreading granular and/or powdery material |
| DE8383200326T DE3367833D1 (en) | 1982-03-09 | 1983-03-08 | Device for spreading granular and/or powdery material |
| DE19833308058 DE3308058A1 (de) | 1982-03-09 | 1983-03-08 | Streuvorrichtung |
| JP58037581A JPH0661168B2 (ja) | 1982-03-09 | 1983-03-09 | 粒状材料又は粉体材料の散布装置 |
| FR8303837A FR2522922B1 (fr) | 1982-03-09 | 1983-03-09 | Dispositif pour epandre une matiere granuleuse et/ou pulverulente |
| US07/132,658 US4834296A (en) | 1982-03-09 | 1987-12-10 | Device for spreading granular and/or powdery material |
Applications Claiming Priority (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL8200958A NL8200958A (nl) | 1982-03-09 | 1982-03-09 | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. |
| NL8200958 | 1982-03-09 |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL8200958A true NL8200958A (nl) | 1983-10-03 |
Family
ID=19839389
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL8200958A NL8200958A (nl) | 1982-03-09 | 1982-03-09 | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. |
Country Status (11)
| Country | Link |
|---|---|
| US (2) | US4561595A (nl) |
| EP (1) | EP0088480B1 (nl) |
| JP (1) | JPH0661168B2 (nl) |
| AT (1) | ATE23773T1 (nl) |
| AU (1) | AU563353B2 (nl) |
| DE (2) | DE3308058A1 (nl) |
| FR (1) | FR2522922B1 (nl) |
| GB (1) | GB2116528B (nl) |
| NL (1) | NL8200958A (nl) |
| NZ (1) | NZ203510A (nl) |
| ZA (1) | ZA831513B (nl) |
Families Citing this family (21)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| EP0238153B1 (en) * | 1983-02-16 | 1995-11-08 | C. van der Lely N.V. | A spreader for spreading granular and/or powdery matrial |
| NL192240C (nl) * | 1983-02-16 | 1997-04-03 | Lely Nv C Van Der | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. |
| EP0127922B1 (en) * | 1983-06-03 | 1995-09-13 | C. van der Lely N.V. | Spreading material on a surface |
| GB8330966D0 (en) * | 1983-11-21 | 1983-12-29 | Yallop A S | Dispensing particulate solids |
| NL8304183A (nl) * | 1983-12-06 | 1985-07-01 | Lely Nv C Van Der | Inrichting voor het over een oppervlak verspreiden van materiaal. |
| NL8403271A (nl) * | 1984-10-29 | 1986-05-16 | Lely Nv C Van Der | Inrichting voor het verspreiden van materiaal. |
| EP0191417B1 (de) * | 1985-02-06 | 1991-02-06 | Amazonen-Werke H. Dreyer GmbH & Co. KG | Schleuderstreuer, insbesondere für gekörnte Düngemittel |
| EP0191374B1 (de) * | 1985-02-06 | 1992-04-15 | Amazonen-Werke H. Dreyer GmbH & Co. KG | Schleuderstreuer, insbesondere für gekörnte Düngemittel |
| DE3617302A1 (de) * | 1986-05-23 | 1987-11-26 | Amazonen Werke Dreyer H | Schleuderstreuer mit vorratsbehaelter |
| JPH05147223A (ja) * | 1991-12-02 | 1993-06-15 | Matsushita Electric Ind Co Ltd | インクジエツトヘツド |
| NL9500565A (nl) * | 1994-07-22 | 1996-03-01 | Maasland Nv | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. |
| US6047909A (en) * | 1996-11-25 | 2000-04-11 | White Castle System, Inc. | Hopper discharge and pattern controlling apparatus for a broadcast spreader |
| US5938121A (en) * | 1997-08-25 | 1999-08-17 | Ferguson; William E. | Pop-up sprinkler housing |
| US6209808B1 (en) | 2000-01-07 | 2001-04-03 | Gvm, Incorporated | Spreader attachment |
| US6772702B2 (en) * | 2002-03-21 | 2004-08-10 | Case Corporation | Lockdown and support structure for agricultural particulate tank |
| DE202009010907U1 (de) * | 2009-03-26 | 2009-11-19 | Deere & Company, Moline | Erntegutrestehäcksel und -verteilanordnung für einen Mähdrescher |
| CN102897481B (zh) * | 2012-09-27 | 2016-01-20 | 北京万向新元科技股份有限公司 | 吊斗及利用该吊斗输送物料的方法 |
| US10499559B2 (en) | 2016-12-15 | 2019-12-10 | Home Depot Product Authority, Llc | Handle mounted control system for a broadcast spreader |
| BR112020011457A2 (pt) | 2017-12-07 | 2020-12-01 | Salford Group Inc | espalhador para material particulado com melhor controle de espalhamento |
| CN110040436B (zh) * | 2019-05-14 | 2021-03-30 | 舟山市宏基工业产品设计研究所 | 一种粉状物的定量供给装置 |
| AU2022268919A1 (en) * | 2021-05-04 | 2023-12-07 | Unverferth Manufacturing Co., Inc. | Dry product spreader |
Family Cites Families (25)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| US350821A (en) * | 1886-10-12 | Seed-sower | ||
| NL298075A (nl) * | 1900-01-01 | |||
| DE275812C (nl) * | ||||
| US1166476A (en) * | 1915-03-16 | 1916-01-04 | Washington B Parrish | Hand fertilizer and seed broadcast distributer. |
| DE465760C (de) * | 1926-02-21 | 1928-09-26 | Wilhelm Heinrich | Mit einem Bodenbearbeitungsgeraet verbundene Kopfduenger-Reihenstreu-Vorrichtung |
| US2327266A (en) * | 1941-07-07 | 1943-08-17 | George O Hoffstetter | Material spreading device |
| GB589560A (en) * | 1943-11-30 | 1947-06-24 | Kodak Ltd | Improvements in or relating to apparatus for processing photographic strip material |
| US2812732A (en) * | 1954-11-26 | 1957-11-12 | Noble J Meisdalen | Seeding attachment |
| AT200842B (de) * | 1957-04-30 | 1958-11-25 | Aage Steffensen | Streugerät für landwirtschaftliche Zwecke |
| US3038643A (en) * | 1958-02-03 | 1962-06-12 | Lely Nv C Van Der | Devices for spreading granular or powdery material |
| FR1300833A (fr) * | 1961-06-26 | 1962-08-10 | Calvet Ets | Distributeur d'engrais ou substances analogues |
| US3109657A (en) * | 1961-09-21 | 1963-11-05 | Amazonen Werke Dreyer H | Centrifugal spreader |
| GB959501A (en) * | 1962-02-05 | 1964-06-03 | Flora Mcdougall Kaley | Improvements in or relating to apparatus for applying lotions, dyes, bleaches or thelike to the hair |
| FR1449291A (fr) * | 1965-10-05 | 1966-08-12 | Amazonen Werke H Dreyer Fa | Epandeur centrifuge, en particulier pour la distribution d'engrais minéraux |
| US3420452A (en) * | 1966-10-06 | 1969-01-07 | Vaughan Co | Liquid manure spreader |
| NL6702499A (nl) * | 1967-02-20 | 1968-08-21 | ||
| DE1965463U (de) * | 1967-05-12 | 1967-08-03 | Amazonen Werke Dreyer H | Zentrifugalsteuer, insbesondere fuer duengemittel. |
| NL161969C (nl) * | 1968-09-09 | 1980-04-15 | Lely Nv C Van Der | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. |
| AT301923B (de) * | 1970-10-13 | 1972-09-25 | Vogel & Noot Ag | Schleuderstreuer |
| JPS51146226U (nl) * | 1975-05-19 | 1976-11-24 | ||
| FR2410427A1 (fr) * | 1977-12-05 | 1979-06-29 | Omab Sas Este Carla C | Dispositif epandeur ou distributeur d'engrais |
| FR2412247A1 (fr) * | 1977-12-24 | 1979-07-20 | Amazonen Werke Dreyer H | Distributeur centrifuge, notamment pour engrais |
| DE2818816C2 (de) * | 1978-04-28 | 1983-11-10 | Amazonen-Werke H. Dreyer Gmbh & Co Kg, 4507 Hasbergen | Zentrifugalstreuer, insbesondere für Düngemittel |
| GB2080662B (en) * | 1980-07-30 | 1983-12-21 | Walley Charles Edward | Spreader vehicle |
| US4548362A (en) * | 1983-12-29 | 1985-10-22 | Brinly-Hardy Co., Inc. | Material spreader |
-
1982
- 1982-03-09 NL NL8200958A patent/NL8200958A/nl not_active Application Discontinuation
-
1983
- 1983-03-04 ZA ZA831513A patent/ZA831513B/xx unknown
- 1983-03-08 DE DE19833308058 patent/DE3308058A1/de not_active Withdrawn
- 1983-03-08 US US06/495,338 patent/US4561595A/en not_active Expired - Fee Related
- 1983-03-08 NZ NZ203510A patent/NZ203510A/en unknown
- 1983-03-08 DE DE8383200326T patent/DE3367833D1/de not_active Expired
- 1983-03-08 EP EP83200326A patent/EP0088480B1/en not_active Expired
- 1983-03-08 GB GB08306319A patent/GB2116528B/en not_active Expired
- 1983-03-08 AU AU12155/83A patent/AU563353B2/en not_active Ceased
- 1983-03-08 AT AT83200326T patent/ATE23773T1/de not_active IP Right Cessation
- 1983-03-09 JP JP58037581A patent/JPH0661168B2/ja not_active Expired - Lifetime
- 1983-03-09 FR FR8303837A patent/FR2522922B1/fr not_active Expired
-
1987
- 1987-12-10 US US07/132,658 patent/US4834296A/en not_active Expired - Lifetime
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| FR2522922A1 (fr) | 1983-09-16 |
| GB8306319D0 (en) | 1983-04-13 |
| AU1215583A (en) | 1983-09-15 |
| AU563353B2 (en) | 1987-07-09 |
| FR2522922B1 (fr) | 1987-09-04 |
| EP0088480A1 (en) | 1983-09-14 |
| GB2116528B (en) | 1986-04-30 |
| DE3367833D1 (en) | 1987-01-15 |
| DE3308058A1 (de) | 1983-09-22 |
| NZ203510A (en) | 1986-12-05 |
| ATE23773T1 (de) | 1986-12-15 |
| US4834296A (en) | 1989-05-30 |
| ZA831513B (en) | 1983-11-30 |
| US4561595A (en) | 1985-12-31 |
| JPH0661168B2 (ja) | 1994-08-17 |
| JPS592619A (ja) | 1984-01-09 |
| GB2116528A (en) | 1983-09-28 |
| EP0088480B1 (en) | 1986-11-26 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| CN113348281B (zh) | 用于旋转式撒布机的分流器 | |
| US6945481B2 (en) | Dual mode spreader | |
| FR2569939A1 (fr) | Distributeur de substances pour l'epandage a la volee | |
| EP0593955A2 (de) | Vorrichtung und Verfahren zum Reinigen eines im wesentlichen in Granulatform vorliegenden Korngemenges | |
| NL8103896A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. | |
| DE3308058A1 (de) | Streuvorrichtung | |
| NL7810805A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. | |
| US6116526A (en) | Implement for spreading granular and/or pulverulent material | |
| EP0410112A1 (de) | Schleuderstreuer für rieselfähiges Streugut, insbesondere Dünger | |
| NL8105285A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. | |
| NL8304183A (nl) | Inrichting voor het over een oppervlak verspreiden van materiaal. | |
| NL192240C (nl) | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. | |
| NL8601148A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van korrel en/of poedervormig materiaal. | |
| NL8403271A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van materiaal. | |
| NL8500759A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van korrelen/of poedervormig materiaal. | |
| DE19946851A1 (de) | Düngerstreuer | |
| DE2701156A1 (de) | Streugeraet, insbesondere mineralduengerstreuer | |
| NL8600868A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van materiaal en werkwijze voor het opvangen van materiaal. | |
| EP0784917B1 (en) | An implement for spreading granular and/or pulverulent material | |
| DE2906791A1 (de) | Streugeraet fuer kunstduenger o.dgl. koernige oder pulverige stoffe | |
| NL9201689A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van materiaal. | |
| NL8802787A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. | |
| NL8500978A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van verspreidbaar materiaal. | |
| DE10007925C2 (de) | Streuvorrichtung zum Ausbringen von angefeuchtetem Streugut | |
| NL8502598A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| A85 | Still pending on 85-01-01 | ||
| BA | A request for search or an international-type search has been filed | ||
| BB | A search report has been drawn up | ||
| BC | A request for examination has been filed | ||
| BV | The patent application has lapsed |