NL8302876A - Grondbewerkingsmachine. - Google Patents
Grondbewerkingsmachine. Download PDFInfo
- Publication number
- NL8302876A NL8302876A NL8302876A NL8302876A NL8302876A NL 8302876 A NL8302876 A NL 8302876A NL 8302876 A NL8302876 A NL 8302876A NL 8302876 A NL8302876 A NL 8302876A NL 8302876 A NL8302876 A NL 8302876A
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- attachment
- soil cultivation
- machine according
- cultivation machine
- roller
- Prior art date
Links
- 239000002689 soil Substances 0.000 title claims description 46
- 230000008878 coupling Effects 0.000 claims description 35
- 238000010168 coupling process Methods 0.000 claims description 35
- 238000005859 coupling reaction Methods 0.000 claims description 35
- 238000003971 tillage Methods 0.000 claims description 19
- 238000003032 molecular docking Methods 0.000 claims 2
- 238000010276 construction Methods 0.000 description 7
- 230000005484 gravity Effects 0.000 description 5
- 230000005540 biological transmission Effects 0.000 description 1
- 238000006073 displacement reaction Methods 0.000 description 1
- 210000005069 ears Anatomy 0.000 description 1
- 238000010899 nucleation Methods 0.000 description 1
- 238000002360 preparation method Methods 0.000 description 1
- 230000000284 resting effect Effects 0.000 description 1
- 238000009331 sowing Methods 0.000 description 1
Classifications
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01B—SOIL WORKING IN AGRICULTURE OR FORESTRY; PARTS, DETAILS, OR ACCESSORIES OF AGRICULTURAL MACHINES OR IMPLEMENTS, IN GENERAL
- A01B49/00—Combined machines
- A01B49/04—Combinations of soil-working tools with non-soil-working tools, e.g. planting tools
- A01B49/06—Combinations of soil-working tools with non-soil-working tools, e.g. planting tools for sowing or fertilising
- A01B49/065—Combinations of soil-working tools with non-soil-working tools, e.g. planting tools for sowing or fertilising the soil-working tools being actively driven
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01B—SOIL WORKING IN AGRICULTURE OR FORESTRY; PARTS, DETAILS, OR ACCESSORIES OF AGRICULTURAL MACHINES OR IMPLEMENTS, IN GENERAL
- A01B59/00—Devices specially adapted for connection between animals or tractors and agricultural machines or implements
- A01B59/06—Devices specially adapted for connection between animals or tractors and agricultural machines or implements for machines mounted on tractors
Landscapes
- Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Mechanical Engineering (AREA)
- Soil Sciences (AREA)
- Environmental Sciences (AREA)
- Zoology (AREA)
- Agricultural Machines (AREA)
- Soil Working Implements (AREA)
Description
* * * -t
I _______ 2572/lfe.d/JP/VS
C. van der Lely N.V., Maasland.
"Grondbewerkingsmachine"
De uitvinding heeft betrekking op een grondbewer-kingsmachine voorzien van een gestel waarin een aantal aangedreven bewerkingsorganen is ondersteund en waaraan ten minste één landbouwwerktuig aanbrengbaar is.
5 Grondbewerkingsmachines van deze soort vindt men vaak in combinatie met een zaaimachine waarbij dan in een werkgang de grond kan worden bewerkt en ingezaaid.
Voor het aanbrengen van het aanbouwwerktuig zijn de grondbewerkingsmachines van deze soort voorzien van aan-10 koppelmiddelen met behulp waarvan voor het brengen van de combinatie in een transportstand het aanbouwwerktuig over een relatief grote afstand hoofdzakelijk naar boven wordt bewogen, hetgeen veel kracht vereist zodat hierdoor niet alleen meer vermogen, dat wil zeggen een zwaardere trekker, 15 doch bovendien een zwaardere uitvoering van de aankoppelmid-delen noodzakelijk wordt.
Met de constructie volgens de uitvinding kunnen de aankoppelmiddelen een zodanige uitvoering hebben, dat bij het in een transportstand brengen van de combinatie het aan-20 bouwwerktuig zodanig beweegt dat hiervoor relatief weinig kracht benodigd is.
Volgens de uitvinding wordt dit bereikt doordat voor het aanbouwwerktuig aankoppelmiddelen aanwezig zijn met behulp waarvan het werktuig voor het bereiken van een trans-25 portstand ten opzichte van de grondbewerkingsmachine meer in horizontale dan in vertikale richting verplaatsbaar is.
Hierdoor kan men het zwaartepunt van het geheel zonder dat een extra beweging in hoogterichting noodzakelijk is zo ver mogelijk naar voren verplaatsen, waardoor de hefinrichting 30 van de trekker aanzienlijk wordt ontlast, wat bij het gebruik van wat lichtere trekkers van groot belang is.
De uitvinding betreft verder een grondbewerkingsmachine van bovengenoemde soort waarbij door middel van een medium een kracht op de aankoppelmiddelen wordt uitgeoefend, 35 een en ander zodanig dat het aanbouwwerktuig voor het berei- ' ken van een transportstand beweegbaar is en deze beweging 8302376 --- » - 2 - door de uitgeoefende kracht wordt ondersteund. Bij toepassing van deze constructie kan men bijvoorbeeld door het gewicht van een aan de machine aanwezig onderdeel zoals een rol of een andere massa, de aankoppelmiddelen zodanig bekrachtigen 5 dat de aangeduide beweging van het aanbouwwerktuig kan plaatsvinden.
Een verder facet van de uitvinding betreft een grond-bewerkingsmachine van bovengenoemde soort die een rol omvat, welke rol voor het bereiken van een transportstand omlaag 10 beweegbaar is. Bij toepassing van deze constructie kan men doordat de rol naar beneden beweegt een ruimte creëren waarin het aanbouwwerktuig via de in het voorgaande aangegeven beweging kan worden gebracht.
Volgens een verder facet van de uitvinding kan bij 15 een grondbewerkingsmachine van bovengenoemde soort het aanbouwwerktuig door middel van de aankoppelmiddelen zodanig met de grondbewerkingsmachine zijn gekoppeld dat bij het naar voren bewegen van het aanbouwwerktuig het boveneinde van de machine naar voren wordt gekanteld. Hierbij bereikt men dat 20 het zwaartepunt van het aanbouwwerktuig extra naar voren wordt verplaatst.
Aan de hand van enkele uitvoeringsvoorbeelden, die in de tekening zijn weergegeven zal de uitvinding hieronder nader uiteen worden gezet.
25
Fig. 1 geeft in bovenaanzicht een grondbewerkingsmachine weer, in het bijzonder voor het bereiden van een zaaibed, welke machine is voorzien van aankoppelmiddelen volgens de uitvinding en een aanbouwwerktuig in de vorm van een door 30 loopwielen ondersteunde zaaimachine.
Fig. 2 geeft op grotere schaal een aanzicht weer volgens de pijl II in fig. 1.
Fig. 3 geeft een zelfde aanzicht weer als dat van fig. 2, echter van het geheel in een transporstand.
35 Fig. 4 geeft een tweede uitvoeringsvoorbeeld weer van een bekrachtigingsmiddel voor de aankoppelmiddelen volgens de uitvinding.
Fig. 5 geeft een derde uitvoeringsvoorbeeld weer van een constructie volgens de uitvinding.
8^ 15 i) o 7 5 4 1 - 3 -
De in de figuren weergegeven inrichting betreft een grondbewerkingsmachine, in het bijzonder een machine voor de bereiding van een zaaibed.
De inrichting omvat een zich dwars op de. voortbewe-5 gingsrichting A van de machine uitstrekkend kokervormig ge-steldeel 1·waarin op onderling gelijke afstand van bij voorkeur 25 cm. de zich in opwaartse, bij voorkeur verticale richting uitstrekkende assen 2 van bewerkingsorganen 3 zijn gelegerd.
10 Aan het aan de onderzijde uit het gesteldeel 1 stekende einde is elke as van een bewerkingsorgaan 3 voorzien van een zich althans nagenoeg in horizontale richting uitstrekkende drager 4 die aan de einden is voorzien van zich naar beneden uitstrekkende bewerkingselementen 5 in de vorm 15 van tanden. De einden van het kokervormig gesteldeel 1 zijn voorzien van platen 6, die zich in opwaartse richting uitstrekken en althans nagenoeg evenwijdig aan de voortbewegings-richting A zijn gelegen. Zoals uit fig. 2 blijkt hebben de platen 6 een althans nagenoeg driehoekige vorm en steken 20 zij voor het grootste deel boven het kokervormig gesteldeel 1 uit. Nabij de voorzijde is elk van de platen 6 voorzien van een zich dwars op de voortbewegingsrichting A uitstrekkende pen 7, waarom een zich langs de binnenzijde van de platen naar achteren uitstrekkende arm 8 verzwenkbaar is. Elk van 25 de armen 8 omvat een voorste deel 9 dat tot juist achter het gesteldeel 1 reikt en hier overgaat in een schuin naar beneden en naar achteren verlopend, althans nagenoeg even lang deel 10, dat een grotere breedte heeft. De langshartlijn van het deel 10 sluit met de langshartlijn van het deel 9 30 een hoek in van + 70°, zodat dit deel zich relatief dicht achter het gesteldeel 1 bevindt. Tussen de ondereinden van de delen 10 van de armen 8 is vrij draaibaar een rol 11 aangebracht, die bij dit uitvoeringsvoorbeeld de vorm heeft van een pakkerrol met een cylindrische drager 12 en daarop 35 aangebrachte, op gelijke afstand van elkaar gelegen kransen tanden 12 .
Tussen de kransen tanden 12 zijn aan de achterzijde tot nabij de cylindrische drager 12 reikende afstrijkers 13 aangebracht. Althans nagenoeg nabij het midden is tussen de delen 10 83C2S73 > - 4 - * * sen pijp 14 aangebracht, die zich dwars op de voortbewegings-richting A uitstrekt. De pijp 14 vormt met de armen 8 een ondersteuning voor de rol, welke ondersteuning ten opzichte van het gesteldeel 1 om de assen 7 verzwenkbaar is. Nabij 5 het midden is aan de voorzijde van het gesteldeel 1 een driehoekige bok 15 aangebracht, die aan de onderzijde is voorzien van aankoppelpunten 16 voor de hefarmen van de driepuntshefinrichting van een trekker. De bovenzijde van de bok 15 omvat twee op afstand van elkaar gelegen platen 17, die zich naar 10 achteren uitstrekken. Tussen de platen 17 is de bovenste arm van de driepuntshefinrichting aanbrengbaar. Aan elk van de van elkaar afgekeerde zijden van de platen 17 is een zich dwars op de voortbewegingsrichting uitstrekkende balk 18 van een rechthoekig horizontaal gelegen raam 19 bevestigd. Zoals 15 uit fig. 1 blijkt, strekken de langste zijden van het rechthoekig raam 19 zich dwars op de voortbewegingsrichting A uit over een afstand, die praktisch overeenkomt met de afstand tussen de aankoppelpunten 16. Aan de achterzijde is het raam 19 ondersteund door middel van althans nagenoeg vertikale 20 steunen 20, die op de achterzijde van het gesteldeel 1 zijn bevestigd. Ter hoogte van de einden van de balken 18 is het raam 19 voorzien van oren 21, die elk een pen 22 dragen Om elke pen 22 is een tuimelaar 23 verzwenkbaar. Het bovenste, kortste deel 24 van de tuimelaar 23 is door middel van een 25 pen 24A scharnierend verbonden met het boveneinde van een stang 25, die met zijn andere einde door middel van een pen 26A scharnierend is aangebracht aan een steun 26 op de pijp 14, die deel uitmaakt van de ondersteuning voor de rol 11.
Nabij het boveneinde is elke stang 25 voorzien van 30 een aantal gaten 27, een en ander zodanig dat de scharnierende verbinding tussen het kortste deel24 van de tuimelaar 23 en de stang 25 kan worden versteld. Het vrije einde van het langste deel 28 van elke tuimelaar 23 is door middel van een pen 25A scharnierend verbonden met een been 29 van een beugel 35 30, die zich naar achteren uitstrekt. De vrije einden van de benen 29 van de beugel 30 zijn voorzien van een aantal gaten 31, een en ander zodanig, dat het scharnierend aankoppel-punt met het onderste einde van het langste deel 28 van de tuimelaar 23 kan worden versteld. De benen 29 van de beugel 30 o β 2 c / ο I i -5-.
zijn aan de achterzijde met elkaar verbonden door middel van een recht tussenstuk 30A. Het langste deel 28 van elke tuimelaar 23is op een afstand boven het vrije einde, die ongeveer een vijfde van de totale lengte van het deel bedraagt, voor-5 zien van een pen 32, waarom verzwenkbaar het vooreinde is aangebracht van een been 33 van een beugel 34, die zich naar achteren uitstrekt. Elk been 33 van de beugel 34 is aan het achtereinde voorzien van een althans nagenoeg haaks naar beneden verlopend deel 35, dat met het been een geheel vormt.
10 De benen 33 van de beugel 34 zijn met elkaar verbonden door een recht dwarsstuk 35. Juist achter het midden is elk been 33 van de beugel 34 door middel van een scharnierpen 37 scharnierend verbonden met het ondereinde van een arm 38 waarvan het boveneinde door middel van een pen 39 scharnierend is 15 aangebracht aan een steun 40A,die zich aan de achterzijde van het raam 19 bevindt.
Zoals uit fig. 2 blijkt, vormen de scharnierpennen 21, 25A, 39 en 37 de hoekpunten en het deel 28 van de tuimelaar 23, de arm 38 en een been 33 van de beugel 34 zijden 20 van een opstaande scharnierende veelhoek 40 die de vorm heeft van een parallellogram en zich althans nagenoeg evenwijdig uitstrekt aan een vertikaal vlak in de voortbewegingsrichting.
Het dwarsstuk 30A van de beugel 30 is nabij het midden voorzien van zich naar achteren uitstrekkende lippen 41, terwijl elk 25 deel 35 van de benen 33 van de beugel 34 is voorzien van een sleuf 42, die zich in opwaartse richting uitstrekt. De lippen 41 en de sleuf 42 vormen aankoppelingspunten van een drie-puntsbevestiging die deel uitmaakt van aankoppelmiddelen, die eveneens de scharnierende veelhoeken 40 omvatten en waaraan 30 een met de driepuntsbevestiging voorzien aanbouwwerktuig, zoals de van wielen 43A voorziene weergegeven zaaimachine 43, kan worden aangebracht. Op elk van de assen 2 van de be-werkingsorganen 3 is binnen het kokervormig gesteldeel 1 een tandwiel 44 met rechte vertanding aangebracht, een en ander 35 zodanig dat de tandwielen op naast elkaar gelegen assen met elkaar in aandrijvende verbinding staan. Nabij het midden is de as 2 van een bewerkingsorgaan 3 verlengd en reikt met deze verlenging tot in een tandwielkast 45, die op de bovenzijde van het kokervormig gesteldeel 1 is aangebracht. Binnen — 83 02 37 8 * * - 6 - de tandwielkast 45 staat de verlenging via conische tandwielen in aandrijvende verbinding met een zich in de voortbewegings-richting A uitstrekkende as, die via een aan de achterzijde van de tandwielkast gelegen toerenvariator 46 in aandrijvende 5 verbinding staat met een daarboven gelegen as 47, die aan de voorzijde buiten de tandwielkast uitsteekt. Het buiten de tandwielkast uitstekende einde van de as 47 kan door middel van een tussenas 48 met de aftakas van een trekker worden· gekoppeld.
10 De werking van de in het voorgaande beschreven in richting is als volgt.
Tijdens het bedrijf is de inrichting door middel van de aankoppelpunten 16 en 17 van de driepuntsbevestiging van de bok 15 met de driepuntshefinrichting van een trekker 15 gekoppeld en kunnen de respectievebewerkingsorganen 3 via de tussenas 48 en de in het voorgaande beschreven overbrenging . vanaf de aftakas van de trekker worden aangedreven, waarbij naast elkaar gelegen bewerkingsorganen in tegengestelde zin roteren en met hun bewerkingselementen 5 in de vorm van tanden 20 tenminste aan elkaar grenzende stroken grond bewerken. De werkdiepte van de bewerkingsorganen 3 kan worden ingesteld met behulp van de rol 11, die - zoals reeds vermeld - bij dit uitvoeringsvoorbeeld is uitgevoerd als pakkerrol.
Voor de instelling van de werkdiepte zijn de platen 25 6, zoals uit fig. 2 blijkt, elk voorzien van een aanslag 49, die door middel van gaten 50 in verschillende standen breng-baar is en een naar boven bewegen van de voorste delen 9 van de armen 8 voor de rol begrenst, een en ander zodanig dat tijdens het bedrijf het kokervormig gesteldeel 1 tezamen met 30 de bewerkingsorganen 3 via de aanslag 49 op de armen 8 van de ondersteuning voor de rol rust. Naarmate de aanslag 49 zich in een hoger gat 50 van de platen 6 bevindt, wordt een grotere werkdiepte van de bewerkingsorganen 3 verkregen. Bij de instelling van de rol kan men de lengte van de stang 25 35 aanpassen door de pen 24A in een ander gat 27 te brengen (zie fig. 2).
Door middel van de aankoppelpunten gevormd door de lippen 30A aan de achterzijde van de beugel 30 en de sleuven 42 aan de onderzijde van de naar beneden gerichte delen 40 35 van de benen 33 kan, zoals reeds vermeld, een aanbouwwerk- BX a η Λ *7 i 0 V « , - -J _ ___
% -V
- 7 - tuig, voorzien van een driepuntsbevestiging,met de machine worden gekoppeld. Het werktuig, in dit geval gevormd door de zaaimachine 31, is door eigen loopwielen ondersteund en bevindt zich tijdens het bedrijf in een stand zoals in fig.
5 2 is weergegeven. Deze stand kan worden gecorrigeerd door middel van de gaten 31 in been 29 van de beugel 30. Dankzij de aanwezigheid van de sleuven 42 in de naar beneden gerichte delen 35 kan de zaaimachine gemakkelijk onafhankelijk van de grondbewerkingsmachine bewegen waardoor de zaaiende functie 10 van de machine niet op ongewenste wijze kan worden verstoord.
Indien men aan het einde van de werkgang is gekomen en ook voor het transport van het geheel naar en vanaf het veld kan men met behulp van de driepuntshefinrichting van de trekker het geheel heffen tot in een stand zoals in fig.
15 3 is weergegeven. Tijdens dit heffen zakt de rol 11 met zijn ondersteuning door zijn gewicht naar beneden, waarbij de armen 8 om de assen 7 verzwenken tot zij met de voorste delen 9 komen te rusten op de nabij de onderzijde van de platen 6 aanwezige aanslagen 51.Door de neerwaartse beweging van de rol 11 wordt 20 met behulp van de stang 25 elke tuimelaar 23 in een richting verzwenkt zoals met een pijl B in fig. 2 is aangegeven. Door dit verzwenken beweegt de beugel 30 praktisch horizontaal naar voren evenals de beugel 34, die hierbij wordt geleid door de scharnierende veelhoek 40, die - zoals reeds vermeld -25 de vorm heeft van een parallellogram. Hierbij beweegt het aanbouwwerktuig, dat wil zeggen in dit geval de zaaimachine 43, zich althans nagenoeg evenwijdig aan de voortbewegings-richting van de trekker naar voren in de ruimte, die is ontstaan door het naar beneden bewegen van de rol 11. Zoals uit 30 fig. 3 blijkt, wordt de machine hierbij enigszins naar voren gekiept. De zijden van de scharnierende veelhoeken 40 gevormd door het deel 28 van de tuimleaar 23 en de arm 38 zijn hierbij althans nagenoeg vertikaal gelegen. Door de pen 25A in het achterste gat 31 van het been 29 van de beugel 30 te 35 brengen kan men een sterker voorover hellen verkrijgen, waardoor het zwaartepunt nog meer naar voren komt. Doordat het aanbouwwerktuig bij het heffen van het geheel zich meer in horizontale dan in vertikale richting verplaatst, dat wil zeggen zich althans nagenoeg evenwijdig aan de voortbewegings- 83 02 8 7 o «r » - 8 - richting en althans nagenoeg in horizontale richting naar voren beweegt, waarbij door het naar beneden bewegen van de rol 11 hiervoor ruimte is gecreëerd, bevinden de grondbewer-kingsmachine en het aangebouwde werktuig zich in de transport-5 stand relatief kort achter de trekker waardoor een ongewenste belasting van de driepuntshefinrichting grotendeels kan worden voorkomen en bovendien het transport over de weg zonder problemen kan plaatsvinden. Zoals uit fig. 3 blijkt zijn de wielen 43A van de zaaimachine in de transportstand ter hoogte 10 van de bewerkingsorganen 3 van de grondbewerkingsmachine gelegen. Bij het weergegeven uitvoeringsvoorbeeld wordt het gewicht van de rol bij het heffen van het geheel gebruikt om het aangebouwde werktuig via de tot de aankoppelmiddelen voor het aanbouwwerktuig behorende scharnierende veelhoeken 15 40 in de weergegeven transportstand te brengen. Hierdoor kan men zonder van dure hydraulische of pneumatische middelen gebruik te maken het aangebouwde werktuig in een zodanige stand ten opzichte van de grondbewerkingsmachine brengen dat de in het voorgaande genoemde transportvoordelen worden ver-20 kregen.
Indien men het geheel weer in het werk wil brengen wordt, naarmate de rol nadat deze op de grond is komen te rusten naar boven beweegt, het aanbouwwerktuig naar achteren bewogen tot het geheel weer in de in fig. 2 weergegeven stand 25 is gekomen. Voor het verstellen van de rol en het op de beschreven wijze naar voren verplaatsen van het aanbouwwerktuig, kan men ook gebruik maken van een bekrachtigbare verstelcylin-der 52, die scharnierend tussen het langste deel 28 van elke tuimelaar 23 en een steun 53 op het raam 19 is aangebracht 30 op een wizje zoals in de fig. 4 is weergegeven. Bij de toepassing van de cylinder 52 kan men, alvorens de inrichting te heffen via de rol die op de grond rust, de voorzijde van de inrichting omhoog brengen, waarbij het aanbouwwerktuig naar voren beweegt, zodat alvorens wordt geheven het zwaarte-35 punt van het geheel zover mogelijk naar voren is verplaatst. Hierna kan geheven worden tot het geheel zich in de in fig.
3 weergegeven stand bevindt.
De verstelcylinder 52 kan in de transportstand tevens als fixatiemiddel dienst doen.. Doordat de verplaatsing van 83 0 2 87 8 4 /» - 9 - het aanbouwwerktuig praktisch in de voortbewegingsrichting en althans nagenoeg horizontaal plaats vindt, kan met een relatief lichte uitvoering van de cylinder 52 worden volstaan.
Bij het weer in de werkstand komen kan een aanslag 5 53A op het deel 28 een geleiding vormen voor een been 33 van de beugel 34 en kan de slag van de cylinder worden begrensd, indien een enkelwerkende cylinder wordt gebruikt.
De in het voorgaande beschreven constructies, waarbij men de rol aan de achterzijde van de bewerkingsorganen 10 zodanig heeft aangebracht, dat deze rol bij het heffen ten opzichte van het gesteldeel 1 naar beneden kan bewegen en daarbij een ruimte maakt voor het in althans nagenoeg horizontale richting naar voren bewegen van het aanbouwwerktuig, kan ook worden toegepast bij een inrichting zoals in de , 15 fig. 5 is weergegeven. De in fig. 5 weergegeven inrichting omvat een zich dwars op de voortbewegingsrichting A uitstrekkende gestelbalk 54, die nabij het midden is voorzien van een vierhoekige bok 55, welke bok is voorzien van een driepunts-bevestiging voor aankoppeling aan de driepuntshefinrichting 20 van een trekker. De bovenzijde van de bok 55 omvat de voorste balken 18 van het raam 19, dat aan de achterzijde door middel van aan de achterzijde van de gestelbalk 54 bevestigde steunen 56 is ondersteund. Op enige afstand van de einden is de gestelbalk 56 voorzien van platen 57, waaraan armen 58 van een schar-25 nierende veelhoek in de vorm van een parallellogram zijn aangebracht. De respectieve armen 58 zijn nabij de einden van het kokervormig gesteldeel 1 op de bovenzijde hiervan aangebracht.
De armen 8 van de rol 11 zijn bij dit uitvoeringsvoorbeeld door middel van gaten 59 in de platen 6 en een bout 60 in 30 meerdere standen brengbaar en vastzetbaar voor de werkdiepte-instelling van de bewerkingsorganen 3. De aankoppelmiddelen voor het aanbouwwerktuig 43 zijn op dezelfde wijze als bij de voorgaande uitvoeringsvoorbeelden uitgevoerd en aangebracht. Overeenkomstige onderdelen zijn dan ook met dezelfde verwij-35 zingscijfers aangegeven.
De werking van de in fig. 5 weergegeven inrichting komt overeen met die van de inrichting volgens het eerste uitvoeringsvoorbeeld. Tijdens het bedrijf kan met behulp van de rol 11 de werkdiepte van de bewerkingsorganen 3 worden pr r. n * 7 £ - v j. Ö / Ö - 10 - .....
ingesteld, waarbij in dit geval, zoals vermeld, de armen 8 voor de rol 11 in beide richtingen ten opzichte van het kokervormig gesteldeel 1 zijn gefixeerd.Het geheel van kokervormig gesteldeel 1 en rol 11 is via de armen 58 van de res-5 pectieve parallellogramconstructies ten opzichte van de ge-stelbalk 54 in hoogterichting beweegbaar. Indien het geheel wordt geheven, verzwenken de armen 58 van de respectieve parallellogrammen naar beneden tot de bovenste armen komen te rusten op de aanslagen 61. Door dit neerwaartse bewegen kan op 10 reeds beschreven wijze door middel van de aankoppelmiddelen het aanbouwwerktuig 43 in praktisch horizontale richting naar voren bewegen in de door de rol 11 vrijgegeven ruimte. Ook bij dit uitvoeringsvoorbeeld vindt dus een geforceerde beweging van het aanbouwwerktuig plaats in althans nagenoeg hori-15 zontale richting naar voren, waardoor het zwaartepunt van het geheel zich naar voren verplaatst en zich tijdens het transport relatief kort achter de trekker bevindt. Het zal duidelijk zijn dat bij dit uitvoeringsvoorbeeld eveneens de in het voorgaande beschreven verstelcylinder 52 kan worden 20 toegepast. Ook kan de rol 11 door middel van de armen 8 in hoogterichting verstelbaar aan de gestelbalk 54 zijn aangebracht op een wijze als bij het eerste uitvoeringsvoorbeeld.
In plaats van het gewicht van de rol dat bij de in het voorgaande besproken uitvoeringsvoorbeelden wordt gebruikt voor 25 het via de aankoppelmiddelen in een althans nagenoeg horizontale richting naar voren bewegen van het aanbouwwerktuig kan men ook een ander medium, zoals bijvoorbeeld een aparte massa of een veer gebruiken, die bij het heffen na het vrijgeven van de benodigde ruimte door de rol via de scharnierende veel-30 hoek en de althans nagenoeg horizontale voorwaartse beweging van het aanbouwwerktuig teweegbrengt. Indien geen aanbouwwerktuig aanwezig is kan de beugel 30 op een niet nader weergegeven aanslag rusten teneinde een ongewenst naar beneden bewegen te voorkomen.
35 De uitvinding is niet beperkt tot het vorenstaande, doch betreft tevens alle details van de figuren al of niet beschreven.
-Conclusies- 8302376
Claims (27)
1. Grondbewerkingsmachine voorzien van een gestel waarin een aantal aangedreven bewerkingsorganen is ondersteund en waaraan ten minste één aanbouwwerktuig aanbrengbaar is, met het kenmerk, dat voor het aanbouwwerktuig aankoppelmiddelen 5 aanwezig zijn met behulp waarvan het werktuig voor het bereiken van een transportstand ten opzichte van de grondbewerkings-machine meer in horizontale dan in vertikale richting verplaatsbaar is.
2. Grondbewerkingsmachine volgens conclusie 1, met 10 het kenmerk, dat op de aankoppelmiddelen met behulp van een medium, bijvoorbeeld een massa, een kracht wordt uitgeoefend met behulp waarvan de aanbouwmachine in zijn transportstand beweegbaar is.
3. Grondbewerkingsmachine voorzien van een gestel 15 waarin een aantal aangedreven bewerkingsorganen is ondersteund - en waaraan ten minste één aanbouwwerktuig aanbrengbaar is, met het kenmerk, dat aankoppelmiddelen voor het aanbouwwerktuig aanwezig zijn waarop door middel van een médium een kracht wordt uitgeoefend, een_en ander zodanig dat het aanbouwwerk-20 tuig voor het bereiken van een transportstand beweegbaar is en deze beweging door de uitgeoefende kracht wordt ondersteund.
4. Grondbewerkingsmachine volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het medium wordt gevormd door een tot de grondbewerkingsmachine behorende rol, die 25 voor het bereiken van zijn transportstand naar beneden beweegbaar is.
5. Grondbewerkingsmachine voorzien van een gestel waarin een aantal aangedreven bewerkingsorganen is ondersteund en waaraan ten minste één aanbouwwerktuig aanbrengbaar is, 30 met het kenmerk, dat de grondbewerkingsmachine een rol omvat die zodanig is aangebracht dat de rol voor het bereiken van een transportstand naar omlaag beweegbaar is.
6. Grondbewerkingsmachine volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de aankoppelmiddelen zodanig 35 zijn uitgevoerd, dat bij het naar voren bewegen van de aanbouwmachine deze tevens naar voren wordt gekanted.
7. Grondbewerkingsmachine voorzien van een gestel waarin een aantal aangedreven bewerkingsorganen is ondersteund en waaraan ten minste één aanbouwwerktuig aanbrengbaar is, Λ 7 t. 7 A V w V i Ü < V ii(jji» - 12 - I v * !' met het kenmerk, dat het aanbouwwerktuig door middel van aan-koppelmiddelen zodanig met de grondbewerkingsmachine koppel-baar is, dat door het naar voren bewegen van het aanbouwwerktuig het boveneinde van de machine naar voren wordt ge-5 kanteld.
8. Grondbewerkingsmachine volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat voor het aanbouwwerktuig aankoppelmiddeln aanwezig zijn, die ten minste één scharnierende veelhoek omvatten.
9. Grondbewerkingsmachine volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de scharnierende veelhoek is voorzien van zich dwars op de voortbewegingsrichting van de machine uitstrekkende scharnierassen.
10. Grondbewerkingsmachine volgens een der voorgaande 15 conclusies, met het kenmerk, dat twee scharnierende veelhoeken op afstand van elkaar zijn aangebracht.
11. Grondbewerkingsmachine volgens conclusie 8 of 9, en een der conclusies 4-7, met het kenmerk, dat een scharnierende veelhoek zodanig met een ondersteuning voor de rol 20 is verbonden, dat het aanbouwwerktuig bij het naar beneden bewegen van de rol zich althans nagenoeg in horizontale richting naar voren beweegt.
12. Grondbewerkingsmachine volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de aankoppelmiddelen een 25 driepuntsbevestiging omvatten voor aankoppeling van een met ’ een driepuntsbevestiging voorzien aanbouwwerktuig, waarbij de onderste aankoppelpunten van de driepuntsbevestiging zijn aangebracht aan een onderste arm van een scharnierende veelhoek, terwijl het bovenste aankoppelpunt is aangebracht aan 30 een opwaarts gerichte arm van een scharnierende veelhoek.
13. Grondbewerkingsmachine volgens conclusie 12, met het kenmerk, dat de verbinding tussen het bovenste aankoppelpunt van de driepuntsbevestiging en een opwaarts gerichte arm van een scharnierende veelhoek onder de veelhoek is gele- 35 gen.
14. Grondbewerkingsmachine volgens conclusie 12 of 13, met het kenmerk, dat het aankoppelpunt met een voorste arm van de scharnierende veelhoek is verbonden.
15. Grondbewerkingsmachine volgens conclusie 12-14, 8302376 - 13 - * met het kenmerk, dat de respectieve aankoppelpunten deel uitmaken van een beugel waarvan de zich naar achteren uitstrekkende benen met de scharnierende veelhoeken zijn verbonden.
16. Grondbewerkingsmachine volgens een der conclusies 5 12-15, met het kenmerk, dat. de onderste aankoppelpunten een opwaarts gerichte sleuf omvatten.
17. Grondbewerkingsmachine volgens een der conclusies 8-16, met het kenmerk, dat een voorste arm van een scharnierende veelhoek deel uitmaakt van een tuimelaar, die met 10 zijn andere einde scharnierend is verbonden met een ondersteuning voor een tot de grondbewerkingsmachine behorende rol.
18. Grondbewerkingsmachine volgens conclusie 17, met het kenmerk, dat de rol verzwenkbaar met het gestel van de 15 machine is verbonden en de ondersteuning voor de ról scharnierend met de tuimelaar is verbonden.
19. Grondbewerkingsmachine volgens conclusie 17 of 18, met het kenmerk, dat de tuimelaar nabij de bovenzijde van een aan de voorzijde van de machine aanwezige bok verzwenk- 20 baar is aangebracht en- de bok is voorzien van een driepunts-bevestiging voor aankoppeling aan de driepuntshefinrichting van een trekker.
20. Grondbewer&ngsmachine volgens een der conclusies 17 - 19, met het kenmerk, dat tussen de ondersteuning voor 25 de rol en de tuimelaar een stang is aangebracht, die in meerdere punten met de tuimelaar koppelbaar is.
21. Grondbewerkingsmachine volgens een der conclusies 15 - 20, met het kenmerk, dat de benen van de beugel waaraan het bovenste aankoppelpunt is aangebracht, in meerdere punten 30 met de voorste arm van een scharnierende veelhoek koppelbaar is.
22. Grondbewerkingsmachine volgens een der conclusies 18 - 21, met het kenmerk, dat de ondersteuning voor de rol tussen aanslagen op het gestel van de machine vrij beweegbaar 35 is.
23. Grondbewerkingsmachine volgens conclusie 22, met het kenmerk, dat een bovenste aanslag in meerdere standen ten opzichte van het gestel brengbaar en vastzetbaar is. 8302073 t - 14 -
24. Grondbewerkingsmachine volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de machine een aantal naast elkaar aangebrachte, om opwaarts gerichte assen draaibare bewerkingsorganen omvat, waarachter de rol is gelegen.
25. Grondbewerkingsmachine volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat in de transportstand tot een aanbouwwerktuig behorende wielen ter hoogte van de bewerkingsorganen van de grondbewerkingsmachine zijn gelegen.
26. Grondbewerkingsmachine volgens een der voorgaande 10 conclusies 8-25, met het kenmerk, dat een verstelcylinder aanwezig is, met behulp waarvan de scharnierende veelhoek kan worden versteld.
27. Grondbewerkingsmachine zoals beschreven in het voorgaande en weergegeven in de figuren. 15 -o-o-o-o-o- 8302078
Priority Applications (3)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL8302876A NL192594C (nl) | 1983-08-16 | 1983-08-16 | Combinatie van een grondbewerkingsmachine en een daarmee te koppelen verdere machine. |
| FR8411557A FR2550685B1 (fr) | 1983-08-16 | 1984-07-20 | Machine pour travailler le sol munie de moyens d'attelage additionnel perfectionnes |
| DE19843430071 DE3430071A1 (de) | 1983-08-16 | 1984-08-16 | Bodenbearbeitungsmaschine oder aehnliche landmaschine, insbesondere kreiselegge zur saatbettbereitung |
Applications Claiming Priority (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL8302876 | 1983-08-16 | ||
| NL8302876A NL192594C (nl) | 1983-08-16 | 1983-08-16 | Combinatie van een grondbewerkingsmachine en een daarmee te koppelen verdere machine. |
Publications (3)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL8302876A true NL8302876A (nl) | 1985-03-18 |
| NL192594B NL192594B (nl) | 1997-07-01 |
| NL192594C NL192594C (nl) | 1997-11-04 |
Family
ID=19842274
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL8302876A NL192594C (nl) | 1983-08-16 | 1983-08-16 | Combinatie van een grondbewerkingsmachine en een daarmee te koppelen verdere machine. |
Country Status (3)
| Country | Link |
|---|---|
| DE (1) | DE3430071A1 (nl) |
| FR (1) | FR2550685B1 (nl) |
| NL (1) | NL192594C (nl) |
Families Citing this family (2)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| DE8911838U1 (de) * | 1989-10-04 | 1989-11-23 | H. Niemeyer Söhne GmbH & Co KG, 4446 Hörstel | Vorrichtung zum Kuppeln von landwirtschaftlichen Geräten |
| CN116548105B (zh) * | 2023-05-09 | 2024-05-07 | 生态环境部土壤与农业农村生态环境监管技术中心 | 一种有机污染土壤生态修复用的土壤改良装置及方法 |
Family Cites Families (6)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| US2325856A (en) * | 1940-11-29 | 1943-08-03 | Mars M Hornish | Tractor drawn implement |
| GB1419715A (en) * | 1972-03-10 | 1975-12-31 | Waertsilae Oy Ab | Soilworking appliance arranged to be coupled to the lifting device of a farm tractor |
| AT314883B (de) * | 1972-06-08 | 1974-04-25 | Prillinger Hans Fa | Vorrichtung zum Anschluß eines nachgereihten Folgegerätes an ein mit dem Hubwerk eines Ackerschleppers gekuppeltes Anbaugerät |
| CH591202A5 (nl) * | 1975-09-26 | 1977-09-15 | Buetzberger Jean | |
| DE3105639C3 (de) * | 1981-02-17 | 1993-12-02 | Amazonen Werke Dreyer H | Geschlossene Gerätekombination für die Landwirtschaft |
| FR2505130A1 (fr) * | 1981-05-06 | 1982-11-12 | Amazonen Werke Dreyer H | Semoir mecanique avec dispositif d'attelage |
-
1983
- 1983-08-16 NL NL8302876A patent/NL192594C/nl not_active IP Right Cessation
-
1984
- 1984-07-20 FR FR8411557A patent/FR2550685B1/fr not_active Expired
- 1984-08-16 DE DE19843430071 patent/DE3430071A1/de active Granted
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| NL192594B (nl) | 1997-07-01 |
| DE3430071A1 (de) | 1985-02-28 |
| DE3430071C2 (nl) | 1990-02-01 |
| FR2550685A1 (fr) | 1985-02-22 |
| NL192594C (nl) | 1997-11-04 |
| FR2550685B1 (fr) | 1989-06-30 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| CA2207250C (en) | Cultivator attachment for a skid steer tractor unit | |
| NL8501109A (nl) | Landbouwwerktuig. | |
| NL8402540A (nl) | Ploeg. | |
| NL8800800A (nl) | Combinatie van een trekker met ten minste een grondbewerking-zaaieenheid. | |
| NL8402585A (nl) | Ploeg. | |
| NL192594C (nl) | Combinatie van een grondbewerkingsmachine en een daarmee te koppelen verdere machine. | |
| NL193084C (nl) | Grondbewerkingsmachine. | |
| NL8101017A (nl) | Grondbewerkingsmachine. | |
| NL8500187A (nl) | Grondbewerkingsmachine. | |
| NL9200243A (nl) | Grondbewerkingsmachine. | |
| NL8301074A (nl) | Grondbewerkingsmachine. | |
| NL8001263A (nl) | Landbouwwerktuig, in het bijzonder grondbewerkingsmachine. | |
| NL192364C (nl) | Combinatie van een trekker en een samenstel van een rotorkopeg en een zaaimachine. | |
| NL7907081A (nl) | Grondbewerkingsmachine. | |
| NL8303042A (nl) | Grondbewerkingsmachine. | |
| US2318561A (en) | Lister | |
| EP0252555B1 (en) | A soil cultivating machine | |
| NL8902832A (nl) | Landbouwmachine. | |
| NL9101330A (nl) | Grondbewerkingsmachine. | |
| NL8700952A (nl) | Grondbewerkingsmachine. | |
| NL8601828A (nl) | Grondbewerkingsmachine. | |
| NL8602429A (nl) | Grondbewerkingsmachine. | |
| US2949970A (en) | Position locking mechanism for two-way plow | |
| NL9500021A (nl) | Grondbewerkingsmachine. | |
| NL8400901A (nl) | "grondbewerkingsmachine". |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| BA | A request for search or an international-type search has been filed | ||
| BB | A search report has been drawn up | ||
| BC | A request for examination has been filed | ||
| V1 | Lapsed because of non-payment of the annual fee |
Effective date: 20030301 |