NL9201733A - Beveiligingsinrichting voor een tank. - Google Patents

Beveiligingsinrichting voor een tank. Download PDF

Info

Publication number
NL9201733A
NL9201733A NL9201733A NL9201733A NL9201733A NL 9201733 A NL9201733 A NL 9201733A NL 9201733 A NL9201733 A NL 9201733A NL 9201733 A NL9201733 A NL 9201733A NL 9201733 A NL9201733 A NL 9201733A
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
tank
tank reservoir
cover plate
reservoir
vent
Prior art date
Application number
NL9201733A
Other languages
English (en)
Original Assignee
Rosenbauer Int Gmbh
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Rosenbauer Int Gmbh filed Critical Rosenbauer Int Gmbh
Publication of NL9201733A publication Critical patent/NL9201733A/nl

Links

Classifications

    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B65CONVEYING; PACKING; STORING; HANDLING THIN OR FILAMENTARY MATERIAL
    • B65DCONTAINERS FOR STORAGE OR TRANSPORT OF ARTICLES OR MATERIALS, e.g. BAGS, BARRELS, BOTTLES, BOXES, CANS, CARTONS, CRATES, DRUMS, JARS, TANKS, HOPPERS, FORWARDING CONTAINERS; ACCESSORIES, CLOSURES, OR FITTINGS THEREFOR; PACKAGING ELEMENTS; PACKAGES
    • B65D90/00Component parts, details or accessories for large containers
    • B65D90/22Safety features
    • B65D90/32Arrangements for preventing, or minimising the effect of, excessive or insufficient pressure
    • B65D90/34Venting means
    • AHUMAN NECESSITIES
    • A62LIFE-SAVING; FIRE-FIGHTING
    • A62CFIRE-FIGHTING
    • A62C27/00Fire-fighting land vehicles

Landscapes

  • Health & Medical Sciences (AREA)
  • Public Health (AREA)
  • Business, Economics & Management (AREA)
  • Emergency Management (AREA)
  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • Mechanical Engineering (AREA)
  • Filling Or Discharging Of Gas Storage Vessels (AREA)
  • Loading And Unloading Of Fuel Tanks Or Ships (AREA)

Description

Beveiligingsinrichting voor een tank
De uitvinding heeft betrekking op een beveiligingsinrichting tegen het overmatig vullen en overmatig belasten van een vloeistoftank, in het bijzonder een vloeistoftank op gemeentevoer-tuigen met een tankreservoir, dat voor het opnemen van bevestigingsmiddelen, in het bijzonder elastisch vervormbare veerblokken ter ondersteuning op een voertuigchassis, is uit^evoerd, met een vulopening, met afvoeropeningen en eventueel met*een afsluitbare mangatopening.
Dergelijke beveiligingsinrichtingen voor tanks op voertuigen zijn reeds bekend. Deze dienen ertoe om bij het overmatig vullen van de tank een vernieling door de drukbelasting in de binnenruimte van het tankreservoir te vermijden. Bovendien moet worden verhinderd, dat bij het snel door bochten rijden respectievelijk het rijden over sterk hellende straten of terrein of bij het bergop of bergaf rijden het water vanuit de binnenruimte van het tankreservoir naar buiten kan wegstromen. Teneinde de ontwijkende lucht bij het vullen van de tank te regelen en bij het overmatig vullen de overtollige vloeistof rechtstreeks af te voeren respectievelijk bij een in de tank door het afzuigen van de tankinhoud ontstane onderdruk het vullen van de binnenruimte van het tankreservoir met lucht te garanderen, werd hiertoe een valpijp, die rechtstreeks was verbonden met de omgeving van het tankreservoir, via de dekplaat van het tankreservoir omhoog geleid en werd over deze valpijp een afdekkap geplaatst, waarbij de door de afdekkap ί omvatte binnenruimte rechtstreeks met de binnenruimte van het tankreservoir was verbonden. Deze zogenaamde tankkoepel heeft er thans toe geleid, dat bij een helling van de tank in afhankelijkheid van de lengte van het uitsteken van de valpijp boven de dekplaat van het tankreservoir pas bij een maximale hellingshoek om ) een langs- of dwarsas van de tank een naar buiten treden van de vloeistof kon geschieden.
Bij snelrijdende voertuigen, in het bijzonder gemeente-voertuigen, zoals brandweervoertuigen en dergelijke, waarbij het erop aan komt de constructieve hoogte zo gering mogelijk te houden 5 en een maximaal volume van het tankreservoir voor het meenemen van vloeistoffen, in het bijzonder water voor blusdoeleinden en dergelijke, vorm te geven, was de plaatsing van de tankkoepel storend. Om een voldoende grote beveiliging van het tankreservoir tegen vernieling tijdens het vullen of legen te garanderen moesten derhalve gecompliceerde beveiligingsinrichtingen met electropneumati-sche kleppen en dergelijke worden toegepast, die een voortdurend onderhoud vereisten en tijdens het uitvallen waarvan telkens opnieuw het risico bestond, dat een beschadiging van het tankreservoir kon optreden. >
De onderhavige uitvinding beoogt thans een beveili-gingsinrichting voor een tankreservoir te verschaffen, die zonder gecompliceerde mechanische insteldelen voldoet en waarbij het verlies aan constructieve hoogte respectievelijk het vulverlies in de binnenruimte van het tankreservoir zo gering mogelijk kan worden gehouden.
Dit doel wordt volgens de uitvinding bereikt doordat in het hoekgebied tussen een frontale wand van het tankreservoir en de beide tegenover elkaar gelegen zijwanden telkens een inlaatope-ning voor telkens een ontluchtingsleiding is aangebracht en dat elk van deze ontluchtingsleidingen zich bij voorkeur over de gehele lengte stijgend naar een diagonaal tegenovergelegen hoekgebied tussen een achterwand en de tegenovergelegen zijwand in de richting van een dekplaat uitstrekt en de naar dit hoekgebied toegekeerde gedeelten van de ontluchtingsleidingen zijn verbonden met een het tankreservoir omhullende luchtruimte.
Hierbij is het van voordeel, dat zonder enigerlei mechanische instelelementen, zoals ventielen, kleppen of dergelijke, het gewenste resultaat kan worden bereikt en slechts door de zinvolle plaatsing van de ontluchtingsleiding alle beveiligingsfuncties ter vermijding van beschadigingen van het tankreservoir kunnen worden bereikt. Tegelijkertijd wordt bewerkstelligd, dat deze beveiligingsinrichting functioneert met een minimaal verlies aan tankinhoud, aangezien een groot gedeelte van het tijdens het kantelen van het tankreservoir in diverse richtingen in de ontluchtingsleidingen binnentredende medium bij het in zijn ruststand terugbrengen van het tankreservoir opnieuw terugstroomt naar het inwendige van de tank. Een verder voordeel van deze oplossing is echter bij de toepassing van een dergelijke beveiligingsinrichting op het gebied van brandweerwagens vooral hierin gelegen, dat bij- voorbeeld tijdens watertransportritten naar toepassingsplaatsen, vooral in de winter bij temperaturen onder 0°C, de vorming van ijzel op de weg door het uit de overloop van de tank naar buiten tredende bluswater op betrouwbare wijze is verhinderd.
Van voordeel is tevens een uitvoeringsvorm, waarbij de ontluchtingsleidingen worden gevormd door twee in het respectievelijke hoekgebied zich tussen de zijwanden en de dekplaat uitstrekkende hoekkanalen, die in de buurt van de hekwand zijn voorzien van onderling in tegengestelde richtingen lopend naar de dekplaat stijgende dwarskanalen, die via, bij benadering loodrecht op de dekplaat lopende valpijpen zijn verbonden met uitlaten in de buurt van een bodemplaat van het tankreservoir. Hierdoor wordt een vlak verloop van de ontluchtingsleidingen over de lengte van het tankreservoir bewerkstelligd en is slechts over de brede zijde van het tankreservoir een vergroting van de constructieve hoogte noodzakelijk. De hoeveelheid van het eventueel naar buiten tredende overvloeiende water wordt extra gereduceerd.
Overeenkomstig een andere voordelige uitvoeringsvorm geldt, dat de evenwijdig aan de zijwand van het tankreservoir lopende hoekkanalen op de dekplaat van het tankreservoir zijn geplaatst en via een de inlaatopening vormende doorbreking in de dekplaat zijn verbonden met een binnenruimte van het tankreservoir en de beide tegengesteld gelijk stijgende dwarskanalen in een tegenover de inlaatopeningen van de ontluchtingsleidingen gelegen frontaal eindgebied van het tankreservoir eveneens op de dekplaat zijn geplaatst en dat de valpijpen bij voorkeur buiten het tankreservoir zijn aangebracht. Hierbij is het van voordeel, dat de gehele binnenruimte van het tankreservoir voor het opnemen van het medium kan worden uitgevoerd, terwijl bovendien de plaatsing en de constructie van de beveiligingsinrichting door de plaatsing op de dekplaat buiten de binnenruimte van het tankreservoir wordt vereenvoudigd en derhalve tevens goedkoper wordt.
Tevens is het mogelijk, dat de evenwijdig aan de zijwanden van het tankreservoir lopende ontluchtingsleidingen een begrenzingsdeel van de dekplaat in de buurt van de zijwanden vormen. Hierbij is het van voordeel, dat de onderdelen van de beveiligingsinrichting tegelijkertijd een dubbele functie vervullen, indien ze voor het begrenzen van een op het dak van het tankreservoir aangebracht laadvlak kunnen worden toegepast.
Tevens is het handig, wanneer de ontluchtingsleidingen evenwijdig aan de dek- respectievelijk bodemplaat een grotere langsuitstrekking bezitten dan loodrecht hierop. Hierdoor kan immers ook bij de toepassing van ontluchtingsleidingen in het inwendige van het tankreservoir het verloren gegane volume, dat niet met medium kan worden gevuld, gering worden gehouden.
Overeenkomstig een andere uitvoeringsvorm geldt, dat tussen de inlaatopening naar de ontluchtingsleiding en de uitmonding daarvan in de valpijp de ontluchtingsleiding respectievelijk het dwarskanaal zich met zijn laagste plaats in ten opzichte van de dekplaat loodrechte richting over het naar de binnenruimte van het tankreservoir toegekeerde oppervlak van de dekplaat uitstrekt. Hierdoor wordt de realisatie van de beveiligingsinrichting met een minimale vergroting van de constructieve hoogte mogelijk gemaakt.
Verder wordt een uitvoeringsvorm genoemd, waarbij tussen de inlaatopening naar de ontluchtingsleiding en de uitlaat van de beveiligingsinrichting respectievelijk de inlaat in de valpijp de ontluchtingsleiding en/of het dwarskanaal is voorzien van een kniebocht, die in ten opzichte van de bodemplaat tegengestelde richting boven het naar de binnenruimte van het tankreservoir toegekeerde oppervlak van de dekplaat uitsteekt. Hierdoor is het mogelijk, dat door de toepassing van standaard onderdelen, zoals buizen, in het bijzonder vlakke buizen, de beveiligingsinrichting bij reeds in gebruik zijnde tankreservoirs eenvoudig achteraf kan worden aangebracht.
Tenslotte is het ook mogelijk, dat de ontluchtingsleidingen diagonaal lopend zijn aangebracht en zich bij voorkeur binnen de binnenruimte van het tankreservoir bevinden en dat de ontluchtingsleidingen bij voorkeur in het kruisingsgebied zijn voorzien van een afvlakking respectievelijk een kniebocht. Hierdoor wordt het voordeel bereikt, dat met een gering verlies qua vul-hoogte, in het bijzonder bij de toepassing van vlakke buizen, een beschermde plaatsing van de beveiligingsinrichting in de tank mogelijk is.
De uitvinding wordt hierna aan de hand van de in de tekening weergegeven uitvoeringsvoorbeelden nader toegelicht.
Fig. 1 toont een brandweerwagen in zijaanzicht met een daarop aangebrachte tank en een hierin ingebouwde beveiligingsinrichting volgens de uitvinding in zijaanzicht en vereenvoudigd en schematisch weergegeven; fig. 2 toont, gedeeltelijk in doorsnede, de tank uit fig. 1 in bovenaanzicht; fig. 3 toont de tank in doorsnede en in frontaal aanzicht overeenkomstig de lijn III-III in fig. 2, samen met de ont-luchtingsleidingen en de dwarskanalen van de beveiligingsinrichting; fig. 4 toont een schematische tekening van de tank met het in de binnenruimte van het tankreservoir aanwezige medium bij een horizontale stand van de tank; fig. 5 toont de tank in schematische en vereenvoudigde weergave, met het hierin aanwezige medium tijdens een in de richting van de achterwand omhoog hellende plaatsing van het tankreservoir; fig. 6 toont de tank in schematische en vereenvoudigde weergave met het daarin aanwezige medium tijdens in de richting van een achterwand omlaag hellende plaatsing van het tankreservoir; fig. 7 toont de tank in frontaal aanzicht met het hierin aanwezige medium tijdens in de richting van een zijwand gekantelde plaatsing; fig. 8 toont de tank in frontaal aanzicht met het hierin aanwezige medium tijdens in de richting van de tegenovergelegen zijwand gekantelde plaatsing, en fig. 9 toont een tank met een andere uitvoeringsvorm van de beveiligingsinrichting in bovenaanzicht, schematisch en vereenvoudigd weergegeven.
In de figuren 1-3 is een brandweerwagen 1 getoond, waarbij op een chassis 2 brandweertechnische voorzieningen, in het bijzonder een tank 3, zijn aangebracht. De brandweerwagen 1 is voorzien van een bestuurderskabine 4, een waterkanon 5, een schematisch aangeduide pomp 6 en een aandrijfmotor 7. In de tank 3 is een beveiligingsinrichting 8 aangebracht, die een beschadiging van een tankreservoir 9 door een overdruk in het tankreservoir 9 respectievelijk door het overmatig vullen daarvan alsmede een beschadiging door een onderdruk tijdens het afzuigen van het in het tankinwendige aanwezige medium moet verhinderen.
In fig. 2 is de tank 3 op grotere schaal weergegeven. Het tankreservoir 9 bestaat bijvoorbeeld uit een samengesteld ma teriaal en is uit een aantal lagen glasfibermat, respectievelijk vlies, die in een hars is ingebed, als GFK-onderdeel vervaardigd. Het tankreservoir 9 kan echter ook uit staal- of aluminiumplaat zijn vervaardigd. Ter versterking van het tankreservoir 9 kunnen geschikte metaalelementen of versterkingslatten extra zijn toegepast. De beveiligingsinrichting 8 voor het tankreservoir 9, dat uit twee zijwanden 10, 11, een frontale wand 12, een achterwand 13, een dekplaat 14 en een bodemplaat 15 is samengesteld, bezit in de langsrichting, evenwijdig aan de zijwanden 10, 11 en dwars hierop, zich evenwijdig aan de achterwand 13 uitstrekkende schotten 16, 17. Deze schotten 16, 17 zijn voorzien van geschikte ope-ningen 18 en moeten de verplaatsing van een in de binnenruimte 19 van het tankreservoir 9 aanwezig medium 20, in het bijzonder water, verhinderen respectievelijk afremmen.
De beveiligingsinrichting 8 omvat bij het weergegeven uitvoeringsvoorbeeld evenwijdig aan de zijwanden 10, 11 lopende ontluchtingsleidingen 21, 22, hierop aansluitende dwarskanalen 23, 24 alsmede zich van hieruit naar een uitlaat 25 uitstrekkende val-pijpen 26. Zowel de ontluchtingsleidingen 21, 22 alsmede de dwarskanalen 23, 24 en de valpijpen 26 zijn geïntegreerd in het de tank 3 vormende, glasfiber versterkte tankreservoir 9. Een inlaatope-ning 27 naar de ontluchtingsleiding 22 doordringt de dekplaat 14 en verbindt aldus de binnenruimte 19 van het tankreservoir 9 met de op een hiervan afgekeerd oppervlak 28 aangebrachte ontluchtingsleiding 22. Deze inlaatopening 27 is aangebracht in een hoek-gebied 29 tussen de zijwand 11 en de frontale wand 12 in de buurt van de dekplaat 14.
Het tegenovergelegen uiteinde van de ontluchtingsleiding 22 mondt uit in het dwarskanaal 24, dat dwars op de langsrichting van de zijwanden 10, 11 loopt en vanaf de zijwand 11 in de richting van de tegenovergelegen zijwand 10 met een onderkant 30 zover stijgt, dat deze de ontluchtingsleiding 21 overspant respectievelijk overlapt. In de buurt van zijn frontale eindgebied mondt het dwarskanaal 24 boven de ontluchtingsleiding 21 uit in de valpïjp 26, die zich in een hoekgebied 31 tussen de zijwand 10 en de achterwand 13 van het tankreservoir 9 bevindt. Deze valpijp 26 is via de reeds aangeduide uitlaat 25 met de symbolisch door kleine cirkels aangeduide omgeving 32 verbonden.
De plaatsing van de ontluchtingsleiding 21 en het dwarskanaal alsmede van de hierop aansluitende valpijp 26 is thans precies tegengesteld gelijk aan de hiervoor beschreven plaatsing. De ontluchtingsleiding 21 strekt zich vanaf een hoekgebied 33 tussen de frontale wand 12 en de zijwand 10 vanaf een inlaatopening 34 uit tot in het gebied van het dwarskanaal 23, dat onmiddellijk aan de achterwand 13 grenzend is aangebracht. Ze strekt zich in de richting van de tegenovergelegen zijwand 11 stijgend uit tot aan de valpijp 26, die opnieuw in een tegenover het hoekgebied 31 gelegen hoekgebied 35 tussen de achterwand 13 en de zijwand 11 is aangebracht en waarvan de valpijp 26 op identieke wijze via een uitlaat 25 met de omgeving 32 in verbinding staat. De functie van deze beveiligingsinrichting tegen een beschadiging van het tankre-servoir 9 door het overmatig vullen respectievelijk overmatig belasten en ter verhindering van het naar buiten stromen van het medium 20 tijdens het rijden van bochten respectievelijk het rijden tijdens stijgingen of afdalingen door de brandweerwagen 1 wordt thans hierna aan de hand van de schematische schetsen in de fig. 4-8 toegelicht.
In fig. 4 is schematisch het tankreservoir 9 in horizontale stand weergegeven, waarbij het hierin aanwezige medium 20 zich geheel onder de inlaatopeningen 27 respectievelijk 34 bevindt. Wanneer het tankreservoir 9 in deze getoonde uitvoeringsvorm door een drukbron, bijvoorbeeld een watertoevoernet respectievelijk een pomp 6 zou worden gevuld, bijvoorbeeld via een in fig. 2 schematisch aangeduide vulopening 36, zou na het volledig vullen van de binnenruimte 19 het medium 20 door de inlaatopeningen 27 en 34 en via de ontluchtingsleidingen 21 en 22 en de dwars-kanalen 23 en 24, de valpijpen 26 en de uitlaten 25 slechts tegen de weerstand van de omgevingsluchtdruk naar buiten treden. Hierdoor wordt op effectieve wijze een overmatig vullen van het tankreservoir respectievelijk een drukopbouw in de binnenruimte 19 van het tankreservoir 9 en derhalve een beschadiging daarvan verhindert.
Op gelijke wijze wordt via de uitlaten 25, de valpijpen 26, de dwarskanalen 23, 24 en de ontluchtingsleidingen 21, 22 en de inlaatopeningen 27, 34 gewaarborgd, dat bij het onttrekken van medium 20 via een afvoeropening 37 in de binnenruimte 19 van het tankreservoir 9 geen onderdruk kan ontstaan, die tot een naar binnen trekken respectievelijk welven en derhalve beschadigen van de zijwanden 10, 11 respectievelijk de frontale wand of achterwand 12 respectievelijk 13 zou kunnen leiden.
Zoals verder de fig. 5-8 tonen, worden dezelfde beveiligingsmaatregelen echter ook gewaarborgd bij andere posities van het tankreservoir 9, aangezien een voortdurende verbinding met de omgeving 32 via de in het voorgaande beschreven beveiligingsin-richting 8 bereikbaar is.
In fig. 5 is het gedrag van de beveiligingsinrichting 8 bij het omlaagrijden van de brandweerwagen 1, waarbij derhalve de bodemplaat 15 in de richting van de frontale wand 12 hellend omlaag loopt, getoond.
Deze toestand correspondeert tegelijkertijd ook met de verplaatsing van het medium 20 tijdens het afremmen van de brandweerwagen 1.
Door de verplaatsing van het medium 20 tijdens het remmen of bij het afdalen van de brandweerwagen 1 worden de ontluch-tingsleidingen 21, 22 op de wijze van communicerende vaten met het medium 20 gevuld, waarbij echter de valpijpen 26 zich in de buurt van de tegenover de frontale wand 12 gelegen achterwand 13 bevinden en derhalve de aan de uitstroomzijde gelegen uiteinden van de ontluchtingsleidingen 21, 22 boven een vloeistofspiegel 38 van het medium 20 zijn aangebracht, zodat het medium 20 niet naar buiten kan stromen.
Bij de weergave in fig. 6 is daarentegen het verloop van een vloeistofspiegel 39 getoond, zoals optreedt tijdens het omlaagrijden van de brandweerwagen 1. Door de verplaatsing van het medium 20 in de buurt van de achterwand 13 ligt de vloeistofspiegel 39 onder de inlaatopening 27 respectievelijk 34 van de ontluchtingsleidingen 21, 22, en kan derhalve geen medium 20 naar buiten treden. De hoeveelheid van het medium 20, die eventueel naar buiten kan treden, wanneer de brandweerwagen 1 direct na het rijden van een afdaling aan een stijging begint, is begrensd door de vloeistofhoeveelheid, die maximaal in de ontluchtingsleiding 21 en 22 in fig. 5 is getoond.
Doch zelfs, wanneer deze in fig. 5 zichtbare vloeistof-hoeveelheid, die in de ontluchtingsleidingen 21 en 22 is binnengetreden, tijdens een aansluitend bergop rijden in de richting van de dwarskanalen 23 en 24 zou terugstromen, zou het medium 20 nog steeds niet naar de uitlaten 25 stromen, zolang het voertuig niet tegelijkertijd een zijdelingse helling in één richting bezit. En zelfs in dit geval zou slechts het in één ontluchtingsleiding 21 of 22 aanwezige medium 20 naar buiten kunnen stromen, zoals de weergaves in de volgende, in detail nog te beschrijven fig. 7 en 8 tonen. Wanneer derhalve tijdens de overgang van het omlaagrijden naar het omhoogrijden geen zijdelings kantelen van het tankreser-voir 9 optreedt, wordt een hoeveelheid van het medium 20, die de uitlaat kan bereiken, door de in tegengestelde richting stijgende dwarskanalen 23 en 24 verminderd, of wordt in het geheel het naar buiten treden van het medium 20 door deze stijgende dwarskanalen 23 en 24 verhinderd.
In de fig. 7 en 8 zijn de omstandigheden respectievelijk het verloop van een vloeistofspiegel 40 en 41 tijdens een dwarshelling van de brandweerwagen 1 in tegengestelde richtingen getoond. Hieruit blijkt, dat de vloeistofspiegel 40 respectievelijk 41 bij benadering in het centrale gebied van het tankreser-voir 9 de dwarskanalen 23 en 24 snijdt en derhalve de in de buurt van de dichter bij de weg gelegen zijwand 10 respectievelijk 11 aanwezige ontluchtingsleiding 21 respectievelijk 22 en een gedeelte van de dwarskanalen 23 respectievelijk 24 met medium 20 gevuld is. Ook in deze stand van het tankreservoir 9 is echter het naar buiten treden van medium uit de binnenruimte 19 niet mogelijk, aangezien de valpijpen 26 telkens in de buurt van de tegenover de bijbehorende ontluchtingsleiding 21 respectievelijk 22 gelegen zijwand 11 respectievelijk 10 zijn aangebracht en de uitlaat van de dwarskanalen 23 respectievelijk 24 zich derhalve boven de vloeistofspiegel 40 bevindt en derhalve het medium 20 niet door de valpijpen 26 naar buiten kan stromen.
Wanneer het tankreservoir 9 opnieuw de horizontale stand inneemt stroomt het in de dwarskanalen 23 of 24 aanwezige medium 20 vanwege de helling in de richting van de daaraan toegevoegde ontluchtingsleidingen 21 respectievelijk 22 en door deze via de inlaatopeningen 27 en 34 opnieuw terug in de binnenruimte 19 van het tankreservoir 9.
Een totale beschouwing van deze verschillende mogelijke standen van het tankreservoir 9 toont derhalve, dat ook bij een combinatie van diverse dwarshellingen van de tank met bijbehorende langshellingen respectievelijk rem- of acceleratieverplaatsingen van het medium 20 slechts geringe hoeveelheden van het medium 20 naar buiten kunnen treden en het naar buiten stromen van dit medium bij een geringe verplaatsing van het tankreservoir 9 zichzelf onderbreekt.
In fig. 9 is een andere uitvoeringsvariant van een be-veiligingsinrichting 8 volgens de uitvinding getoond, waarbij een gebruikelijke, bijvoorbeeld uit metaalplaat of aluminiumplaat vervaardigde tank 3 diagonaal tussen de achter- en frontale wanden 13, 12 respectievelijk evenwijdig aan de dekplaat 14 lopende, door buizen gevormde ontluchtingsleidingen 42, 43 bezit. Teneinde thans dezelfde werking van de beveiligingsinrichting 8 te bereiken als bij een in het voorgaande beschreven uitvoeringsvorm, kunnen deze ontluchtingsleidingen 42, 43 vanaf de achterwand 13 in de richting van de frontale wand 12 met een geringer wordende afstand tot de dekplaat 14 zijn aangebracht, zodat aan het einde van een dwars-helling of langshelling van het tankreservoir 9 het daarin naar binnen getreden medium opnieuw terug kan stromen. De uitlaat 25 van deze ontluchtingsleidingen 42, 43, is bij deze uitvoeringsvorm direct door de zijwand 10 respectievelijk 11 naar de omgeving 32 geleid.
Teneinde het passeren van de ontluchtingsleidingen 42 en 43 in het kruisingsgebied mogelijk te maken, kunnen de hel-lingshoeken van de afzonderlijke ontluchtingsleidingen 42, 43 onderling verschillen of kan één der beide ontluchtingsleidingen 42 of 43 zijn voorzien van een corresponderende zijdelingse en/of in hoogterichting uitgevoerde kniebocht. Vanzelfsprekend is het ook mogelijk, om deze ontluchtingsleidingen 42, 43 overeenkomstig de ontluchtingsleidingen 21, 22 en de dwarskanalen 23 en 24 in de binnenruimte 19 van het tankreservoir 9 of op het aan de buitenzijde daarvan gelegen oppervlak 28 aan te brengen, i Bovendien is het mogelijk, teneinde een extra uit- stroomverhindering te bewerkstelligen, in aanvulling op de diagonaal lopende plaatsing van de ontluchtingsleidingen 42, 43 deze te voorzien van de dekplaat 14 van het tankreservoir 9 verticaal overlappende kniebochten, zodat hetzelfde effect wordt bereikt, j als bij de hellende plaatsing van de dwarskanalen 23 en 24. Deze kniebocht zou in dit geval tussen de inlaatopeningen 27 respectievelijk 34 en de uitlaten 25 respectievelijk de hiervoor geplaatste valpijpen 26 geschieden.
Van voordeel is het vooral bij de in de fig. 1-3 weer gegeven uitvoeringsvariant, wanneer de ontluchtingsleidingen 21, 22 in de verlenging van de zijwand van het tankreservoir 9 op de buitenzijde van de dekplaat van het tankreservoir 9 zijn geplaatst.
Bovendien wordt een extra voordeel verkregen, wanneer het de dwarskanalen 23, 24 en eventueel de valpijpen 26 opnemende deel van het tankreservoir 9 respectievelijk in een dit opnemend onderdeel 44, dat tenminste wat betreft de hoogte boven de dekplaat 14 van het tankreservoir 9 uitsteekt, de voor toepassings-voertuigen noodzakelijke signalerings- respectievelijk rondom-zichtbare-lampen 45 met gele of blauwe kleur aan te brengen.
Zoals verder in het bijzonder uit fig. 1 blijkt, kan het voor het zichtbaar maken van het voertuig, in het bijzonder een brandweerwagen 1, in het bijzonder in het wegverkeer tijdens het gebruik, van voordeel zijn, wanneer tussen de bestuurderskabi-ne 4 en een opbouw 46 respectievelijk de tank 3 een zich dwars op de voertuiglangsrichting uitstrekkende beugelvormige verlichtings-schacht 47 is aangebracht. Deze verlichtingsschacht 47 omvat verticale zijdelen 48, 49, die zich in de buurt van de zijwanden 50, 51 van de brandweerwagen 1 respectievelijk van de opbouw 46 bevinden en een zich evenwijdig aan een dak 52 van de bestuurderskabine 4 respectievelijk van de opbouw 46 uitstrekkend dwarsdeel 53, dat in hoogterichting uitsteekt boven het dak 52. Facultatief is het ook mogelijk dat de zijdelen 48, 49 uitsteken boven de zijwanden 50, 51. Tenminste in het dwarsdeel 53, bij voorkeur echter ook in de zijdelen 48 en 49, zijn signalerings- respectievelijk rondom-zichtbare-lampen 45 aangebracht achter een tenminste ongeveer evenwijdig aan de zijwanden 50, 51 en het dak 52 lopende afdekplaat, bij voorkeur uit een blauw doorschijnend materiaal. Vanzelfsprekend kunnen ook de verticaal boven de zijwande 50, 51 respectievelijk het dak 52 uistekende gebieden van de zijdelen 48, 49 en van het dak 52 door doorschijnende, blauw gekleurde bekledings-platen gevormd zijn. Dit verschaft tevens de mogelijkheid, een zich over de beide zijwanden en het dakgebied uitstrekkend doorlopend verlichtingskanaal te vormen, dat qua kleur ten opzichte van de aansluitende wandgebieden van de zijwanden 10, 11 opvalt. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld de opbouw en het tankreservoir 9 van de brandweerwagen 1 onafhankelijk van de bestuurderkabine 4 worden geverfd, aangezien door de kleurscheiding van de beide lakgebieden geringe verschillen in de kleurstelling bij eenzelfde kleursamen-stelling niet kunnen worden waargenomen.
Het voordeel van deze het laatst beschreven op zichzelf afzonderlijke inventieve oplossing moet onder andere hierin worden gezien, dat een speciaal voertuig, in het bijzonder een brandweerwagen 1, bij het bereiken van een kruising en bij het uitvoegen uit kolonnes voor het inhalen respectievelijk tijdens het afbuigen beter herkend wordt en hierdoor het risico op ongelukken kan worden verlaagd.
De onderhavige oplossing is niet beperkt tot de beschreven combinaties van kenmerken, doch veeleer kunnen ook afzonderlijke kenmerken respectievelijk groepen van kenmerken op zichzelf inventieve oplossingen vormen. De weergave, in het bijzonder in de functionele schetsen van de tekeningen, geschieden met het oog op een betere overzichtelijkheid grotendeels niet op schaal en verhoudingsgewijs verwrongen.

Claims (8)

1. Beveiligingsinrichting tegen het overmatig vullen en overmatig belasten van een vloeistoftank, in het bijzonder een vloeistoftank op gemeentevoertuigen met een tankreservoir, dat voor het opnemen van bevestigingsmiddelen, in het bijzonder elastisch vervormbare veerblokken ter ondersteuning op een voertuig chassis, is uitgevoerd, met een vulopening, met afvoeropeningen en eventueel met een afsluitbare mangatopening, met het kenmerk, dat in het hoekgebied (29, 33) tussen een frontale wand (12) van het tankreservoir (9) en de beide tegenover elkaar gelegen zijwanden (10, 11) telkens een inlaatopening (27, 34) voor telkens een ont-luchtingsleiding (21, 22) is aangebracht en dat elk van deze ont-luchtingsleidingen (21, 22) zich bij voorkeur over de gehele lengte stijgend naar een diagonaal tegenovergelegen hoekgebied (31, 35. tussen een achterwand (13) en de tegenovergelegen zijwand (10, 11) in de richting van een dekplaat (14) uitstrekt en de naar dit hoekgebied (31, 35) toegekeerde gedeelten van de ontluchtingslei-dingen (21, 22) zijn verbonden met een het tankreservoir (9) omhullende luchtruimte.
2. Beveiligingsinrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de ontluchtingsleidingen (21, 22) worden gevormd door twee in het respectievelijke hoekgebied (31, 35) zich tussen de zijwanden (10, 11) en de dekplaat (14) uitstrekkende hoekkanalen, die in de buurt van de hekwand (13) zijn voorzien van onderling in tegengestelde richtingen lopend naar de dekplaat (14) stijgende dwarskanalen (23, 24), die via, bij benadering loodrecht op de dekplaat (14) lopende valpijpen (26) zijn verbonden met uitlaten (25) in de buurt van een bodemplaat (15) van het tankreservoir (9)·
3. Beveiligingsinrichting volgens conclusie 1 of 2, met het kenmerk, dat de evenwijdig aan de zijwand (10, 11) van het tankreservoir (9) lopende hoekkanalen op de dekplaat (14) van het tankreservoir (9) zijn geplaatst en via een de inlaatopening (27, 34) vormende doorbreking in de dekplaat (14) zijn verbonden met een binnenruimte (19) van het tankreservoir (9) en de beide tegen- i gesteld gelijk stijgende dwarskanalen (23, 24) in een tegenover de inlaatopeningen (27, 34) van de ontluchtingsleidingen (21, 22) gelegen frontaal eindgebied van het tankreservoir (9) eveneens op de dekplaat (14) zijn geplaatst en dat de valpijpen (26) bij voorkeur buiten het tankreservoir (9) zijn aangebracht.
4. Beveiligingsinrichting volgens één of een aantal der conclusies 1-3, met het kenmerk, dat de evenwijdig aan de zijwanden (10, 11) van het tankreservoir (9) lopende ontluchtingsleidin-gen (21, 22) een begrenzingsdeel van de dekplaat (14) in de buurt van de zijwanden (10, 11) vormen.
5. Beveiligingsinrichting volgens één of een aantal der conclusies 1-4, met het kenmerk, dat de ontluchtingsleidingen (21, 22) evenwijdig aan de dek- respectievelijk bodemplaat (14, 15) een grotere langsuitstrekking bezitten dan loodrecht hierop.
6. Beveiligingsinrichting volgens één of een aantal der conclusies 1-5, met het kenmerk, dat tussen de inlaatopening (27, 34) naar de ontluchtingsleiding (21, 22) en de uitmonding daarvan in de valpijp (26) de ontluchtingsleiding (21, 22) respectievelijk het dwarskanaal (23, 24) zich met zijn laagste plaats in ten opzichte van de dekplaat (14) loodrechte richting over het naar de binnenruimte (19) van het tankreservoir (9) toegekeerde oppervlak van de dekplaat (14) uitstrekt.
7. Beveiligingsinrichting volgens één of een aantal der conclusies 1-6, met het kenmerk, dat tussen de inlaatopening (27, 34) naar de ontluchtingsleiding (21, 22) en de uitlaat (25) van de beveiligingsinrichting (8) respectievelijk de inlaat in de valpijp (26) de ontluchtingsleiding (21, 22) en/of het dwarskanaal (23, 24. is voorzien van een kniebocht, die in ten opzichte van de bodemplaat (15) tegengestelde richting boven het naar de binnenruimte (19) van het tankreservoir (9) toegekeerde oppervlak van de dekplaat (14) uitsteekt.
8. Beveiligingsinrichting volgens één of een aantal der conclusies 1-7, met het kenmerk, dat de ontluchtingsleidingen (21, 22) diagonaal lopend zijn aangebracht en zich bij voorkeur binnen de binnenruimte (19) van het tankreservoir (9) bevinden en dat de ontluchtingsleidingen (21, 22) bij voorkeur in het kruisingsgebied zijn voorzien van een afvlakking respectievelijk een kniebocht.
NL9201733A 1991-10-11 1992-10-08 Beveiligingsinrichting voor een tank. NL9201733A (nl)

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
AT203291 1991-10-11
AT203291A AT404577B (de) 1991-10-11 1991-10-11 Flüssigkeitstank für ein fahrzeug, insbesondere ein kommunalfahrzeug

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL9201733A true NL9201733A (nl) 1993-05-03

Family

ID=3526342

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL9201733A NL9201733A (nl) 1991-10-11 1992-10-08 Beveiligingsinrichting voor een tank.

Country Status (3)

Country Link
AT (1) AT404577B (nl)
DE (1) DE4232445A1 (nl)
NL (1) NL9201733A (nl)

Families Citing this family (1)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE102007053479A1 (de) * 2007-11-09 2009-05-14 Herbert Fettweis Vorrichtung für die Brandbekämpfung

Family Cites Families (1)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US3995871A (en) * 1975-07-22 1976-12-07 Pullman Incorporated Vapor recovery overturn rail

Also Published As

Publication number Publication date
DE4232445A1 (de) 1993-04-15
AT404577B (de) 1998-12-28
ATA203291A (de) 1998-05-15

Similar Documents

Publication Publication Date Title
US20200331381A1 (en) Baffled Fluid Tank with Stairway Access
CN109903562B (zh) 一种化学危险品运输配送系统
JPS5828129B2 (ja) トクニジドウシヤヨウヨウ ノ ネンリヨウヨウキ ノ カンキソウチ
DE69215382T2 (de) Entlüftungseinrichtung für kraftstoffeinfüllrohr
US4142470A (en) Diesel locomotive fuel tank vent
NL9201733A (nl) Beveiligingsinrichting voor een tank.
US5738380A (en) Fuel fill device for tractors
US4237928A (en) Low profile tapered sump for railway tank cars
EP0479523B1 (en) A fuel tank assembly
CA2290199A1 (en) Fuel tank vent system with orifice
JP2013536111A (ja) 自動車用燃料タンク
CN1066068C (zh) 从一表面分开排放两种比重不同互不相混的液体的设备
EP0186372B1 (en) Vehicle fuel tank venting system
US4241578A (en) Fluid storage tank for an industrial vehicle
US6915860B2 (en) High ground-clearance rough terrain fire fighting vehicle
US5515881A (en) Multi-storage tanks and dispensing units
AU2010202068B2 (en) Access Ladder for Vehicles
KR200462004Y1 (ko) 차선 규제블럭
US3296396A (en) Hydraulic brake system with improved filler cap
AU773263B2 (en) Apparatus for storing a liquid
JP2011143736A (ja) リザーバタンクおよびこれを用いたブレーキ装置
NL1014531C2 (nl) Waterwerende ventilatieklep.
KR102951677B1 (ko) 방호벽
KR102167897B1 (ko) 저장 탱크 운송 화차
AU2015203308B2 (en) Fluid tank with stairway access

Legal Events

Date Code Title Description
BA A request for search or an international-type search has been filed
BA A request for search or an international-type search has been filed
BB A search report has been drawn up
BC A request for examination has been filed
BV The patent application has lapsed