<Desc/Clms Page number 1>
"Werkwijze voor het vervaardigen van een grondstof voor de veevoeding en grondstof vervaardigd volgens deze werkwijze".
De uitvinding heeft betrekking op een werkwijze voor het vervaardigen van een grondstof voor de veevoeding uitgaande van ten minste een van de restprodukten van een tarwezetmeelbereiding volgens welke bereiding men een vloeibare geconcentreerde reststroom en een verdunde, overblijvende afvalstroom, verkrijgt, volgens welke werkwijze men de overblijvende afvalstroom aan een thermische behandeling onderwerpt waardoor aanwezige eiwitten coaguleren, men de eiwitrijke vaste bestanddelen verwijdert en men de overblijvende afvalstroom indampt en verder tot een grondstof voor de veevoeding verwerkt.
De bereiding van zetmeel uit tarwe kan op verschillende manieren, waarvan er een aantal beschreven zijn in Stärke 36 (1984) nr. 1, p. 1-7, uitgevoerd worden.
Tijdens een mogelijke tarwezetmeelbereiding wordt tarwe tot meel gemalen waaruit men na zuivering bloem en nevenprodukten zoals kiemen, zemelen, kortmeel en kriel verkrijgt.
Bij de scheiding van bloem in zetmeel en gluten ontstaat gedurende de verdere zuivering van deze bestanddelen een vloeibare nevenstroom die naast zetmeel als hoofdcomponent onder meer ook nog eiwitten, vezels, pentosanen, suikers, vetten en as bevat.
Door de recuperatie van zetmeel uit de nevenstroom ontstaat een verdunde stroom die na indikking gescheiden wordt in een geconcentreerde reststroom met een droge stofgehalte van 10 à 25 gew. %,"feed slurry"genoemd en een overblijvende afvalstroom met een droge stofgehalte van 2 a 4 gew. %.
Een werkwijze van het hierboven gedoelde type waardoor men uitgaande van de overblijvende afvalstroom
<Desc/Clms Page number 2>
een grondstof voor de veevoeding verkrijgt, is bekend uit EP-B-0 001 470.
Volgens deze werkwijze onderwerpt men de overblijvende afvalstroom aan een hittebehandeling, scheidt men de eiwitrijke vaste bestanddelen af en dampt men, na een behandeling met hemicellulasen, in tot een droge stofgehalte van 35 a 45 gew. %. Een bijkomende behandeling met a-amylase en gluco-amylase laat toe de overblijvende afvalstroom tot een droge stofgehalte van 70 gew. % in te dampen. Na drogen verkrijgt men een grondstof geschikt voor de veevoeding.
Dergelijke werkwijze is in hoofdzaak gericht op het bewerken van de afvalstroom van de tarwezetmeelbereiding teneinde het afvalwater van de tarwezetmeelindustrie te ontlasten. Daarbij wordt als nevenprodukt een component bekomen die als produkt voor de veevoeding gebruikt kan worden doch slechts een relatief lage voederwaarde bezit. Wegens de vele enzymatische behandelingen en de hoge energiekost per kilogram eindprodukt is dergelijke werkwijze niet economisch voor het vervaardigen van een veevoedercomponent.
De uitvinding heeft tot doel een werkwijze ter beschikking te stellen die het mogelijk maakt uitgaande van ten minste een van de restprodukten van een tarwezetmeelbereiding op een relatief goedkope manier een grondstof voor de veevoeding te vervaardigen die daarenboven gemakkelijk gestockeerd, bewaard en verhandeld kan worden, een hoge voederwaarde bezit en goed verteerbaar is.
Tot dit doel - hydrolyseert men de geconcentreerde reststroom, - mengt men de geconcentreerde reststroom met de inge- dampte, overblijvende afvalstroom,
<Desc/Clms Page number 3>
- onderwerpt men voor of na het mengen de ingedampte, overblijvende afvalstroom respectievelijk het mengsel aan een melkzuurfermentatie en
EMI3.1
- dampt men na de fermentatie en het mengen het mengsel verder in.
Via deze werkwijze wordt niet alleen de overblijvende afvalstroom als grondstof voor de veevoeding gavaloriseerd maar bovendien ook de geconcentreerde reststroom die alhoewel hij zonder verdere bewerking reeds als grondstof voor de veevoeding kan dienen toch nog veel problemen met zieh meebrengt onder meer in verband met het transport, de bewaarbaarheid, de verhandelbaarheid, de stockagemogelijkheden, de voederwaarde en het grote risico op ongewilde fermentaties.
Door beide vloeibare restprodukten volgens deze werkwijze te behandelen en in het bijzonder door de ingedampte afvalstroom of het mengsel ervan met de geconcentreerde reststroom aan een melkzuurfermentatie te onderwerpen, kan men het mengsel van de vloeibare restprodukten voldoende ver indampen, verhoogt de voederwaarde, de verteerbaarheid en de bewaarbaarheid en verkrijgt men bij een eventueel bijmengen van droge restprodukten zoals zemelen, kortmeel en kriel een homogeen produkt en vermijdt men hierbij klontvorming.
Zonder melkzuurfermentatie kan men niet voldoende ver indampen vermits in dat geval de viscositeit van de vloeistoffen tijdens het indampen snel toeneemt, de warmte-overdracht bemoeilijkt wordt en er zieh een neerslag in de verdampers afzet. Zelfs indien men met veel moeilijkheden voldoende ver indampt, kan men geen homogeen mengsel met eventueel bijgevoegde droge, plantaar-
<Desc/Clms Page number 4>
dige restprodukten verkrijgen omwille van de kleverigheid van het mengsel waardoor klontvorming optreedt. Verder drogen van dit produkt gaat dan moeilijk en moet gedurende relatief lange tijd bij hoge temperaturen gebeuren wat de voederwaarde en de verteerbaarheid nadelig beinvloedt.
Het aanwenden van melkzuurfermentatie bij de bereiding van een veevoeder is op zichzelf bekend onder andere uit EP-B-162 805. Deze octrooipublikatie beschrijft een preparaat op basis van vochtige, gekiemde granen waarover melkzuurbacteriën gestrooid worden.
In DE-A-3 043 083 gaat men uit van gerst die men na mouten aan een melkzuurfermentatie onderwerpt waardoor een aanvullend veevoeder verkregen wordt.
GB-A-1 366 095 geeft een werkwijze om onder meer granen te behandelen zodat deze ook door jonge dieren waarvan het spijsverteringsstelsel nog niet helemaal ontwikkeld is, kunnen verteerd worden.
In een mogelijke werkwijze volgens dit octrooi maalt men eerst het graan, dispergeert men het gemalen graan in een vloeistof zoals bij voorbeeld water of ook restvloeistoffen afkomstig van de zetmeelindustrie en voert men bij voorkeur een melkzuurfermentatie en nadien een enzymatische hydrolyse uit waarna men het geheel droogt.
Vloeistoffen afkomstig van de zetmeelindustrie fungeren in deze werkwijze enkel als medium waarin de melkzuurfermentatie en de hydrolyse van de gemalen granen plaatsvinden. Deze werkwijze is niet geschikt om enkel uitgaande van restprodukten van de zetmeelbereiding als goedkope basisgrondstoffen een waardevolle grondstof voor de veevoeding te vervaardigen.
Het grote nadeel van de veevoedercomponenten bekend uit de hiervoor genoemde octrooipublikaties is dat ze duur zijn vermits men uitgaat van een dure grondstof die op zichzelf reeds een waardevolle grondstof voor
<Desc/Clms Page number 5>
de veevoeding is.
In een bijzondere uitvoeringsvorm van de uitvinding dampt men na de fermentatie en het mengen het mengsel in tot een droge stofgehalte van 45 à 55 gew. %.
In een merkwaardige uitvoeringsvorm van de uitvinding hydrolyseert men de ingedampte overblijvende afvalstroom voordat men de melkzuurfermentatie uitvoert.
Zowel de hydrolyse van de geconcentreerde reststroom als deze van de overblijvende afvalstroom kan men uitvoeren via een enzymatische hydrolyse of via een zure hydrolyse welke een aanzuring tot een pH van nagenoeg 1, 7 en een vervloeiing bij temperaturen gelegen tussen 140 en 160 C omvat.
In een doeltreffende uitvoeringsvorm van de uitvinding voert men de melkzuurfermentatie gedurende minimum een uur onder micro-aërofiele omstandigheden en bij temperaturen gelegen tussen 30 en 600C uit.
Bij voorkeur voert men deze fermentatie uit bij 45 tot 550C gedurende 4 tot 48 uur.
In een praktische uitvoeringsvorm van de uitvinding voegt men aan het verkregen produkt droge plantaardige restprodukten toe. Deze restprodukten hoeven niet noodzakelijk afkomstig te zijn van een tarwezetmeelbereiding.
Sommige droge, plantaardige restprodukten zoals bij voorbeeld de restprodukten zemelen, kortmeel en kriel van een tarwezetmeelbereiding kunnen op zichzelf reeds als een veevoedercomponent dienen. Deze bezit echter slechts een relatief lage voederwaarde en het verhandelen en het transport wordt door zijn laag bulkgewicht bemoeilijkt.
In een mogelijke uitvoeringsvorm van de uitvinding droogt men het verkregen produkt.
EMI5.1
In een doeltreffende uitvoeringsvorm droogt men J
<Desc/Clms Page number 6>
het verkregen produkt bij voorkeur tot een droge stofgehalte gelegen tussen 88 en 92 gew. %.
Bij het toevoegen van droge restprodukten vermijdt de werkwijze volgens de uitvinding klontvorming waardoor het drogen sneller gaat of waardoor men bij een lagere temperatuur kan drogen zonder dat er plaatselijk nog vochtige kernen blijven bestaan. Dit resulteert in een verlaagd risico op vorming van Maillardprodukten die nadelig zijn voor de verteerbaarheid van de grondstof.
Tevens is het niet nodig het gedroogde produkt fijn te malen om klontvormig materiaal met een hoger vochtgehalte homogeen te verdelen om alzo het risico op bacteriële infectie te minimaliseren.
De uitvinding heeft ook betrekking op een grondstof voor de veevoeding vervaardigd volgens de werkwijze volgens een van hoger beschreven uitvoeringsvormen.
De verkregen grondstof kan met andere produkten gecombineerd worden om alzo een aangepaste voedersamenstelling te verkrijgen.
Volgens de onderhavige werkwijze kan men, uitgaande van de vloeibare restprodukten van de tarwezetmeelbereiding eventueel na het toevoegen van de droge restprodukten een grondstof voor de veevoeding vervaardigen, welke grondstof eventueel kan gedroogd worden om de bewaarbaarheid ervan te verbeteren.
De uitvinding heeft in het bijzonder betrekking op een grondstof voor de veevoeding waarvan het kenmerkende erin bestaat dat ze droge, plantaardige restprodukten bevat en dat ze, berekend op de droge stof ten minste 1 gew. % melkzuur en 10 tot 15 gew. % mono-, di- en trisacchariden bevat.
Verrassenderwijze werd vastgesteld dat de grondstof volgens de uitvinding een betere voederconversie en een betere verteerbaarheid bezit dan een gewoon mengsel van de verschillende restprodukten dat met veel problemen, op een niet economische manier ingedampt en gedroogd
<Desc/Clms Page number 7>
werd. Een dergelijk mengsel wordt hierna tarweglutenvoer genoemd. Bovendien wordt met een veevoeder met de grondstof volgens de uitvinding een verhoogde groeisnelheid van de dieren vastgesteld en een betere vleeskwaliteit verkregen.
Andere bijzonderheden en voordelen van de uitvinding zullen blijken uit de hier volgende beschrijving van een werkwijze voor het vervaardigen van een grondstof voor de veevoeding en van een grondstof vervaardigd volgens deze werkwijze, volgens deze uitvinding ; deze beschrijving wordt enkel als voorbeeld gegeven en beperkt de uitvinding niet.
Ter bereiding van een grondstof voor de veevoeding volgens de uitvinding gaat men als volgt tewerk.
Men dampt de overblijvende afvalstroom, de zogenoemde effluenten verkregen uit de zetmeelbereiding in. De afvalstroom heeft volgende samenstelling, in gewichtsprocenten droge stof 2-4 % en berekend op de hoeveelheid droge stof : maltose 25-45 % andere mono- en disacchariden 15-20 % melkzuur 2-6 % azijnzuur 0, 5-1, 5 % eiwit 13-18 %
Door een thermische behandeling coaguleert men een deel van het aanwezige eiwit waarna men de eitwitrijke, vaste bestanddelen afscheidt. De resterende vloeistofstroom kan men slechts verder indampen tot 20 ä 25 gew.
% droge stof indien geen bijkomende maatregelen zoals hierna beschreven worden genomen. Indampen tot hogere concentraties aan droge stof leidt tot problemen tijdens verder indampen wegens de hoge viscositeit en het afzetten van neerslagen op de verwarmingselementen van de verdampers waardoor de warmteoverdracht sterk achteruit gaat en het risico op procesonderbrekingen toeneemt.
<Desc/Clms Page number 8>
Na de thermo-coagulatie van eiwitten en een verwijdering ervan voegt men aan de resterende afvalstroom malsweekwater toe welk nog levende lactobacillen bevat, waardoor een melkzuurfermentatie gestart wordt. Ook andere bronnen van melkzuurbacteriën kunnen hiervoor aangewend worden.
Indien men reeds over een melkzuur-gefermenteerde reststroom beschikt, kan men de hogergenoemde afvalstroom ook hiermee inoculeren.
De melkzuurfermentatie wordt gedurende ten minste een uur onder micro-aërofiele omstandigheden doorgevoerd
EMI8.1
bij temperaturen tussen 30 en 60 C, al dan niet met neutralisatie van het geproduceerde zuur. Bij voorkeur wordt de fermentatie uitgevoerd bij 45 a 55 C gedurende 4 à 48 uur.
Analyse van de eiwitten na fermentatie toont aan dat het lysinegehalte toegenomen is wat belangrijk is voor de voederwaarde van deze produkten.
De geconcentreerde reststroom, dit is de "feed slurry" ook verkregen uit de zetmeelbereiding, heeft de volgende samenstelling in gewichtsprocenten : Droge stof 10-25 % en berekend op de droge stof : As 1-2 % Eiwit 5-12 % Zetmeel 40-60 % Suikers 5-15 % Men hydrolyseert hem via acid jet door aan te zuren tot pH 1, 7 en dan te vervloeien by 140 à 160 C, of eventueel via een enzymatische hydrolyse waarvoor amylasen, cellulasen, hemicellulasen, glucoamylasen en ss-glucanasen in aanmerking komen.
Tijdens de zure hydrolyse wordt zetmeel omgezet in mono-, di-en oligosacchariden. De aanwezige pentosanen worden eveneens gehydrolyseerd wat leidt tot een bijkomende viscositeitsdaling.
<Desc/Clms Page number 9>
Na een eventuele neutralisatie mengt men de geconcentreerde reststroom met de gefermenteerde en ingedampte, overblijvende afvalstroom en dampt men het mengsel in tot een droge stofgehalte van 45 ä 55 gew. %. Indampen tot hogere concentraties leidt ook hier tot afzetten van produkt op de wanden van de verdampers wegens de verhoging van de viscositeit.
Per 0, 8 tot 1, 4 kg van dit concentraat voegt men 1 kg zemelen, kortmeel en kriel toe met een droge stofgehalte van 85 ä 88 gew. % waardoor het droge stofgehalte van het mengsel tussen 64 en 72 gew. % gelegen is. Het mengsel van zemelen, kortmeel en kriel heeft de volgende samenstelling in gewichtsprocenten : Droge stof 85-90 % en berekend op de droge stof : Ruw eiwit 16-18 % Ruwe celstof 8-9 % Ruwe as 5-6 % Ruw vet 5-6 % Zetmeel 25-30 %
Op deze manier wordt de volledige produktie van restprodukten die ontstaan tijdens de zetmeel- en glutenbereiding en de tarwemaling benut.
Het tussenprodukt dat in dit stadium van de werkwijze verkregen wordt, is reeds bruikbaar als grondstof voor de veevoeding. Vermits het niet gedroogd werd, bevat het praktisch geen Maillardprodukten doch wel levensvatbare melkzuurbacteriën.
Na drogen verkrijgt men een grondstof voor de veevoeding die langer bewaarbaar en gemakkelijker verhandelbaar is en een droge stofgehalte van 88 ä 92 % bezit. Ze bevat naast de componenten afkomstig van zemelen, kortmeel en kriel bovendien minimum 1, 0 gew. % (berekend op de hoeveelheid droge stof) melkzuur, 10 tot 15 gew. %
<Desc/Clms Page number 10>
(berekend op de hoeveelheid droge stof) mono-, di-, en trisacchariden en melkzuurbacteriën. De in vitro verteerbaarheid op droge stof bedraagt minimum 68 % bepaald via de werkwijze gepubliceerd in Proc. OECD Workshop on Dietary fibre in monogastric nutrition, Cornell, Ithaca, N. Y. 1987.
De aanwezigheid van beperkte hoeveelheden melkzuur leidt tot het verrassende effect dat, enerzijds, hogere percentages droge stoffen tijdens het indampen kunnen bereikt worden wat toelaat op voordelige wijze de limietwaarde voor klontvorming te overschrijden en, anderzijds, klontvorming voorkomen wordt bij duidelijk hogere vochtgehaltes ten opzichte van mengsels welke aan geen melkzuur fermentatie onderworpen werden.
In een eerste variante van de werkwijze volgens de uitvinding hydrolyseert men v66r het uitvoeren van de melkzuurfermentatie de thermisch behandelde, ingedampte, overblijvende afvalstroom via een zure of een enzymatische hydrolyse die op dezelfde manier als hiervoor beschreven voor de hydrolyse van de geconcentreerde reststroom uitgevoerd worden. Na deze fermentatie en enzymatische hydrolyse is de samenstelling in gewichtsprocenten van de gefermenteerde afvalstroom de volgende ; berekend op de hoeveelheid droge stof (10 %) : maltose 20-40 % andere mono- en disacchariden 8-14 % melkzuur 15-25 % azijnzuur 1-3 % eiwit 10-18 %
Volgens een tweede variante van de werkwijze mengt men de gehydrolyseerde, geconcentreerde reststroom met de thermisch behandelde, overblijvende afvalstroom v66r men de melkzuurfermentatie uitvoert.
In dit geval worden dus zowel de organische stof uit de geconcentreerde reststroom als uit de overblijvende afvalstroom gefermenteerd.
<Desc/Clms Page number 11>
In een derde variante droogt men het tot 45 a 55 gew. % droge stof ingedampte mengsel van geconcentreerde reststroom en overblijvende afvalstroom bij voorbeeld via sproeidrogen waarbij vastgesteld werd dat de melkzuurfermentatie het droogproces via sproeidrogen voordelig beinvloedt. Nadien mengt men dit gedroogde produkt met de droge restprodukten. Deze variante heeft het bijkomende voordeel dat het gehalte aan actieve microorganismen in het verkregen produkt hoger is dan wanneer men het mengsel via andere droogtechnieken, die gepaard gaan met langere verblijftijden en/of hogere droogtemperaturen, droogt.
De uitvinding zal nader geillustreerd worden aan de hand van het volgende voorbeeld :
Voorbeeld
Men dampt 100 liter van de afvalstroom van de tarwezetmeelbereiding met een droge stofgehalte van 3 % en volgende samenstelling, in gewichtsprocenten berekend op de hoeveelheid droge stof, in tot 10 gew. % droge stof. maltose 35 % andere mono- en disacchariden 17, 5 % melkzuur 4 % azijnzuur 1 % eiwit 16 %
Na een thermische behandeling bij 90-95 C gedurende 10 à 20 minuten, scheidt men de eiwitrijke neerslag af en dampt men de overgebleven vloeistof verder in in een valstroomverdamper tot een droge stofgehalte van 20 gew. %. Door dit indampen bedraagt de viscositeit bij 850C 1000 cP wat als limietwaarde voor goede warmteoverdracht en voor de afzetting van materiaal in de verdampers aangenomen wordt.
Men hydrolyseert de ingedampte vloeistof met het pentosanase BiopenE) gedurende 4 uur bij 500C en een pH van 4 a 5, men start de melkzuurfermentatie door
<Desc/Clms Page number 12>
EMI12.1
inoculatie met malsweekwater en houdt het mengsel gedurende 24 uur bij 500C onder micro-aërofiele omstandigheden.
Men hydrolyseert ook 18 liter van de vloeibare, geconcentreerde reststroom met een droge stofgehalte van 13 % via zure hydrolyse door eerst met zwavelzuur aan te zuren tot pH 1, 7 en daarna via een acid jet te vervloeien bij 140 C. De samenstelling van de geconcentreerde reststroom in gewichtsprocenten ten opzichte van het droge stofgehalte is de volgende : As 1, 5 % Eiwit 8, 5 % Zetmeel 51 % Suikers 10 %
Na menging van de gefermenteerde afvalstroom en de gehydrolyseerde reststroom in een verhouding van de volumes van 0, 85 op l, dampt men het mengsel in in een valstroomindamper tot 48, 6 gew. % droge stof.
Men mengt dit mengsel met zemelen, kortmeel en kriel met een droge stofgehalte van 87 gew. % en de volgende samenstelling'in gewichtsprocenten, berekend op de droge stof Ruw eiwit 17 % Ruwe celstof 8, 5 % Ruwe as 5, 5 % Ruw vet 5, 5 % Zetmeel 27, 5 % in een mengverhouding in droge stof van 1/2 waardoor het produkt, dat reeds een veevoeder is, een droge stofgehalte van 68, 9 % bezit. Na drogen in een trommeldroger verkrijgt men de grondstof voor de veevoeding met een droge stofgehalte van 90 %.
Uit een analyse bleek de volgende samenstelling in gewichtsprocenten berekend op de hoeveelheid droge stof :
<Desc/Clms Page number 13>
Eiwit 14, 5 % Ruwe celstof 5, 5 % As 5 % Totaal vet 3, 6 % Overige koolhydraten 71, 4 % waaronder : - lagere suikers 12, 5 % - zetmeel 22 % - melkzuur 2, 6 %
Wanneer men geen melkzuurfermentatie uitvoert en het mengsel van de ingedampte, gehydrolyseerde, overblijvende afvalstroom met de gehydrolyseerde, geconcentreerde reststroom indampt tot 39, 5 % droge stof, verkrijgt men een kleverig produkt waardoor klontvorming ontstaat. Indampen tot een hogere concentratie dan 39, 5 gaat zeer moeilijk vermits er zieh dan materiaal op de wanden van de verdampers afzet.
De in vitro verteerbaarheid van het gedroogde veevoeder verkregen volgens de werkwijze uit dit voorbeeld is beter dan deze van tarweglutenvoer en deze van pollards die een nevenprodukt van de bloemmolen zijn. De vergeleken produkten hadden de volgende procentuele samenstelling
EMI13.1
<tb>
<tb> As <SEP> Eiwit <SEP> Zetmeel <SEP> Cel-Extra-Melk
<tb> stof <SEP> heer- <SEP> zuur <SEP>
<tb> baar
<tb> vet
<tb> Gedroogd <SEP> produkt
<tb> volgens <SEP> het <SEP> voorbeeld <SEP> (I) <SEP> 5, <SEP> 2 <SEP> 14, <SEP> 5 <SEP> 22 <SEP> 5, <SEP> 5 <SEP> 2, <SEP> 6 <SEP> 2, <SEP> 6 <SEP>
<tb> Tarweglutenvoer
<tb> (II) <SEP> 4, <SEP> 2 <SEP> 16, <SEP> 0 <SEP> 23, <SEP> 9 <SEP> 5, <SEP> 3 <SEP> 2, <SEP> 7 <SEP> 0, <SEP> 7 <SEP>
<tb> Pollards <SEP> (III) <SEP> 4, <SEP> 5 <SEP> 17, <SEP> 0 <SEP> 22, <SEP> 6 <SEP> 7, <SEP> 2 <SEP> 3, <SEP> 4 <SEP> 0,
<SEP> 3 <SEP>
<tb>
<Desc/Clms Page number 14>
De in vitro testen voor verteerbaarheid op droge stof en op organisch materiaal werden uitgevoerd volgens de werkwijze die gepubliceerd werd in Proc. OECD Workshop on Dietary fibre in monogastric nutrition, Cornell, Ithaca, N. Y. 1987.
De in vitro testen met betrekking tot de eiwitverteerbaarheid werden uitgevoerd volgens de werkwijze gepubliceerd in Proceedings of 3rd Int. Seminar on digestive physiology in the pig, Copenhagen, 16-18 May 1985, p. 329-332.
Ze gaven de volgende resultaten :
EMI14.1
<tb>
<tb> In <SEP> vitro <SEP> verteer- <SEP> In <SEP> vitro <SEP> verteer- <SEP> In <SEP> vitro <SEP> verteerbaarheid <SEP> op <SEP> droge <SEP> baarheid <SEP> op <SEP> orga-baarheid <SEP> op
<tb> stof <SEP> in <SEP> % <SEP> nisch <SEP> materiaal <SEP> eiwit <SEP> in <SEP> %
<tb> in <SEP> %
<tb> I <SEP> 71, <SEP> 9 <SEP> 70, <SEP> 2 <SEP> 83, <SEP> 7 <SEP>
<tb> II <SEP> 65, <SEP> 0 <SEP> 63, <SEP> 1 <SEP> 73, <SEP> 8 <SEP>
<tb> III <SEP> 53, <SEP> 8 <SEP> 53, <SEP> 9 <SEP> 77, <SEP> 7 <SEP>
<tb>
De relatief hoge voederwaarde van het gedroogde produkt volgens dit voorbeeld blijkt uit : - Voederproeven met runderen enerzijds met een voeder
EMI14.2
met 20 gew. % malsglutenfeed en anderzijds met hetzelfde voeder waarbij malsglutenfeed vervangen werd door het gedroogde produkt volgens het voorbeeld.
De proeven werden elk uitgevoerd op 26 dieren, gedurende 220 dagen.
Volgende resultaten werden bekomen :
<Desc/Clms Page number 15>
EMI15.1
<tb>
<tb> Voeder <SEP> met <SEP> mais- <SEP> Voeder <SEP> met <SEP> produkt
<tb> glutenfeed <SEP> volgens <SEP> het
<tb> zonder <SEP> produkt <SEP> voorbeeld
<tb> volgens <SEP> de <SEP> uitvinding
<tb> Aanvangsgewicht <SEP> 282, <SEP> 2 <SEP> kg <SEP> 270, <SEP> 5 <SEP> kg
<tb> Eindgewicht <SEP> 556, <SEP> 1 <SEP> kg <SEP> 551, <SEP> 2 <SEP> kg
<tb> Aantal <SEP> dagen <SEP> 220 <SEP> 216, <SEP> 6 <SEP>
<tb> Gemiddelde <SEP> dagelijkse <SEP> aangroei <SEP> 1, <SEP> 24 <SEP> kg <SEP> 1, <SEP> 30 <SEP> kg
<tb> Karkasgewicht <SEP> 352, <SEP> 1 <SEP> kg <SEP> 354, <SEP> 8 <SEP> kg
<tb> Karkaskwaliteit <SEP> 3, <SEP> 5 <SEP> 4, <SEP> 7 <SEP>
<tb>
- Voederproeven werden gedurende 28 dagen op 19 starter- biggen uitgevoerd.
De voeders hadden volgende samenstelling (in gewichts- procenten) waarbij dus het tweede voeder gevormd is door het eerste waarbij alle gerst vervangen werd door het gedroogd produkt volgens het voorbeeld.
EMI15.2
<tb>
<tb>
Eerste <SEP> voeder <SEP> Tweede <SEP> voeder
<tb> Gerst <SEP> 26 <SEP> % <SEP> - <SEP>
<tb> Produkt <SEP> volgens <SEP> vb. <SEP> - <SEP> 26 <SEP> % <SEP>
<tb> Mais <SEP> 20 <SEP> % <SEP> 20 <SEP> %
<tb> Tarwe <SEP> 24 <SEP> % <SEP> 24 <SEP> %
<tb> Soja <SEP> 44 <SEP> 10 <SEP> % <SEP> 10 <SEP> %
<tb> Kernvoeder <SEP> 20 <SEP> % <SEP> 20 <SEP> %
<tb>
<Desc/Clms Page number 16>
Volgende resultaten in kilogram werden verkregen :
EMI16.1
<tb>
<tb> Eerste <SEP> voeder <SEP> Tweede <SEP> voeder
<tb> Gem. <SEP> begingewicht <SEP> 11, <SEP> 3 <SEP> 12
<tb> Gem. <SEP> eindgewicht <SEP> 24, <SEP> 75 <SEP> 26, <SEP> 55 <SEP>
<tb> Voederopname/big/dag <SEP> 1, <SEP> 06 <SEP> 1, <SEP> 07 <SEP>
<tb> Gem. <SEP> groei/big <SEP> 13, <SEP> 45 <SEP> 14, <SEP> 55 <SEP>
<tb> Gem. <SEP> groei/big/dag <SEP> 0, <SEP> 480 <SEP> 0, <SEP> 520 <SEP>
<tb> Voederverbruik
<tb> (voederopname/groei) <SEP> 2, <SEP> 21 <SEP> 2, <SEP> 06 <SEP>
<tb>
De ultvinding is geenszins beperkt tot de hiervoor beschreven uitvoeringsvormen en binnen het raam van de octrooiaanvrage kunnen aan de beschreven uitvoerings vormen vele veranderingen worden aangebracht, onder meer wat betreft de uitvoeringsomstandigheden, de . volgorde en het aantal stappen die voor het verwezen- lijken van de uitvinding worden gebruikt.
Het indampen gebeurt in meerdere stadia. Het aantal indampingstrappen, de tijdstippen van indampen en het droge stofgehalte dat men tijdens een indampings- trap bereikt, werd enkel als voorbeeld gegeven.