Werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen, alsmede vloerpaneel dat door middel van zulke werkwijze is verkregen.
Deze uitvinding heeft betrekking op een werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen, alsmede op een vloerpaneel dat door zulke werkwijze is verkregen.
Meer speciaal heeft de uitvinding betrekking op een werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen, van het type dat een toplaag op kunststof bevat, en in het bijzonder op vloerpanelen die doorgaans laminaatpanelen genoemd worden.
Het is bekend dat dergelijke vloerpanelen van een verschillende opbouw kunnen zijn.
Doorgaans bevatten dergelijke laminaatpanelen minstens een kern, een decor, alsmede een toplaag op basis van kunststof. De toplaag bestaat meestal uit een aantal dragervellen, bijvoorbeeld uit papier, die in hars, bijvoorbeeld een melaminehars, zoals melamineformaldehyde, zijn gedrenkt. In zulk geval is het gebruikelijk om het laminaat als zogenaamd "DPL" (Direct Pressure Laminate), waarbij de toplaag rechtstreeks op de kern wordt geperst, of zogenaamd "HPL" (High Pressure Laminate), waarbij de toplaag op zich met een persbewerking verkregen wordt alvorens die toplaag in zijn geheel op de kern wordt aangebracht, uit te voeren. Ook zijn andere mogelijkheden voor het vormen van dergelijke toplaag mogelijk, bijvoorbeeld door gebruik te maken van folies, het opdragen van een uit te harden substantie, zoals een vernis of dergelijke, of op eender welke andere wijze.
Het decor is meestal gedrukt, hetzij rechtstreeks op de kern mits eventuele tussenkomst van een primer, hetzij op één of meerdere van voornoemde dragervellen of op de voornoemde folie.
Het is eveneens bekend dat dergelijke vloerpanelen kunnen aangewend worden om een zwevende vloerbedekking te vormen. Hierbij worden deze vloerpanelen bij het leggen aan hun randen gekoppeld, hetzij door middel van een klassieke tand- en groefverbinding, waarbij deze eventueel in elkaar worden gelijmd, hetzij door middel van mechanische koppeldelen die zowel in horizontale als in verticale richting in een onderlinge vergrendeling van de vloerpanelen voorzien, bijvoorbeeld zoals beschreven in de internationale octrooiaanvrage WO 97/47834. Dit document beschrijft hoe de betreffende koppeldelen gevormd kunnen worden terwijl het vloerpaneel over roterende mechanische snijgereedschappen wordt bewogen. Deze werkwijze wordt ook frezen in doorloop genoemd.
Uit de internationale octrooiaanvrage WO 01/96688 is het eveneens bekend aan de bovenrand van dergelijke laminaatpanelen een materiaalgedeelte weg te nemen, zodanig dat het ontstane oppervlak bijvoorbeeld een vellingkant vormt, die dan al dan niet bekleed wordt met een decoratieve laag.
De huidige uitvinding beoogt een werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen die toelaat dat een betere en/of goedkopere en/of meer flexibele en/of meer betrouwbare degelijke afwerking wordt bekomen. Tevens beoogt de uitvinding een vloerpaneel dat een dergelijke afwerking bezit.
Hiertoe betreft de uitvinding volgens haar eerste aspect een werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen van het type dat een toplaag op basis van kunststof bevat en dat aan minstens twee tegenovereenliggende zijden geprofileerde randgebieden vertoont, welke minstens koppeldelen omvatten, waarbij voor het vervaardigen van de vloerpanelen wordt uitgegaan van een plaatvormig materiaal, met als kenmerk dat de vloerpanelen minstens gedeeltelijk met een laserbewerking uit voornoemd plaatvormig materiaal worden gevormd.
Het aanwenden van een laserbewerking bij het vormen van vloerpanelen betekent in de meeste gevallen, doch niet altijd, de uitschakeling van minstens één traditionele bewerking, bijvoorbeeld een bewerking met een roterend mechanisch snijgereedschap zoals een frees. Een laserbewerking vergt minder onderhoud dan bijvoorbeeld het onderhoud vereist door de slijtage van een frees. Bovendien kan met een laserstraal gemakkelijker een dunne en/of gladde snede worden bekomen, dan bijvoorbeeld met een zaag of een frees.
Bij voorkeur zal voor het vormen van de vloerpanelen uit het plaatvormig materiaal gebruik gemaakt worden van zowel de voornoemde laserbewerking als minstens één of meer andere bewerkingen, die met behulp van één of meer mechanische snijgereedschappen, bijvoorbeeld roterende mechanische snijgereedschappen, zoals frezen, of zagen, worden uitgevoerd.
De voornoemde laserbewerking kan zowel uitgevoerd worden op een plaatvormig materiaal, waaruit tijdens of na deze bewerking vloerpanelen worden verkregen, als op een plaatvormig materiaal dat al de gewenste, of nagenoeg de gewenste afmetingen van de betreffende vloerpanelen bezit.
Bij voorkeur zal de laserbewerking minstens aangewend worden om een materiaalgedeelte uit de toplaag van het vloerpaneel te verwijderen. In een voorkeurdragende uitvoeringsvorm worden hierbij de laserbewerking en de voornoemde andere bewerkingen zodanig gecombineerd dat door het aanwenden van de laserbewerking het contact tussen, enerzijds, het snijgereedschap, respectievelijk de snij gereedschappen, en, anderzijds, de voornoemde toplaag wordt gereduceerd, meer speciaal wordt gereduceerd ten opzichte van het contact dat normalerwijze tussen zulke snijgereedschappen en de toplaag bestaat wanneer zulke vloerpanelen volledig door middel van mechanische snijbewerkingen uit het plaatvormig materiaal zouden worden vervaardigd.
Het reduceren van dit contact betekent een globale reductie van de sleet en een verlenging van de levensduur van het betreffende snijgereedschap, respectievelijk de betreffende snijgereedschappen. Het beperken van het mechanisch contact met de toplaag levert ook een betere en meer betrouwbare kwaliteit van het vloerpaneel op. Dit voordeel treedt vooral op bij vloerpanelen met een eerder brosse toplaag, die onder invloed van mechanisch contact breken, zoals bijvoorbeeld een thermohardende toplaag op basis van melamine formaldehyde. Meer speciaal nog komt dit voordeel bijzonder tot zijn recht bij vloerpanelen met toplagen waarin een slijtvast materiaal, bijvoorbeeld korund, is verwerkt, daar zulk materiaal een hevige slijtage bij snijgereedschappen veroorzaakt en door het gebruik van een laserbewerking dit nadeel aanzienlijk kan worden gereduceerd.
In een bijzondere voorkeurdragende uitvoeringsvorm wordt door middel van de laserbewerking dwars doorheen de toplaag, over de volledige dikte daarvan, materiaal weggenomen, bij voorkeur in de vorm van een zich doorheen de toplaag uitstrekkende snede. Hierbij is het voordeeldragend de laserbewerking en de voornoemde andere bewerkingen zodanig te combineren dat door het aanwenden van de laserbewerking het contact tussen de mechanische snijgereedschappen en de voornoemde toplaag volledig wordt uitgesloten.
Het voornoemde geprofileerde randgebied van de vloerpanelen wordt bij voorkeur minstens gedeeltelijk gevormd door de laserbewerking. Hierbij wordt in een bijzondere voorkeurdragende uitvoeringsvorm door middel van de laserbewerking minstens een gedeelte van het finaal oppervlak van het geprofileerde randgebied verwezenlijkt. Het is niet uitgesloten dat dit geprofileerde randgebied met een vellingkant wordt voorzien, waarbij het finaal oppervlak van deze vellingkant minstens gedeeltelijk door middel van de voornoemde laserbewerking wordt gevormd.
Bij voorkeur wordt het finaal oppervlak van het geprofileerde randgebied ook minstens gedeeltelijk door de voornoemde andere bewerkingen gevormd. Hierbij zal dan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van mechanische gereedschappen, bijvoorbeeld roterende freesgereedschappen en/of trekfreesgereedschappen. Het gebruik van mechanische gereedschappen voor het in vloerpanelen vormen van de geprofileerde randgebieden, welke minstens koppeldelen omvatten, is op zich bekend bijvoorbeeld uit WO 97/47834. Volgens de huidige uitvinding kan echter, zoals boven uiteengezet, door de aanwending van deze gereedschappen in combinatie met een laserbewerking het contact tussen deze gereedschappen en de toplaag beperkt of zelfs uitgesloten worden, hetgeen de slijtage van de mechanische gereedschappen beperkt, en een meer kwaliteitsvolle afwerking kan geven.
Het is gebruikelijk bij het aanbrengen van het geprofileerde randgebied en de koppeldelen de vloerpanelen langs mechanische gereedschappen te bewegen, bijvoorbeeld door aanwenden van het zogenaamde frezen in doorloop. In een dergelijke configuratie is het in het kader van de huidige uitvinding aangewezen de laserlens vast te bevestigen en de vloerpanelen ook langs de laserstraal te bewegen. Het is echter niet uitgesloten om de laserlens beweegbaar op te stellen en/of het paneel stil te houden. De voornoemde laserbewerking zal bij voorkeur plaatsvinden op een lijn, en het eventueel weggenomen materiaalgedeelte zal bij voorkeur dieper zijn dan 0,2 mm, en beter nog dieper dan 1 mm, zodanig dat het voornoemde materiaalgedeelte in diepterichting een groot deel van de toplaag bevat, en zich bij voorkeur tot onder de toplaag doorzet.
De uitvinders hebben verrassenderwijs vastgesteld dat bij het vormen van de voornoemde lijn snelheden behaald kunnen worden die vergelijkbaar zijn met de snelheden die bereikt worden bij het frezen in doorloop, bijvoorbeeld snelheden hoger dan
100 m/min, of beter nog hoger dan 150 m/min. Snelheden van hoger dan 200 m/min zijn eveneens niet uitgesloten. Snelheden die hoger zijn dan 100 m/min laten toe dat een dergelijke laserbewerking in lijn met bijvoorbeeld een freesproces wordt opgesteld zonder dat de productiesnelheid vermindert.
Indien door middel van de voornoemde laserbewerking de finale bovenrand van het vloerpaneel, minstens voor een gedeelte van de omtrek ervan, wordt gevormd, levert een werkwijze, die voldoet aan het eerste aspect van de uitvinding, een uitzonderlijk kwaliteitsvolle randafwerking van het vloerpaneel. Vermoedelijk is dit te wijten aan het feit dat bij het uitvoeren van een dergelijke laserbewerking de toplaag, minstens ter hoogte van de voornoemde bovenrand, een temperatuur kan bereiken waarop de kunststof in de toplaag plastisch wordt, zodanig dat er zich na het uitvoeren van de laserbewerking, bijvoorbeeld bij het terug afkoelen van de toplaag, een gladde bovenrand vormt.
In een voorkeurdragende uitvoeringsvorm wordt de door middel van de laserbewerking gevormde finale bovenrand met een ondersnijding uitgevoerd. Dit kan op eender welke wijze worden gerealiseerd, bijvoorbeeld door schuinstelling van de laserstraal, instelling en/of positionering van de focus van de laserbewerking ten opzichte van het werkstuk of dergelijke.
Het is op zich bekend dat voor het vervaardigen van vloerpanelen wordt uitgegaan van een plaatvormig materiaal waarop de voornoemde toplaag aanwezig is en waarbij het een toplaag betreft die partikels bevat uit een slijtvast materiaal, bijvoorbeeld een keramisch materiaal zoals A1203, SiC, diamant enzovoort. Het aanwenden van een werkwijze volgens het eerste aspect van de huidige uitvinding voor het vervaardigen van dergelijke vloerpanelen brengt bijzondere voordelen met zich mee. Bij een bewerking die uitgevoerd wordt aan de bovenzijde van het vloerpaneel wordt verwacht dat de voornoemde partikels gesmolten, verdampt of gekliefd worden, hetgeen een zeer kwaliteitsvolle bewerking oplevert, gezien er op het verkregen oppervlak geen, of nagenoeg geen, uitstekende harde delen voorhanden zijn.
Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld een freesproces waarbij hetzij de slijtvaste partikels uit de toplaag zullen worden getrokken, hetzij de toplaag rond de harde partikels zal worden verwijderd, zodanig dat deze partikels uitstekende harde delen vormen op het verkregen oppervlak. In vergelijking met een werkwijze waarbij hetzelfde materiaalgedeelte van de toplaag met een freesbewerking wordt weggenomen, houdt een laserbewerking van een toplaag met slijtvaste partikels tevens een verdere beperking van de gereedschapsslijtage in. Bovendien biedt deze werkwijze een meer constante kwaliteit en dus een meer betrouwbare bewerking.
In het bijzonder zal de uitvinding bij voorkeur worden aangewend bij het vervaardigen van laminaatvloerpanelen, welke een al dan niet uit meerdere lagen of delen samengestelde kern, een decor, alsmede voornoemde toplaag uit kunststof bevatten. Bij voorkeur vertoont de toplaag van een dergelijk laminaatvloerpaneel dan één of meer van volgende eigenschappen:
- dat zij bestaat uit maximaal drie in hars gedrenkte en op de kern verperste dragervellen, waaronder een bedrukte decorlaag;
- dat zij vervaardigd is in de vorm van "DPL";
- dat zij dunner is dan 0,5 mm.
Zulke toplaag is door haar geringe dikte uitermate geschikt om aan lasersnijbewerkingen te worden onderworpen.
Bij het op traditionele wijze met behulp van roterende snijgereedschappen vervaardigen van vloerpanelen, meer speciaal laminaatpanelen, wordt de toplaag dikwijls aangetast en in het geval van een brosse toplaag, uit bijvoorbeeld een thermohardend hars als melamine formaldehyde, gebroken, hetgeen, bijvoorbeeld in het geval van een DPL (Direct Pressure Laminate), onder andere leidt tot het zich aftekenen van een witte lijn op de rand van de panelen, die op een storende wijze zichtbaar blijft in een vloerbekleding die bestaat uit meerdere van dergelijke vloerpanelen. Het inkleuren van de randen van dergelijke panelen met behulp van een kleurstof om deze storende randen te maskeren, is bekend.
De huidige uitvinding sluit niet uit dat tijdens het uitvoeren van een werkwijze volgens het eerste aspect door middel van de laserbewerking, al dan niet in combinatie met bijkomende bewerkingen, een thermische oppervlaktebehandeling in minstens een gedeelte van het finaal oppervlak van het geprofileerde randgebied wordt bewerkstelligd. Bij voorkeur bestaat deze thermische oppervlaktebehandeling minstens in een verkleuring. Met behulp van de warmte-ontwikkeling van een laserbewerking en het neerslaan van een gedeelte van het eventueel verwijderde materiaal kan een gedeelte van het geprofileerde randgebied, bijvoorbeeld de bovenrand van het vloerpaneel, donker worden gekleurd. Dit laatste kan eveneens vermijden dat de rand van een laminaatpaneel op storende wijze zichtbaar wordt en kan het inkleuren van de randen met behulp van kleurstof overbodig maken.
Een andere mogelijke oppervlaktebehandeling bestaat minstens uit het door middel van de laserbewerking opwarmen van het oppervlak, gevolgd door het in opgewarmde toestand vlak strijken van het verwarmde oppervlak, dit teneinde de gladheid van het oppervlak te verbeteren.
Bij een plaatvormig laminaatmateriaal zet het door de laserbewerking verwijderde materiaalgedeelte zich het beste door tot in de kern, bijvoorbeeld tot op een diepte van 0.7 tot 2 mm onder de bovenzijde van het paneel. Het is niet uitgesloten dat de voornoemde laserbewerking aangewend wordt om enkel een materiaalgedeelte uit de kern te verwijderen. Met een laserbewerking kunnen snedes worden uitgevoerd, afrondingen of afschuiningen worden aangebracht op plaatsen die moeilijk of niet met snijgereedschappen bereikbaar zijn.
Evenwel wordt erop gewezen dat, indien men neerslag van het verwijderde materiaalgedeelte op de bovenzijde van het paneel wenst te vermijden, tijdens het uitvoeren van de laserbewerking bij voorkeur tevens in een blaaswerking wordt voorzien om vrijgekomen materiaalgedeelten te verwijderen. De blaaswerking kan gebeuren aan de hand van, hetzij, enerzijds, het snijgas, dat bij voorkeur met een druk van 6 bar of meer coaxiaal met de laserstraal uit de straalpijp (in het Engels "nozzle" genoemd) vloeit, hetzij, anderzijds, een externe extra gasstroom die bijvoorbeeld eveneens een druk heeft van 6 bar.
Om een optimale verwijdering van het vrijgekomen materiaal te bekomen wordt er bij voorkeur in een blaaswerking voorzien welke gekenmerkt is door één of meer van en bij voorkeur een combinatie van volgende eigenschappen:
-dat er minstens een blaaseffect bestaat hoofdzakelijk volgens een richting tegengesteld aan de richting waarmee het door middel van de laserbewerking gecreëerde laserfront zich langs het plaatvormig materiaal verplaatst;
-dat er minstens een blaaseffect bestaat hoofdzakelijk volgens een richting die zich dwars bevindt op de richting waarmee voornoemd laserfront zich langs het plaatvormig materiaal verplaatst en tevens weggericht van het uiteindelijk te vormen vloerpaneel.
In een bijzondere voorkeurdragende uitvoeringsvorm wordt met een laserstraal gewerkt die zich onder hoek bevindt ten opzichte van het oppervlak van het plaatvormig materiaal, waarbij de opstelling onder hoek zodanig is uitgevoerd dat zij aan minstens één van volgende en bij voorkeur een combinatie van volgende eigenschappen beantwoordt:
-dat het oppervlak dat aan de laserbewerking aangeboden wordt, met andere woorden het oppervlak dat zich onmiddellijk voor het laserfront bevindt, en de laserstraal een hoek vormen kleiner dan 90[deg.], gemeten in een projectie van de laserstraal op een vlak dat zich loodrecht op het vlak van het plaatvormig materiaal bevindt en dat zich uitstrekt volgens de voortbewegingsrichting van het laserfront.
-dat het oppervlak dat aan de laserbewerking aangeboden wordt, en de laserstraal een hoek vormen tussen 50 en
70[deg.], bijvoorbeeld 60[deg.];
-dat het oppervlak dat aan de laserbewerking aangeboden wordt, en de laserstraal een hoek vormen volgens één van de hiervoor gedefinieerde mogelijkheden waarbij naast de laserstraal via eenzelfde laserkop een gasstroom via hoofdzakelijk dezelfde richting aan het vloerpaneel wordt toegevoerd.
Een dergelijke schuinstelling van de laserstraal biedt bijzondere voordelen qua kwaliteit van de laserbewerking. Ze kan leiden tot efficiënter bewerken, meer kwaliteitsvolle afwerking en/of minder bevuiling door neerslag van het verwijderde materiaal.
Het aanwenden van de werkwijze volgens het eerste aspect van de uitvinding voor het vervaardigen van vloerpanelen die minstens gedeeltelijk bestaan uit een materiaal op basis van vezels, bij voorkeur houtvezels, die met een bindmateriaal zijn geconsolideerd, zoals MDF of HDF, leidt tot een scala aan voordelen. Zo kunnen met een laserbewerking bijvoorbeeld oppervlakken worden bekomen zonder uitstekende vezels. Het is bekend dat laminaatvloerpanelen dikwijls een kern uit een dergelijk materiaal bevatten.
Bij het uitvoeren van de voornoemde bewerkingsstap volgens het eerste aspect van de uitvinding is het mogelijk dat het bindmateriaal ter hoogte van de voornoemde rand plastisch wordt, en dat deze bewerkingsstap gevolgd wordt door een bewerking waarbij met een aandrukelement de vezels ter hoogte van de rand in het bindmateriaal worden gedrukt, zodanig dat bij het terug afkoelen van het bindmateriaal, een glad oppervlak wordt verkregen.
Voor het uitvoeren van een laserbewerking volgens de kenmerken van het eerste aspect is een laserstraal die opgewekt is door een C02 laser met een uitgaand vermogen dat hoger is dan 1 kW en beter nog hoger dan 2 kW, aangewezen. Bij voorkeur wordt hierbij een laserpulsfrequentie toegepast die hoger is dan lOkHz. Ook andere laserbronnen zoals bijvoorbeeld een Nd-YAG laser, evenals andere laserpulsfrequenties zijn mogelijk. In een voorkeurdragende uitvoeringsvorm wordt met een korte focale afstand, bijvoorbeeld een focale afstand van minder dan 10 cm, gewerkt, zodanig dat het vermogen van de laser optimaal op de toplaag van het vloerpaneel kan worden geconcentreerd. Met "focale afstand" wordt de afstand van de lens tot het vloerpaneel bedoeld. De afstand van de straalpijp tot het vloerpaneel wordt bij voorkeur ook klein gehouden, bijvoorbeeld minder dan 1,5 mm, of beter nog minder dan 1 mm.
De laserbron staat bij voorkeur opgesteld buiten het werkgebied van de laserstraal, bijvoorbeeld buiten een machine waarin zowel de betreffende laserbewerking als een andere bewerkingsstap in de werkwijze plaatsvindt. De laserstraal wordt in een dergelijke configuratie over een gestabiliseerde optische weg naar de lens geleid, hetzij met spiegels, zoals
<EMI ID=1.1>
een glasvezel, zoals dit het geval kan zijn bij een Nd-YAG laser.
In een voorkeurdragende uitvoeringsvorm kan de laserstraal op zijn optische weg in meerdere stralen opgesplitst worden met behulp van een zogenaamde "beam splitter". Het splitsen van een straal die afkomstig is uit één laserbron in minstens twee laserstralen is, in het geval van een werkwijze voor de vervaardiging van vloerpanelen, voordeeldragend, gezien op deze manier twee randen tegelijk kunnen bewerkt worden, terwijl de
<EMI ID=2.1>
laserbronnen, beperkt blijft. Bij voorkeur bewerken de twee voornoemde laserstralen twee tegenovereenliggende zijden van het vloerpaneel. Het is duidelijk dat in het geval een laserstraal gesplitst wordt in meerdere stralen het benodigde vermogen van de laserbron de som van de benodigde vermogens van de stralen bedraagt vermeerderd met verliezen die optreden ten gevolge van het splitsen.
Het is duidelijk dat een werkwijze volgens het eerste aspect van de uitvinding in de plaats van met de voornoemde laserbewerking ook met een andere bewerking kan toegepast worden, waarbij deze bewerking een straal aanwendt anders dan een laserstraal, zoals bijvoorbeeld een waterstraal, een elektronenstraal, een ionenstraal, een plasmastraal, een deeltjesstraal zoals een zandstraal, een vonkenstraal zoals een reeks vonken bij vonkerosie, of dergelijke. Opgemerkt wordt dat bijvoorbeeld voor het aanwenden van elektrische vonken gebruik kan gemaakt worden van een licht geleidende toplaag zoals die bijvoorbeeld bekend is uit de internationale octrooiaanvrage WO 2004/050359.
Een verkleuring van een rand van een vloerpaneel, zoals uiteengezet aan de hand van het eerste aspect van de uitvinding, kan ook met andere warmtebronnen dan met een laserstraal worden verkregen. Het is duidelijk dat een dergelijke werkwijze, met welke warmtebron ook de verkleuring is verkregen, met zich mee brengt dat het zich aftekenen van de voornoemde storende witte lijn geheel of gedeeltelijk vermeden wordt.
Daarom betreft de huidige uitvinding volgens een tweede onafhankelijk aspect een werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen, meer speciaal laminaatpanelen van het type dat een kern, een decor, alsmede een toplaag op basis van kunststof, bevat, met als kenmerk dat de werkwijze minstens een bewerkingsstap bevat waarbij met behulp van een warmtebron een thermische behandeling wordt gegeven aan minstens één rand, bij voorkeur een bovenrand, van de laminaatpanelen, waarbij deze thermische behandeling een verkleuring van de betreffende rand inhoudt. Bij voorkeur wordt een dergelijke werkwijze aangewend als een nabewerking voor het inkleuren van lichte randen die ontstaan zijn als het gevolg van een snijbewerking doorheen de toplaag van de laminaatpanelen.
De uitvinders hebben vastgesteld dat het instellen van het vermogen van een warmtebron, bijvoorbeeld van een laserstraal, tot een instelling van de kleur van de bewerkte rand leidt. Zo bijvoorbeeld is het mogelijk om de bekomen kleur te variëren tussen lichtbruin en donkerbruin, of zwart. Deze kleuren zijn voornamelijk interessant voor de nabewerking van vloerpanelen die donkere hout- of steensoorten imiteren. Dergelijke donkere decors zijn bijvoorbeeld aanwezig bij imitaties van houtsoorten, zoals donkere eik, wengé en dergelijke, of bij vloerpanelen die aan de rand in hun decor een schaduweffect vertonen, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn wanneer met het decor een optische illusie van een indrukking nabij de rand, zoals een vellingkant, wordt gecreëerd. Bij panelen met dergelijke donkere decors tekent voornoemde witte lijn zich immers het meest storend af.
Bij voorkeur wordt bij een dergelijke werkwijze gebruik gemaakt van een laserstraal met een instelbaar vermogen tussen 20 en 200 W, en beter nog tussen
50 en 100 W. Het verkrijgen van de voornoemde verkleuring gebeurt vermoedelijk door één of meer van volgende mogelijkheden:
- het gedeeltelijk verbranden van de toplaag,
- het gedeeltelijk verbranden van de kern,
- het gedeeltelijk verbranden van het decor, - het neerslaan van roetdeeltjes als gevolg van een verbranding, hetzij van de toplaag, hetzij van de kern, hetzij van het decor,
- het starten van een chemische reactie in de toplaag, of de kern.
Volgens een afwijkende variante van een werkwijze volgens het tweede aspect van de uitvinding is het ook mogelijk dat een aan de bovenrand van het vloerpaneel aangebrachte vellingkant, of een ander oppervlak dat verkregen is door het wegnemen van een materiaalgedeelte aan de bovenrand van het vloerpaneel, met behulp van een warmtebron voorzien wordt van een kleur. In een voorkeurdragende uitvoeringsvorm van een dergelijke werkwijze vindt de inkleuring tegelijk met het aanbrengen van voornoemd oppervlak plaats. Dit kan bijvoorbeeld met behulp van een laserstraal. Opgemerkt wordt dat deze afwijkende variante vooral bij kleine oppervlakken, bijvoorbeeld met een afmeting in één richting van kleiner dan 1 mm, voorkeurdragend is.
Volgens haar derde aspect betreft de uitvinding eveneens een werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen, meer speciaal laminaatpanelen van het type dat een kern, een decor, alsmede een toplaag op basis van kunststof, bevat, met als kenmerk dat de werkwijze minstens een bewerkingsstap bevat waarbij minstens gedeeltelijk door middel van een laserbewerking een reliëf op het bovenoppervlak van de vloerpanelen wordt aangebracht.
Het aanbrengen van een reliëf op het bovenoppervlak van de vloerpanelen, zoals een reliëf dat minstens gedeeltelijk bestaat uit een hout- of een steenstructuur, sluit minstens gedeeltelijk een persbewerking en de ermee samenhangende sleet van de persplaat uit. Bovendien is het door de digitale aansturing van een laserbewerking eenvoudig om van reliëf te veranderen. Waar men traditioneel een persplaat diende te vervangen om een ander reliëf in de toplaag van het laminaatmateriaal aan te brengen, kan men volgens het derde aspect van de uitvinding de laserbewerking met een ander programma aansturen om het voornoemde ander reliëf in de toplaag te bekomen.
Volgens een afwijkende uitvoeringsvorm van het derde aspect kan het reliëf dat door middel van een laserbewerking op het bovenoppervlak is aangebracht, eventueel in combinatie met voornoemde hout- of steenstructuur, ook een zone omvatten waaruit materiaal is weggenomen ter imitatie van een voeg of een vellingkant. Deze zone kan zich zowel op de rand van het vloerpaneel bevinden, als op het bovenoppervlak. In het laatste geval kan zij bijvoorbeeld aangewend worden om een laminaat dat meerdere houten planken, of stenen tegels nabootst een meer realistisch uitzicht te geven door tussen de weergegeven planken of tegels materiaal weg te nemen in de vorm van een voeg.
Het verkregen reliëf, bijvoorbeeld de hout- of steenstructuur en/of de voeg, kan daarna al dan niet ingekleurd worden door middel van een kleurend product, bijvoorbeeld door middel van een verf. De methode die op zich bekend is uit de internationale octrooiaanvrage WO 2004/108436 voor het inkleuren van in de toplaag aangebrachte indrukkingen kan hiervoor aangewend worden.
Opgemerkt wordt dat de laserbewerking ook volgens het derde aspect zowel kan uitgevoerd worden op een groter plaatvormig laminaatmateriaal, als op plaatvormig laminaatmateriaal dat reeds de gewenste, of nagenoeg de gewenste, afmetingen heeft van het beoogde vloerpaneel.
Volgens een vierde aspect betreft de huidige uitvinding een werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen, meer speciaal laminaatpanelen van het type dat een kern, een decor, alsmede een toplaag op basis van kunststof, bevat, waarbij deze werkwijze minstens volgende bewerkingsstappen bevat:
- het aanmaken van een persplaat die voorzien is van een reliëf,
- het vormen van de voornoemde vloerpanelen, waarbij de voornoemde persplaat minstens wordt aangewend om, door middel van het voornoemde reliëf, ingedrukte gedeelten in het bovenoppervlak van de vloerpanelen, en meer speciaal in een plaat waaruit vervolgens dergelijke vloerpanelen worden gevormd, te realiseren, met als kenmerk dat het voornoemde reliëf in de persplaat minstens met behulp van een laserbewerking wordt gerealiseerd.
Omdat een laserbewerking digitaal aangestuurd wordt, leidt de werkwijze volgens dit vierde aspect van de uitvinding tot een flexibele vervaardiging van vloerpanelen. Ze laat bijvoorbeeld toe dat een persplaat met een reliëf, zoals een hout- of een steenstructuur, kan worden verkregen zonder gebruik te maken van een etsproces. Het etsproces is weinig flexibel omdat het zeer veel tussenstappen vereist. Traditioneel bestaat een etsproces namelijk uit het aanbrengen van een masker van selectief met behulp van licht uitgeharde gel, en het daarna wegetsen van de delen van de persplaat die niet door het masker bedekt zijn. Het verkrijgen van een masker door selectief uitharden van gel kan gebeuren door gelgedeelten, die niet uitgehard moeten worden, af te dekken met behulp van een film en na het belichten van de gel de niet uitgeharde gelgedeelten weg te spoelen.
Opgemerkt wordt dat de laserbewerking zowel een materiaalafnemend, zoals laserfrezen, als een materiaalopdragend proces, zoals lasercladden, selectief laser sinteren of selectief laser smelten kan betreffen. Zo kan bijvoorbeeld respectievelijk op een zodanige wijze materiaal weggenomen worden dat zich bijvoorbeeld een hout- of steenstructuur aftekent, of op een selectieve wijze materiaal, zoals harde partikels bijvoorbeeld A1203 of dergelijke, opgedragen worden, bijvoorbeeld in de vorm van een hout- of steenstructuur.
Het aanwenden van de laserbewerking als onderdeel van een materiaalopdragend proces leidt onder andere in het geval van het aanmaken van een persplaat met een reliëf tot bijzondere voordelen. Voor het aanmaken van een reliëf dat bijvoorbeeld bedoeld is om ingedrukte gedeelten in het bovenoppervlak van de vloerpanelen te realiseren in de vorm van een hout- of een steenstructuur dient de persplaat enkel te worden bewerkt of met andere woorden dient enkel daar materiaal op de persplaat te worden opgedragen waar de corresponderende ingedrukte gedeelten, bijvoorbeeld de houtporiën, zich op het vloerpaneel dienen te bevinden. Dit in tegenstelling tot een materiaalafnemend proces dat de persplaat overal dient te bewerken, eventueel met uitzondering van de plaatsen waar de corresponderende ingedrukte gedeelten zich op het vloerpaneel dienen te bevinden.
In het algemeen kan gesteld worden, doch dient dit niet altijd zo te zijn, dat minder dan de helft van het bovenoppervlak van het vloerpaneel ingedrukte gedeelten bevat, zodat een materiaalopdragend proces in de meeste gevallen een kleinere bewerkingstijd met zich meebrengt. Ook de mogelijkheid om een ander materiaal, zoals slijtvast keramisch materiaal, bijvoorbeeld A1203, al dan niet op een selectieve wijze op te brengen is een bijzonder voordeel van het aanwenden van een materiaalopdragend proces. Op deze manier kan het oppervlak, of bepaalde gedeelten van het oppervlak, met bijzondere eigenschappen worden voorzien, zo bijvoorbeeld kan de slijtvastheid van de persplaat plaatselijk vergroot worden.
Het aanwenden van een persplaat, volgens het vierde aspect van deze uitvinding, voor het vormen van een vloerpaneel, of een plaat waaruit vervolgens dergelijke vloerpanelen worden gevormd, resulteert door middel van het voornoemde reliëf in ingedrukte gedeelten in het vloerpaneel, die bijvoorbeeld een hout- of steenstructuur weergeven.
Het is duidelijk dat de mogelijkheden van de laserbewerking zich niet beperken tot het aanbrengen van een hout- of steenstructuur. Zo kan bijvoorbeeld ook een uitstulping worden gevormd op de persplaat die tijdens het persen ingedrukte gedeelten op het bovenoppervlak of aan de rand van de vloerpanelen vormt, die bijvoorbeeld een vellingkant of een voeg vormen.
Opgemerkt wordt dat de huidige uitvinding ook betrekking heeft op een vloerpaneel met als kenmerk dat voor het vervaardigen ervan een werkwijze volgens één of meerdere aspecten van de uitvinding is aangewend.
Verdere kenmerken van de voornoemde werkwijzen en vloerpanelen zullen blijken uit de hiernavolgend beschreven voorbeelden en de aangehechte conclusies.
Met het inzicht de kenmerken van de uitvinding beter aan te tonen, zijn hierna, als voorbeeld zonder enig beperkend karakter, enkele voorkeurdragende uitvoeringsvormen beschreven, met verwijzing naar de bijgaande tekeningen, waarin:
figuur 1 sterk schematisch enkele bewerkingsstappen in een werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen volgens de huidige uitvinding weergeeft; figuren 2 tot 5 op grotere schaal doorsneden weergeeft respectievelijk volgens de lijnen II-II, III-III, IV-IV en V-V in figuur l; figuur 6 een variante toont van het gedeelte dat in figuur 2 met F6 is aangeduid; figuur 7 een variante weergeeft in een doorsnede volgens <EMI ID=3.1> figuren 8 tot 10 nog varianten weergegeven; figuren 11 tot 16 doorsneden weergeven gelijkaardig aan die van figuren 9 en 10, doch voor verdere varianten; figuren 17 en 18 nog een variante weergeven;
figuren 19 en 20 op een kleinere schaal nog een werkwijze volgens de uitvinding weergeven; figuur 21 een sterke uitvergroting en schematische weergave van het gebied aangeduid met F18 op figuur 5 weergeeft; figuur 22 nog een werkwijze volgens de uitvinding weergeeft; figuur 23 een doorsnede weergeeft gelijkaardig aan die van figuur 21, doch voor een variante; figuren 24 tot 26 schematisch nog werkwijzen volgens de uitvinding weergeven. Figuren 1 tot 5 geven een werkwijze weer voor het vervaardigen van vloerpanelen 1. Meer speciaal gaat het om vloerpanelen 1, in het bij zonder laminaatpanelen, van het type dat een kern 2, een decor 3, alsmede een toplaag 4 op basis van kunststof 5 bevat. Voor het vervaardigen van de vloerpanelen 1 wordt uitgegaan van een plaatvormig materiaal, in dit voorbeeld plaatvormig laminaatmateriaal 6.
In het weergegeven voorbeeld bezit dit plaatvormig laminaatmateriaal 6 reeds nagenoeg de gewenste afmetingen van één vloerpaneel 1. Na het vormen van de vloerpanelen 1 uit het plaatvormig materiaal vertonen de vloerpanelen 1 aan minstens twee tegenovereenliggende zijden, en dit geval aan alle vier zijden, namelijk de langszijden 7A8A en de korte zijden 7B-8B, geprofileerde randgebieden 9, welke minstens koppeldelen 10 omvatten. De vloerpanelen 1 worden hierbij minstens gedeeltelijk met een laserbewerking 11 uit het plaatvormig materiaal, in dit geval dus het laminaatmateriaal 6, gevormd. In dit geval bevat het vloerpaneel 1 geprofileerde randgebieden 9 aan beide paren van zijden en wordt de laserbewerking 11 aan elke zijde uitgevoerd.
Voor het vormen van de vloerpanelen 1 wordt in de weergegeven uitvoeringsvorm naast de voornoemde laserbewerking 11 verder nog gebruik gemaakt van één of meer andere, bij voorkeur verspanende bewerkingen 12, met behulp van een één of meer snijgereedschappen 13, zoals bijvoorbeeld roterende of translerende frezen 14, één of meer zagen 15, of dergelijke, zoals verder nog beschreven. Meer speciaal worden in het voorbeeld van figuur 1 aan elke zijde 7A-8A-7B-8B nog één bewerkingsstap uitgevoerd aan de hand van een zaag 15 en twee bewerkingsstappen aan de hand van een roterende frees 14. Het betreft hier het zogenaamde frezen in doorloop.
Zoals weergegeven wordt het vloerpaneel 1 hierbij eerst met zijn langse zijden 7A-8A langs de laserstralen 16 en de roterende snijgereedschappen 13 bewogen om de betreffende randgebieden 9 te vormen, daarna wordt het vloerpaneel 1 met zijn korte zijden 7B-8B aan gelijkaardige bewerkingen onderworpen.
Om te vermijden dat iedere laserstraal 16 onnodig schijnt kan de betreffende laser die de laserbewerking 11 uitvoert, aan- en uitgeschakeld worden aan de hand van een signaal dat het al dan niet aanwezig zijn van een vloerpaneel 1 detecteert. Eventueel kan ook een zogeheten "beam dumper" voorzien worden die de zulke laserstraal 16 neutraliseert wanneer er geen vloerpaneel 1 voorhanden is en de laserstraal 16 onverhoeds toch zou blijven schijnen.
De voornoemde andere bewerkingen 12, in dit geval de drie opéénvolgende verspanende bewerkingen aan twee tegenovereenliggende zijden 7-8 van het vloerpaneel 1, worden bij voorkeur uitgevoerd in eenzelfde machine 17. Bij voorkeur zal de laserbewerking 11 ook uitgevoerd worden in deze machine
17, al is het niet uitgesloten dat bijzondere voordelen bereikt worden wanneer de laserbewerking 11, zoals op figuur 1 weergegeven voor de bewerking van de korte zijden 7B-8B van het vloerpaneel 1, plaatsgrijpt buiten de machine 17 waarmee de voornoemde andere bewerkingen 12 worden uitgevoerd. Bij een inbouw van de laserkop 18 in een conventionele bewerkingsmachine is het aangewezen deze zo goed mogelijk af te schermen van stof dat ontstaat ten gevolge van de voornoemde andere bewerking 12, hetgeen uiteraard minder kritisch is wanneer de laserkop zich buiten de machine 17 bevindt.
Met "laserkop 18" wordt het gedeelte van de laserinrichting bedoeld dat de lens 19 en de zogeheten straalpijp 20 bevat. Overige delen van de laserinrichting, zoals bijvoorbeeld de laserbron en de optische stralengang zijn niet weergegeven in de figuren, doch deze bevinden zich bij voorkeur buiten de machine 17.
Het is duidelijk dat de opeenvolging van de bewerkingen, zoals onder andere diegene weergegeven in figuur 1, naar willekeur kan worden gevarieerd en dat bijvoorbeeld eerst één of meerdere andere bewerkingen 12 kunnen uitgevoerd worden op het plaatvormig laminaatmateriaal 6, alvorens de laserbewerking 11, uitgevoerd wordt, zoals bijvoorbeeld met de in streeplijn weergegeven alternatieve opstelling 21 van de laser in figuur 1 is geïllustreerd. Ook kan de laserbewerking 11 gevolgd worden door één of meerdere andere of gelijkaardige bewerkingen. Het is eveneens duidelijk dat het mogelijk is eerst de korte zijden 7B-8B te bewerken en daarna de lange zijden 7A-8A van het vloerpaneel 1.
Ook het tegelijk of afwisselend uitvoeren van bewerkingen op de langse en korte zijden is niet uitgesloten, alsook kan men zich beperken tot het bewerken van enkel de langse, of enkel de korte zijden, of tot slechts één zijde. Ook kunnen meerdere laserbewerkingen aan één zijde worden uitgevoerd, welke al dan niet een gemeenschappelijke snede verwezenlijken.
Zoals weergegeven in figuur 2 wordt de laserbewerking 11 bij voorkeur toegepast op twee tegenovereenliggende zijden 7A-8A, en beter nog tegelijkertijd op deze twee zijden. Beide hierbij aangewende laserstralen zijn dan bij voorkeur afkomstig uit één laserbron waarvan de straal met behulp van een zogenaamde "beam splitter", welke op zich bekend is, gesplitst is. Het is duidelijk dat ook meer dan twee laserstralen tegelijk kunnen worden aangewend, of dat meer dan twee zijden tegelijkertijd kunnen worden bewerkt al dan niet met laserstralen die afkomstig zijn uit dezelfde laserbron.
De in figuur 2 weergegeven laserbewerking 11 wordt minstens aangewend om een materiaalgedeelte 22 uit de toplaag 4 te verwijderen en meer speciaal een snede daarin te vormen. De bewerking wordt hier tevens aangewend om ook een materiaalgedeelte 22 uit de kern 2 te verwijderen, één en ander zodanig dat de laserbewerking 11 in dit geval ook minstens gedeeltelijk het uiteindelijk te realiseren geprofileerde randgebied definieert. In het weergegeven voorbeeld brengt de laserbewerking 11 een snede aan in de sierzijde 23 van de vloerpanelen 1, waarbij een gedeelte van het verkregen oppervlak 24 de bovenrand 25 van de vloerpanelen 1 vormt.
Opgemerkt wordt dat het aangewezen is de afstand FD tussen de laserlens en het vloerpaneel 1, de zogenaamde focale afstand, klein te houden, bijvoorbeeld kleiner dan 10 cm. Op deze manier wordt de laserenergie geconcentreerd in een klein gebied, zodat hoofdzakelijk enkel de toplaag 4 en eventueel de kern 2 direct onder de toplaag 4 verwijderd worden. Het onderhouden van een korte focale afstand waarborgt een energie-efficiënte bewerking van de toplaag 4 van het vloerpaneel 1.
De afstand ND ("nozzle distance") van de straalpijp 20 tot het vloerpaneel 1 is in de grootte-orde van 1 mm. Kleine afwijkingen die zich in de afstand ND kunnen manifesteren hebben slechts een kleine weerslag op de efficiëntie in het algemeen of de diepte van zulke laserbewerking 11 in het bijzonder. Zo zullen bijvoorbeeld de typische afwijkingen in de orde van grootte van 0,05 mm ten gevolge van het transporteren van de vloerpanelen 1 langs de laserstraal 16 geen of nagenoeg geen invloed hebben.
Opgemerkt wordt dat, althans in de weergegeven voorbeelden, de vloerpanelen 1 met hun sierzijde 23 naar onderen worden bewerkt. Het is duidelijk dat binnen het kader van de uitvinding ook andere oriëntaties van de vloerpanelen 1 en de bijhorende bewerkingen mogelijk zijn. Het is duidelijk dat de vloerpanelen tijdens het bewerken op een geschikte wijze worden geleid. Geleidingstechnieken zijn op zich bekend en hierop wordt dan ook niet dieper ingegaan.
Verder wordt opgemerkt dat tijdens het uitvoeren van een
<EMI ID=4.1>
gebruik wordt gemaakt van een snijgas 26, bijvoorbeeld perslucht, stikstof, of dergelijke, dat via de straalpijp 20 coaxiaal met de laserstraal 16 wordt toegevoerd. De functie van een dergelijk snijgas 26 kan dubbel zijn. Vooreerst koelt dit gas de lens 19; ten tweede kan het een gedeelte van het eventueel verwijderde materiaal van het vloerpaneel 1 wegblazen. Synergetische effecten tussen het snijgas 26 en de laserbewerking 11, waardoor de efficiëntie van de laserbewerking 11 vergroot, worden niet uitgesloten.
In de weergegeven opstelling is het aangewezen bijzondere aandacht te besteden aan het vrijhouden van de laserlens 19 van stof of enig ander vuil. Dit kan bijvoorbeeld door een aanhoudende luchtstroom te voorzien boven de laserlens, zodanig dat de kans dat een invallend stofdeeltje op de laserlens blijft liggen minimaal is. Een dergelijk stofdeeltje kan tot inbranden leiden en verhoogt het risico op kapot springen van de lens 19. Het is ook mogelijk rond de volledige laserinrichting een afscherming te bouwen, waar de laserstraal
16 via een venster uit geleid kan worden. Een dergelijk venster
<EMI ID=5.1>
bestaan. In het geval van een Nd-YAG laser kan het venster uit glas of kwarts bestaan. In dit verband wordt tevens opgemerkt dat een zogenaamde "fiberlaser" op een voordelige manier in een dergelijke stofrijke omgeving kan worden aangewend. Dergelijke lasers kunnen namelijk in hetzelfde vermogenbereik als een C02 laser gebouwd worden, doch bieden een grotere flexibiliteit van inbouwen voor de integratie ervan in een machine 17. Nd-YAG en fiberlasers zullen voornamelijk daar aangewend worden waar het te verwijderen materiaalgedeelte 22 geen organisch materiaal bevat.
Zoals weergegeven in de figuren 3 tot 5 worden voornoemde laserbewerking 11 en de daaropvolgende voornoemde andere bewerkingen 12, in dit geval de voornoemde drie verspanende bewerkingen, zodanig gecombineerd dat door het aanwenden van de laserbewerking 11 het contact tussen de snij gereedschappen en de voornoemde toplaag 4 gereduceerd wordt, of, zoals in dit voorbeeld, vermeden wordt.
Hiertoe kan, zoals figuur 3 weergeeft, in een op de laserbewerking 11 volgende bewerking met behulp van een zaagsnede 28 een materiaalgedeelte 27 weggenomen worden tot in de voornoemde snede, zodanig dat het overtollige gedeelte 29 van de toplaag 4, en eventueel een gedeelte van de kern 2 onder deze toplaag 4, loskomt van het vloerpaneel 1 en zodus het contact tussen snijgereedschappen in daaropvolgende bewerkingen en de toplaag 4 beperkt en bij voorkeur zelfs vermeden wordt.
Figuren 4 en 5 tonen hoe de randgebieden 9 van de vloerpanelen 1 zo verder kunnen worden gevormd, bijvoorbeeld met roterende freesgereedschappen. Figuur 6 toont dat in een voorkeurdragende uitvoeringsvorm de laserstraal 16 onder een hoek A < 90[deg.], bij voorkeur onder een hoek A=87[deg.] a 89[deg.], op de bovenzijde 30 van het vloerpaneel 1 invalt. Zodoende creëert de laserbewerking 11 aan de bovenrand
25 van de panelen een inwaarts geïnclineerde rand, waardoor een goede aansluiting tussen aanliggende vloerpanelen 1 in een vloerbekleding bekomen kan worden. Figuur 6 geeft ook een extra externe gasstroom 31 weer die ongeveer loodrecht op de laserstraal 16 wordt aangewend, weggericht van het te vormen vloerpaneel 1, één en ander zodanig dat eventuele neerslag van het paneel wordt weggeblazen.
Figuur 7 geeft een bijzonder voorkeurdragende uitvoeringsvorm weer van de werkwijze volgens het eerste aspect van de uitvinding. Hierbij is de laserstraal 16 aanzienlijk schuin opgesteld ten opzichte van de bewegingsrichting 32 van de vloerpanelen 1, dit in een richting zoals weergegeven en zoals gedefinieerd in de conclusies. Bij voorkeur maakt de laserstraal 16 een hoek B < 80 , en beter nog een hoek B in de orde van grootte van 60[deg.] met de bovenzijde 30 van het vloerpaneel 1. De uitvinders hebben verrassingsgewijs vastgesteld dat een dergelijke schuinstelling eventuele neerslag van het verwijderde materiaal minimaliseert, terwijl de efficiëntie en de kwaliteit van de bewerking aanvaardbaar blijft. Vermoedelijk is het eerste te wijten aan het feit dat het snijgas 26 het verwijderde materiaal langs de reeds gevormde snijlijn 33 wegblaast.
Opgemerkt wordt dat de uitvinding niet uitsluit dat de laserstraal 16 ook andere hoeken ten opzichte van het vloerpaneel 1 inneemt, bijvoorbeeld een hoek B > 90[deg.].
Bij voorkeur zullen de uitvoeringsvormen van figuur 6 en figuur 7 gecombineerd worden om zo een optimale vrijwaring van neerslag op het vloerpaneel 1 en een goede aansluiting van de vloerpanelen 1 te bekomen. Het is duidelijk dat de voornoemde extra gasstroom in alle uitvoeringsvormen van alle aspecten kan worden aangewend.
Figuur 8 toont een variante van de werkwijze volgens het eerste aspect van de uitvinding, waarbij eerst een laserbewerking 11 en een zaagsnede 28 zijn uitgevoerd, zoals hierboven beschreven aan de hand van de figuren 2 en 3, doch echter zodanig dat de zaagsnede 28 niet tot in de snede van de laserstraal 16, en derhalve het overtollige gedeelte van de toplaag 4 niet automatisch loskomt. De zaagsnede 28 is echter wel zodanig uitgevoerd dat de onderlinge afstand d tussen deze zaagsnede 28 en de snede die aangebracht is door middel van de laserstraal
16 toelaat om het overtollige gedeelte 29 van de toplaag 4 af te breken met behulp van een drukelement.
In het geval de werkwijze aangewend wordt op een vloerpaneel 1 waarvan de kern 2 hoofdzakelijk bestaat uit een materiaal op basis van vezels, zoals bijvoorbeeld MDF of HDF, geniet het de voorkeur dat de afstand d in de meeste gevallen beperkt wordt tot 0,7 mm. Dit drukelement kan eenvoudig bestaan uit een in langsrichting van hoogte veranderende geleiding 34 die het overtollige gedeelte van de toplaag 4 wegdrukt en het afkraken van dit gedeelte van de kern 2 van het vloerpaneel 1 teweegbrengt. Figuren 9 en 10 geven een variante weer van een werkwijze volgens de uitvinding.
Hierbij wordt eerst een zaagsnede 28 aangebracht in een zijde van het vloerpaneel 1, en daarna wordt met behulp van een laserbewerking 11 een snede 22 uitgevoerd tot in de voornoemde zaagsnede 28, zodanig dat ook in dit geval het overtollige gedeelte van de toplaag 4 loskomt, bijvoorbeeld automatisch, of gemakkelijk kan weggedrukt worden, zoals hierboven uiteengezet aan de hand van figuur 8. Na deze bewerkingsstappen kunnen de geprofileerde randgebieden 9 verder worden gevormd, bijvoorbeeld zoals weergegeven in de figuren 4 en 5, zodanig dat contact tussen de eventuele snijgereedschappen en de toplaag 4 beperkt of vermeden is.
Figuren 11 en 12 tonen een variante waarbij het overtollige gedeelte van de toplaag 4 eerst, bij voorkeur grotendeels, met behulp van bijvoorbeeld een ruwe en, omwille van zijn eenvoudige rechte vorm, makkelijk slijpbare frees 14 wordt weggenomen, waarna een laserbewerking 11 wordt uitgevoerd die de bovenrand 25 van het paneel vormt. Na beide bewerkingen vormen andere bewerkingen, bijvoorbeeld bewerkingen zoals weergegeven in figuren 4 en 5, het geprofileerde randgebied verder. Tijdens het verder vormen van het geprofileerde randgebied zal het contact tussen de snijgereedschappen en de toplaag 4 beperkt, of zelfs vermeden zijn.
Zoals figuur 13 weergeeft is het niet uitgesloten dat de laserbewerking 11 die de bovenrand 25 van het vloerpaneel 1 vormt, wordt uitgevoerd na het vormen van de koppeldelen 10.
Figuren 14 tot 16 geven nog een variante weer van de werkwij ze uit figuur 1. Hierbij wordt het overtollig gedeelte 29 van de toplaag 4 slechts grotendeels verwijderd door bijvoorbeeld achtereenvolgens door middel van een laserbewerking 11 een snede 22 in de toplaag 4 aan te brengen en door middel van bijvoorbeeld een zaag 15 een materiaalgedeelte 22 weg te nemen tot in de voornoemde snede. Hierop volgen dan bij voorkeur bewerkingen analoog aan diegene weergegeven in de figuren 4 en
5. Opgemerkt wordt dat zulke zaag in alle beschreven gevallen ook een frees of ander werktuig zijn. De bovenrand 25 van het vloerpaneel 1 kan dan bij voorkeur in de laatste bewerkingsstap worden gevormd, bijvoorbeeld eveneens door een verspanende bewerking, die dan wel in contact komt met de toplaag 4.
Het eventueel aangewende snijgereedschap 13 tijdens het vormen van de bovenrand 25 van het paneel zal bij voorkeur bestaan uit polykristallijn diamant (zogenaamd "PKD"), en beter nog uit monokristallijn diamant (zogenaamd "MKD").
Een werkwijze zoals weergegeven in de figuren 14 tot 16 kan bijvoorbeeld aangewend worden wanneer de bovenrand 25 van het vloerpaneel 1 gevormd wordt door een vellingkant, waarbij deze vellingkant volledig door een snijgereedschap 13 wordt gevormd.
Figuren 17 en 18 illustreren een werkwijze waarbij het voornoemde geprofileerde randgebied zulke vellingkant 35 omvat die minstens gedeeltelijk met de voornoemde laserbewerking 11 wordt gevormd. Bij het uitvoeren van een dergelijke bewerking zal de laserstraal 16 schuin invallen op het vloerpaneel 1, namelijk onder een hoek A > 90[deg.], en beter nog onder een hoek A in de orde van grootte van 135[deg.]. Zoals weergegeven in figuur 18 kan daaropvolgend eveneens een zaagsnede 28 worden uitgevoerd zoals diegene weergegeven in figuur 3, zodanig dat het overtollige gedeelte van de toplaag 4 wordt verwijderd en dat tijdens de voornoemde andere bewerkingen 12 geen, of slechts beperkt contact gemaakt wordt met de toplaag 4.
Ook kan de laserbewerking uitsluitend voor het vormen van de vellingkant worden aangewend, of voor een gedeelte ervan, terwijl alle andere materiaal weggefreesd wordt, al dan niet door freesbewerkingen doorheen de toplaag, waarbij de laser dan alleen tot doel heeft het oppervlak van de vellingkant te vormen.
Zoals geïllustreerd in de figuren 1 tot 18 zijn verschillende varianten van een werkwijze volgens het eerste aspect van de uitvinding mogelijk. Het is duidelijk dat binnen het kader van de uitvinding verschillende bewerkingsstappen kunnen worden gecombineerd tot een werkwijze voor het vormen van een vloerpaneel 1 die één of meerdere van de hoger genoemde voordelen met zich meebrengt. Ook kan de onderlinge volgorde van de verschillende bewerkingsstappen naar willekeur worden veranderd, of kunnen in meerdere bewerkingsstappen laserstralen worden aangewend.
Figuren 19 en 20 geven een variante weer van een werkwijze volgens het eerste aspect van de uitvinding. In tegenstelling tot de voorbeelden weergegeven in de figuren 1 tot 18, wordt de laserbewerking 11 van figuren 19 en 20 uitgevoerd op plaatvormig laminaatmateriaal 6 waaruit tijdens of na de laserbewerking 11 meerdere vloerpanelen 1 worden verkregen. In dit geval worden met behulp van meerdere laserstralen materiaalgedeeltes weggenomen uit de toplaag 4 en bij voorkeur zetten deze weggenomen materiaalgedeelten zich door tot in de kern 2 van het plaatvormige laminaatmateriaal 6.
De andere bewerking 12, bijvoorbeeld een zaagbewerking zoals weergegeven met zagen 36, die op voornoemde laserbewerking 11 volgt, kan zonder contact te maken met de toplaag 4 het plaatvormig laminaatmateriaal 6 opdelen, bijvoorbeeld in kleinere stukken plaatvormig laminaatmateriaal 6 die nagenoeg de gewenste afmetingen van een vloerpaneel 1 bezitten. Op deze kleinere stukken kan dan een werkwijze worden toegepast zoals weergegeven in de figuren 1 tot 18. Figuur 21 geeft sterk vergroot de toplaag 4 van een vloerpaneel 1 weer. Deze toplaag 4 bevindt zich bovenop de kern 2 van het vloerpaneel 1 en bestaat uit twee in hars 37 gedrenkte dragervellen, waarvan één dragervel 38 een gedrukt decor 3, dat bijvoorbeeld een houtmotief of een steenmotief weergeeft, draagt en de decorlaag vormt.
De decorlaag is afgedekt door een zogenaamde overlay, die bestaat uit een transparant dragervel
39, dat eveneens in hars is gedrenkt. De weergegeven toplaag 4 bevat tevens partikels 40 die bestaan uit een slijtvast, bij voorkeur keramisch materiaal, zoals A1203. De partikels 40 zijn weergegeven aan de onderzijde van de overlay, maar het is duidelijk dat zij zich overal in de toplaag 4 kunnen bevinden, doch bij. voorkeur boven de decor 3. Door de laserbewerking 11 kan aan de toplaag 4 een glad oppervlak 41 aan de snede worden verkregen, doordat er op het verkregen oppervlak, zoals weergegeven, geen, of nagenoeg geen uitstekende harde delen voorhanden zijn.
De harde partikels worden door de laserbewerking namelijk gesmolten, verdampt of door een met de laserbewerking samenhangende thermische schok gekliefd, dit in tegenstelling tot een andere bewerking 12, zoals bijvoorbeeld frezen, waarbij de partikels als brokken uit het materiaal worden getrokken en dus een vrij ruwe snede ontstaat.
De kern 2 van het vloerpaneel 1 bestaat bij voorkeur uit een materiaal op basis van vezels, bij voorkeur houtvezels, die met een bindmateriaal zijn geconsolideerd, zoals MDF of HDF. Bij voorkeur wordt het bindmateriaal bij het uitvoeren van de laserbewerking 11 plastisch, en wordt deze bewerkingsstap gevolgd door een bewerking waarbij met een aandrukelement de vezels in het bindmateriaal worden gedrukt, zodanig dat bij het terug afkoelen van het bindmateriaal, een glad oppervlak wordt verkregen.
Figuren 22 en 23 geven een werkwijze weer volgens onder andere het tweede aspect van de uitvinding. Hiertoe bevat deze werkwijze minstens een bewerkingsstap waarbij met behulp van een warmtebron, in dit geval een laserstraal 16, een thermische behandeling wordt gegeven aan minstens één rand, bij voorkeur een bovenrand 25, van de laminaatpanelen, waarbij deze thermische behandeling een verkleuring 42 van de betreffende rand inhoudt. Figuur 23 geeft een vergroting van het gebied aangeduid met F23 in figuur 22 en toont dat de betreffende verkleuring zich bij voorkeur minstens op de toplaag 4 manifesteert, en zich zoals weergegeven beter voortzet over de volledige toplaag 4 tot zelfs op de kern 2.
De verkleuring wordt vermoedelijk verkregen door het gedeeltelijk verbranden van de toplaag 4 en/of de kern 2 en/of het decor 3 en/of het neerslaan van roetdeeltjes als gevolg van een verbranding, hetzij van de toplaag 4, hetzij van de kern 2, hetzij van het decor 3.
Bij voorkeur wordt de warmtebehandeling in het tweede aspect van de uitvinding uitgevoerd aan de hand van een warmtebron waarvan het vermogen kan worden ingesteld in functie van de gewenste kleur van de betreffende rand. Een variatie tussen lichtbruin en zwart is hierbij voorkeurdragend, vermits een dergelijke verkleuring vooral bij donkere decors gewenst is.
Figuren 24 en 25 illustreren een werkwijze volgens het vierde aspect van de uitvinding. Hiertoe geven zij een werkwijze weer die minstens twee bewerkingsstappen bevat. Figuur 24 illustreert de eerste bewerkingsstap, namelijk het aanmaken van een persplaat 43 die voorzien is van een reliëf
44. Zoals weergegeven in figuur 24 wordt dit reliëf minstens met behulp van een laserbewerking 11 gerealiseerd. Het betreft hier een laserbewerking 11 die digitaal aangestuurd is en materiaalgedeelten uit een substraat wegneemt ter vorming van het voornoemde reliëf op de persplaat. Het weergegeven reliëf bestaat uit meerdere soorten uitstulpingen. Deze uitstulpingen zijn bijvoorbeeld bedoeld om in het vloerpaneel 1 ingedrukte gedeelten aan te brengen in de vorm van houtporen of dergelijke of om bijvoorbeeld voegen in het laminaatmateriaal 6 te drukken.
Het gebruik van zulk reliëf is op zich ruim bekend. Figuur 25 toont hoe een dergelijke persplaat dan in een tweede bewerkingsstap wordt aangewend voor het vormen van de voornoemde vloerpanelen 1, om door middel van het voornoemde reliëf, ingedrukte gedeelten in het bovenoppervlak van de vloerpanelen 1, en meer speciaal in een plaatvormig laminaatmateriaal 6 waaruit vervolgens dergelijke vloerpanelen 1 worden gevormd, te realiseren. In dit geval betreft het een laminaatmateriaal 6 van het type DPL, waarbij in een pers 45 aan de bovenzijde van een kern 2, bij voorkeur een houtgebaseerde kern 2, onder invloed van temperatuur en druk de toplaag 4, in dit geval bestaande uit twee in hars gedrenkte dragervellen, rechtstreeks op de kern 2 wordt geperst. Onderaan de kern 2 wordt een tegenlaag 46 voorzien, die eveneens bestaat uit een in hars gedrenkt dragervel.
Volgens een bijzondere voorkeurdragende uitvoeringsvorm, die weergegeven is in figuur 26, wordt de persplaat voorzien van een 'reliëf met behulp van een materiaalopdragend proces, bijvoorbeeld een laserbewerking zoals selectief lasersinteren, lasercladden of dergelijke. Met een dergelijk proces kan het reliëf laagsgewijs opgebouwd worden en kan dit reliëf eventueel bestaan uit een ander materiaal dan het materiaal van de persplaat, bijvoorbeeld een materiaal met bijzondere eigenschappen zoals een slijtvast materiaal. Zoals weergegeven kan dit materiaal 47 aangevoerd worden in poedervorm, waarna het op de gewenste plaats geconsolideerd wordt, bijvoorbeeld onder invloed van een laserstraal 16. Bij een dergelijke laserbewerking is het voorkeurdragend een Nd-YAG laser aan te wenden, in combinatie met een zogenaamde scanner.
Deze scanner bestaat, zoals bekend, uit een set spiegels die de straal afbuigen naar de gewenste invalplaats op de persplaat.
Opgemerkt wordt dat de verschillende aspecten van de uitvinding met elkaar kunnen worden gecombineerd, in zo verre zij niet tegenstrijdig zijn, tot het vormen van een werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen die, bij het uitvoeren ervan, één of meerdere van hoger genoemde voordelen oplevert.
Verder wordt opgemerkt dat met het voornoemde bewegen van de vloerpanelen 1 over de laserstraal 16, of de eventuele snij gereedschappen van de voornoemde andere bewerking 12, een relatieve beweging bedoeld wordt en dat het derhalve niet uitgesloten is dat zowel de vloerpanelen 1 als de laserstraal
16 bewegen en/of dat in een bijzonder geval enkel de laserstraal 16 beweegt. De meest voorkeurdragende uitvoeringsvorm is echter diegene waarbij enkel de vloerpanelen 1 bewegen.
Volgens een afwijkende uitvoeringsvorm van de uitvinding zal een andere straaltechniek in de plaats van "laser" worden aangewend, daar waar dit mogelijk is. De laserstraal kan bijvoorbeeld voor het snijden vervangen worden door een straal van een ander medium, waarbij medium in de breedste zin moet opgevat worden, en waarbij onder meer gedacht wordt aan een ionenstraal, elektronenstraal, vloeistofstraal, gasstraal, vonkenstraal (vonkerosie) of dergelijke.
De huidige uitvinding is geenszins beperkt tot de als voorbeeld beschreven en in de figuren weergegeven uitvoeringsvormen, doch dergelijke werkwijze en zulk paneel kunnen volgens verschillende varianten worden verwezenlijkt zonder buiten het kader van de uitvinding te treden. De voornoemde zaagsnede 28 kan bijvoorbeeld ook op eender welke andere wijze worden verwezenlijkt, eventueel ook met een laser.