<Desc/Clms Page number 1>
De uitvinding heeft betrekking op een bestuurinrichting voor impulsverdelers, welke synchroon werken.
In de navolgende beschrijving worden onder impulsverdelers verstaan ringtelschakelingen, welke een willekeurig aantal trappen van n corresponderende uitgangen omvatten en die, indien gestuurd door impulsen met een periode T, achter elkaar impulsen met duur T afleveren aan alle "n" uitgangen, waarbij een impuls met duur T aan de ene uitgang bij het verdwijnen daarvan gevolgd wordt door een impuls met dezelfde duur aan de volgende uitgang en zo verder. De periode van de impulsen, welke aan de verschillende uitgangen optreden, is derhalve dezelfde en gelijk aan nT.
Dergelijke impulsen kunnen "frames" of rasters vormen, die een bepaald verband ten opzichte van elkaar bezitten en nuttig zijn voor het besturen van schakelinrichtingen van het statisch type zoals die, welke verbindingen tussen een gemeenschappelijke ingang in één van een aantal uitgangen op e en tijd-multiplex basis mogelijk maken. Daar deze impulsrasters essentieel zijn voor de goede werking van dergelijke schakelaars, die bijv. toegepast kunnen worden in de uitrusting van een telefooncentrale, is het gebiedend, dat passende voorzorgen genomen moeten worden om te verzekeren, dat deze rasters continu en zonder enige onderbreking beschikbaar zijn, welke anders de goede werking van de telefoonapparatuur ongunstig zouden kunnen beinvloe- den.
In het Belgische Octrooischrift 504.604 is reeds een inrichtirg beschreven, waarbij electronische impulsverdelers gebruikt worden, die hun identieke uitgangsenergieën via relaiscontacten afleveren aan gemeenschap- pelijke belastingen. Verdelerparen worden hier toegepast en de contacten zijn normaal gesloten, waardoor twee identieke verdelers normaal de halve noodzakelijke energie leveren. In het geval van storing, hetzij een gedeeltelijke of volledige in een der verdelers, zijn middelen aanwezig om de storing op te sporen en als gevolg daarvan zullen de uitgangen van de ge- stoorde verdeler van de gemeenschappelijke belasting worden afgeschakeld, waardoor slechts de overblijvende impulsverdeler de energie levert gedurende de tijd, welke nodig is voor het inschakelen van een afzonderlijke verdeler in de plaats van de gestoorde.
Dit betekent, dat elke verdeler zodanig moet worden ontworpen, dat deze de volle energie kan leveren, indien zulks nodig mocht zijn. Daar in dit octrooischrift de gemeenschappelijke belastingen gevormd worden door de ingangsketen van krachtversterkers, d.w.z. ketens met hoge impedantie, is het energieverbruik in elk geval gering.
Ten einde een storing te kunnen opsporen, zijn twee corresponderende uitgangen van de twee verdelers af verbonden met de twee ingangen van een spanningscomparator, welke reageert als de spanning aan de ene uitgang verschilt van die van de andere.
Een geschikte spanningscomparator is beschreven in het Belgische Octrooischrift 504.ó05 en bestaat in wezen uit een inrichting met drie stabiele electrische toestanden. Drie stabiel electrische toestanden zijn immers noodzakelijk, omdat een van deze de normale toestand moet zijn wanneer de potentialen aan de beide ingangen van de comparator zich normaal gedragen als de corresponderende verdelers hun normale impulsen aan de betreffende uitgangen afleveren.
Twee andere stabiele toestanden zijn voor de comparator nodig omdat, terwijl de ene verdeler een normale impuls aan de betreffende uitgang aflevert, een impuls ann de corresponderende uitgang van de andere verdeler afwezig kan zijn en dit zou dan kunnen leiden tot het feit, dat de laatste verdeler buiten dienst werd gesteld, terwijl de tegenovergestelde situatie zich ook zou kunnen voordoen, in welk geval de eerste verdeler buiten dienst moet worden gesteld. Dit maakt het gebruik van twee gasgevulde buizen noodzakelijk, welke passende, snelwerkende inrichtingen zijn, die normaal gedeioniseerd zijn en wanneer de ene of de andere verdeler door storing uitvalt, een impuls aan de betreffende uitgang en gedurende het normale impulsinterval afleveren.
Elke gasgevulde buis is verenigd met een re-
<Desc/Clms Page number 2>
lais en het ene of het andere der beide relais' wordt bekrachtigd, wanneer de afwezigheid van een normale impuls aan de betreffende uitgangen geconstateerd wordt, waardoor alsdan de gestoorde verdeleruitgangsketens van de gemeenschappelijke belasting worden afgeschakeld.
Een dergelijke inrichting, waarin slechts een van de n uitgangen vanaf elke verdeler met een comparator is verbonden, is geenszins ideaal, ofschoon in een electronische verdeler van het ringtype het ontbreken van een impuls aan de ene uitgang steeds onmiddellijk gevolgd wordt door het ontbreken van impulsen aan de andere uitgangen er steeds eentijd (n - 1) kan verlopen, voordat een storing wordt geconstateerd. Dit zou plaatsvinden, indien juist de uitgang, die onmiddellijk volgt op diegene, welke verbonden is met de comparator, die het eerst gestoord raakt, een impuls gedurende zijn juiste impulsinterval afgeeft. Verder is er een extra vertraging als gevolg van de tijd, die een electromagnetisch relais nodig heeft om a@n te spreken, nadat een gasgevulde buis is doorgeslagen.
In het Belgische Octrooischrift N 512.583 wordt de maximum vertraging van (n - 1) T seconden tot practisch nul teruggebracht door gebruik te maken van een inrichting met dubbele stabiele toestand in samenwerking met elke uitgang vanaf elke verdeler, waarbij de inrichting met dubbele stabiele toestand van elke uitgang vanaf een verdeler een comparator vormt met de inrichting met dubbele stabiliteit van de corresponderende uitgang vanaf de andere verdeler. Om een snelle responsie te verzekeren, wordt opnieuw gebruik gemaakt van een gasgevulde buis, die normaal gedeioniseerd is, doch die reageert, zodra de daarmede verbonden uitgang in gebreke blijft om een impuls af te leveren gedurende het daaraan toegewezen impulsinterval, wanneer de corresponderende uitgang van de andere verdeler een im- puls aflevert.
De schakeling met gasgevulde buizen is gelijksoortig a@n die, welke beschreven is in het bovengenoemde Belgische Octrooischrift N 504.605.
De vermindering van de vertraging gaat echter vergezeld van een aanzienlijke toename van de hoeveelheid bestuurapparatuur die nodig is, daar immers 2n gasgevulde buizen thans noodzakelijk zijn, terwijl er slechts twee nodig waren in het genoemde Belgische Octrooischrift 504.604.
Ofschoon bij de schakeling volgens het Belgische Octrooischrift 512.53 elke gasgevulde buis, die met een bijzondere uitgang vanaf een bijzondere verdeler verenigd is, geen daarmede verbonden relais in haar keten behoeft te omvatten, waarbij een relaisapparatuur gemeenschappelijk gebruikt wordt voor elke verdeler om de uitgangen van de gestoorde af te schakelen, is het aantal gasgevulde buizen recht evenredig aan het aantal uitgangen van de verdelers en wordt daarbij groot, wanneer de verdelers een groot aantal uitgangen bezitten.
Een nog groter voordeel van de schakeling wordt verkregen wanneer een gestoorde verdeler voortgaat met een impuls af te leveren gedurende een interval, dat volgt op het normale interval voor de betreffende uitgang. In een dergelijk geval zal door de gebruikte schakeling de gasgevulde buis, welke verenigd is met de corresponderende uitgang, die geen impuls aflevert gedurende het betreffende interval, zoals vereist is, ook geïoniseerd worden met het mogelijke resultaat, dat de verdeler, die op dat ogenblik op de juiste wijze functionneert, buiten dienst wordt gesteld, terwijl de gestoorde verdeler daarentegen verder gebruikt zou kunnen worden.
Het doel van de uitvinding is een verbeterde bestuurinrichting te verschaffen voor gesynchroniseerde impulsverdelers en in het bijzonder daarbij te vermijden, dat een onjuiste verdeling van impulsen plaatsvindt in het geval, waar een verdeler in gebreke blijft om impulsen aan de juiste uitgangen af te leveren en op de g3vraagde ogenblikken, ofwel impulsen aflevert aan sommige uitgangen op ogenblikken, waarop deze normaal geen impulsen zou mogen afleveren.
Volgens een kenmerk van de uitvinding zijn in een inrichting,
<Desc/Clms Page number 3>
welke een aantal n identieke impulsgeneratoren of -verdelers omvat elk met n uitgangen, die aan hun uitgangen in cyclische volgorde impulsen afleveren, zodat elke uitgang normaal op een eerste potentiaalwaarde is gedurende een tijd (n - 1) T en op een tweede potentiaalwaarde gedurende een tijd T, middelen aanwezig om één of meer uitgangen van één of meer dezer n genera- toren op te sporen, die een potentiaal aannemen, welke niet gelijk is aan de potentialen, die tezelfder tijd aanwezig zijn aan de corresponderende uitgangen van de overige generatoren, waarbij deze middelen m reeksen van n potentiaal -comparatoren omvatten, elk met twee ingangen en één uitgang, waarbij deze comparatoruitgang slechts dan een bijzondere potentiaal aan- neemt,
wanner de potentialen aan de beide ingangen van deze comparator beide op deze tweede waarde zijn en daarbij zodanig zijn ingericht, dat de eerste ingang van de i-de comparator (i¹1¹ n) van de j- de reeks (1¹j¹ m) verbonden is met de i-de uitgang van de j-de generator en dat de tweede in- gang van dezelfde i-de comparator uit dezlfde j-de reeks verbonden is met de i'-de uitgang van de j'-de generator, waarbij i' = i + 1 voor i < n en i'# 1 voor i = n en identieke betrekkingen tussen j' en j, terwijl de uitgangen van alle n comparatoren uit dezelfde reeks verbonden zijn met een individuele inrichting met twee electrische stabiele toestanden, welke nor- maal in de ene stabiele toestand verkeert en in de andere stabiele toestand overgaat,
wanneer deze bijzondere potentiaal aanwezig is aan een van de uitgangen vanaf de comparatoren, als gevolg waarvan de corresponderende ge- nerator buiten dienst kan worden gesteld.
De uitvinding wordt beschreven aan de hand der tekeing, waarin een enkele uitvoeringsvorm is weergegeven en waarin
Fig. leen bestuurinrichting aangeeft volgens de uitvinding en in blokschema voor twee gesynchroniseerde impulsverdelers.
Fig. 2 stelt een diagram voor, waarin het beginsel der besturing is aangegeven in het geval, dat drie impulsverdelers synchroon werken.
Fig. 3 geeft gedetailleerde uitvoeringen weer van de elementen, die in blokschema in Fig. 1 en 2 zijn aangegeven.
Fig. 4 stelt impulsgolfvormen voor, die afgeleverd worden door de in de vorige figuren afgebeelde impulsverdelers.
In Fig. 1 zijn identieke impulsverdelers D1 en D2 aangegeven, elk met vier trappen, waarvan elk impulsen aflevert met een duur T, resp.
4T aan de klemmen P11, P12, P13, P14 en P21, P22, P23 en P24. De correspon- derende impulsgolfvormen zijn afgebeeld in Fig. 4. De verdelers zijn in wezen ringtellers en elke trap kan opgevat worden als te omvatten twee buizen, die in Eccles-Jordan-schakeling zijn verenigd, waarbij de aliodeketen van één dezer buizen gekoppeld is met de roosterketen van een derde buis, waarvan de kathodeketen met de klem zoals- P11 is verbonden en derhalve een cathode-follower-schakeling is, die als buffertrap gebruikt wordt om de Eccles-Jordan-keten van uitwendige electrische condities te isoleren.
Normaal is één van de buizen, die elke Eccles-Jordan-keten vormt, geleidend, terwijl de andere dat niet is, waarbij vier corresponderende buizen, die elk de ene helft van een Eccles-Jordan-keten vormen in de ene verdeler, zoals D-, zijn zodanig verengd, dat alleen één van deze tezelfder tijd ge- leidend kan worden. De keten D1 kan derhalve vier bepaalde stabiele con- dities achter elkaar innemen, wanneer deze gestuurd wordt door op de klem PA gebrachte triggerimpulsen, welke impulsen elkaar opvolgen met een periode, gelijk aan T.
In Fig. 1 zijn twee kruisverbindingen aangegeven, die de verde- lers D1 en D onderling verbinden. Deze kunnen gebruikt worden op de wijze, zoals in het Belgische Octrooischrift N 504.606 is beschreven, om de ver- delers D en D te synchroniseren, zodat wanneer een impuls bijv. afgeleverd wordt aande ]riem P11, een impuls bovendien gelijktijdig aan de klem
<Desc/Clms Page number 4>
P2a wordt voortgebracht.
De klem P11 is verbonden met de linkeringang van de comparator
EMI4.1
G, waarvan de rechter ingang verbonden is met de klem P2z vanaf de tweede verdeler D. Deze comparator G2 is in werkelijkheid een poortinrichting, welke hier voorgesteld is door eef.l1Cleine cirkel met twee buitenwaartse ge- leiders, voorzien van pijlen, die naar het midden wijzen en die corresponderen met de poortingangen, plus een geleider, die ook wijst naar het midden van de cirkel, die de poort voorstelt en darrbij de poortuitgang vormt.
Deze poort is zodanig ingericht, dat slechts wanneer impulsen gelijktijdig
EMI4.2
de klemmen P 1-1 en P22 bereiken, een impuls afgeleverd zal worden a,¯¯n de uitgangsgeleider van de poort Gil2- In alle andere drie gevallen, met name een impuls alleen aan klem P , een impuls alleen aan klem P of geen impulsen aan elk van deze klemmen, zal geen impuls optreden aan de uitgangsgeleider
EMI4.3
van de poort G 1121 welke geleider verbonden is met een inrichting El met twee electrisch stabiele toestanden. Met deze inrichting zijn bovendien verenigd de uitgangen van soortgelijke poorten Gl23' GL4 en G141' waarvan de ingangen resp. verbonden zijn met de klemmen P1z en P 2:;' P 13 en P 24' P14 en P21 .
Verder is een soortgelijke inrichting E 2 met twee electrisch stabiele toestanden aangebracht, waarmede de uitgangen van de poorten G2129 G2239 G 234 en G241 zijn verbonden, terwijl de ingangen van deze laatste vier poorten resp. verbonden zijn met de klemmen P en P 12' Pz2 en P13' P2 en P 14' P en P. Deze poorten zijn alle van het type zoals Gl12.
Normaal zijn de beide inrichtingen B 1 en E 2 in één bijzondere stabiele conditie en blijven zij in deze laatste, zolang beide verdelers hun respectieve impulsen afgeven gedurende de respectieve impulsintervals, overeenkomstig de betreffende uitgangen. Indien bijv. wordt aangenomen, dat nadat een impuls aan klem P11 is afgeleverd als gevolg van het omslaan van de corresponderende Eccles-Jordan-keten, de verdeler D1 voortgaat met het uitsturen van een dergelijke impuls gedurende het volgende T interval, zal wanneer deze Eccles-Jordan-keten in gebreke gebleven is terug te schakelen naar die stabiele toestand, geldend voor het geval, waarbij geen impuls aan klem P11 optreedt, deze toevallige onjuiste impulsconditie gedurende het volgende T interval zal corresponderen met een impuls aan de klem P22
EMI4.4
daarbij aannemend,
dat de andere verdeler D2 normaal functionneert. Dajr impulsen coincideren aan de twee ingangen van de poort G1l2' zal dus een impuls afgeleverd worden aan de poortuitgang, welke daarbij gebruikt wordt voor he schakelen of "triggeren" van de inrichting E met tweevoudige stabiel toestand in haar tweede stabiele toestand. Zoals afgebeeld, voert een draad van deze inrichting, zoals naar de verschillende trappen van de verdeler D en zodra de inrichting E1 omgeschakeld is in haar tweede stabiele toestand, zal aan deze draad een nieuwe potentiaal optreden, welke gebruikt wordt op een wijze, zoals duidelijker uit Fig. 3 zal blijken en daarbij benut wordt om alle trappen van de verdeler D! te blokkeren.
De impulsen
EMI4.5
kunnen nu niet langer geleverd worden aan de klemmen P 111 P 12' P 13 en P 14' doch de verdeler D 2 gaat nu voort met normale impulsen te leveren aan de klemmen P 21' P 22' P en P 24. Indien klemmen, zoals P en P verbonden zijn met een gemeenschappelijke belasting en wel elk via individuele capacitieve koppelingen met eenzijdig gerichte karakteristiek bijv. een passend gepoolde gelijkrichter in overeenstemming met de polariteit van de
<Desc/Clms Page number 5>
impulsen in serie met eer condensator, dan zal het feit, dat impulsen nu niet langer afgeleverd worden aan de klem P11, de levering van de impulsen vanaf de klem P2 aan de gemeenschappelijke belasting op geen enkele wijze nadelig beïnvloeden.
Afgezien van het feit, dat de reactie van de inrichting
EMI5.1
El de gestoorde verdeler Dl onmiddellijk buiten werking stelt, kan haar reactie ook gebruikt worden om een alarm in werking te stellen, waardoor onmiddellijk maatregelen kunnen worden genomen om een derde en reserveverdeler in de plaats van de gestoorde verdeler D1 in te schakelen. Dit is echter niet in Fig. 1 aangegeven, en hetzij uit de hand of automatisch door op zichzelf bekende middelen plaatsvinden.
Opgemerkt wordt, dat indien een foutieve impuls conditie optreedt
EMI5.2
an de klem bijv. P 1 gedurende de tijd, dat en impulsconditie normaal op- treedt aan de klem P22, deze foutieve impulsconditie zou kunnen voortduren
EMI5.3
totdat een impulsconditie normaal optreedt aan de klem P 21..' De voorwaarde wordt hier gegeven door de tijd, die de inrichting zoals E nodig heeft om de van de eerste stabiele toestand over te gain in de tweeae en door de duur T alsook door het aantal uitgangen n van de verdelers. In het geval van hoogfrequentie impulsen en bij een klein aantal n uitgangen voor de verdelers, zou het kunnen gebeuren, dat de inrichting E1 niet volledig gereageerd heeft
EMI5.4
op het ogenblik, dat een impuls norma-tl aan Klem P 24 verschijnt.
Om te voor- komen, dat een dergelijke normale impuls, die een klem P24 samenvalt met een onjuiste toevallige impulsconditie aan klem P11 en tot gevolg zou hebben,
EMI5.5
dat de poort G21, die een impuls aflevert aan zijn uitgangsdraad, tevens de inrichting E2 zou schakelen, waardoor als deze laatste en de inrichting E1 in hun tweede stabiele toestand worden overgeschakeld, de beide verdelers
EMI5.6
D1 en Dz geblokkeerd zouden worden, zal het aanspreken van de ene inrichting E1 de werking van de andere inrichting E 2 onmiddellijk beletten. Dit is in Fig. 1 aangegeven door twee draden, die resp. uitgaan van de inrichtingen El en E en die via een gemeenschappelijke weerstand R gemeenschappelijk verbonden zijn met een negatieve potentiaal.
De werking van elke inrichting vanuit haar eerste stabiele toestand in haar tweede stabiele toestand heeft tot gevolg, dat een stroom ga t vloeien door deze weerstand R en dat het aldus over deze weerstand voortgebrachte potentiaalverschil belet, dat de andere inrichting, bijv. E2 in haar tweede stabiele toestand door triggerwer-
EMI5.7
king terecht komt. Sinds in het geval van een foutieve impulsconditie ar'j.n de klem P , de inrichting El het eerst overgeschakeld zal worden in haar tweede staoiele toestand, krijgt de andere inrichting E 21 waarvan de trigger werking slechts (m - 1) T seconden later kan aanvangen, geen kans om in haar tweede stabiele toestand te worden gebracht, zodat in het beschouwde voorbeeld de verdeler D2 normaal blijft functionneren.
Terwijl passende koppelingen van corresponderende verdeleruitgangketens na gemeenschappelijke belastingen voorkomen, dat de afwezigheid van een impuls in een bijzondere uitang op het juiste ogenblik de aflevering
EMI5.8
van de juiste impuls a..n de gemeenschappelijke belasting nadeling zou ben- vloeden, moet e n dergelijke toestand niettemin snel opgespoord worden, om-. dat indien deze gevolgd wordt ddor een storing in de andere verdeler, hetgeen binnen een korte tijd wel zeer onwaarschijnlijk zal zijn, doch op de lange duur wel zou kunnen voorkomen, dit verschijnsel onopgespoord zou blijven, waarbij de belastingen niet langer de juiste impulsen krijgen toegevoerd.
Ten einde de afwezigheid van een impuls op het juiste ogenblik
EMI5.9
op te sporen, zijn de klemmen, zoals P 111 ook verbonden met andere comparatoren zoals GIl' die in wezen poorten zijn en bij. identiek zijn ajn Gllz.
<Desc/Clms Page number 6>
EMI6.1
De klem P is verbonden met de linker ingang van de poort G 11 via een buffertrap D'11' welke verenigd is met elke verdelertrap en die gevormd kan worden door een buis, die als cathode-follower werkt en waarvan de
EMI6.2
hathodeketen verbonden is met de klem P' 11' die zelf rechtstreeks verbon- den is met de linkeringang van de poort G11.
Een dergelijke buffertrap is
EMI6.3
niet essentieel voor de uitvinding,doch kan ncdig mjnomtwee verschillende impulsen te kunnen verkrijgen, die identieke golfvormen bezitten, doch waarvan de niveaux kunnen verschillen en die voor verschillende doeleinden benut kunnen worden. Dit kan bijv. het geval zijn bij de schakeling, welke beschreven is in het bovengenoemde Belgische Octrooischrift 512.53. De rechter ingang van de poort G11 is op precies dezelfde wijze verbonden met
EMI6.4
klem PZ1 als de linkeringang verbonden is met de klem P, nl.
via de klem py 21 en de extra buffertrap D'21'
Indien aangenomen wordt, dat aan de klem P11 geen impuls afgeleverd wordt gedurende het juiste interval of ook incidenteel dat geen corresponderende impuls aan klem P11 afgeleverd wordt als gevolg van een
EMI6.5
storing van de buffertrappen D3 of Dll' treedt geen impuls op aan de linker ingang van de poort G 21 , terwijl er wel een impuls optreedt aan de rechter ingang van deze poort, natuurlijk aannemend, dat de andere verdeler D 2 tezamen met de daarmede verenigde extra buffertrappen D' 21' D' 22' D' 2j en D' 24 normaal functionneren. De poort Gll zal dus in gebreke blijven een uitgangsimpuls af te leveren, terwijl deze normaal telkens één aflevert op het ogenblik, dat impulsen gelijktijdig aan klemmen P en P21 afgeleverd
EMI6.6
worden.
Daar van gelijksoortige poorten G22' G 33 en G 44 de ingangen resp. verbonden zijn met de klemmen P'12 en P'22' P' en P'23' alsook P'14 en P' 2L wanneer de beide verdelers normaal functionneren, zal een opeenvolging van impulsen optreden aan de uitgangen van de poorten G, G22' G3":' en G /'+4' die alle verbonden zijn met een inrichting E12' die twee electrisch stabiele toestanden bezit. Daar dergelijke impulsen dicht op elkaar volgen, kunnen zij gemeenschappelijk gevoerd worden nar een stroomrail, die derhalve een continue potentiaal aanneemt, welke gelijk is aan het impulsni-
EMI6.7
veau, zolang als de verdelers normaal functionneren.
Het principe om aman- grenzende impulsen gemeenschappelijk op een stroomrail te brengen voor het richten van een ontladingsspleet is reeds beschreven in het voornoemde
EMI6.8
Belgiscl130 ctrooischrift 512.5'. Zodra een impuls aan klem P' 11 ontbreekt, zal een plotselinge potentiaalverandering optreden aar de gemeenschappelijke stroomrail ten gevolgen van het feit, dat de poort G11 in gebreke blijft om
EMI6.9
en impuls af te leveren. Dez.e kan dan gebruikt worden om de inrichting E 12 zodanig te schakelen, dat deze van de eerste en normale stabiele toestand overgaat in de tweede stabiele toestand, waarin een alarm zal worden gegeven.
EMI6.10
Opgemerkt wordt, dat terwijl in het Belgische Oetrooischrift 512.533 impulsen vanuit trappen, die analoog zijn aan D' il' D' 12'. D' D en D3 14 gegroepeerd waren op een gemeenschappelijke stroomrail zodat het ontbreken van één impuls gedetecteerd kon worden door een plotselinge verandering van de continue potentiaal aan de stroomrail, dit voor elke verdeler individueel werd uitgevoerd als gevolg van het gebruik van de comparatoren of poorten zoals Gll' de apparatuur zoals E 12 thans gemeenschappelijk wordt voor beide verdelers in plaats, dat een individuele apparatuur voor elk daarvan gebruikt wordt.
Dit zou een bijzonder voordeel kunnen zijn, wanneer
<Desc/Clms Page number 7>
het aantal parallel te schakelen verdelers groter wordt dan twee, hetgeen het geval zou kunnen zijn, indien deze verdelers als inrichtingen voor geringe energie betrekkelijk goedkoop zijn, waardoor een groep van m ver- delers, die elk in staat zijn 1 van de totale door de belasting vereiste energie af te leveren, een voordeel zou kunnen betekenen.
In het geval van meerdere identieke krachtversterkertrappen, die parallel verbonden zijn met gemeenschappelijke uitgangen vanaf verde- lerparen, zouden m1 energietrappen parallel geschakeld kunnen worden op de eerste gemeenschappelijke verdeleruitgang en twee op de volgende, enz., waarbij de poorten zoals G11 eenvoudig met zovele ingangen voorzien zouden moeten worden als er energietrappen voor de betreffende verdeleruitgang zijn, dit is m1, zodat een enkele inrichting zoals E12 met dubbele stabiele toestand aanwezig is voor de volledige inrichting van de m1 + m2 + ......m energietrappen.
In het geval, dat er meer dan twee verdelers parallel geschakeld worden zouden de poorten zoals G11 elk voorzien moeten worden van zoveel ingangen als er verdelers zijn en deze zouden nu geen uitgangs impuls, in- dien in een van de ingangen een impuls ontbreekt.
De verbinding vanaf de inrichtingen zoals E voert blijkens de figuur niet alleen naar de verdeler D , doch ook naar de vier extra buffertrappen D,11, D,12, D,13 en D,14 om aan te geven, dat wanneer deze laatste gebruikt worden, zij ook geblokkeerd kunnen worden als E1 een storingstoestand opspoort.
Ook in het geval, dat er meer dan twee verdelers parallel werken of dat er meer dan twee gelijksoortige uitgangen voor elk type impuls zijn, kan de uitvoering met de elementen E1 en E2 ook toegepast worden een een voorbeeld met drie verdelers, die parallel functionneren, is aangegeven in Fig. 2.
Daarin worden drie inrichtingen E , E en E gebruikt, die respectie velijk corresponderen met de verdelers D1,D2 en D3 Elke verdeleruitgang is verbonden met twee comparatoren of poorent zoals G112 en G341 voor de uitgang P11. Verbindingen worden in volgorde gemaakt, zoals gemakkelijk uit deze figuur volgt, waarbij van elke comparator of poort zoals G12 een van zijn twee ingangen (het aantal ingangen voor dit porttype blijft gelijk aan twee, onafhankelijk van het aantal parallel geschakelde verdelers) verbonden is met een impulsuitgang van één verdeler en tevens de tweede in- gang verbonden is met de volgende impulsuitgang in de volgende verdeler en er zodoende m reeksen van n comparatoren of poorten zoals G112 zijn en m inrichtingen met twee stabiele toestanden zoals E1, wanneer m het aantal verdelers voorstelt.
Wat Fig. 3 betreft wordt opgemerkt, dat hierin een trap van de verdeler D1 in detail is weergegeven tezamen met een buffertrap D,11, de poort G112, de inrichting E1 en de inrichting E12, die beide twee electrisch stabiele toestanden bezitten.
Elke verdelertrap omvat in wezen twee buizen VA1 en VA2, die hier als dubbeltriode zijn afgebeeld en in een Eccles-Jordan-schakeling zijn verbonden, waarbij de wederzijdse plaatroosterkoppelingen, respectieve- lijk gevormd worden door de shunt-combinatie van de weerstand R1 en conden- sator C1, alsmede van weerstand R2 en condensator C2. De beide platen zijn
<Desc/Clms Page number 8>
tevens verbonden met e@n positieve voeding van +150 V via de individuele
EMI8.1
weerstanden R3 en R4. De roosters zijn tevens verbonden met een negatieve voeding van -150 V. via individuele weerstanden R5 en R6.
Bovendien is de kathode van VA1 verbonden met -150 V. via de weerstand R, die gemeenschappelijk gebruist wordt voor alle buizen, welke
EMI8.2
gelijksoortig zijn ac.n VA1 en de rest van de verdeler vormen. De waarde van deze gemeenschappelijke weerstand R7 is zo gekozen, dat wanneer de ene buis van de VA1 reeks geleidend is, geen van de overige buizen van deze reeks in de verdeler D1 geleidend kan worden gemaakt als gevolg van de po- tentiaaldaling over de weerstand. Ook is de kathode van VA2 verbonden met -150 V. via een weerstand R, die gemeenschappelijk gebruikt wordt voor al-
EMI8.3
le buizen van de VA 2 reeks, die de verdeler V 1 vormen, doch de weerstand R verricht nu geen blokkerende werking, die analoog is aan die, welke door weerstand R7 wordt verricht.
Verder zijn de gemeenschappelijke kathoden van
EMI8.4
de buizen van de VA 2 reeks via condensatoren V3 en weerstand R9 in serie met klem PA verbonden. Op deze klem PA worden de triggerimpulsen met periode T, die negatief zijn, gebracht en die opvolgende omkeringen tweegbrengen
EMI8.5
van de trappen, die de verdelers Dl en D' 1 vormen. De anode van VA2 is gekoppeld met de rooster van een volgende
EMI8.6
buis VA, via condensator C, waarbij van deze buis de plaat verbonden is @ met + 150 V. en de kathode verbonden is met - 150 V. via weerstand R10, terwijl de rooster via de weerstand R11 en voorspanning verkrijgt door de potentiometerschakeling, die de weerstanden R12 en R in serieschakeling
EMI8.7
tussen aarde en -150 V. omvat via de contacten'2k lé al., die opgenomen zijn in de inrichting E1 met dubbele stabiele toestand.
De buis VA werkt als cathode-follower en haar kathode is met klem P verbonden via het contact b 11 van relais Brl, dat opgenomen is in de inrichting El met twee stabiele toestanden.
Aangenomen wordt, dat de spanning aan de plaat van VA "hooglT is, hetgeen correspondeert met een impulsconditie aan klem P11 door het feit, dat de gemeenschappelijke weerstand R7, de platen van de overige. buizen van de VA2 reeks "laag" zijn, terwijl de spanning aan de plaat van
EMI8.8
VA1 la'.'.g is en de spanning aan platen van de overige buizen van de VA- reeks hoog is. Zodra de volgende negatieve triggerimpuls a:.¯n de klem PA ontvangen wordt, zal de positieve voorspanning tussen de rooster en de kathode van VA toenemen, waardoor op de bekende cumulatieve wijze, VA2 nn geleidend wordt,
EMI8.9
terwijl buis VAl niet geleidend wordt, en de plaatspanning van VA2 laag wordt, terwijl die van VA1 hoog wordt.
De resulterende positieve impuls aan de plaat van VA1 wordt nu overgedragen op de rooster van de corresponderende
EMI8.10
VAl buis in de volgende trap van de verdeler via de condensator C5, waardoor deze 18.:....tste buis geleidend wordt, terwijl de buis in dezelfde trap niet geleidend wordt met het gevolg, dat op de klem PA 12 een positieve im-
<Desc/Clms Page number 9>
puls gebracht wordt.
Tezelfder tijd, dat de spanning aan de plaat van de buis VAl in de tweede trap van de verdeler hoog wordt, zendt deze een po-
EMI9.1
sitieve impuls uit via condensator 5 naar de rooster van de buis VAZ in de eerste trap, waardoor de laatste buis, die geleiden gemaakt was door de negatieve flank van de negatieve triggerimpuls, nu niet meer in staat is haar toestand te wijzigen, wanneer de positieve flank van de negatieve triggerimpuls via condensator C op de kathode gebracht wordt, aangezien de potentiaal aan diens rooster tezelfder tijd verhoogd wordt.
De tijdconstanten worden natuurlijk op passende wijze gekozen, zodat de positieve flanken van de negatieve triggerimpuls, die gebracht worden op klem PA, op een tijdstip aankomen, wanneer het effect van de positieve impuls aan de plaat
EMI9.2
van VA2 in de tweede trap van de verdeler Dl nog niet afgelopen is. De duur van de negatieve impulsen aan klem PA wordt natuurlijk belangrijk kleiner gekozen dan T.
Opgemerkt wordt, dat indien om welke reden ook de tweede trap van de verdeler D in gebreke blijft zijn toestand te wijzigen zodra de triggerimpuls aankomt, de positieve flank van de triggerimpuls, welke gebracht wordt op klem P., werkdadig zal zijn en de rooster-, kathodevoorspanning van de buis VA in de eerste trap zal verkleinen, waardoor opnieuw buis VA2 in de eerste trap niet-geleidend zal worden. Dit betekent, dat de plaat van VA een hoge spanning blijft behouden gedurende het volgen- de T-interval en dat indien de verdeler D2 op de juiste wijze werkt, een impuls aan klem P22 zal verschijnen overeenkomstig het feit, 'of de plaat
EMI9.3
van de buis VA 2 in de tweede trap van de verdeler DZ een hoge spanning bezit, waardoor de poort Gl12 de storingstoestand van de verdeler Dl zal aangeven.
De plaat van VA in D1 is verder verbonden met de rooster van
EMI9.4
de buis VA (niet afgebeeld) in de eerste trap van de verdeler DZ via de condensator C in serie met de gelijkrichter REI en via contact kal2 van een sleutel KA1 in de inrichting met twee stabiele toestanden. Een soortgelijke verbinding bestaat tussen VA 2 in D en VA1 in D1* Deze verbindingen bestaan slechts tussen de eerste trappen van de beide verdelers en maken het mogelijk, dat de synchronisering van de beide verdelers plaatsvindt,
EMI9.5
wanneer het contact zoals ka 12 gesloten wordt, waardoor een positieve impuls aan de plaat van de buis VA2 (niet afgebeeld) in verdeler D2 gebracht wordt op de rooster van buis VAl in de eerste trap van de verdeler D, waardoor de buis geleidend wordt overeenkomstig het feit, dat de buis VA1 in ce eerste trap van de verdeler D2 eveneens geleidend is.
Daar de synchronisering moet optreden na een periode, welke kleiner is dan nT, indien deze laatste klein is, zullen de beide verdelers gesynchroniseerd worden, wanneer de sleutel zoals KA1 wordt losgelaten. Een tijdelijke verbinding tussen de
EMI9.6
eerste trappen van de verdelers Dl en Dz vermijdt, dat belasting van de roosterketens van de buizen VA door extra ketens kan optreden, die anders
EMI9.7
het ontwerp te ingewikkeld zouéen maken en de veiligheid der werking zouden verkleinen. Zodra de beide verdelers gesynchroniseerd zijn, zal de synchronisatieverbinding zonder bezwaar verbroken kunnen worden,
aangezien een fase-naijling van de ene verdeler ten opzichte van de andere het in werking
<Desc/Clms Page number 10>
komen van de bestuurmiddelen ten gevolge zal hebben alsook de naijlende verdeler zal blokkeren.
Opgemerkt wordt, dat een fase-voorijling van de ene verdeler vor de andere ongedetecteerd zal voorbijgaan of althans op onjuiste wijze gedetecteerd zal worden als naijling van de andere verdeler. Een dergelijk gebeuren zal echter niet gemakkelijk kunnen plaatsvinden. Hiermede kan in werkelijkheid rekening worden gehouden in het geval, waarbij tenminste drie verdelers parallel werken (Fig.
2) door de uitgang van de poort zoals G112 niet rechtstreeks te koppelen aan de inrichting E1, doch aan de eerste in- gang van een volgende poort, waarvan de tweede ingang met klem P32 is ver- bonden en waarvan de uitgang verbonden is met inrichting E1 en een poten-
EMI10.1
tiaal bezit, welke voldoende is om deze laatste inrichting te triggeren wanneer impulsen gelijktijdig gebracht worden op de ingangen van deze vol-
EMI10.2
gende poort. Daar de kansen, dat beide verdelers Dz en D3 gelijktijdig dezelfde storing bezitten, d. i. voorijlen, practisch nihil zijn, zal de
EMI10.3
inrichting E1 op de juiste wijze getriggerd worden zodra de verdeler D1 een storing aangeeft, bijv. voorijlt. Hierdoor zal echter het voorijlen van de ene verdeler ten opzichte van de andere nog niet worden gedetecteerd.
Doch dit laatste kan ook uitgevoerd worden door de uitgang van de poort zoals G112 te verbinden met de eerste ingang van nog een andere poort, waarvan de tweede ingangverbonden is met klem P31 en waarvan de uitgang verbonden is
EMI10.4
met de inrichting E2' Alsdan, zal indien een impuls aan de uitgang van G 112 optreedt en deze correspondeert met een aan klem P -91 , de inrichting E2 getriggerd worden, daar immers naar alle waarschijnlijkheid de verdeler D2 ten opzichte van de andere voorijlt.
Een dergelijke schakeling schijnt echter niet essentieel in de practijk, doch zou economisch verwezenlijkt kunnen worden in de vorm van
EMI10.5
twee reeksen van un poorten, elk met drie ingangen zoals P, P22, P32 voor de eerste reeks en P24' Pj4' Pil voor de tweede, waarbij uitgangen van n poorten van de eerste reeks en n poorten van de tweede reeks met elke inrichting zoals El zijn verbonden, va-xbij de eerste naijlt en de tweede voorijlt.
Wanneer men het geval thans beschouwt, dat de plaat van VA2 een hoge spanning heeft na een negatieve triggerimpuls en bijv. als gevolg van het feit, dat de tweede trap van verdeler D1 in gebreke blijft van de ener stabiele toestand in de andere over te gaan, is de tijdconstante van
EMI10.6
de keten. G,, Ruz , r, 11 voldoende hoog ten opzichte van T om een i.apulscondi- tie a@n de kathode van VA gedurende het volgende T interval te handhaven.
Daar zowel de spanning a@n de kathode van VA, in de eerste trap van de @
EMI10.7
verdeler Dl en in de tweede trap van de verdeler D2 nu hoog zijn, zal deze potentiaal optreden in het knooppunt van de tegengesteld gepoolde seriegelijkrichters RE2 en RE3, welke deel uitmaken van de poort Gll2' die ver- bonden is tussen de kathoden van deze laatstgenoemde buizen.
Daar het
EMI10.8
knooppunt van de gelijkrichters via weerstand R 14 met aarde is verbonden, zal wanneer de verdelers D1 en D2 normaal functionneren, de potentiaal in
EMI10.9
het knooppunt van de gelijkrichters PS 2 en RE steeds gelijk zijn aan de lage potentiaal, die optreedt aan de kathode van een buis VA, wanneer de
<Desc/Clms Page number 11>
plaat van de corresponderende VA2 buis in dezelfde verdeler een lage spanning bezit.
Wanneer de beide-kathoden van de buizen VA3 in de eerste
EMI11.1
trap van de verdeler D1 en in de tweede trap van de verdeler D 2 een be- trekkelijk hoge spanning bezitten, zal er steeds een positieve impuls zijn
EMI11.2
in het knooppunt van de gelijkrichters RE en RE , die via de gelijkrichter RE 45 die eveneens verbonden is met he knooppunt van de eerste twee gelijkrichters, op de ingang van de inrichting E1 met twee stabiele toestanden gebracht wordt.
De gelijkrichter RE is voorzien van een lek naar - 150 V via
EMI11.3
de weerstand R15 en het knooppunt van gelijkrichter RE 4 en weerstand R 15 is met de triggerelectrode van een koude-kathodebuis CT1 via de condensa- tor C7 gekoppeld.
De triggerelectrode van deze buis verkrijgt een voorspanning door middel van de potentiometer, welke gevormd wordt door de weerstan-
EMI11.4
den R16 en R 7 in serie tussen aarde en -150 V, terwijl de anode van deze buis met aarde verbonden is via weerstand F-1 en de kathode met -150 V over contact ka,3 van sleutel KAl en weerstand R, zoals reeds is aangegeven in fig. 1 en die gemeenschappelijk gebruikt wordt voor het geven van een voor-
EMI11.5
spanning aan de kathode van de corresponderende buis OT 1 in E;2 om een ge- lijktijdige ionisering van deze beide buizen te voorkomen. De overbruggings- condensator C ligt parallel aan deze gemeenschappelijke weerstand R.
De buis CT1 is normaal in stroomloze toestand, doch zodra een positieve impuls gebracht wordt op de triggerelectrode, wordt deze buis geleidend en brengt darrabij een potentiaaldaling voort over de weerstand R18, die als negatieve impuls overgedragen wordt naar de primaire wikkeling van een transformator T1 via condensator C De primaire, alsook de secun-
EMI11.6
daire wikkeling van transformator T1 bezit'èen vJorspanning van -150 V en de negatieve impuls in de primaire wikkeling wordt getransformeerd in een positive impuls in de secundaire wikkeling, welke gemeenschappelijk overgebracht xordt op de triggerelectroden van twe' koude kathodebuizen CT2,
EMI11.7
en Ci via de serie combinaties van gelijkrichter RE , condensator G en weerstand Rg enerzijds en geleijkrichter R, condensator C1C en weerstand R 20 anderzijds.
De hoofdspleten van de buizen CT2 en CT3 zijn in serie geschakeld tussen aarde en -350 V, waarbij de kathode van de buis
EMI11.8
CT2 direct verbonden is met de anode van de buis OT 3 en in serie met weerstand R 21' wikkeling van relais Axl en contact kalI van sleutel Ka. Door het gebruik van deze twee koude kathodebuizen @an een voldoende verandering in potentiaal verkregen worden aan de anode van de buis CT2, zodra buizen
EMI11.9
CT en CT gelijktijdig geïoniseerd worden, als een positieve impuls over de secundaire wikkeling van transformator 1' wordt afgeleverd.
De potentiaalverandering, die nodig ils, blijkt groter te zijn dan VA VB, waarin VA de triggerspanning tussen anode en kathode voorstelt, waarbij een 'buis onafhankelijk van de potentiaal aan de triggerelectrode geïoniseerd wordt en waarin VB de brandspanning is van de hoofdspleet. Bij deze schakeling kun-
EMI11.10
nen van de beide buizen OT 2 en OT- de hoofdspleten in serie verbonden zijn tussen een spanningsbron VO' die slechts kleiner behoeft te zijn dan 2VA.
De triggerelectrode van buis CT2 verkrijgt een positieve voorspanning ten opzichte van haar kathode door middel van een potentiometer, welke de
EMI11.11
weerstanden R p en.L 2i omvat, terwijl de triggerelectrode van de buis CT,,
<Desc/Clms Page number 12>
op corresponderende wijze een voorspanning verkrijgt door middel van een potentiometerschakeling, welke de weerstanden R24 en R25 omvat De weer-
EMI12.1
standen RZ6 resp. EZ7' die verbonden zijn over 3e hoofdspleten van de buizen CT- en CT3' dienen om de kathodepotentiaal van CT- te bepalen, welke correspondeert met de anodepotentiaal van CT3, wanneer de buizen gedeioniseerd zijn.
Zodra de poort zoals G112 een positieve impuls afgeeft, waar-
EMI12.2
door de buizen CTZ en CTJ geïoniseerd worden, spreekt relais Arl aan en dit kan gebruikt worden om e@n alarmketen in werking te stellen. Tezelfder tijd zal de sterke potentiaaldaling, die optreedt aan de buis van de anode CT2, overgedragen worden op de roosters van alle buizen, bijv. VA , in alle trap-
EMI12.3
pen van een verdelere D1 en wel via individuele gelijkrichters, zoals RE in de eerste trap van verdeler D . Deze gelijkrichter is normaal niet geleidend, doch zal nu geleidend worden, waardoor de lage potentiaal aan
EMI12.4
de anode van de buis CT2 op de stuurrooster van alle buizen van de VR- reeks in de verdeler Dl gebracht wordt.
Deze potentiaal is van de ordre 140-350= -210 Volt , welke voldoende is om de buizen zoals VR-. voorbij het afsnijpunt te brengen.
Het aanspreken van relais Ar1 heeft tot resultaat, dat ook
EMI12.5
relais Brl opkomt via, het werkcontact al, en dit laatste relais grendelt zich nu via diens werkcontact b10 en het contact kb11 van de sleutel. Door
EMI12.6
het aanspreken van relais Br1 worden alle contacten geopend, zoals b 11 die de klemmen bijv. P 11 afschakelen van de corresponderende uitgang sketens van de verdeler Dl. Relais Arl zs tevens voorzien van een rustcontact a 121 dat normaal een extra aarde levert voor de anode van de buis CT2.
Hierdoor kan, wanneer de sleutel KA is neergedrukt, nadat een storing in de verde-
EMI12.7
ler Dl gedetecteerd is, deleten van de hoofdspleten van de buizen OT 2 en CT3 gesloten blijven, waardoor indien de storingstoestand voortduurt nadat @
EMI12.8
de sleutel KA is losgelaten, de hoofdspleetketen van de buis CT1 via het rustcontact ka,3 opnieuw gesloten kan worden, zodat de buizen CT en CT3 opnieuw geïoniseerd kunnen worden als de buis CT1 geioniseerd wordt.
Anders zouden de tijdconstanten van de keten tot gevolg kunnen hebben, dat de buis CT7 opnieuw geïoniseerd werd, indien de storing voortduurt, doch zonder dat nu de buizen CT en CT geïoniseerd worden, indien de impuls van trans-
EMI12.9
formator Tl ontvangen wordt voordat de hoofdspleetketen van de buizen C^12 en CT3 via het rustcontact ka tot stand komt.
De extra buffertrap D-' 11 omvat, zoals de tekening aangeeft, een buis VA., welke als cathode-follower werkt en waarvan de anode rechtstreeks ver Bonden is met + 150 V, terwijl de kathode verbonden is met -150 V via weerstand R28 en de rooster hiervan gekoppeld is met de kathode
EMI12.10
van de buis VA3 in de overeenkomstige trap van de verdeler Dl en via condensator C.
De rooster van VA, is tevens op een bepaalde voorspanning gebracht door een potentiometerscha:kelíng' die de weerstanden R 29 en R # omvat en in serie geschakeld is tussen aarde via de contacten kall of a12 en -150 V, terwijl de rooster verbonden is met het knooppunt van deze twee
EMI12.11
weerstanden via de weerstand Ruz1* De positieve impulsen aan de kathode van
<Desc/Clms Page number 13>
EMI13.1
VA4 bereiken de klem P'll over het rustcontact b'll van relais Br 1en de klem P'll blijft zodoende op dezelfde wijze als klem P' 11 afgeschakeld als relais Brl opkomt. Dit wordt op dezelfde wijze verricht als voor de verschillende trappen van verdeler D1 door een electronische blokkering,
EMI13.2
die het gevolg is van'het verlagen van de a.nodepotentiaal van buis CT2' welke overgedragen wordt naar de rooster van alle buizen zoals VA 4in de extra buffertrappen D' 11' D' 12' Du ? D'1 via de gelijkrichter, bijv. RE, zodra de buizen OTZ en CT3 gezoniseerd worden.
De vergelijking tussen de impulsen aan de klem F' 11 met die aan de klem P' 21 wordt, zoals reeds boven toegelicht is, uitgevoerd door de poort G11, die in Fig. 3 niet in detail is weergegeven, daar deze identiek is aan de poort Gl12. De uitgangen van de vier poorten Gll' G23' Gaz en G44 worden, daar zij ontkoppelgelijkrichters bevatten, gemeenschappelijk
EMI13.3
gebra:
cht op de roosterkathodeketen van een koude kathodebuis Cet,, die de inrichting E12 met twee stabiele toestanden vormt, tezamen met het relais
EMI13.4
C , dat in de anodeketen is opgenomen in serie met de weerstand R 32 tussen + 150 V in de plaat van T, via de rustcontacten kel, b'lp en b' 201 welke laatste contacten.respectievelijk behoren bij de relais 'Br1 en Br, welke echter niet zijn afgebeeld, daar zij op soortgelijke wijze als bij E1 zijn
EMI13.5
aangebracht in de inrichting E2.
De besturende electrode van Cet, is via de weerstanden R3 en R 4 in serie, verbonden met -150 V, terwijl het -j' J'4 knooppunt van deze weerstanden verbonden is met de uitgang afkomstig van de
EMI13.6
poort, zoals Gll' Normaal levert een van de poorten, zoals G, aan zijn uitgang een spanning af, die niet voldoende negatief is om de hulppoort van de buis CT, te verbreken, doch zodra een impuls uitblijft, zal de po- tentiaal aan het knooppunt van weerstanden R .,.
en R ,, waarvan de laatstgenoemde een hoge waarde bezit ten opzichte vafi de weerstand (niet afgebeeld), die deel uitmaakt van de poort, zoals G11, op dezelfde wijze
EMI13.7
als R15 groot is ten opzichte van R 14' nu voldoende dalen om een negatief potentiaalverschil voort te brengen tussen de besturende electrode en de
EMI13.8
kathode van OT 49 welke voldoende is om de ionisatie van de buis en daarmede de bekrachtiging van het mederverbonden relais Cr te veroorzaken. Het feit, dat dit relais bekrachtigd is, kan dan op elke passende wijze gebruikt worden om een alarm in werking te stellen. Door het sleutelcontact kc1 van
EMI13.9
sleutel KC kan de buis GT, 4 gedoofd worden.
Tevens kan worden opgemerkt, dat zodra het relais Br, of Br (niet afgebeeld) aanspreekt, de buis CT 4niet geïoniseerd kan worden, zodat geen storing aangewezen kan worden in een extra buffertrap, zoals D'11 en wanneer dit een gestoorde verdelertrap is
EMI13.10
in hetzij D1 of D 2 welke het corresponderend Br relais deed opkomen. Deze taak wordt vervuld door de contacten b'10 en b'0.
De uitvinding is geenszins beperkt tot de in de tekening afgebeelde speciale uitvoering, die dan ook elk limitatief karakter mist.
<Desc / Clms Page number 1>
The invention relates to a control device for pulse dividers which operate synchronously.
In the following description, pulse dividers are understood to be ring counting circuits which have an arbitrary number of stages of n corresponding outputs and which, when controlled by pulses with a period T, deliver pulses of duration T in succession to all "n" outputs, whereby a pulse with duration T at one output, when it disappears, is followed by a pulse of the same duration at the next output, and so on. The period of the pulses occurring at the various outputs is therefore the same and equal to nT.
Such pulses may form "frames" or frames which are related to one another and are useful for controlling static type switching devices such as those which connect a common input to one of a plurality of outputs at one time and time. -plywood base. Since these pulse frames are essential for the proper operation of such switches, which can be used e.g. in the equipment of a telephone exchange, it is imperative that appropriate precautions must be taken to ensure that these frames are available continuously and without any interruption. which could otherwise adversely affect the proper functioning of the telephone equipment.
Belgian Patent Specification 504,604 has already described an apparatus in which electronic pulse dividers are used which deliver their identical output energies via relay contacts to common loads. Divider pairs are used here and the contacts are normally closed, so two identical dividers normally supply half the necessary energy. In the event of failure, either partial or complete in one of the dividers, means are provided to detect the failure and as a result the outputs of the faulty divider will be disconnected from the common load, leaving only the remaining pulse divider provides the energy for the time required to switch on a separate distributor in place of the faulty one.
This means that each distributor must be designed so that it can deliver the full power if needed. Since in this patent the common loads are formed by the input circuit of power amplifiers, i.e., high impedance circuits, the power consumption is in any case low.
In order to detect a fault, two corresponding outputs of the two dividers are connected to the two inputs of a voltage comparator, which reacts when the voltage at one output differs from that of the other.
A suitable voltage comparator is described in Belgian Patent Specification 504,005 and consists essentially of a device with three stable electrical states. After all, three stable electrical states are necessary, because one of these must be the normal state when the potentials at both inputs of the comparator behave normally when the corresponding dividers deliver their normal pulses to the respective outputs.
Two other stable states are needed for the comparator because, while one divider is delivering a normal pulse to its output, a pulse at the corresponding output of the other divider may be absent and this could lead to the latter the distributor has been taken out of service, while the opposite situation could also occur, in which case the first distributor must be taken out of service. This necessitates the use of two gas-filled tubes, which are suitable, fast acting devices, which are normally deionized, and when one or the other distributor fails due to failure, deliver a pulse to the appropriate output and during the normal pulse interval.
Each gas-filled tube is united with a re-
<Desc / Clms Page number 2>
LAIS and one or the other of the two relays are energized when the absence of a normal pulse is detected at the respective outputs, thus disconnecting the faulty distributor output circuits from the common load.
Such a device, in which only one of the n outputs from each divider is connected to a comparator, is by no means ideal, although in a ring type electronic divider the lack of a pulse at one output is always immediately followed by the lack of pulses. at the other outputs a time (n - 1) can always elapse before a fault is detected. This would occur if the very output immediately following the one connected to the comparator that is faulted first is delivering a pulse during its correct pulse interval. Furthermore, there is an additional delay due to the time it takes for an electromagnetic relay to speak a @ n after a gas-filled tube has been broken.
In Belgian Patent N 512.583, the maximum delay of (n - 1) T seconds is reduced to practically zero by using a dual steady state device in conjunction with each output from each divider, the dual steady state device being of each output from one divider forms a comparator with the device with double stability of the corresponding output from the other divider. To ensure rapid response, a gas-filled tube is again used, which is normally deionized, but which responds as soon as the associated output fails to deliver a pulse during its assigned pulse interval when the corresponding output of the other distributor delivers an impulse.
The circuit with gas-filled tubes is similar to that described in the above-mentioned Belgian Patent N 504,605.
However, the reduction in delay is accompanied by a significant increase in the amount of control equipment required, as 2n gas-filled tubes are now required, while only two were required in the aforementioned Belgian Patent 504,604.
Although in the circuit according to Belgian Patent Specification 512.53, each gas-filled tube associated with a particular output from a particular distributor does not have to include a relay connected thereto in its circuit, a relay equipment being used in common for each distributor to control the outputs of the distributor. In order to switch off faulty, the number of gas-filled tubes is directly proportional to the number of outlets of the manifolds and thereby becomes large if the manifolds have a large number of outlets.
An even greater advantage of the circuit is obtained when a faulty divider continues to deliver a pulse during an interval following the normal interval for the particular output. In such a case, the circuit used will also ionize the gas-filled tube associated with the corresponding output that does not deliver a pulse during the particular interval, as required, with the possible result that the divider that is currently functions properly, is taken out of service, while the faulty distributor could continue to be used.
The object of the invention is to provide an improved control device for synchronized pulse dividers and, in particular, to prevent an incorrect distribution of pulses from occurring in the case where a divider fails to deliver pulses to the correct outputs and on the requested moments, or delivers impulses to some outputs at times when it should normally not be delivering impulses.
According to a feature of the invention, in a device,
<Desc / Clms Page number 3>
comprising a number n identical pulse generators or dividers each having n outputs which deliver pulses to their outputs in cyclic order such that each output is normally at a first potential value for a time (n - 1) T and at a second potential value for a time T, means provided to detect one or more outputs of one or more of these n generators, which take on a potential which is not equal to the potentials present at the same time at the corresponding outputs of the other generators, said means comprising m arrays of n potential comparators, each with two inputs and one output, this comparator output assuming only a particular potential,
when the potentials at the two inputs of this comparator are both at this second value and are arranged such that the first input of the i-th comparator (iator1¹ n) of the jth series (1¹j¹ m) is connected to the i-th output of the j-th generator and that the second input of the same i-th comparator of the same j-th series is connected to the i'-th output of the j'-th generator, where i '= i + 1 for i <n and i '# 1 for i = n and identical relations between j' and j, while the outputs of all n comparators from the same series are connected to an individual device with two electric stable states, which is normally times in one stable state and changes into another stable state,
when this particular potential is present at one of the outputs from the comparators, as a result of which the corresponding generator can be disabled.
The invention is described with reference to the drawings in which a single embodiment is shown and in which
FIG. denotes a control device according to the invention and in block diagram for two synchronized pulse dividers.
FIG. 2 represents a diagram illustrating the principle of control in the case where three pulse dividers operate synchronously.
FIG. 3 shows detailed embodiments of the elements shown in block diagram in FIG. 1 and 2 are indicated.
FIG. 4 represents pulse waveforms delivered by the pulse dividers shown in the previous figures.
In fig. 1, identical pulse dividers D1 and D2 are indicated, each with four stages, each of which delivers pulses with a duration T, respectively.
4T at terminals P11, P12, P13, P14 and P21, P22, P23 and P24. The corresponding impulse waveforms are shown in FIG. 4. The dividers are essentially ring counters and each stage can be understood as comprising two tubes joined in Eccles-Jordan circuit, the aliode chain of one of these tubes being coupled to the grid chain of a third tube, the cathode chain of which connected to the terminal as-P11 and thus is a cathode-follower circuit, which is used as a buffering stage to isolate the Eccles-Jordan circuit from external electrical conditions.
Normally one of the tubes making up each Eccles-Jordan chain is conductive, while the other is not, with four corresponding tubes, each forming one half of an Eccles-Jordan chain in one divider, such as D -, are so narrowed that only one of these can be conductive at the same time. The circuit D1 can therefore assume four predetermined stable conditions in succession, when controlled by trigger pulses applied to the terminal PA, which pulses follow each other with a period equal to T.
In fig. 1 shows two cross connections which interconnect the distributors D1 and D. These can be used in the manner described in Belgian Patent N 504,606 to synchronize the dividers D and D, so that when a pulse is delivered, for example, to the belt P11, a pulse is additionally simultaneously to the terminal.
<Desc / Clms Page number 4>
P2a is generated.
Terminal P11 is connected to the left input of the comparator
EMI4.1
G, the right input of which is connected to the terminal P2z from the second divider D. This comparator G2 is in reality a gate arrangement, which is here represented by a small circle with two outward conductors, provided with arrows, pointing to the center and correspond to the gate entrances, plus a conductor, which also points to the center of the circle, which represents the gate and forms the gate exit.
This gate is arranged so that only when pulses are simultaneously
EMI4.2
reach terminals P 1-1 and P22, a pulse will be delivered a, ¯¯ in the output conductor of the gate Gil2- In all other three cases, namely a pulse only to terminal P, a pulse only to terminal P or none impulses at each of these terminals, no impulse will occur at the output conductor
EMI4.3
of the gate G 1121, which conductor is connected to a device E1 with two electrically stable states. In addition, associated with this device are the outputs of similar gates Gl23 'GL4 and G141' whose inputs are resp. connected to terminals P1z and P 2 :; ' P 13 and P 24, P14 and P21.
Furthermore, a similar device E 2 with two electrically stable states is provided, to which the outputs of the gates G2129, G2239, G234 and G241 are connected, while the inputs of the latter four gates, respectively. are connected to terminals P and P 12 'Pz2 and P13' P2 and P 14 'P and P. These ports are all of the type such as Gl12.
Normally, both devices B1 and E 2 are in one particularly stable condition and remain in the latter as long as both dividers deliver their respective pulses during the respective pulse intervals according to the respective outputs. For example, if it is assumed that after a pulse has been delivered to terminal P11 as a result of switching the corresponding Eccles-Jordan chain, the divider D1 continues to output such pulse during the next T interval, when this Eccles Jordan circuit has failed to switch back to that steady state, as in the case where no pulse at terminal P11 occurs, this accidental incorrect pulse condition during the next T interval will correspond to a pulse at terminal P22
EMI4.4
assuming,
that the other distributor D2 is functioning normally. Thus, Dajr pulses coincide at the two inputs of gate G112 'will deliver a pulse to the gate output, which is thereby used to switch or "trigger" the dual stable state device E into its second stable state. As shown, a wire from this device leads, such as to the various stages of the divider D, and once the device E1 is switched to its second steady state, a new potential will appear on this wire, which is used in a manner as more clearly seen. from fig. 3 will be shown and it is thereby used to all stages of the distributor D! to block.
The impulses
EMI4.5
can now no longer be supplied to the terminals P 111 P 12 'P 13 and P 14' but the distributor D 2 now continues to supply normal pulses to the terminals P 21 'P 22' P and P 24. If terminals, such as P and P are connected to a common load, each via individual capacitive couplings with unidirectional characteristic, e.g. a suitably polarized rectifier in accordance with the polarity of the
<Desc / Clms Page number 5>
pulses in series with a capacitor, the fact that pulses are now no longer delivered to terminal P11 will in no way affect the delivery of the pulses from terminal P2 to the common load.
Apart from the fact that the response of the device
EMI5.1
If the faulty distributor D1 immediately deactivates, its reaction can also be used to trigger an alarm, whereby immediate measures can be taken to switch on a third and spare distributor in place of the faulty distributor D1. However, this is not shown in Fig. 1, and can be performed either manually or automatically by means known per se.
It should be noted that if an erroneous pulse condition occurs
EMI5.2
at the terminal e.g. P 1 during the time when a pulse condition normally occurs at terminal P22, this faulty pulse condition could persist
EMI5.3
until a pulse condition normally occurs at terminal P 21 .. 'The condition is given here by the time it takes for the device such as E to pass from the first steady state to the second and by the duration T as well as by the number of outputs n of the distributors. In the case of high frequency pulses and with a small number n outputs for the dividers, it could happen that the device E1 has not fully responded
EMI5.4
at the moment that a pulse normally appears at terminal P 24.
To prevent such a normal pulse coinciding a terminal P24 with an incorrect accidental pulse condition at terminal P11 and resulting in
EMI5.5
that gate G21, delivering a pulse to its output wire, would also switch device E2, so that when the latter and device E1 are switched to their second steady state, the two dividers
EMI5.6
D1 and Dz should be disabled, addressing one device E1 will immediately prevent operation of the other device E2. This is shown in Fig. 1 indicated by two wires, respectively. starting from the devices E1 and E and which are jointly connected to a negative potential via a common resistor R.
The operation of each device from its first steady state to its second steady state causes a current to flow through this resistor R and the potential difference thus produced across this resistor prevents the other device, e.g. E2, from entering its second stable state by trigger work
EMI5.7
king ends up. Since in the event of an erroneous pulse condition ar'j.n the terminal P, the device E1 will first be switched to its second stable state, the other device E 21, whose triggering action is only (m - 1) T seconds later. can start, no chance of being brought into its second steady state, so that in the example considered, the divider D2 continues to function normally.
While appropriate couplings of corresponding distributor output circuits after common loads prevent the absence of a pulse in a particular output at the appropriate time from delivering
EMI5.8
of the correct impulse at the common load would influence disadvantage, such a condition must nevertheless be detected quickly, because the common load would be affected. that if this is followed by a failure in the other distributor, which will be very unlikely within a short time, but could occur in the long run, this phenomenon would go undetected, with the loads no longer being supplied with the correct impulses .
In order to avoid the absence of an impulse at the right time
EMI5.9
To detect, the terminals such as P111 are also connected to other comparators such as GI1 'which are essentially gates and at. are identical to Gllz.
<Desc / Clms Page number 6>
EMI6.1
The terminal P is connected to the left input of the gate G 11 via a buffer stage D'11 'which is associated with each divider stage and which can be formed by a tube which acts as a cathode-follower and whose
EMI6.2
hathode chain is connected to the terminal P '11' which itself is directly connected to the left input of gate G11.
One such buffer stage is
EMI6.3
not essential to the invention, but it can be possible to obtain two different pulses having identical waveforms, but the levels of which can be different and which can be utilized for different purposes. This may be the case, for example, with the circuit described in the above-mentioned Belgian Patent Specification 512.53. The right input of gate G11 is connected in exactly the same way
EMI6.4
terminal PZ1 if the left input is connected to terminal P, viz.
via terminal py 21 and the additional buffer stage D'21 '
If it is assumed that no pulse is delivered to terminal P11 during the correct interval or also incidentally that no corresponding pulse is delivered to terminal P11 due to a
EMI6.5
failure of the buffer stages D3 or Dll ', no pulse occurs at the left input of gate G21, while a pulse does occur at the right input of this gate, assuming, of course, that the other divider D2 is associated with it. additional buffer stages D '21' D '22' D '2j and D' 24 function normally. Thus, gate Gll will fail to deliver an output pulse, normally delivering one at a time when pulses are simultaneously delivered to terminals P and P21.
EMI6.6
turn into.
There of similar gates G22, G 33 and G 44 the inputs resp. connected to terminals P'12 and P'22 'P' and P'23 'as well as P'14 and P' 2L when both dividers are operating normally, a sequence of pulses will occur at the outputs of the gates G, G22 'G3 ":' and G / '+ 4' all connected to a device E12 'having two electrically stable states. Since such pulses follow closely together, they can be fed together to a busbar, which therefore has a continuous potential. which is equal to the impulse limit
EMI6.7
level as long as the distributors are operating normally.
The principle of applying adjacent pulses together on a conductor rail for directing a discharge gap has already been described in the aforementioned
EMI6.8
Belgiscl130 certificate 512.5 '. As soon as a pulse at terminal P '11 is missing, a sudden change of potential will occur to the common busbar due to the gate G11 failing to
EMI6.9
and deliver impulse. This can then be used to switch the device E 12 such that it changes from the first and normal steady state to the second steady state, in which an alarm will be given.
EMI6.10
It is noted that while in Belgian Patent Specification 512,533 pulses from stages analogous to D 'il' D '12'. D 'D and D3 14 were grouped on a common busbar so that the lack of one pulse could be detected by a sudden change of the continuous potential at the busbar, this was done individually for each divider due to the use of the comparators or gates like G11, the equipment such as E 12 now becomes common to both distributors instead of using an individual equipment for each.
This could be a particular advantage if
<Desc / Clms Page number 7>
the number of dividers to be connected in parallel becomes greater than two, which could be the case if these dividers are relatively inexpensive as low-power devices, resulting in a group of m dividers, each capable of dividing 1 of the total load required to deliver energy, could be an advantage.
In the case of several identical power amplifier stages connected in parallel with common outputs from divider pairs, m1 power stages could be connected in parallel on the first common divider output and two on the next, etc., with the gates like G11 simply having so many inputs. should be provided if there are power stages for the respective distributor output, this is m1, so that a single device such as E12 with double steady state is present for the complete device of the m1 + m2 + ...... m power stages.
In the event that more than two dividers are connected in parallel, the gates such as G11 should each be provided with as many inputs as there are dividers and these would now have no output pulse if one of the inputs is missing a pulse.
The connection from the devices such as E, according to the figure, leads not only to the distributor D, but also to the four additional buffer stages D, 11, D, 12, D, 13 and D, 14 to indicate that when the latter is used they can also be disabled if E1 detects a fault condition.
Also in the case that more than two dividers are operating in parallel or that there are more than two similar outputs for each type of pulse, the version with elements E1 and E2 can also be used, an example with three dividers operating in parallel, is indicated in FIG. 2.
Therein, three devices E, E and E are used, corresponding to the dividers D1, D2 and D3 respectively. Each divider output is connected to two comparators or ports such as G112 and G341 for the output P11. Connections are made in sequence, as easily follows from this figure, with each comparator or gate such as G12 having one of its two inputs (the number of inputs for this port type remains equal to two, regardless of the number of dividers connected in parallel) is connected to a pulse output of one divider and also the second input is connected to the next pulse output in the next divider and thus there are m series of n comparators or gates such as G112 and m devices with two stable states such as E1, when m represents the number of dividers .
What Fig. 3, it is noted that a stage of the distributor D1 is shown in detail herein along with a buffer stage D, 11, gate G112, device E1 and device E12, both of which have two electrically stable states.
Each distributor stage essentially comprises two tubes VA1 and VA2, shown here as a double triode and connected in an Eccles-Jordan circuit, the mutual plate grid couplings being formed, respectively, by the shunt combination of the resistor R1 and the capacitor. sator C1, as well as resistor R2 and capacitor C2. Both plates are
<Desc / Clms Page number 8>
also connected to a positive power supply of +150 V via the individual
EMI8.1
resistors R3 and R4. The grids are also connected to a negative supply of -150 V. through individual resistors R5 and R6.
In addition, the cathode of VA1 is connected to -150 V. through the resistor R, which is common to all tubes, which
EMI8.2
similar are ac.n VA1 and the rest of the divider forms. The value of this common resistor R7 is chosen such that when one tube of the VA1 series is conductive, none of the remaining tubes of this series in the divider D1 can be made conductive due to the potential drop across the resistor. Also, the cathode of VA2 is connected to -150 V. through a resistor R, which is commonly used for all-
EMI8.3
The tubes of the VA 2 series which form the divider V1, but the resistor R now does not perform a blocking action analogous to that performed by resistor R7.
Furthermore, the common cathodes are of
EMI8.4
the tubes of the VA 2 series are connected in series with terminal PA via capacitors V3 and resistor R9. The trigger pulses with period T, which are negative, are applied to this terminal PA and which generate subsequent inversions.
EMI8.5
of the stages forming the dividers D1 and D '1. The anode of VA2 is coupled to the grid of another
EMI8.6
tube VA, through capacitor C, of this tube the plate is connected @ to + 150 V. and the cathode is connected to -150 V. through resistor R10, while the grid is biased through resistor R11 and is biased by the potentiometer circuit, which the resistors R12 and R in series connection
EMI8.7
between ground and -150 V. is included through the contacts K1, which are included in the dual steady-state device E1.
The tube VA functions as a cathode follower and its cathode is connected to terminal P through the contact b 11 of relay Br1, which is included in the device E1 with two stable states.
It is assumed that the voltage at the plate of VA "is high, which corresponds to a pulse condition at terminal P11 due to the fact that the common resistance R7, the plates of the other tubes of the VA2 series are" low ", while the tension at the plate of
EMI8.8
VA1 la '.'. G and the tension at the plates of the other tubes of the VA series is high. As soon as the next negative trigger pulse a: ¯ is received in the terminal PA, the positive bias voltage between the grid and the cathode of VA will increase, causing VA2 nn to become conductive in the known cumulative manner.
EMI8.9
while tube VA1 becomes non-conductive, and the plate voltage of VA2 becomes low, while that of VA1 becomes high.
The resulting positive impulse to the plate of VA1 is now transferred to the grid of the corresponding
EMI8.10
The VAl tube in the next stage of the divider through the capacitor C5, making this 18: th tube conductive, while the tube in the same stage becomes non-conductive with the result that on the PA 12 terminal a positive im -
<Desc / Clms Page number 9>
pulse.
At the same time that the voltage at the plate of the tube VAl in the second stage of the distributor becomes high, it sends a
EMI9.1
positive impulse out through capacitor 5 to the grid of the tube VAZ in the first stage, whereby the last tube, which was made conductive by the negative edge of the negative trigger impulse, is now unable to change its state when the positive edge of the negative trigger pulse is applied to the cathode via capacitor C, since the potential at its grid is increased at the same time.
The time constants are, of course, appropriately chosen so that the positive edges of the negative trigger pulse applied to terminal PA arrive at a time when the effect of the positive pulse on the plate
EMI9.2
of VA2 in the second stage of the distributor D1 has not yet expired. The duration of the negative impulses at terminal PA is of course chosen to be significantly smaller than T.
It should be noted that if for any reason the second stage of the divider D fails to change its state as soon as the trigger pulse arrives, the positive edge of the trigger pulse applied to terminal P will be effective and the grid , cathode bias of the tube VA in the first stage will decrease, causing tube VA2 in the first stage to become non-conductive again. This means that the VA plate will maintain a high voltage for the next T-interval and if the divider D2 is operating properly, a pulse will appear at terminal P22 according to whether the plate
EMI9.3
of the tube VA 2 in the second stage of the divider DZ has a high voltage, whereby the gate Gl12 will indicate the fault condition of the divider D1.
The plate of VA in D1 is further connected to the grid of
EMI9.4
the tube VA (not shown) in the first stage of the divider DZ through the capacitor C in series with the rectifier RE1 and through contact kal2 of a key KA1 in the two steady state device. A similar connection exists between VA 2 in D and VA1 in D1 * These connections only exist between the first stages of the two distributors and enable the synchronization of the two distributors to take place.
EMI9.5
when the contact such as ka 12 is closed, causing a positive impulse to the plate of the tube VA2 (not shown) in divider D2 is applied to the grid of tube VA1 in the first stage of the divider D, causing the tube to conduct accordingly the fact that the tube VA1 in the first stage of the distributor D2 is also conductive.
Since the synchronization must occur after a period which is less than nT, if the latter is small, both dividers will be synchronized when the key such as KA1 is released. A temporary connection between the
EMI9.6
The first stages of the distributors D1 and Dz prevent that loading of the grid circuits of the pipes VA can occur by additional circuits which would otherwise
EMI9.7
would make the design too complicated and reduce the safety of operation. As soon as the two distributors are synchronized, the synchronization connection can be broken without objection,
since a phase lag of one distributor relative to the other causes it to operate
<Desc / Clms Page number 10>
coming of the means of control and will block the lagging distributor.
It is noted that a phase lead from one divider will pass undetected before the other or at least be incorrectly detected as a lag from the other divider. However, such an event will not be able to take place easily. This can actually be taken into account in the case where at least three distributors operate in parallel (Fig.
2) by connecting the output of the gate such as G112 not directly to the device E1, but to the first input of a subsequent gate, the second input of which is connected to terminal P32 and whose output is connected to the device E1 and a poten-
EMI10.1
sufficient to trigger the latter device when pulses are simultaneously applied to the inputs of this device.
EMI10.2
gende port. Since the probabilities that both distributors Dz and D3 simultaneously have the same disturbance, d. i. ahead, are practically nil, the
EMI10.3
device E1 can be properly triggered as soon as the distributor D1 indicates a fault, eg ahead. As a result, however, the leading of one distributor relative to the other will not yet be detected.
However, the latter can also be performed by connecting the output of the gate such as G112 to the first input of yet another gate, the second input of which is connected to terminal P31 and whose output is connected.
EMI10.4
with the device E2 'In that case, if a pulse occurs at the output of G 112 and corresponds to one at terminal P -91, the device E2 will be triggered, since in all probability the divider D2 is ahead of the other.
However, such a circuit does not seem essential in practice, but could be economically implemented in the form of
EMI10.5
two sets of un gates, each with three inputs such as P, P22, P32 for the first set and P24 'Pj4' P1 for the second, with outputs from n gates of the first set and n gates of the second set with each device such as El are connected, from the first to the first and the second to the first.
Considering now the case where the plate of VA2 has a high voltage after a negative trigger pulse and, for example, as a result of the second stage of divider D1 failing to pass from one steady state to the other , is the time constant of
EMI10.6
the chain. G ,, Ruz, r, 11 high enough with respect to T to maintain an i-pulse condition at the cathode of VA during the next T interval.
Since both the voltage a @ n the cathode of VA, in the first stage of the @
EMI10.7
divider D1 and in the second stage of divider D2 are now high, this potential will occur at the node of the oppositely polarized series rectifiers RE2 and RE3, which are part of gate Gll2 'connected between the cathodes of the latter. tubes.
There it
EMI10.8
node of the rectifiers is connected to ground through resistor R 14, when dividers D1 and D2 are operating normally, the potential in
EMI10.9
the junction of the rectifiers PS 2 and RE are always equal to the low potential occurring at the cathode of a tube VA, when the
<Desc / Clms Page number 11>
plate of the corresponding VA2 tube in the same distributor has a low voltage.
When the two cathodes of the tubes VA3 in the first
EMI11.1
stage of the divider D1 and in the second stage of the divider D 2 have a relatively high voltage, there will always be a positive pulse
EMI11.2
in the node of the rectifiers RE and RE, which is brought via the rectifier RE 45, which is also connected to the node of the first two rectifiers, to the input of the device E1 with two stable states.
The RE rectifier has a leakage to -150 V via
EMI11.3
the resistor R15 and the node of rectifier RE 4 and resistor R 15 is coupled to the trigger electrode of a cold cathode tube CT1 through the capacitor C7.
The trigger electrode of this tube is biased by means of the potentiometer, which is formed by the resistance
EMI 11.4
den R16 and R 7 in series between ground and -150 V, while the anode of this tube is connected to ground through resistor F-1 and the cathode to -150 V across contact ka, 3 of key KAl and resistor R, as already is indicated in Fig. 1 and which is commonly used to give a preliminary
EMI11.5
voltage at the cathode of the corresponding tube OT 1 in E; 2 to avoid simultaneous ionization of these two tubes. The bridging capacitor C is parallel to this common resistor R.
The tube CT1 is normally in a de-energized state, but as soon as a positive pulse is applied to the trigger electrode, this tube becomes conductive and thereby generates a potential drop across the resistor R18, which is transferred as a negative pulse to the primary winding of a transformer T1 via capacitor C The primary as well as the secondary
EMI 11.6
The primary winding of transformer T1 has a voltage of -150 V and the negative pulse in the primary winding is transformed into a positive pulse in the secondary winding, which is transmitted in common to the trigger electrodes of two cold cathode tubes CT2.
EMI 11.7
and Ci via the series of combinations of rectifier RE, capacitor G and resistor Rg on the one hand and comparator R, capacitor C1C and resistor R 20 on the other.
The main gaps of the CT2 and CT3 tubes are connected in series between ground and -350 V, with the cathode of the tube
EMI 11.8
CT2 is connected directly to the anode of the tube OT 3 and in series with resistor R 21 'winding of relay Axl and contact calI of key Ka. By using these two cold cathode tubes, a sufficient change in potential can be obtained at the anode of tube CT2 as soon as tubes
EMI11.9
CT and CT are simultaneously ionized when a positive pulse is delivered across the secondary winding of transformer 1 '.
The potential change required appears to be greater than VA VB, where VA represents the trigger voltage between anode and cathode, a tube is ionized independently of the potential at the trigger electrode, and VB is the burn voltage of the main gap. With this circuit,
EMI11.10
The main gaps of the two tubes OT 2 and OT- are connected in series between a voltage source VO 'which need only be less than 2VA.
The trigger electrode of the CT2 tube is biased positively to its cathode by means of a potentiometer, which
EMI11.11
resistors R p and L 2i, while the trigger electrode of the tube CT ,,
<Desc / Clms Page number 12>
correspondingly biased by means of a potentiometer circuit comprising resistors R24 and R25.
EMI12.1
positions RZ6 resp. EZ7 'connected across 3rd main gaps of the tubes CT- and CT3' serve to determine the cathode potential of CT-, which corresponds to the anode potential of CT3 when the tubes are deionized.
As soon as the gate generates a positive impulse such as G112,
EMI12.2
ionized by the tubes CTZ and CTJ, the relay responds to Ar1 and can be used to initiate an alarm chain. At the same time, the strong potential drop occurring at the tube of the anode CT2 will be transferred to the grids of all tubes, e.g. VA, in all stages.
EMI12.3
pin of a distributor D1 via individual rectifiers, such as RE in the first stage of distributor D. This rectifier is normally not conductive, but will now become conductive, causing the low potential to turn on
EMI12.4
the anode of the tube CT2 on the control grid of all tubes of the VR series is placed in the distributor D1.
This potential is of the order of 140-350 = -210 Volt, which is sufficient for the tubes such as VR-. past the cut point.
Addressing relay Ar1 has the result, too
EMI12.5
relay Brl comes on via, the working contact al, and the latter relay now locks itself via its working contact b10 and the contact kb11 of the key. By
EMI12.6
when relay Br1 is triggered, all contacts are opened, such as b 11, which disconnect the terminals eg P 11 from the corresponding output chains of the distributor D1. Relay Ar1 is also provided with a normally closed contact a121 which normally provides an additional ground for the anode of the tube CT2.
This allows, when the key KA is pressed down, after a malfunction in the distribution
EMI12.7
Ler D1 is detected, the main gaps of tubes OT 2 and CT3 remain closed, so that if the fault condition continues after @
EMI12.8
the key KA is released, the main gap circuit of the tube CT1 can be closed again via the quiescent contact ka, 3, so that the tubes CT and CT3 can be re-ionized when the tube CT1 is ionized.
Otherwise, the time constants of the circuit could cause tube CT7 to be re-ionized if the disturbance continues, but without ionizing tubes CT and CT now, if the pulse of trans-
EMI12.9
formator T1 is received before the main gap circuit of tubes C12 and CT3 is established through the quiescent contact ka.
The additional buffer stage D-'11 comprises, as shown in the drawing, a tube VA., Which acts as a cathode-follower and whose anode is directly connected to + 150 V, while the cathode is connected to -150 V via resistor R28. and its grid is coupled to the cathode
EMI12.10
of the tube VA3 in the corresponding stage of the divider D1 and through capacitor C.
The grid of VA is also biased by a potentiometer switch comprising resistors R29 and R # and connected in series between ground through contacts kall or a12 and -150 V, while the grid is connected. with the node of these two
EMI12.11
resistors through the resistor Ruz1 * The positive impulses at the cathode of
<Desc / Clms Page number 13>
EMI13.1
VA4 reach the terminal P'll across the NC contact b'll of relay Br 1, and the terminal P'll thus remains disconnected in the same way as terminal P '11 when relay Br1 comes on. This is done in the same way as for the different stages of distributor D1 by an electronic blocking,
EMI13.2
which is the result of lowering the a.node potential of tube CT2 'which is transferred to the grid of all tubes such as VA 4 in the additional buffer stages D' 11 'D' 12 'Du? D'1 via the rectifier, eg RE, as soon as the OTZ and CT3 tubes are zoned.
The comparison between the pulses at the terminal F '11 with those at the terminal P' 21 is, as already explained above, carried out by the gate G11 shown in FIG. 3 is not shown in detail, as it is identical to gate Gl12. The outputs of the four ports Gll 'G23' Gaz and G44, as they contain decoupling rectifiers, become common
EMI13.3
gebra:
cht to the grid cathode circuit of a cold cathode tube Cet, which constitutes the two stable state device E12, together with the relay
EMI13.4
C, which is included in the anode circuit in series with the resistor R 32 between + 150 V in the plate of T, through the quiescent contacts kel, b'lp and b '201, the latter contacts belonging respectively to the relays' Br1 and Br , which, however, are not shown, as they are similar to E1
EMI13.5
fitted in the device E2.
The control electrode of Cet, through resistors R3 and R4 in series, is connected to -150 V, while the -j 'J'4 junction of these resistors is connected to the output from the
EMI13.6
gate, such as Gll 'Normally, one of the gates, such as G, delivers a voltage at its output which is not negative enough to break the auxiliary port of the tube CT, but as soon as a pulse fails the junction of resistors R.,.
and R ,, the latter of which has a high value with respect to vafi the resistor (not shown), which is part of the gate, such as G11, in the same way
EMI13.7
if R15 is large with respect to R14 'now drop enough to produce a negative potential difference between the controlling electrode and the
EMI13.8
cathode of OT 49 which is sufficient to cause the ionization of the tube and thus the energization of the interconnected relay Cr. The fact that this relay is energized can then be used in any suitable way to trigger an alarm. By the key contact kc1 of
EMI13.9
key KC the tube GT, 4 can be extinguished.
It can also be noted that as soon as the relay activates Br, or Br (not shown), the tube CT 4 cannot be ionized, so that no fault can be indicated in an additional buffer stage, such as D'11 and if this is a faulty distributor stage.
EMI13.10
in either D1 or D 2 which triggered the corresponding Br relay. This task is fulfilled by contacts b'10 and b'0.
The invention is by no means limited to the special embodiment shown in the drawing, which therefore lacks any limiting character.