BE529009A - - Google Patents

Info

Publication number
BE529009A
BE529009A BE529009DA BE529009A BE 529009 A BE529009 A BE 529009A BE 529009D A BE529009D A BE 529009DA BE 529009 A BE529009 A BE 529009A
Authority
BE
Belgium
Prior art keywords
potential
outputs
comparator
output
pulse
Prior art date
Application number
Other languages
English (en)
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Priority claimed from NL178511A external-priority patent/NL92296C/xx
Application filed filed Critical
Publication of BE529009A publication Critical patent/BE529009A/nl

Links

Classifications

    • HELECTRICITY
    • H03ELECTRONIC CIRCUITRY
    • H03KPULSE TECHNIQUE
    • H03K5/00Manipulating of pulses not covered by one of the other main groups of this subclass
    • H03K5/15Arrangements in which pulses are delivered at different times at several outputs, i.e. pulse distributors
    • H03K5/15013Arrangements in which pulses are delivered at different times at several outputs, i.e. pulse distributors with more than two outputs
    • HELECTRICITY
    • H04ELECTRIC COMMUNICATION TECHNIQUE
    • H04MTELEPHONIC COMMUNICATION
    • H04M15/00Arrangements for metering, time-control or time indication ; Metering, charging or billing arrangements for voice wireline or wireless communications, e.g. VoIP
    • H04M15/04Recording calls, or communications in printed, perforated or other permanent form

Landscapes

  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • Computer Networks & Wireless Communication (AREA)
  • Signal Processing (AREA)
  • Physics & Mathematics (AREA)
  • Nonlinear Science (AREA)
  • Manipulation Of Pulses (AREA)

Description


   <Desc/Clms Page number 1> 
 



   De uitvinding heeft betrekking op een bestuurinrichting voor impulsverdelers, welke synchroon werken. 



   In de navolgende beschrijving worden onder impulsverdelers verstaan ringtelschakelingen, welke een willekeurig aantal trappen van n corresponderende uitgangen omvatten en die, indien gestuurd door impulsen met een periode T, achter elkaar impulsen met duur T afleveren aan alle "n" uitgangen, waarbij een impuls met duur T aan de ene uitgang bij het   verdwijnen   daarvan gevolgd wordt door een impuls met dezelfde duur aan de volgende uitgang en zo verder. De periode van de impulsen, welke aan de verschillende uitgangen optreden, is derhalve dezelfde en gelijk aan nT. 



   Dergelijke impulsen kunnen "frames" of rasters vormen, die een bepaald verband ten opzichte van elkaar bezitten en nuttig zijn voor het besturen van schakelinrichtingen van het statisch type zoals die, welke verbindingen tussen een gemeenschappelijke ingang in één van een aantal uitgangen op e en tijd-multiplex basis mogelijk maken. Daar deze impulsrasters essentieel zijn voor de goede werking van dergelijke schakelaars, die bijv. toegepast kunnen worden in de uitrusting van een telefooncentrale, is het gebiedend, dat passende voorzorgen genomen moeten worden om te verzekeren, dat deze rasters continu en zonder enige onderbreking beschikbaar zijn, welke anders de goede werking van de telefoonapparatuur ongunstig zouden kunnen   beinvloe-   den. 



   In het Belgische   Octrooischrift     504.604   is reeds een inrichtirg beschreven, waarbij electronische impulsverdelers gebruikt worden, die hun identieke uitgangsenergieën via relaiscontacten afleveren aan gemeenschap- pelijke belastingen. Verdelerparen worden hier toegepast en de contacten zijn normaal gesloten, waardoor twee identieke verdelers normaal de halve noodzakelijke energie leveren. In het geval van storing, hetzij een gedeeltelijke of volledige in een der verdelers, zijn middelen aanwezig om de storing op te sporen en als gevolg daarvan zullen de uitgangen van de ge- stoorde verdeler van de gemeenschappelijke belasting worden afgeschakeld, waardoor slechts de overblijvende impulsverdeler de energie levert gedurende de tijd, welke nodig is voor het inschakelen van een afzonderlijke verdeler in de plaats van de gestoorde.

   Dit betekent, dat elke verdeler zodanig moet worden ontworpen, dat deze de volle energie kan leveren, indien zulks nodig mocht zijn. Daar in dit octrooischrift de gemeenschappelijke belastingen gevormd worden door de ingangsketen van krachtversterkers, d.w.z. ketens met hoge impedantie, is het energieverbruik in elk geval gering. 



   Ten einde een storing te kunnen opsporen, zijn twee corresponderende uitgangen van de twee verdelers af verbonden met de twee ingangen van een spanningscomparator, welke reageert als de spanning aan de ene uitgang verschilt van die van de andere. 



   Een geschikte spanningscomparator is beschreven in het Belgische Octrooischrift 504.ó05 en bestaat in wezen uit een inrichting met drie stabiele electrische toestanden. Drie stabiel electrische toestanden zijn immers noodzakelijk, omdat een van deze de normale toestand moet zijn wanneer de potentialen aan de beide ingangen van de comparator zich normaal gedragen als de corresponderende verdelers hun normale impulsen aan de betreffende uitgangen afleveren.

   Twee andere stabiele toestanden zijn voor de comparator nodig omdat, terwijl de ene verdeler een normale impuls aan de betreffende uitgang aflevert, een impuls ann de corresponderende uitgang van de andere verdeler afwezig kan zijn en dit zou dan kunnen leiden tot het feit, dat de laatste verdeler buiten dienst werd gesteld, terwijl de tegenovergestelde situatie zich ook zou kunnen voordoen, in welk geval de eerste verdeler buiten dienst moet worden gesteld. Dit maakt het gebruik van twee gasgevulde buizen noodzakelijk, welke passende, snelwerkende inrichtingen zijn, die normaal   gedeioniseerd   zijn en wanneer de ene of de andere verdeler door storing uitvalt, een impuls aan de betreffende uitgang en gedurende het normale impulsinterval afleveren.

   Elke gasgevulde buis is verenigd met een re- 

 <Desc/Clms Page number 2> 

 lais en het ene of het andere der beide relais' wordt bekrachtigd, wanneer de afwezigheid van een normale impuls aan de betreffende uitgangen geconstateerd wordt, waardoor alsdan de gestoorde verdeleruitgangsketens van de gemeenschappelijke belasting worden afgeschakeld. 



   Een dergelijke inrichting, waarin slechts een van de n uitgangen vanaf elke verdeler met een comparator is verbonden, is geenszins ideaal, ofschoon in een electronische verdeler van het ringtype het ontbreken van een impuls aan de ene uitgang steeds onmiddellijk gevolgd wordt door het ontbreken van impulsen aan de andere   uitgangen   er steeds   eentijd   (n - 1) kan verlopen, voordat een storing wordt geconstateerd. Dit zou plaatsvinden, indien juist de uitgang, die   onmiddellijk   volgt op diegene, welke verbonden is met de comparator, die het eerst gestoord raakt, een impuls gedurende zijn juiste impulsinterval afgeeft. Verder is er een extra vertraging als gevolg van de tijd, die een electromagnetisch relais nodig heeft om   a@n   te spreken, nadat een gasgevulde buis is doorgeslagen. 



   In het Belgische Octrooischrift N  512.583 wordt de maximum vertraging van (n - 1) T seconden tot practisch nul teruggebracht door gebruik te maken van een inrichting met dubbele stabiele toestand in samenwerking met elke uitgang vanaf elke verdeler, waarbij de inrichting met dubbele stabiele toestand van elke uitgang vanaf een verdeler een comparator vormt met de inrichting met dubbele stabiliteit van de corresponderende uitgang vanaf de andere verdeler. Om een snelle responsie te verzekeren, wordt opnieuw gebruik   gemaakt   van een gasgevulde buis, die normaal gedeioniseerd is, doch die reageert, zodra de daarmede verbonden uitgang in gebreke blijft om een impuls af te leveren gedurende het daaraan toegewezen impulsinterval, wanneer de corresponderende uitgang van de andere verdeler een   im-   puls aflevert.

   De schakeling met gasgevulde buizen is gelijksoortig   a@n   die, welke beschreven is in het bovengenoemde Belgische Octrooischrift N    504.605.   



  De vermindering van de vertraging gaat echter vergezeld van een   aanzienlijke   toename van de hoeveelheid bestuurapparatuur die nodig is, daar immers 2n gasgevulde buizen thans noodzakelijk zijn, terwijl er slechts twee nodig waren in het genoemde Belgische Octrooischrift   504.604.   



   Ofschoon bij de schakeling volgens het Belgische Octrooischrift   512.53   elke gasgevulde buis, die met een bijzondere uitgang vanaf een bijzondere verdeler verenigd is, geen daarmede verbonden relais in haar keten behoeft te omvatten, waarbij een relaisapparatuur gemeenschappelijk gebruikt wordt voor elke verdeler om de uitgangen van de gestoorde af te schakelen, is het aantal gasgevulde buizen recht evenredig aan het aantal uitgangen van de verdelers en wordt   daarbij   groot, wanneer de verdelers een groot aantal uitgangen bezitten. 



   Een nog groter voordeel van de schakeling wordt verkregen wanneer een gestoorde verdeler voortgaat met een impuls af te leveren gedurende een interval, dat volgt op het normale interval voor de betreffende uitgang. In een dergelijk geval zal door de gebruikte schakeling de gasgevulde buis, welke verenigd is met de corresponderende uitgang, die geen impuls aflevert gedurende het betreffende interval, zoals vereist is, ook   geïoniseerd   worden met het mogelijke resultaat, dat de verdeler, die op dat ogenblik op de juiste wijze functionneert, buiten dienst wordt gesteld, terwijl de gestoorde verdeler daarentegen verder gebruikt zou kunnen worden. 



   Het doel van de uitvinding is een verbeterde bestuurinrichting te verschaffen voor gesynchroniseerde impulsverdelers en in het bijzonder   daarbij   te vermijden, dat een onjuiste verdeling van impulsen plaatsvindt in het geval, waar een verdeler in gebreke blijft om impulsen aan de juiste uitgangen af te leveren en op de g3vraagde ogenblikken, ofwel impulsen aflevert aan sommige uitgangen op ogenblikken, waarop deze normaal geen impulsen zou mogen afleveren. 



   Volgens een kenmerk van de uitvinding zijn in een inrichting, 

 <Desc/Clms Page number 3> 

 welke een aantal n identieke impulsgeneratoren of -verdelers omvat elk met n uitgangen, die aan hun uitgangen in cyclische volgorde impulsen afleveren, zodat elke uitgang normaal op een eerste potentiaalwaarde is gedurende een tijd (n - 1) T en op een tweede potentiaalwaarde gedurende een tijd T, middelen aanwezig om één of meer uitgangen van één of meer dezer n genera- toren op te sporen, die een potentiaal aannemen, welke niet gelijk is aan de potentialen, die tezelfder tijd   aanwezig   zijn aan de corresponderende uitgangen van de overige generatoren, waarbij deze middelen m reeksen van n potentiaal -comparatoren omvatten, elk met twee ingangen en één uitgang, waarbij deze comparatoruitgang slechts dan een bijzondere potentiaal aan- neemt,

   wanner de potentialen aan de beide ingangen van deze comparator beide op deze tweede waarde zijn en daarbij zodanig zijn ingericht, dat de eerste ingang van de i-de comparator (i¹1¹ n) van de j- de reeks (1¹j¹ m) verbonden is met de i-de uitgang van de j-de generator en dat de tweede in- gang van dezelfde i-de comparator uit dezlfde j-de reeks verbonden is met de   i'-de   uitgang van de j'-de generator, waarbij i' = i + 1 voor i < n en   i'#   1 voor i = n en identieke betrekkingen tussen j' en j,   terwijl   de uitgangen van alle n comparatoren uit dezelfde reeks verbonden zijn met een individuele inrichting met twee electrische stabiele toestanden, welke nor- maal in de ene stabiele toestand verkeert en in de andere stabiele toestand overgaat,

   wanneer deze bijzondere potentiaal aanwezig is aan een van de uitgangen vanaf de comparatoren, als gevolg waarvan de corresponderende ge- nerator buiten dienst kan worden gesteld. 



   De uitvinding wordt beschreven aan de hand der tekeing, waarin een enkele uitvoeringsvorm is weergegeven en waarin 
Fig. leen bestuurinrichting aangeeft volgens de uitvinding en in blokschema voor twee gesynchroniseerde impulsverdelers. 



   Fig. 2 stelt een diagram voor, waarin het beginsel der besturing is aangegeven in het geval, dat drie impulsverdelers synchroon werken. 



   Fig. 3 geeft gedetailleerde uitvoeringen weer van de elementen, die in blokschema in Fig. 1 en 2 zijn aangegeven. 



   Fig. 4 stelt impulsgolfvormen voor, die afgeleverd worden door de in de vorige figuren afgebeelde impulsverdelers. 



   In Fig. 1 zijn identieke impulsverdelers D1 en D2 aangegeven, elk met vier trappen, waarvan elk impulsen aflevert met een duur T, resp. 



  4T aan de klemmen P11, P12, P13, P14 en P21, P22,   P23 en   P24. De correspon- derende impulsgolfvormen zijn afgebeeld in Fig.   4.   De verdelers zijn in wezen ringtellers en elke trap kan opgevat worden als te omvatten twee buizen, die in Eccles-Jordan-schakeling zijn verenigd,   waarbij   de   aliodeketen   van één dezer buizen gekoppeld is met de roosterketen van een derde buis,   waarvan de kathodeketen met de klem zoals- P11 is verbonden en derhalve een cathode-follower-schakeling is, die als buffertrap gebruikt wordt om de   Eccles-Jordan-keten van uitwendige electrische condities te isoleren. 



  Normaal is één van de buizen, die elke Eccles-Jordan-keten vormt, geleidend, terwijl de andere dat niet is, waarbij vier corresponderende buizen, die elk de ene helft van een Eccles-Jordan-keten vormen in de ene verdeler, zoals   D-,   zijn zodanig verengd, dat alleen één van deze tezelfder tijd ge- leidend kan worden. De keten D1 kan derhalve vier bepaalde stabiele con- dities achter elkaar innemen, wanneer deze gestuurd wordt door op de klem PA gebrachte triggerimpulsen, welke impulsen elkaar opvolgen met een periode, gelijk aan T. 



   In Fig. 1 zijn twee   kruisverbindingen   aangegeven, die de verde- lers D1 en   D onderling   verbinden. Deze kunnen gebruikt worden op de wijze, zoals in het Belgische Octrooischrift N    504.606   is beschreven, om de ver-   delers D en D te synchroniseren, zodat wanneer een impuls bijv. afgeleverd wordt aande ]riem P11, een impuls bovendien gelijktijdig aan de klem   

 <Desc/Clms Page number 4> 

 P2a wordt voortgebracht. 



   De klem P11 is verbonden met de linkeringang van de comparator 
 EMI4.1 
 G, waarvan de rechter ingang verbonden is met de klem P2z vanaf de tweede verdeler D. Deze comparator G2 is in werkelijkheid een poortinrichting, welke hier voorgesteld is door eef.l1Cleine cirkel met twee buitenwaartse ge- leiders, voorzien van pijlen, die naar het midden wijzen en die corresponderen met de poortingangen, plus een geleider, die ook wijst naar het midden van de cirkel, die de poort voorstelt en   darrbij   de poortuitgang vormt. 



  Deze poort is zodanig ingericht, dat slechts wanneer impulsen gelijktijdig 
 EMI4.2 
 de klemmen P 1-1 en P22 bereiken, een impuls afgeleverd zal worden a,¯¯n de uitgangsgeleider van de poort Gil2- In alle andere drie gevallen, met name een impuls alleen aan klem P , een impuls alleen aan klem P of geen impulsen aan elk van deze klemmen, zal geen impuls optreden aan de uitgangsgeleider 
 EMI4.3 
 van de poort G 1121 welke geleider verbonden is met een inrichting El met twee electrisch stabiele toestanden. Met deze inrichting zijn bovendien verenigd de uitgangen van soortgelijke poorten Gl23' GL4 en G141' waarvan de ingangen resp. verbonden zijn met de klemmen P1z en P 2:;' P 13 en P 24' P14 en P21 .

   Verder is een soortgelijke inrichting E 2 met twee electrisch stabiele toestanden aangebracht, waarmede de uitgangen van de poorten G2129 G2239 G 234 en G241 zijn verbonden, terwijl de ingangen van deze laatste vier poorten resp. verbonden zijn met de klemmen P en P 12' Pz2 en P13' P2 en P 14' P en P. Deze poorten zijn alle van het type zoals Gl12. 



  Normaal zijn de beide inrichtingen B 1 en E 2 in één bijzondere stabiele conditie en blijven zij in deze laatste, zolang beide verdelers hun respectieve impulsen afgeven gedurende de respectieve impulsintervals, overeenkomstig de betreffende uitgangen. Indien bijv. wordt aangenomen, dat   nadat een impuls aan klem P11 is afgeleverd als gevolg van het omslaan van de corresponderende Eccles-Jordan-keten, de verdeler D1 voortgaat met het   uitsturen van een dergelijke impuls gedurende het volgende T interval, zal wanneer deze Eccles-Jordan-keten in gebreke gebleven is terug te schakelen naar die stabiele toestand, geldend voor het geval, waarbij geen impuls aan klem P11 optreedt, deze toevallige onjuiste impulsconditie gedurende het volgende T interval zal corresponderen met een impuls aan de klem P22 
 EMI4.4 
 daarbij aannemend,

   dat de andere verdeler D2 normaal functionneert. Dajr impulsen coincideren aan de twee ingangen van de poort G1l2' zal dus een impuls afgeleverd worden aan de poortuitgang, welke daarbij gebruikt wordt voor he   schakelen of "triggeren" van de inrichting E met tweevoudige stabiel toestand in haar tweede stabiele toestand. Zoals afgebeeld, voert een draad   van deze inrichting, zoals   naar   de verschillende trappen van de verdeler    D en zodra de inrichting E1 omgeschakeld is in haar tweede stabiele toestand, zal aan deze draad een nieuwe potentiaal optreden, welke gebruikt   wordt op een wijze, zoals   duidelijker   uit Fig. 3 zal blijken en   daarbij   benut wordt om alle trappen van de verdeler D! te blokkeren.

   De impulsen 
 EMI4.5 
 kunnen nu niet langer geleverd worden aan de klemmen P 111 P 12' P 13 en P 14' doch de verdeler D 2 gaat nu voort met normale impulsen te leveren aan de klemmen P 21' P 22' P en P 24. Indien klemmen, zoals P en P verbonden zijn met een gemeenschappelijke belasting en wel elk via individuele capacitieve koppelingen met eenzijdig gerichte karakteristiek bijv. een passend gepoolde gelijkrichter in overeenstemming met de polariteit van de 

 <Desc/Clms Page number 5> 

 impulsen in serie met   eer   condensator, dan zal het feit, dat impulsen nu niet langer afgeleverd worden aan de klem P11, de levering van de impulsen   vanaf de klem P2 aan de gemeenschappelijke belasting op geen enkele wijze nadelig beïnvloeden.

   Afgezien van het feit, dat de reactie van de inrichting   
 EMI5.1 
 El de gestoorde verdeler Dl onmiddellijk buiten werking stelt, kan haar reactie ook gebruikt worden om een alarm in werking te stellen, waardoor onmiddellijk maatregelen kunnen worden genomen om een derde en reserveverdeler in de plaats van de gestoorde verdeler D1 in te schakelen. Dit is echter niet in Fig. 1 aangegeven, en hetzij uit de hand of automatisch door op zichzelf bekende middelen   plaatsvinden.   



   Opgemerkt wordt, dat indien een foutieve impuls conditie optreedt 
 EMI5.2 
 an de klem bijv. P 1 gedurende de tijd, dat en impulsconditie normaal op- treedt aan de klem P22, deze foutieve impulsconditie zou kunnen voortduren 
 EMI5.3 
 totdat een impulsconditie normaal optreedt aan de klem P 21..' De voorwaarde   wordt hier gegeven door de tijd, die de inrichting zoals E nodig heeft om de van de eerste stabiele toestand over te gain in de tweeae en door de   duur T alsook door het aantal uitgangen n van de verdelers. In het geval van hoogfrequentie impulsen en bij een klein aantal n uitgangen voor de verdelers, zou het kunnen gebeuren, dat de inrichting E1 niet volledig gereageerd heeft 
 EMI5.4 
 op het ogenblik, dat een impuls norma-tl aan Klem P 24 verschijnt.

   Om te voor- komen, dat een dergelijke normale impuls, die een klem P24 samenvalt met een onjuiste toevallige   impulsconditie   aan klem P11 en tot gevolg zou hebben, 
 EMI5.5 
 dat de poort G21, die een impuls aflevert aan zijn uitgangsdraad, tevens de inrichting E2 zou schakelen, waardoor als deze laatste en de inrichting E1 in hun tweede stabiele toestand worden overgeschakeld, de beide verdelers 
 EMI5.6 
 D1 en Dz geblokkeerd zouden worden, zal het aanspreken van de ene inrichting E1 de werking van de andere inrichting E 2 onmiddellijk beletten. Dit is in Fig. 1 aangegeven door twee draden, die resp. uitgaan van de inrichtingen El en E en die via een gemeenschappelijke weerstand R   gemeenschappelijk   verbonden zijn met een negatieve potentiaal.

   De werking van elke inrichting vanuit haar eerste stabiele toestand in haar tweede stabiele toestand heeft tot gevolg, dat een stroom ga t vloeien door deze weerstand R en dat het aldus over deze weerstand voortgebrachte potentiaalverschil belet, dat de andere inrichting, bijv. E2 in haar tweede stabiele toestand door triggerwer- 
 EMI5.7 
 king terecht komt. Sinds in het geval van een foutieve impulsconditie ar'j.n de klem P , de inrichting El het eerst overgeschakeld zal worden in haar tweede staoiele toestand, krijgt de andere inrichting E 21 waarvan de trigger werking slechts (m - 1) T seconden later kan aanvangen, geen kans om in haar tweede stabiele toestand te worden gebracht, zodat in het beschouwde voorbeeld de verdeler D2 normaal blijft functionneren. 



     Terwijl   passende koppelingen van corresponderende verdeleruitgangketens na gemeenschappelijke belastingen voorkomen, dat de afwezigheid van een impuls in een bijzondere   uitang   op het juiste ogenblik de aflevering 
 EMI5.8 
 van de juiste impuls a..n de gemeenschappelijke belasting nadeling zou ben- vloeden, moet e n dergelijke toestand niettemin snel opgespoord worden, om-. dat indien deze gevolgd wordt ddor een storing in de andere verdeler, hetgeen binnen een korte tijd wel zeer   onwaarschijnlijk   zal zijn, doch op de lange duur wel zou kunnen voorkomen, dit verschijnsel onopgespoord zou blijven, waarbij de belastingen niet langer de juiste impulsen krijgen toegevoerd. 



   Ten einde de afwezigheid van een impuls op het juiste ogenblik 
 EMI5.9 
 op te sporen, zijn de klemmen, zoals P 111 ook verbonden met andere comparatoren zoals GIl' die in wezen poorten zijn en bij. identiek zijn ajn Gllz. 

 <Desc/Clms Page number 6> 

 
 EMI6.1 
 De klem P is verbonden met de linker ingang van de poort G 11 via een buffertrap D'11' welke verenigd is met elke verdelertrap en die gevormd kan worden door een buis, die als cathode-follower werkt en waarvan de 
 EMI6.2 
 hathodeketen verbonden is met de klem P' 11' die zelf rechtstreeks verbon- den is met de   linkeringang   van de poort G11.

   Een dergelijke buffertrap is 
 EMI6.3 
 niet essentieel voor de uitvinding,doch kan ncdig mjnomtwee verschillende impulsen te kunnen verkrijgen, die identieke golfvormen bezitten, doch waarvan de niveaux kunnen verschillen en die voor verschillende doeleinden benut kunnen worden. Dit kan bijv. het geval zijn bij de schakeling, welke beschreven is in het bovengenoemde Belgische   Octrooischrift     512.53.   De rechter ingang van de poort G11 is op precies dezelfde wijze verbonden met 
 EMI6.4 
 klem PZ1 als de linkeringang verbonden is met de klem P, nl.

   via de klem py 21 en de extra buffertrap D'21' 
Indien aangenomen wordt, dat aan de klem P11 geen impuls afgeleverd wordt gedurende het juiste interval of ook incidenteel dat geen corresponderende impuls aan klem P11 afgeleverd wordt als gevolg van een 
 EMI6.5 
 storing van de buffertrappen D3 of Dll' treedt geen impuls op aan de linker ingang van de poort G 21 , terwijl er wel een impuls optreedt aan de rechter ingang van deze poort, natuurlijk aannemend, dat de andere verdeler D 2 tezamen met de daarmede verenigde extra buffertrappen D' 21' D' 22' D' 2j en D' 24 normaal functionneren. De poort Gll zal dus in gebreke blijven een uitgangsimpuls af te leveren, terwijl deze normaal telkens één aflevert op het ogenblik, dat impulsen gelijktijdig aan klemmen   P   en P21 afgeleverd 
 EMI6.6 
 worden.

   Daar van gelijksoortige poorten G22' G 33 en G 44 de ingangen resp. verbonden zijn met de klemmen P'12 en P'22' P' en P'23' alsook P'14 en P' 2L wanneer de beide verdelers normaal functionneren, zal een opeenvolging van impulsen optreden aan de uitgangen van de poorten G, G22' G3":' en G /'+4' die alle verbonden zijn met een inrichting E12' die twee electrisch stabiele toestanden bezit. Daar dergelijke impulsen dicht op elkaar volgen, kunnen zij gemeenschappelijk gevoerd worden   nar   een stroomrail, die derhalve een continue potentiaal aanneemt, welke gelijk is aan het impulsni- 
 EMI6.7 
 veau, zolang als de verdelers normaal functionneren.

   Het principe om aman- grenzende impulsen gemeenschappelijk op een stroomrail te brengen voor het richten van een   ontladingsspleet   is reeds beschreven in het voornoemde 
 EMI6.8 
 Belgiscl130 ctrooischrift 512.5'. Zodra een impuls aan klem P' 11 ontbreekt, zal een plotselinge potentiaalverandering optreden aar de gemeenschappelijke stroomrail ten gevolgen van het feit, dat de poort G11 in gebreke blijft om 
 EMI6.9 
 en impuls af te leveren. Dez.e kan dan gebruikt worden om de inrichting E 12 zodanig te schakelen, dat deze van de eerste en normale stabiele toestand overgaat in de tweede stabiele toestand, waarin een alarm zal worden gegeven. 
 EMI6.10 
 



  Opgemerkt wordt, dat terwijl in het Belgische Oetrooischrift 512.533 impulsen vanuit trappen, die analoog zijn aan D' il' D' 12'. D' D en D3 14 gegroepeerd waren op een gemeenschappelijke stroomrail zodat het ontbreken van één impuls gedetecteerd kon worden door een plotselinge verandering van de continue potentiaal aan de stroomrail, dit voor elke verdeler individueel werd uitgevoerd als gevolg van het gebruik van de comparatoren of poorten zoals Gll' de apparatuur zoals E 12 thans gemeenschappelijk wordt voor beide verdelers in plaats, dat een individuele apparatuur voor elk daarvan gebruikt wordt.

   Dit zou een bijzonder voordeel kunnen zijn,   wanneer   

 <Desc/Clms Page number 7> 

 het   aantal   parallel te schakelen verdelers groter wordt dan twee, hetgeen het geval zou kunnen zijn, indien deze verdelers als inrichtingen voor geringe energie betrekkelijk   goedkoop   zijn, waardoor een groep van m ver- delers, die elk in staat zijn 1 van de totale door de belasting vereiste energie af te leveren,   een   voordeel zou kunnen   betekenen.   



   In het geval van meerdere identieke krachtversterkertrappen, die parallel verbonden zijn met gemeenschappelijke uitgangen vanaf verde- lerparen, zouden m1 energietrappen parallel geschakeld kunnen worden op de eerste gemeenschappelijke verdeleruitgang en twee op de volgende, enz., waarbij de poorten zoals G11 eenvoudig met zovele ingangen voorzien zouden moeten worden als er energietrappen voor de betreffende verdeleruitgang zijn, dit is m1, zodat een enkele inrichting zoals E12 met dubbele stabiele toestand aanwezig is voor de volledige inrichting van de m1 + m2   + ......m   energietrappen. 



   In het geval, dat er meer dan twee verdelers parallel geschakeld worden zouden de poorten zoals G11 elk voorzien moeten worden van zoveel ingangen als er verdelers zijn en deze zouden nu geen uitgangs impuls, in- dien in een van de ingangen een impuls ontbreekt.    



  De verbinding vanaf de inrichtingen zoals E voert blijkens de figuur niet alleen naar de verdeler D , doch ook naar de vier extra buffertrappen D,11, D,12, D,13 en D,14 om aan te geven, dat wanneer deze laatste   gebruikt worden, zij ook geblokkeerd kunnen worden als E1 een storingstoestand opspoort. 



   Ook in het geval, dat er meer dan twee verdelers parallel werken of dat er meer dan twee gelijksoortige uitgangen voor elk type impuls zijn, kan de uitvoering met de elementen E1 en E2 ook toegepast worden een een voorbeeld met drie verdelers, die parallel functionneren, is aangegeven in Fig. 2. 



    Daarin worden drie inrichtingen E , E en E gebruikt, die respectie velijk corresponderen met de verdelers D1,D2 en D3 Elke verdeleruitgang is verbonden met twee comparatoren of poorent zoals G112 en G341 voor de uitgang P11. Verbindingen worden in volgorde gemaakt, zoals gemakkelijk uit deze figuur volgt, waarbij van elke comparator of poort zoals   G12 een van zijn twee ingangen (het aantal ingangen voor dit porttype blijft gelijk aan twee, onafhankelijk van het aantal parallel geschakelde verdelers) verbonden is met een impulsuitgang van één verdeler en tevens de tweede in- gang verbonden is met de volgende impulsuitgang in de volgende verdeler en er zodoende m   reeksen   van n comparatoren of poorten zoals G112 zijn en m inrichtingen met twee stabiele toestanden zoals E1, wanneer m het aantal verdelers voorstelt. 



   Wat Fig. 3 betreft wordt opgemerkt, dat hierin een trap van de verdeler D1 in detail is weergegeven tezamen met een buffertrap D,11, de poort G112, de inrichting E1 en de inrichting E12, die beide twee electrisch stabiele toestanden bezitten. 



   Elke verdelertrap omvat in wezen twee buizen VA1 en VA2, die hier als   dubbeltriode   zijn afgebeeld en in een   Eccles-Jordan-schakeling   zijn verbonden, waarbij de wederzijdse plaatroosterkoppelingen, respectieve- lijk gevormd worden door de shunt-combinatie van de weerstand R1 en conden- sator C1, alsmede van weerstand R2 en condensator C2. De beide platen zijn 

 <Desc/Clms Page number 8> 

 tevens verbonden met   e@n   positieve voeding van   +150   V via de individuele 
 EMI8.1 
 weerstanden R3 en R4. De roosters zijn tevens verbonden met een negatieve voeding van -150 V. via individuele weerstanden R5 en R6. 



    Bovendien is de kathode van VA1 verbonden met -150 V. via de weerstand R, die gemeenschappelijk gebruist wordt voor alle buizen, welke   
 EMI8.2 
 gelijksoortig zijn ac.n VA1 en de rest van de verdeler vormen. De waarde   van deze gemeenschappelijke weerstand R7 is zo gekozen, dat wanneer de ene buis van de VA1 reeks geleidend is, geen van de overige buizen van deze   reeks in de verdeler D1 geleidend kan worden gemaakt als gevolg van de po- tentiaaldaling over de weerstand. Ook is de kathode van VA2 verbonden met -150 V. via een weerstand R, die gemeenschappelijk gebruikt wordt voor al- 
 EMI8.3 
 le buizen van de VA 2 reeks, die de verdeler V 1 vormen, doch de weerstand   R verricht     nu   geen blokkerende werking, die analoog is aan die, welke door weerstand R7 wordt verricht.

   Verder zijn de gemeenschappelijke kathoden van 
 EMI8.4 
 de buizen van de VA 2 reeks via condensatoren V3 en weerstand R9 in serie met klem PA verbonden. Op deze klem PA worden de triggerimpulsen met periode T, die negatief zijn, gebracht en die opvolgende omkeringen tweegbrengen 
 EMI8.5 
 van de trappen, die de verdelers Dl en D' 1 vormen. De anode van VA2 is gekoppeld met de rooster van een volgende 
 EMI8.6 
 buis VA, via condensator C, waarbij van deze buis de plaat verbonden is   @   met   +   150 V. en de kathode verbonden is met - 150 V. via weerstand R10, terwijl de rooster via de weerstand R11 en voorspanning verkrijgt door de potentiometerschakeling, die de weerstanden R12 en R in serieschakeling 
 EMI8.7 
 tussen aarde en -150 V. omvat via de contacten'2k lé al., die opgenomen zijn in de inrichting E1 met dubbele stabiele toestand.

   De buis VA werkt als cathode-follower en haar kathode is met klem P verbonden via het contact b 11 van relais Brl, dat opgenomen is in de inrichting El met twee stabiele toestanden. 



  Aangenomen wordt, dat de spanning aan de plaat van VA "hooglT is, hetgeen correspondeert met een   impulsconditie   aan klem P11 door het feit, dat de gemeenschappelijke weerstand R7, de platen van de overige. buizen van de VA2 reeks   "laag"   zijn, terwijl de spanning aan de plaat van 
 EMI8.8 
 VA1 la'.'.g is en de spanning aan platen van de overige buizen van de VA- reeks hoog is. Zodra de volgende negatieve triggerimpuls a:.¯n de klem PA ontvangen wordt, zal de positieve voorspanning tussen de rooster en de kathode van VA toenemen, waardoor op de bekende cumulatieve wijze, VA2 nn geleidend wordt, 
 EMI8.9 
 terwijl buis VAl niet geleidend wordt, en de plaatspanning van VA2 laag wordt, terwijl die van VA1 hoog wordt.

   De resulterende positieve impuls aan de plaat van VA1 wordt nu overgedragen op de rooster van de corresponderende 
 EMI8.10 
 VAl buis in de volgende trap van de verdeler via de condensator C5, waardoor deze 18.:....tste buis geleidend wordt, terwijl de buis in dezelfde trap niet geleidend wordt met het gevolg, dat op de klem PA 12 een positieve im- 

 <Desc/Clms Page number 9> 

 puls gebracht wordt.

   Tezelfder   tijd,   dat de spanning aan de plaat van de buis VAl in de tweede trap van de verdeler hoog wordt, zendt deze een po- 
 EMI9.1 
 sitieve impuls uit via condensator 5 naar de rooster van de buis VAZ in de eerste trap, waardoor de laatste buis, die geleiden gemaakt was door de negatieve flank van de negatieve triggerimpuls, nu niet meer in staat is haar toestand te wijzigen, wanneer de positieve flank van de negatieve triggerimpuls via condensator   C op   de kathode gebracht wordt, aangezien de potentiaal aan diens rooster tezelfder tijd verhoogd wordt.

   De tijdconstanten worden natuurlijk op passende wijze gekozen, zodat de positieve flanken van de negatieve   triggerimpuls,   die gebracht worden op klem PA, op een tijdstip aankomen, wanneer het effect van de positieve impuls aan de plaat 
 EMI9.2 
 van VA2 in de tweede trap van de verdeler Dl nog niet afgelopen is. De duur van de negatieve impulsen aan klem PA wordt natuurlijk belangrijk kleiner gekozen dan T. 



   Opgemerkt wordt, dat indien om welke reden ook de tweede trap   van de verdeler D in gebreke blijft zijn toestand te wijzigen zodra de triggerimpuls aankomt, de positieve flank van de triggerimpuls, welke gebracht wordt op klem P., werkdadig zal zijn en de rooster-, kathodevoorspanning van de buis VA in de eerste trap zal verkleinen, waardoor opnieuw buis VA2 in de eerste trap niet-geleidend zal worden. Dit betekent,   dat de plaat van VA een hoge spanning blijft behouden gedurende het volgen- de T-interval en dat indien de verdeler D2 op de juiste wijze werkt, een impuls aan klem P22 zal verschijnen overeenkomstig het feit, 'of de plaat 
 EMI9.3 
 van de buis VA 2 in de tweede trap van de verdeler DZ een hoge spanning bezit, waardoor de poort Gl12 de storingstoestand van de verdeler Dl zal aangeven. 



   De plaat van VA in D1 is verder verbonden met de rooster van 
 EMI9.4 
 de buis VA (niet afgebeeld) in de eerste trap van de verdeler DZ via de condensator C in serie met de gelijkrichter REI en via contact kal2 van een sleutel KA1 in de inrichting met twee stabiele toestanden. Een soortgelijke verbinding bestaat tussen VA 2 in D en VA1 in D1* Deze verbindingen bestaan slechts tussen de eerste trappen van de beide verdelers en maken het mogelijk, dat de synchronisering van de beide verdelers plaatsvindt, 
 EMI9.5 
 wanneer het contact zoals ka 12 gesloten wordt, waardoor een positieve impuls aan de plaat van de buis VA2 (niet afgebeeld) in verdeler D2 gebracht wordt op de rooster van buis VAl in de eerste trap van de verdeler D, waardoor de buis geleidend wordt overeenkomstig het feit, dat de buis VA1 in ce eerste trap van de verdeler D2 eveneens geleidend is.

   Daar de synchronisering moet optreden na een periode, welke kleiner is dan nT, indien deze laatste klein is, zullen de beide verdelers gesynchroniseerd worden, wanneer de sleutel zoals KA1 wordt losgelaten. Een tijdelijke verbinding tussen de 
 EMI9.6 
 eerste trappen van de verdelers Dl en Dz vermijdt, dat belasting van de roosterketens van de buizen   VA   door extra ketens kan optreden, die anders 
 EMI9.7 
 het ontwerp te ingewikkeld zouéen maken en de veiligheid der werking zouden   verkleinen.   Zodra de beide verdelers gesynchroniseerd zijn, zal de synchronisatieverbinding zonder bezwaar verbroken kunnen worden,

   aangezien een fase-naijling van de ene verdeler ten opzichte van de andere het in werking 

 <Desc/Clms Page number 10> 

 komen van de bestuurmiddelen ten gevolge zal hebben alsook de   naijlende   verdeler zal   blokkeren.   



   Opgemerkt wordt, dat een   fase-voorijling   van de ene verdeler vor de andere   ongedetecteerd   zal voorbijgaan of althans op onjuiste wijze gedetecteerd zal worden als   naijling   van de andere verdeler. Een   dergelijk   gebeuren zal echter niet gemakkelijk kunnen   plaatsvinden.   Hiermede kan in werkelijkheid rekening worden gehouden in het geval, waarbij tenminste drie verdelers parallel werken (Fig.

   2) door de uitgang van de poort zoals G112 niet rechtstreeks te koppelen aan de inrichting E1, doch aan de eerste in- gang van een volgende poort, waarvan de tweede ingang met klem P32 is ver- bonden en   waarvan   de uitgang verbonden is met inrichting E1 en een poten- 
 EMI10.1 
 tiaal bezit, welke voldoende is om deze laatste inrichting te triggeren wanneer impulsen gelijktijdig gebracht worden op de ingangen van deze vol- 
 EMI10.2 
 gende poort. Daar de kansen, dat beide verdelers Dz en D3 gelijktijdig dezelfde storing bezitten, d. i. voorijlen, practisch nihil zijn, zal de 
 EMI10.3 
 inrichting E1 op de juiste wijze getriggerd worden zodra de verdeler D1 een storing aangeeft, bijv. voorijlt. Hierdoor zal echter het voorijlen van de ene verdeler ten opzichte van de andere nog niet worden gedetecteerd.

   Doch dit laatste kan ook uitgevoerd worden door de uitgang van de poort zoals G112 te verbinden met de eerste ingang van nog een andere poort, waarvan de tweede ingangverbonden is met klem P31 en waarvan de uitgang verbonden is 
 EMI10.4 
 met de inrichting E2' Alsdan, zal indien een impuls aan de uitgang van G 112 optreedt en deze correspondeert met een aan klem P -91 , de inrichting E2 getriggerd worden, daar immers naar alle   waarschijnlijkheid   de verdeler D2 ten opzichte van de andere voorijlt. 



   Een dergelijke schakeling schijnt echter niet essentieel in de   practijk,   doch zou economisch verwezenlijkt kunnen worden in de vorm van 
 EMI10.5 
 twee reeksen van un poorten, elk met drie ingangen zoals P, P22, P32 voor de eerste reeks en P24' Pj4' Pil voor de tweede, waarbij uitgangen van n poorten van de eerste reeks en n poorten van de tweede reeks met elke inrichting zoals El zijn verbonden, va-xbij de eerste naijlt en de tweede voorijlt. 



     Wanneer   men het geval thans beschouwt, dat de plaat van VA2 een hoge spanning heeft na een negatieve triggerimpuls en bijv. als gevolg van het feit, dat de tweede trap van verdeler D1 in gebreke blijft van de ener stabiele toestand in de andere over te gaan, is de tijdconstante van 
 EMI10.6 
 de keten. G,, Ruz , r, 11 voldoende hoog ten opzichte van T om een i.apulscondi- tie   a@n   de kathode van VA gedurende het volgende T interval te handhaven.

   Daar zowel de spanning   a@n   de kathode van VA, in de eerste trap van de   @   
 EMI10.7 
 verdeler Dl en in de tweede trap van de verdeler D2 nu hoog zijn, zal deze potentiaal optreden in het knooppunt van de tegengesteld gepoolde seriegelijkrichters RE2 en RE3, welke deel uitmaken van de poort Gll2' die ver- bonden is tussen de kathoden van deze laatstgenoemde buizen.

   Daar het 
 EMI10.8 
 knooppunt van de gelijkrichters via weerstand R 14 met aarde is verbonden, zal wanneer de verdelers D1 en D2 normaal functionneren, de potentiaal in 
 EMI10.9 
 het knooppunt van de gelijkrichters PS 2 en RE steeds gelijk zijn aan de lage potentiaal, die optreedt aan de kathode van een buis VA, wanneer de      

 <Desc/Clms Page number 11> 

 plaat van de corresponderende VA2 buis in dezelfde verdeler een lage spanning bezit.

     Wanneer   de beide-kathoden van de buizen VA3 in de eerste 
 EMI11.1 
 trap van de verdeler D1 en in de tweede trap van de verdeler D 2 een be- trekkelijk hoge spanning bezitten, zal er steeds een positieve impuls zijn 
 EMI11.2 
 in het knooppunt van de gelijkrichters RE en RE , die via de gelijkrichter RE 45 die eveneens verbonden is met he knooppunt van de eerste twee gelijkrichters, op de ingang van de inrichting E1 met twee stabiele toestanden gebracht wordt. 



   De gelijkrichter RE is voorzien van een lek   naar -   150 V via 
 EMI11.3 
 de weerstand R15 en het knooppunt van gelijkrichter RE 4 en weerstand R 15 is met de triggerelectrode van een   koude-kathodebuis   CT1 via de condensa-   tor C7 gekoppeld.

   De triggerelectrode van deze buis verkrijgt een voorspanning door middel van de potentiometer, welke gevormd wordt door de weerstan-   
 EMI11.4 
 den R16 en R 7 in serie tussen aarde en -150 V, terwijl de anode van deze buis met aarde verbonden is via weerstand F-1 en de kathode met -150 V over contact ka,3 van sleutel KAl en weerstand R, zoals reeds is aangegeven in fig.   1   en die gemeenschappelijk gebruikt wordt voor het geven van een voor- 
 EMI11.5 
 spanning aan de kathode van de corresponderende buis OT 1 in E;2 om een ge-   lijktijdige     ionisering   van deze beide buizen te voorkomen. De   overbruggings-   condensator C ligt parallel aan deze gemeenschappelijke weerstand R. 



   De buis CT1 is normaal in stroomloze toestand, doch zodra een positieve impuls gebracht wordt op de triggerelectrode, wordt deze buis geleidend en brengt   darrabij   een potentiaaldaling voort over de weerstand R18, die als negatieve impuls overgedragen wordt naar de primaire wikkeling van een transformator T1 via condensator C De primaire, alsook de secun- 
 EMI11.6 
 daire wikkeling van transformator T1 bezit'èen vJorspanning van -150 V en de negatieve impuls in de primaire wikkeling wordt getransformeerd in een positive impuls in de secundaire wikkeling, welke   gemeenschappelijk   overgebracht xordt op de triggerelectroden van twe' koude kathodebuizen CT2, 
 EMI11.7 
 en Ci via de serie combinaties van gelijkrichter RE , condensator G en weerstand Rg enerzijds en geleijkrichter R, condensator C1C en weerstand R 20 anderzijds.

   De hoofdspleten van de buizen CT2 en CT3 zijn in serie geschakeld tussen aarde en   -350   V, waarbij de kathode van de buis 
 EMI11.8 
 CT2 direct verbonden is met de anode van de buis OT 3 en in serie met weerstand R 21' wikkeling van relais Axl en contact kalI van sleutel Ka. Door het gebruik van deze twee koude kathodebuizen   @an   een voldoende verandering in potentiaal verkregen worden aan de anode van de buis CT2, zodra buizen 
 EMI11.9 
 CT en CT gelijktijdig geïoniseerd worden, als een positieve impuls over de secundaire wikkeling van transformator 1' wordt afgeleverd.

   De potentiaalverandering, die nodig ils, blijkt groter te zijn dan VA VB, waarin VA de   triggerspanning   tussen anode en kathode voorstelt,   waarbij   een 'buis onafhankelijk van de potentiaal aan de triggerelectrode geïoniseerd wordt en waarin   VB de   brandspanning is van de hoofdspleet. Bij deze schakeling kun- 
 EMI11.10 
 nen van de beide buizen OT 2 en OT- de hoofdspleten in serie verbonden zijn tussen een spanningsbron VO' die slechts kleiner behoeft te zijn dan 2VA.

   De triggerelectrode van buis CT2 verkrijgt een positieve voorspanning ten opzichte van haar kathode door middel van een potentiometer, welke de 
 EMI11.11 
 weerstanden R p en.L 2i omvat, terwijl de triggerelectrode van de buis CT,, 

 <Desc/Clms Page number 12> 

   op   corresponderende wijze een voorspanning verkrijgt door middel van een   potentiometerschakeling,   welke de weerstanden R24 en R25 omvat De weer- 
 EMI12.1 
 standen RZ6 resp. EZ7' die verbonden zijn over 3e hoofdspleten van de buizen CT- en CT3' dienen om de kathodepotentiaal van CT- te bepalen, welke   correspondeert met de anodepotentiaal van CT3, wanneer de buizen gedeioniseerd zijn.   



   Zodra de poort zoals G112 een positieve impuls   afgeeft,   waar- 
 EMI12.2 
 door de buizen CTZ en CTJ geïoniseerd worden, spreekt relais Arl aan en dit kan gebruikt worden om   e@n   alarmketen in werking te stellen. Tezelfder tijd zal de sterke potentiaaldaling, die optreedt aan de buis van de anode CT2, overgedragen worden op de roosters van alle buizen, bijv.   VA ,   in alle trap- 
 EMI12.3 
 pen van een verdelere D1 en wel via individuele gelijkrichters, zoals RE   in de eerste trap van verdeler D . Deze gelijkrichter is normaal niet geleidend, doch zal nu geleidend worden, waardoor de lage potentiaal aan   
 EMI12.4 
 de anode van de buis CT2 op de stuurrooster van alle buizen van de VR- reeks in de verdeler   Dl gebracht   wordt.

   Deze potentiaal is van de ordre   140-350=   -210 Volt , welke voldoende is om de buizen zoals   VR-.   voorbij het   afsnijpunt   te brengen. 



   Het aanspreken van relais Ar1 heeft tot resultaat, dat ook 
 EMI12.5 
 relais Brl opkomt via, het werkcontact al, en dit laatste relais grendelt zich   nu   via diens werkcontact b10 en het contact kb11 van de sleutel. Door 
 EMI12.6 
 het aanspreken van relais Br1 worden alle contacten geopend, zoals b 11 die de klemmen bijv. P 11 afschakelen van de corresponderende uitgang sketens van de verdeler Dl. Relais Arl zs tevens voorzien van een rustcontact a 121 dat normaal een extra aarde levert voor de anode van de buis CT2.

   Hierdoor kan, wanneer de sleutel   KA   is neergedrukt, nadat een storing in de verde- 
 EMI12.7 
 ler Dl gedetecteerd is, deleten van de hoofdspleten van de buizen OT 2 en CT3 gesloten   blijven,   waardoor indien de storingstoestand voortduurt nadat   @   
 EMI12.8 
 de sleutel KA is losgelaten, de hoofdspleetketen van de buis CT1 via het rustcontact ka,3 opnieuw gesloten kan worden, zodat de buizen CT en CT3   opnieuw     geïoniseerd   kunnen worden als de buis CT1 geioniseerd wordt.

   Anders zouden de tijdconstanten van de keten tot gevolg kunnen hebben, dat de buis CT7 opnieuw   geïoniseerd   werd, indien de storing voortduurt, doch zonder dat nu   de   buizen   CT   en   CT     geïoniseerd   worden, indien de impuls van trans- 
 EMI12.9 
 formator Tl ontvangen wordt voordat de hoofdspleetketen van de buizen C^12 en CT3 via het rustcontact ka tot stand komt. 



  De extra buffertrap D-' 11 omvat, zoals de tekening aangeeft, een buis VA., welke als cathode-follower werkt en waarvan de anode rechtstreeks ver Bonden is met + 150 V, terwijl de kathode verbonden is met -150 V via weerstand R28 en de rooster hiervan gekoppeld is met de kathode 
 EMI12.10 
 van de buis VA3 in de overeenkomstige trap van de verdeler Dl en via condensator C.

   De rooster van VA, is tevens op een bepaalde voorspanning gebracht door een potentiometerscha:kelíng' die de weerstanden R 29 en R # omvat en in serie geschakeld is tussen aarde via de contacten kall of a12 en   -150   V, terwijl de rooster verbonden is met het knooppunt van deze twee 
 EMI12.11 
 weerstanden via de weerstand Ruz1* De positieve impulsen aan de kathode van 

 <Desc/Clms Page number 13> 

 
 EMI13.1 
 VA4 bereiken de klem P'll over het rustcontact b'll van relais Br 1en de klem P'll blijft zodoende op dezelfde wijze als klem P' 11 afgeschakeld als relais   Brl opkomt.   Dit wordt op dezelfde wijze verricht als voor de verschillende trappen van verdeler D1 door een electronische blokkering,

   
 EMI13.2 
 die het gevolg is van'het verlagen van de a.nodepotentiaal van buis CT2' welke overgedragen wordt naar de rooster van alle buizen zoals VA 4in de extra buffertrappen D' 11' D' 12' Du ? D'1 via de gelijkrichter, bijv. RE, zodra de buizen OTZ en CT3 gezoniseerd worden. 



  De vergelijking tussen de impulsen aan de klem F' 11 met die aan de klem P' 21 wordt, zoals reeds boven toegelicht is, uitgevoerd door de poort G11, die in Fig. 3 niet in detail is weergegeven, daar deze identiek is aan de poort Gl12. De uitgangen van de vier poorten Gll' G23' Gaz en G44 worden, daar zij ontkoppelgelijkrichters bevatten, gemeenschappelijk 
 EMI13.3 
 gebra:

  cht op de roosterkathodeketen van een koude kathodebuis Cet,, die de inrichting E12 met twee stabiele toestanden vormt, tezamen met het relais 
 EMI13.4 
 C , dat in de anodeketen is opgenomen in serie met de weerstand R 32 tussen + 150 V in de plaat van T, via de rustcontacten kel, b'lp en b' 201 welke laatste contacten.respectievelijk behoren bij de relais 'Br1 en   Br,   welke echter niet zijn afgebeeld, daar zij op soortgelijke wijze als bij E1 zijn 
 EMI13.5 
 aangebracht in de inrichting E2.

   De besturende electrode van Cet, is via de weerstanden R3 en R 4 in serie, verbonden met -150 V, terwijl het -j' J'4 knooppunt van deze weerstanden verbonden is met de uitgang afkomstig van de 
 EMI13.6 
 poort, zoals Gll' Normaal levert een van de poorten, zoals G, aan zijn uitgang een spanning af, die niet voldoende negatief is om de hulppoort van de buis CT, te verbreken, doch zodra een impuls uitblijft, zal de po-   tentiaal aan het knooppunt van weerstanden R .,.

   en R ,, waarvan de laatstgenoemde een hoge waarde bezit ten opzichte vafi de weerstand (niet   afgebeeld), die deel uitmaakt van de poort, zoals G11, op dezelfde wijze 
 EMI13.7 
 als R15 groot is ten opzichte van R 14' nu voldoende dalen om een negatief potentiaalverschil voort te brengen tussen de besturende electrode en de 
 EMI13.8 
 kathode van OT 49 welke voldoende is om de ionisatie van de buis en daarmede de bekrachtiging van het mederverbonden relais Cr te veroorzaken. Het feit, dat dit relais bekrachtigd is, kan dan op elke passende wijze gebruikt worden om een alarm in werking te stellen. Door het sleutelcontact kc1 van 
 EMI13.9 
 sleutel KC kan de buis GT, 4 gedoofd worden.

   Tevens kan worden opgemerkt, dat zodra het relais Br, of Br (niet afgebeeld) aanspreekt, de buis CT 4niet geïoniseerd kan worden, zodat geen storing aangewezen kan worden in een extra buffertrap, zoals D'11 en wanneer dit een gestoorde verdelertrap is 
 EMI13.10 
 in hetzij D1 of D 2 welke het corresponderend Br relais deed opkomen. Deze taak wordt vervuld door de contacten b'10 en b'0. 



   De uitvinding is geenszins beperkt tot de in de tekening afgebeelde speciale uitvoering, die dan ook elk limitatief karakter mist.

Claims (1)

  1. CONCLUSIES.
    1. Systeem met een aantal m identieke impulsgeneratoren of <Desc/Clms Page number 14> -verdelers met n uitgangen, waarvan n-1 op elk ogenblik een eerste potentiaalwaarde bezitten terwijl de overige uitgangen zich op een tweede potentiaalwaarde bevinden en verder de eerste tweede ..n-de uitgang om beurten deze tweede potentiaalwaarde aannemen gedurende een tijd T, telkens eenmaal gedurende elke volledige impulsperiode nT en waarbij comparator- EMI14.1 middelen aanwezig zijn op de potentialen a,.n e--n of meer uitgangen van een of meer dezer m generatoren te vergelijken, met het kenmerk, dat deze middelen m reeksen van n potentiaalcomp1:
    '.,x'atoren elk met twee ingangen en met één uitgang omvatten, waarbij deze comparatoruitgang een bizondere potentiaal slechts dan aanneemt, wanneer de potentialen aan le beide ingangen van deze comparator een bijzonder voorafbepaald verband ten opzichte van elkaar vertonen, en daarbij zodanig zijn ingericht, dat de eerste ingang EMI14.2 van de i-de comparator (1$ifin) van de j-de reeks (1 fi 1 ± m) gekoppeld is met de i-de uitgang van de j-de generator en dat de tweede ingang van dezelfde i-de comparator van dezelfde j-de reeks gekoppeld is met de EMI14.3 i'-de uitgang van j'-de generator, waarbij i'=z + 1 voor in en 1.'=1 voori=n en identieke betrekkingen tussen j' en j, terwijl de uitgangen voor alle n comparatoren uit dezelfde reeks gekoppeld zijn met een individuele inrichting, die twee electrisch stabiele toestanden bezit,
    welke inrichting normaal in de ene stabiele toestand verkeert en in de andere stabiele toestand kan woden overgebracht, zodra deze bijzondere potentiaal aanwezig is aan een van de uitgangen van de comparatoren, als gevolg wacrvan de corresponderende generator buiten dienst kan worden gesteld en waarbij dit bijzonder voorafbepaalde verband verkregen wordt wanneer twee uitgangen van twee verdelers, die met een comparator zijn gekoppeld, zich beide op deze tweede potentiaalwaarde bevinden.
    2. Systeem met een aantal m identieke impulsgeneratoren of -verdelers met n uitgangen, waarvan n-1 op elk ogenblik een eerste poten- tiaalwaarde bezitten, terwijl de overige uitgangen zich op een tweede po- EMI14.4 tentiaGlwa.:rde bevinden en verder de eerste tweede ...
    n-de uitgang om beur- ten deze tweede potentiaalwaarde aannemen gedurende een tijd T, telkens eenmal gedurende elke volledige impulsperiode MT en waarbij comparatormiddelen aanwezig zijn om de potentialen aan een of meer uitgangen van een of meer dezer m generatoren, met het kenmerk, dat deze middelen twee groepen van m reeksen van n spanningscomparatoren omvatten, elk met minsters drie EMI14.5 ingangen en één uitgang, waarbij deze comparatoruitgang alleen dan een bijzondere potentiaal aanneemt, wanneer de potentialen a@n de drie of meer ingangen een voorafbepaald verband ten opzichte van elkaar vertonen en zo- EMI14.6 danig zijn ingericht, dat de eerste ingang van de i-de comparator (1 4 i i:
    n) van de j-de reeks (1¹j¹ m) in beide groepen zijn gekoppeld met de i-de uitgang van de j-de generator en dat de overige ingangen van dezelfde i-de comparator uit dezelfde j-de reeks in beide groepen respectievelijk gekoppeld EMI14.7 zijn met de i'-de uitgangen van de j'-de generaleen, waarbij i'=i r voor 1<n en i' = 1 voor 1 = n en j' = j + s voor j'< n + 1 en j' = j + s-n voor j' n + 1, waarin r = + 1 en s = "::
    1, 2.... , waarbij de positieve tekens corresponderen met comparatoren uit de eerste groep en de negatieve tekens met die uit de tweede groep, terwijl de uitgangen uit alle 2n comparatoren uit dezelfde reeks in beide groepen gekoppeld zijn met e@n individuele inrichting, die twee electrisch stabiele toestanden bezit, welke inrichting normaal in de ene stabiele toestand verkeert en overgebracht wordt in de andere, wanneer deze bijzondere potentiaal aan een van de uitgangen van de comparatoren aanwezig is als gevolg waarvan de corresponderende generator buiten werking kan worden gesteld en waarbij dit bijzonder voorafbepaalde verband verkregen wordt, wanneer alle uitgangen van de met één comparator verbonden verdeler, alle op deze tweede potentiaal. EMI14.8
    3. Een systeem met een aantal van ml f mz - ..... m x + .... m n impulsbronnen, waarin impulsbronnen van één mreeks op elk ogenblik gelijktijdig op een eerste potentiaalwaarde kunnen zijn, terwijl de overige im- pulsbronnen op een tweede potentiaalwaarde zijn en de eerste, tweede....
    <Desc/Clms Page number 15> n-de reeks impulsbronnen om beurten deze tweede potentiaalwaarde gedurende een tijd T en wel eenmal gedurende elke volledige impulsperiode nT aannemen en een comparatorinrichting aanwezig is om de potentialen van de bronnen van dezelfde m x re@ks vergelijken, met het kenmerk, dat deze inrichting n potentiaalcomparatoren omvat en wel één voor elke reeds mx bronnen en elk met mx ingangen, die respectievelijk gekoppeld zijn met de mx bronnen en met één uitgang, waarbij deze comparatoruitgang slechts dan een bijzondere potentiaal aanneemt, wanneer de potentialen aan de mx ingangen bijzonder voorafbepaald verband ten opzichte van elkaar vertonen en deze zodanig is ingericht,
    dat de n uitgangen van deze n potentiaalcomparatoren alle met één inrichting met twee electrisch stabiele toestanden zijn gekoppeld, elk via individuele koppelmiddelen met eenzijdige richtkarakteristiek, een en ander zodanig, dat de ingangsketen van deze inrichting met twee stabiele toestanden op deze bijzondere potentiaal of een daarmede corresponderende potentiaal is, indien éen comparatoruitgang die bijzonder potentiaal bezit, waardoor deze inrichting normaal in de ene stabiele conditie is, doch over- gaat in de andere stabiele conditie, wanneer geen van deze comparatoruit- gangen zich op deze bijzondere potentia,lwaarde bevindt en waarbij dit bij- zondere voorafbepaalde verband verkregen wordt, wanneer de corresponderende uitgangen van de met een comparator gekoppelde bronnen alle op deze tweede potentia@lwaarde zijn.
    4. Systeem met e@n aantal identieke impulsbronnen volgens con- clusie 1 of 2 en 3, met h3t kenmerk, dat deze bronnen normaal met ge- meeschappelijke belastingen multipel verbonden zijn via koppelmiddelen met eenzijdige richtkarakteristiek, welke zodanig zijn gepoold, dat een belastings- pótentiaal op deze tweede waarde is, wanneer en indien tenminste één van de bronnen, die normaal met die belasting is verbonden, deze tweede waarde bezit.
    5. Systeem met e@n aantal identieke impulsbronnen, die energie afleveren aan een gemeenschappelijke belasting volgens conclusie 1, 2, J en 4, met het kenmerk, dat elk dezer bronnen in staat is minstens i/m1 van de totale door de gemeenschappelijke belasting vereiste energie af te le- veren.
    6. Systeem met een aantal m identieke impulsgeneratoren of -verdelers volgens conclusie l,met het kenmerk, dat de m inrichtingen met twee stabiele toestanden, waarmede de uitgangen van de mn comparatoren respectievelijk zijn gekoppeld, op zodanige wijze onderling zijn verbonden, dat een inrichting in haar andere stabiele toestand verkerend belet, dat andere inrichtingen tezelfder tijd in deze laatste toestand verkeren.
    7. Schakeling voor koude kathodebuizen met een hoofdspleet en een hulpspleet, waarbij een verandering in potentiaal kan verkregen worden in een punt van deze schakeling, welke verandering groter is dan V -V, waarin VA de lonisatiespanning van de hoofdspleten is, waarbij de buis onafhankelijk van de potentiaal aan de stuurrooster van deze buis geioniseerd wordt en V de brandspanning van deze hoofdspleet is, met het kenmerk, dat de hoodspleten van p gelijksoortige buizen in serie verbonden zijn met een weerstand, waarbij de kathode van de ene buis verbonden is met de anode van de volgende en via een potentiaalbron VC, waarin P VA>VC.
BE529009D 1951-07-05 1954-05-21 BE529009A (nl)

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
FR1039405T 1951-07-05
NL178511A NL92296C (nl) 1953-05-21 1953-05-21

Publications (1)

Publication Number Publication Date
BE529009A true BE529009A (nl) 1957-04-26

Family

ID=26235228

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
BE529009D BE529009A (nl) 1951-07-05 1954-05-21

Country Status (1)

Country Link
BE (1) BE529009A (nl)

Similar Documents

Publication Publication Date Title
US3961270A (en) Apparatus comprising a plurality of separate parts, and control apparatus for producing synchronizing control signals for said separate parts
US3769607A (en) Switched oscillator clock pulse generator
US2412642A (en) Electronic telegraph transmitter distributor
BE529009A (nl)
US2802940A (en) Multivibrator circuit
SE421355B (sv) Digital databehandlingsanordning speciellt for jernvegssekerhetssystem
US2418128A (en) Impulse generator
US2901603A (en) Control means for pulse distributors operating in synchronism
US2454089A (en) Regenerative repeater
US2497166A (en) Parallel circuit arrangement for power tubes
US2853606A (en) Electric pulse circuits
US2633557A (en) Signal receiver for discriminating signals
US2724745A (en) Signal amplitude detector and indicator
US3968454A (en) Signaling circuit
US2476963A (en) Pulse generator
US3260865A (en) Generator of high-energy electro-magnetic surges
GB683911A (en) Improvements in station identification circuits for telephone systems
US3938032A (en) Gate pulse power supply for static alternating current switch
RU2775297C1 (ru) Способ и устройство коммутации напряжения питания
SU1705958A1 (ru) Устройство электроснабжени с резервированием
US2902216A (en) Reversible counting apparatus
DE2206969C3 (de) Verfahren und Schaltungsanordnung zur Synchronisation des empfangsseitigen Kanalverteilers in PCM-Zeitmultiplex-Anlagen
US3294919A (en) Convertible binary counter and shift register with interstage gating means individual to each operating mode
RU2037937C1 (ru) Способ контроля каскада наружного освещения
SU1124458A1 (ru) Резервированный генератор