<Desc/Clms Page number 1>
"Inrichting voor het inwerken op biologische verschijnselen",
De huidige uitvinding heeft als voorwerp een in- richting voor het inwerken op biologische verschijnselen, be- staande uit electroden die in een electrische bedieningskring geschakeld zijn en waartussen, door middel van -deze kring, een electrostatisch veld opgewekt en geregeld kan worden.
<Desc/Clms Page number 2>
EMI2.1
,> t ! '"1' tic >o) I,u 't.ii(,h, ",! ÏlihÉé kei lé,kyt heb 1>éiléb 4Ê ! } "' ot dit c1i: j.tUlil éii een 0"'r3e 1,ii>éiewéé+xi>flé +ók ki%tiél# lttÜ>k ; üihxtehs ééh teil lf',¯ ,i1kï 'iliiJi 1i tM ' it een püiküióii e !¯II...i.1 , lk té elektrische bedénél/tsiÏi Ó' ¯ M 6& geëohakeld. iii 11 , iii/iiitiiiitift<llitlllf.l#ltii>tiiiittii<>- ditig is pülhäldti oiii '11 1im;i ad ettbestêb.'II&i."I..'.tlt!IPI81'lta'lllllkllt"lllkltl'I.Jt" aator, een tran#k6bzfto, li " Y ' ,,' ;M. )tir > l .
'h . , , ,, , datieschakelitg ben " '- "i t ( ! \ éeüieschakelihg% 'dit oMSMtMt µéskflü,j() , een spanning met een f>equtiÏ,fian iJlih- éÏ$ 3c, eé gelijk- richteragroep 11, '' , #h Ï(ié"8éi$ÏÏhÏho afvlakkingeoep lk'iéb ii ai ëii!& ikL éh uitschakelbarê modulator m h'h jii()(1))) ()11)()))iÏ)1,kléÏÜ ih Üli' vittd1n begaat tnin8 "'# "1# M Ï#'ÏiÓ'éÏk lÏé eéh üééÓÏÏ.
/. , lj folie die geplaatst is tegen het naar de andere electrode ge- dichte vlak van een draagblad i4*t énote divltdtrische constante , j, ' waarvan de oppervlakte zich tot buiten de randen van de folie flt uitstrekt zodat rondom deze laagste, op get genoemd vlak van 1-
<Desc/Clms Page number 3>
het draagblad, een zone ontstaat die niet door de folie bedekt wordt.
Andere bijzonderheden en voordelen van de uit- vinding zullen blijken uit de hierna volgende beschrijving van een inrichting volgens een bijzondere uitvoeringsvorm van de uitvinding voor het inwerken op biologische verschijnselen ; deze beschrijving wordt enkel als voorbeeld gegeven en beperkt de uitvinding niet ; de verwijzingscijfers hebben betrekking op de hieraan toegevoegde figuren.
Figuur 1 is een voorstelling van een blokschema van een inrichting volgens de uitvinding.
Figuur 2 is een voorstelling van de electrische schakeling van een onderdeel van de in figuur 1 voorgestelde inrichting.
De figuren 3, 4 en 5 zijn graphische voorstel- lingen van de spanning aan de electroden van de inrichting in functie van de tijd.
Figuur 6 is een onderaanzicht, met gedeeltelijke doorsneden, van een electrode volgens een eerste uitvoerings- vorm van de uitvinding.
Figuur 7 is een doorsnede volgens de lijn VII-VII van figuur 6.
Figuur 8 is een onderaanzicht, met gedeeltelijke doorsneden, van een electrode volgens een tweede uitvoerings- vorm van de uitvinding.
Figuur 9 is een doorsnede volgens de lijn IX-IX vun figuur 8.
<Desc/Clms Page number 4>
Figuur 10 is een onderaanzicht, met gedeeltelijke doorsneden, van een electrode volgens een derde uitvoeringsvorm van de uitvinding.
Figuur 11 is een doorsnede volgens de lijn XI-XI van figuur 10.
Figuur 12 is een onderaanzicht, met gedeeltelijk doorsneden, van een electrode volgens een vierde uitvoerings- vorm ven de uitvinding.
Figuur 13 is een doorsnede volgens de lijn XIII-XIII van figuur 12.
In de verschillende figuren hebben dezelfde ver- wijzingscijfers betrekking op dezelfde of analoge elementen.
De in figuur 1 voorgestelde inrichting voor het inwerken op biologische verschijnselen bestaat uit twee door eer electrische kring 1 bediende electroden 2 en 3 die bestemd zijn om in een bepaalde ruimte het electrostatisch veld te regelen.
Wanneer deze electroden 2 en 3 bijvoorbeeld het electrostatisch veld binnen in een lokaal dienen te betnvloeden wordt een van de electroden 2 tegen de zoldering gemonteerd, terwijl de andere electrode 3 tegenover de electrode 2 in de vloer geplaatst wordt of gewoon door de aarde gevormd wordt.
EMI4.1
De bedieniniskring 1 vdfl deze elootroden 2 en 3 is aangesloten op het gewone electrische net dat door wissel- sponning gevoed wordt en wordt achtereenvolgens gevormd uit een tweepolige schakelaar 4 voor het in dienst stellen van de elec- troden 2 en 3, een aardverbinding 5 voor het niet voorgestelde
EMI4.2
metalen omhulsel waarin de elementen van de bedieningekring 1
<Desc/Clms Page number 5>
ondergebracht zijn, een ampèremeter 6, een voltmeter 7, een algemene smeltveiligheid 8, een pulsator 9, een transformator 10, een gelijkrichter of transistoromvormer 11, een spannings- stabilisator 12, een stroomstabilisator 13, een smeltveiligheid 14 ter bescherming van het hoogspanningsgedeelte van de kring 1, een omvormer-oscillator 15,
twee gelijkrichters met apannings- verhogers 16 en 17, een in parallel geschakelde bolastingsweer- stand 18, een aflakkingsgroep 19, een hoogspanningsvoltmeter 20 voor de controle van de toegepaste gelijkspanning, een modulator 21, een controlelampje 22 met een in serie van dit laatste go- , schakelde aangepaste weerstand 23 en ten slotte een belastings- weerstand 24 die in serie voor de electrode geschakeld is die verondersteld wordt het grootste potentiaalverschil ten opzichte van de aarde te vertonen.
De pulsator 9 laat toe de clectrisohe stroom op regelmatige tijdstippen gedurende een bepaalde periode, die meer den één minuut kan bereiken, te onderbreken ten einde een ge- pulseerde stroom te bekomen en aldus aan de electroden 2 en 3 een gepulseerd electrostatisch veld met voorop ingestelde on- derbrekingsperiodes te scheppen. In figuur 3 wordt, in functie van de tijd t, de spanning E voorgesteld, die tussen de elec- troden 2 en 3 bekomen wordt wanneer de pulsator 9 ingeschakeld is. De op deze wijze gepulseerde stroom en de spanning worden bij middel van de transformator 10 hetzij vermeerderd hetzij verminderd.
De transistoromvormer 11 is van het gelende type
<Desc/Clms Page number 6>
en bestaat uit twee transistoren 25 en 26 die elk op een van de uiteinden van de secundaire windingen 2? van de transforma -' tor 8 geplaatst zijn, waarbij een aftakking 28 voorzien is tus- sen de twee uiteinden van de secundaire windingen 27 die met een afvlaksmoorspoel 29, zonder luchtspleet, van het gelijkrich- terdeel 30 verbonden is, Op deze wijze wordt de zelf¯inductie die in de spoel 29 geschapen wordt alleen bepaald door de erdoor vloeiende gelijkstroom. Bij een afnemende stroomsterkte stijgt de zelfinductie en wordt het maximum toelaatbaar spanningsver- lies niet overschreden.
In de spanningsstabilisator 12 en de stroomstabilisator 13 die eveneens van het gekende type zijn, zijn in serie geschakelde transistoren 31, 32 en 33 alsook een zener-diode 34 voorzien. In de collectorleiding van de transistor 31 en in deze van de transistor 32 zijn echter, vol- gens de uitvinding, beveiligingsweerstanden respectievelijk 35 en 36 geschakeld, waarvan de waarde functie is van-de verhouding tussen de basisstroom en de lekstroom. Door deze weerstanden
35 en 36 wordt de collector-emitterspanning gedrukt bij toe- nemende belasting.
Aan de basis van de emittervolgers is een condensator 37 van 0,05 F geschakeld, terwijl op de aftakking van de collectorweerstand 38 van een zener-diode 39 een capa- ' Citieve tegenkoppeling 40 aangebracht is om een slingerende uit- gangsspanning te vermijden.
De omvormer-oscillator 15 vertoont twee transis- toren 41 en 42 die in oscillatie geplaatst zijn en een wissel- stroom afleveren aan de uiteinden van de primaire windingen 43
<Desc/Clms Page number 7>
van een transformator 44. Door de omvormer-oscillator 15 wordt een wisselstroom met een nagenoeg sinussoïdaal verloop bekomen met een hoge frequentie van minstens 20 Kcycles.
Verder zijn de twee transistoren 41 en 42 volle- dig afgeschermd ten einde elke radiostoring en andere invloeden van buiten uit te vermijden. De secundaire windingen 45 van de transformator 44 zijn geschakeld op de gelijkrichter met spanningsverhoger 16. Een dergelijke gelijkrichter 16 bestaat uit twee in cascade geschakelde diodes 46 en 47 met, voor elke diode, een koppelcondensator 48 van nagenoeg 0.01 f.
Het gebruik van deze condensatoren 48 met een dergelijke kleine waarde is mogelijk door het feit dat, zoals hiervoor vermeld werd, de frequentie van de in de gelijkrichter 16 gestuurde wisselstroom minstens 20 Kcycles bedraagt. Adus is de ontlading van de condensatoren 48, ingevolge een aanra- king van een van de electroden 2 en 3, ongevaarlijk.
Een dergelijke gelijkr.chter met spanningsver- hoger vormt een blokelement zodat een aantal van deze elementen na elkaar geplaatst kunnen worden. Dit aontal hangt af van de gewenste spanning.
De belastingsweerstand 18 heeft een waarde von 50 M per spanningsfractie ven 1000 Volt die aan zijn klemmen aangelegd wordt door de hiervoor vermelde spanningsverhogers 15 en 16. Deze weerstand 18, die geplaatst is vóór de ufvlak- kingsgroep 19, staat in voor de bedrijfszekerheid van de ver- schillende transistoren van de kring 1 door bijvoorbeeld de
<Desc/Clms Page number 8>
stroom te beperken bij een eventuele kortsluiting in de kring 1.
Door deze weerstand 18 wordt ook de stroomintensiteit beperkt bij de ontlading van de electrodes 2 en 3 ingevolge een stroom- onderbreking in de kring 1, in het bijzonder bij elke vorm van pulsatie die door de pulsator 9 opgewekt wordt. Hierdoor wordt de veiligheid van de inrichting, volgens de uitvinding, sterk in de hand gewerkt.
De afvlakkingsgroep 19 bestaat uit een hoge weerstand 49, waarvan de waarde gekozen wordt in functie van de potentiaal aan deze weerstand 49 en de stroomintensiteit in deze laatste, en uit twee kleine condensatoren 50 en 51 die in de kring 1 in parallel, langs weerszijden van¯de weerstand 49, geplaatst zijn. De waarde van deze condensatoren 50 en 51 is kleiner dan 0,01/F, Deze kleine waatde van de condensatoren
50 en 51 wordt vooral gekozen als veiligheidsvoorzorg bij een eventuele aanraking vun de electroden 2 en 3.
Deze condensa- toren 50 en 51 kunnen gezamelijk of elk afzonderlijk in dienst gesteld worden bij middel van de schakelaars 52 en 53, naar ge- lang de gewenste vorm van de gelijkspanning die aan de electro- den 2 on 3 dient aangelegd te worden.
In figuur 4 wordt, in functie van de tijd t, de spanning E voorgesteld, die tussen de electroden 2 en 3 beko- men wordt wanneer de pulsator 9 en de condensator 50 en 51 ingeschakeld zijn.
Do modulator 21 last toe een gemoduleerde span.
EMI8.1
ni.ng op de olectroden 2 en 3 toe te possen en de modulatiediepte
<Desc/Clms Page number 9>
Van deze spanning te regelen. Deze modulator 24 kan eveneens in en uit de kring 1 geschakeld worden.
In figuur 5 wordt het spanningsverloop E tussen. do electroden, in functie van de tijd t, voorgesteld wanneer de pulsator 9 en de modulator 21 ingeschakeld zijn en de condensa- toren 50 en 51 uitgeschakeld zijn.
De weerstand 24 laat toe, bij een eventuele over- belasting van de kring 1, de stroom te beperken en bij een even- tuele aanraking van de electroden 2 en 3 door levende wezens de hierdoor ontstane ontlading tot het ongevaarlijke te herleiden.
Tussen de electroden 2 en 3 is, volgens de uit- vinding, over hun onderstel, zoals bijvoorbeeld de zolderin6 of de vloer, waarop ze geplaatst zijn en dat niet in figuur 1 voor- gesteld wordt, een Ohmse weerstand, die en isolatiewaarde heeft van minstens 100 KM aanwezig, ten einde een volledige eleo- trische isolatie van de electroden ten opzichte van hun opgoving te bekomen en op deze wijze de voorwaarden tussen de electroden nauwkeurig te kunnen regelen en controleren onafhankelijk van deze omgeving. Deze laatste wordt hoofdzakelijk gevormd door het gebouw waarin de electroden 2 en 3 opgesteld zijn.
Er werd immers vastgesteld dat slechts voldoeninggevende resultaten op de behandelde organismen bereikt werden wanneer tussen de elec- troden minstens de hierboven aangegeven weerstand aanwezig was.
Door deze zeer hoge weerstand wordt het electrosatisch weld volledig geconcentreerd tussen de electroden.
In de figuren 7 tot 13 worden een reeks electro-
<Desc/Clms Page number 10>
EMI10.1
dih 2 en,$. tceii ., y IJd ri de bzz. richting 0&icB±# a,!...t't"k,I Mnnën *ÏbÏ"Ï !áb einde een vervorming van de kraöh-ëlisnan ; invloed ten de omge- I f. ,d 1 I 1 ." . ving tot een minimm te hêidthH en éé lér d ki-acntlijnen @ gevolgde banen niet te laten afwijken buiten de door de elec- troden beheerste ruimte zur !
EMI10.2
Y4,G7ll . i f ' 0< ,Ïó , CC77ité eiio%9ótS bestaat uit een dunne m'á3. ,, t l,atst is tegen een i' y,,j ,;
1 draagblad 56 et één r?io ctit3r constante De opper- vlakte van dit draagblad 56 éü groter dan deze van de folie 55 zodat rondom ééiié laatste een it±1 van iil ébaagblté µ6 gevormd . wordt die niet door de aiie 55 bedekt wordt en toelaat de in- vloed van randeffecten, bijvoorbeeld door de omringende muren vloed van randeffecten, bijvoorbeeld door de omringende muren uit gewapend beton, op deze electrode in grote mate té vermijden,
EMI10.3
De in de ligui,n 8. en $ reosedelde electrode " , I' t' ik ' r 9 i vertoont een metaalfolie ,cie.;..et 4e1;
putieit 57 Qbii±<en is, waarop zich een hoge ladingsoonc-entratie ken voordoen, zodat de electrostatisehe kicti'éi t' ï .f 9'? bijzonder idóg zijn krachtlijnen ervan 111 . '1 van zijn en de krachtlinen ebvsn ! aM,nïl 'ea a fihin 7 zich nagenoeg loodrecht b he M4LHj LI t!1 ietstê uit- strekken. Deze kretüéiiikii %Ïéééi bl ,t1 n16é beïnvloed door fectoren van süiaéa uit tn li!11 jl¯ ,a UI.H é, iii> troden aanwezige massa's, zoals te behandelen levende wezens, waardoor het electrostatisch veld een ongestoorde werking op deze massa's kan doorvoeren.
Op een voordelige wijze worden deze stralings-
<Desc/Clms Page number 11>
punten 57 gevormd uit opstaande bramen die ontstaan bij het oor boren van de folie 55. Deze bramen vormen een groot aantal zeer fijne onregelmatige punten die verondersteld worden de reden te zijn van dit eerder onverwacht effect op het gericht zijn en de stabiliteit van het tussen de electroden 2 en 3 ge- schapen electrostatisch veld.
Op een voordelige manier zijn de perforaties 58 die tot het vormen van de bramen aanleiding gegeven hebben in de folie 55 aangebracht in evenwijdige rechte lijnen, waarbij de perforaties van een lijn verschoven zijn ten opzichte van de perforaties van de naburige lijnen, ten einde een zo veel mogelijk homogeen veld te bekomen,
In de figuren 10 en 11 wordt een electrode voor- gesteld waarvan de metaalfolie 55 zodanig geplooid wordt dat op regelmatige afstanden opstaande evenwijdig ribben 59 gevormd worden. Hierdoor wordt een veld bekomen dat in dichtheid. lichtjes wisselend verandert volgens een richting loodrecht cp deze van de ribben 59 en dat eveneens gericht is door de aan- wezigheid van een hoge ladingsconcentratie op de toppen van de ribben.
Bij de in de figuren 12 en 13 voorgestelde elec- trode zijn de randen 60 van de metaalfolie 55 omgebogen naar /oppervlak/ het buiten van deze laatste zodanig dat de krachtlijnen uitgaande van deze scherpe randen 60 grotendeels naar dit opper- vlak gericht worden om een zijdelingse afvloeiing van deze krachtlijnen tegen te gaan.
De inrichting volgens de uitvinding laat dus toe
<Desc/Clms Page number 12>
op een heel eenvoudige wijze de meest verschillende electro- statische velden tussen de electroden 2 en 3 te scheppen door het al of niet inschakelen van de pulsator 9, de afvlakkings- groep 19 en de modulator 21. Ook kan de intensiteit van deze velden gemakkelijk gewijzigd worden. Verder kan de regeling ven de velden zeer nauwkeurig geschieden. Aldus kunnen bij middel van eenzelfde inrichting al de mogelijke toestanden, wat het electrostatisch veld betreft, geschapen worden naarge- lang de biologische verschijnselen waarop ingewerkt dient te worden.
Anderzijds kan wegens de juiste keuze van de combinatie van verschillende bepaalde schakelingen en onderdelen in de kring 1, op een totale veiligheid en bedrijfszekerheid gerekend worden bij het ih gebruik stellen van de inrichting bij voorbeeld voor het behandelen van levende gevoelige wezens,
De uitvinding is natuurlijk geenszins beperkt tot de hiervoor beschreven uitvoeringsvormen en binnen het raam van de huidige octrooiaanvrage kunnen meerdere veranderingen overwogen worden.
De inrichting kan bijvoorbeeld ook aangepakt
EMI12.1
worden om op een ge11Jksponn1ngabron geschakeld te worden.